beter gekend, dan zou er voor mij geen oogenblik van ongerustheid
zijn geweest. Voor sawah-aanleg was het land niet geschikt en de
dunne primitieve bevolking niet rijp, terwijl de civiel-gezaghebber
zich, gelijk meerdere zijner collega's, in de eenzaamheid tot een
machthebber had ontwikkeld, met een behoefte aan vertoon van gezag,
waarop hij geen aanspraak had.
Uit mijn portefeuille overhandigde ik hem toen een schrijven van zijn
chef, den Resident van Ternate, waarin deze ambtenaar hem verzocht
ons voor het beoogde doel behulpzaam te zijn bij het uitzetten van
een concessie-terrein achter Tobelo.
Dat hielp; de tegenstand sloeg over in dienstijver en
dienstvaardigheid. We werden uitgenoodigd het ontbijt te komen
gebruiken, wat we met beide handen aannamen. Nog vóór dien waren de
plannen voor den dag gemaakt, die daarin bestonden dat we in zijn
gezelschap den omtrek eerst eens zouden opnemen, om bij benadering
een punt van uitgang te bepalen. Ook hier waren indertijd reeds
eenige grenssteenen in het bosch geplaatst voor een concessie, die,
om hare uitgestrektheid, waardoor de bevolking der kampong geheel
van het achterland zou worden afgesneden, door het gouvernement was
geweigerd. We wilden trachten een dezer oude grenssteenen op te sporen.
Aan het ontbijt maakten we kennis met twee Indische dames, de jonge
vrouw van den civiel-gezaghebber en hare tante, die haar pleegmoeder
was geweest. Welopgevoed en beschaafd en, zooals Indische dames zijn,
gemakkelijk in den omgang, was deze kennismaking ons zeer welkom,
en gelijk overal de vrouw het verzachtende, gezellige element brengt,
dat ons dadelijk thuis doet gevoelen, zoo ging het ook hier; aan de
keurig verzorgde en goed voorziene tafel kwam, na de onaangenaamheden
der prauwreis, een behagelijk gevoel van huiselijkheid over ons.
Het huisje, in welks achtergalerijtje we daar zaten, was opgetrokken
op een vloer van cement, die slechts even hooger lag dan de grond
van het erf. Op dien vloer stond, van houten stijlen vervaardigd met
dwarsbalken van bamboe en hout, het geraamte van het huis, waarvan de
wanden tusschen die verticale en horizontale stijlen waren ingevuld
met de gaba-gaba, de lange, ontbladerde hoofdnerf van den arènpalm. In
diepe breede kerven, in de horizontale dwarsbalken gesneden, worden
deze gemiddeld 5 cM. dikke nerven, die vooraf op de passende lengte
zijn gemaakt, op handige wijze met hunne uiteinden geschoven en wel
zoo, dat de concave en convexe zijde tegenover elkaar komen, waardoor
er, nadat zij goed zijn aangedrukt, een stevige en ondoorzichtige 5
cM. dikke wand ontstaat. Wel is zulk een huis met zijn dunne wanden
zeer gehoorig, doch overdag zit men er nooit en tegen wind en regen is
dit bouwmateriaal in dit klimaat zeer voldoende. Met een dak van atap
en nog een zoldertje van gaba-gaba krijgt men een geriefelijk geheel,
waarin men zich in het land van zon en warmte wonderwel thuis voelt.
Het duurde niet lang of de vrouw des huizes informeerde met
belangstelling, waar we gedurende de eerste maanden onzen intrek
dachten te nemen. Toen zij vernam, dat wij bij een bekenden Chinees
alhier, Ong Keng Tjong, wilden trachten een kamer te huren, bood
zij aan, wanneer we met weinig tevreden zouden zijn, een klein
uitbouwtje als bijkantoortje door haar man gebruikt, aan ons als
slaapgelegenheid af te staan, terwijl we ons verder als huisgenoot
zouden kunnen beschouwen.
Hier ontmoetten we de oude hooggeroemde Indische hulpvaardigheid,
waarvan we dankbaar gebruik maakten. Zoo kort aan land en reeds zooveel
hulp en tegemoetkoming, deed het beste verwachten, en welgemoed zag
ik dien morgen onze toekomst in.
Na het ontbijt gingen we, begeleid door den civielgezaghebber en den
kapala-kampong, die ons den weg in het woud zou wijzen, met eenige
Tobeloreezen, gewapend met parangs (lange hakmessen), op stap om de
eerste verkenning te doen.
De huisjongen zou intusschen voor de aankomst der bagage en voor de
inrichting der slaapgelegenheid zorgen, alwaar juist ruimte genoeg zou
zijn voor het opslaan der beide veldbedjes en het plaatsen der koffers.
We gingen den breeden weg van hedenmorgen verder, die door de kampong
evenwijdig aan het strand liep. Nette huisjes en miniatuur toko's
van hout en gaba-gaba opgetrokken, waarin Ternatanen en Chineezen
hun handel dreven, lagen aan weerzijden; we passeerden een pasar,
waar veel inlanders, mannen en vrouwen, kochten en verkochten en
ons in 't voorbijgaan nieuwsgierig aankeken. Na een brugje over een
kali te zijn gepasseerd, zagen we links van den weg een laan van
galalaboomen met geelgevlekte groene bladeren, aan welker einde een
huis lag dat zeer groot scheen te zijn; het was het huis van den
oudsten zendeling. Iets verder passeerden we weer een dergelijke
woning, waar de jongste zendeling, de directeur van de kweekschool
voor goeroes (inlandsche godsdienstonderwijzers) woonde. Daarna
stonden er nog slechts de huisjes der oorspronkelijke bewoners, de
Tobeloreezen. Deze menschen waren, ondanks een 16-jarige vestiging
der Zending in hunne nabijheid, nog steeds heidenen gebleven, wat
aan hun kleeding en ook aan hun huisjes aanstonds was te zien.
De christen-inlander kleedt zich niet meer alleen met den lendengordel,
doch draagt steeds een wit of gestreept baadje en een gekleurde
katoenen broek, terwijl hij den hoofddoek heeft afgeschaft. Zijn
huisje bestaat uit een paar kamertjes met vensters en een kleine
voorgalerij over de gansche breedte van het huis, terwijl de heiden
hier nog meest in zijn donker achthoekig huisje met hoog dak, dat aan
alle zijden uitsteekt, woont. Onder het vooruitstekende dak voor zulk
een huisje kan men steeds een of meer bewoners op lange rustbanken
zien zitten of languit voor het donkere van het inwendige zien liggen,
terwijl zij daar slapen of soezen.
De weg werd smaller en bleek steeds minder begaan; links en rechts
wisselden klapperaanplantingen van Chineezen met huisjes en wilden
groei van allerlei geboomte.
Steeds waren we de kustlijn gevolgd, een plek zoekende van waar we,
zonder veel tuinen der bevolking te snijden, in het binnenland
konden dringen. Het lag in mijn bedoeling een gedeelte van het
concessieterrein aan de zee te laten grenzen, om zoodoende steeds
van een geheel vrijen weg daarheen verzekerd te zijn.
Het punt, dat we zochten, was na een half uur bereikt. Rechts de
zee, links opgeschoten hout en glagah. Van hieruit drongen we het
binnenland in, voorafgegaan door de mannen met de parangs. Na een
dicht warnet van glagah, een plant die zich om alles slingert wat
in haar bereik komt, waarbij zij moeilijk doordringbare hagen vormt,
bereikten we de djoeramé's (tuinen der inlanders), waar alang-alang,
afgewisseld met aanplantingen van rijst en mais, in groote velden
manshoog stond. De geheele woudrand bleek hier door een breede strook
van tuinen van de kust te zijn gescheiden. Overal staken pisangs,
papaja's en nangkaboomen uit, en daartusschen stonden de huisjes
der menschen. Uiterst schamele primitieve huisjes, die somtijds uit
niets meer bestonden dan uit een dakje van atap op een paar stijlen,
waarbij de wanden geheel of gedeeltelijk ontbraken; daaronder een
rust- of slaapbank waarop menschen en kinderen in luiheid neerlagen,
de laatsten somtijds erg geplaagd door vliegen, die op hun vuile
zweren aasden. Opmerkelijk was het verschil tusschen deze menschen en
hunne woningen met die welke dichter aan de kust waren gelegen. Ze
schenen hier tot de paupers onder hun rasgenooten te behooren. Doch
met dezelfde vrijmoedigheid werden we hier door de mannen aangekeken
en ontvangen; de vrouwen en meisjes echter zag ik bij onze nadering
soms vluchten of wegkruipen en de kinderen toonden hun vrees door
angstige huilende gezichten. Gladakkers, de ellendige vermagerde
honden in Indië, hongerige scharminkels, die elke menschelijke zorg
van hun inlandsche meesters ontbeerden, blaften en jankten benauwd
en renden weg of verscholen zich achter hun baas.
Zoo bereikten we de grens van het woud. Eerst hier zou een terrein
op groote schaal kunnen worden uitgezet, want de bevolking, gehecht
aan haar bezit en wantrouwend tegenover den Europeaan, had nog nooit
veel neiging getoond het door haar ontgonnen terrein aan Europeesche
liefhebbers tegen betaling af te staan, doch ook hierin zou eenmaal
wel verandering komen.
Dank zij den kapala-kampong en de ons begeleidende Tobeloreezen
vonden we in het woud een der grenssteenen, die we zochten. Van
hieruit begon het interessante werk om het beste stuk uit te zoeken.
Het duurt echter geruimen tijd, alvorens men in zulk een oerwoud,
waar dikke en dunne stammen en struikgewas elk overzicht beletten,
is georiënteerd. Toen we dien eersten dag laat tegen den middag
huiswaarts keerden en in de gloeiende zon over de smalle paadjes
tusschen de heete alang-alang liepen, was het me niet duidelijk,
hoe hier ooit een overzicht te zullen krijgen. Na maanden echter
voelde ik me er even vertrouwd als in het open veld, en leerde ik de
rintissen en voetpaadjes en de kronkelingen der kali even goed kennen
als de straten van mijn geboortestad.
Elken dag trokken we nu met een colonne werkvolk, die zeer in aantal
wisselde en soms tot dertig man aangroeide, soms tot vijf à zes slonk,
bij het krieken van den dag door met dauw bevochte alang-alangvelden
naar het bosch, waar dan gehakt, gegraven en onderzocht werd. De bodem
bleek te bestaan uit verweerde vulkanische stoffen, de tuf. Deze
poreuze gronden, door het zware eeuwenoude woud met een dikke laag
humus bedekt, waren wel tot de vruchtbaarste en meest geschikte voor
de klappercultuur te rekenen. Zoo gingen we hier met ijver verder en
zouden in elk opzicht met de bereikte resultaten tevreden zijn geweest,
wanneer we niet dag aan dag geplaagd werden door de onzekerheid omtrent
het werkvolk, dat steeds met moeite mee te krijgen was. Het bracht
Verster soms tot wanhoop, die, gedrukt door de verantwoordelijkheid
welke hij in Holland op zich had genomen, liefst een honderdtal
tegelijk had zien opkomen. Zonder de hulp van den civiel-gezaghebber,
die de menschen herhaaldelijk tot werken aanspoorde, zou het er echter
nog droeviger mee gesteld zijn geweest. Voor een geregelde ontginning
zou de komst der contract-koelies moeten worden afgewacht.
Een bezoek aan de zendelingen gebracht, had tot resultaat, dat door
den invloed van den oudsten de bewoners van de nabijgelegen kampong
Pitoe genegen bleken te zijn, tegen ruime betaling een tweetal groote
koelieloodsen op een door ons aan te wijzen terrein te bouwen;
en hiermede was dan een aanvang gemaakt met de prille jeugd eener
cultuur-onderneming.
Het was juist een week na onze aankomst te Tobelo, dat ik me weer op
zee bevond en nu in de gouvernementsmotorboot op weg naar het eiland
Morotai, dat van Tobelo uit op een afstand van ruim 40 K.M. over de
zee was te zien.
De civiel-gezaghebber had mij uitgenoodigd, hem op een driedaagschen
inspectietocht daarheen te vergezellen, waarbij mij dan de gelegenheid
geboden werd iets van dat eiland van meer nabij te leeren kennen
en tevens om een klapperaanplant van 7000 boomen op twee der kleine
koraaleilanden, die voor de Westkust van Morotai lagen, in oogenschouw
te nemen. Deze beide eilandjes, Dodola-Besar (groot) en Dodola-Ketjil
(klein) zouden, als zijnde ons eigendom, te zamen met het nieuw
aangevraagde terrein te Tobelo in exploitatie worden genomen.
In mijn dagboek vind ik over deze reis het volgende:
23 November 1912. Half zeven vertrek uit Tobelo. Aan boord de
civiel-gezaghebber en mijn persoon, een Madoereesche motorist en
tevens stuurman, benevens een gevangene als matroos. De zee is hol,
er staat een sterke bries, zoodat de boot geducht schommelt. Er
worden vischlijnen uitgegooid, waaraan zware haken met kunstaas,
een vischje gesneden uit lichtgekleurden boombast.
Om half negen komt Mitita in 't zicht, een laag eiland, als
voortzetting van de zuid-westelijke landpunt van Morotai. Om elf uur
liggen we voor die landpunt.
Eindelijk heb ik dan de eenzame plek bereikt, waar ik volgens de
plannen uit Holland met een vestiging had moeten beginnen. Deze
landpunt is een uitbouw van koraal aan het eiland, waarschijnlijk een
opgeheven zeebodem, geheel met zwaar hout bedekt. Morotai daarachter,
heuvel na heuvel tot den top der hoogste bergreeks zwaar begroeid. Geen
mensch, geen huis, geen prauw is op het vele kilometers lange strand
tot aan de onbewoonbare rizophorenkust in het noorden te bekennen. De
zee is ook verlaten. Welke plannen hebben er over eene ontginning
aan deze verlaten kuststrook gespookt in het hoofd van den man,
die gedurende 3 jaren civiel-gezaghebber van Noord-Oost-Halmaheira was?
Er blijft me hier, met de tastbare werkelijkheid voor oogen, niet veel
over dan mijn schouders op te halen en eens over mezelf en anderen
te glimlachen.
De zee is spiegelglad tusschen Morotai en de kleine koraaleilanden voor
de kust. We passeeren Kokoja, dan Dodola-Ketjil en Dodola-Besar. We
kunnen de klapperaanplantingen zien. Door het heldere, stille water
nemen we op den bodem in allerlei kleurschakeeringen en vormen
de bouwwerken der koraaldiertjes waar. 't Zijn de zoogenaamde
zeetuinen. Door een hevigen ruk aan een der vischlijnen breekt
de verklikker (een dun touwtje, waarmee de lijn een eindje is
opgebonden). Ver achter ons zien we telkens opspattend water,
veroorzaakt door een spartelenden visch, die in snelle vaart door
de motorboot wordt meegetrokken. De beide inlanders palmen dol van
vreugde de lijn snel in. Nu de vangst dicht bij de boot is gekomen
werpt de inlandsche matroos zijn drietand, waarmee hij den zwaren visch
binnenboord tilt. 't Is een tjankalang, slank als een schelvisch. Een
oogenblik later breekt er weer een verklikker. Nu is 't een bobara,
een korte, dikke visch met een rooden buik. Telkens breekt er nu een
verklikker en telkens is er gejuich aan boord, de inlanders gillen
van de pret.
Het eene koraaleilandje na het andere, met namen als Ngèle-Ngèle
of Galè-Galè, wordt gepasseerd, allen vol klapperboomen. Riffen en
ondiepten. Half drie te Wayaboela, de eenige kampong van belang op
het 60 K.M. lange en 30 K.M. breede Morotai. Hier zullen we den nacht
doorbrengen. De Sangadji, het inlandsche hoofd, door het gouvernement
aangesteld, komt ons op de wankele pier tegemoet. We nemen onzen
intrek in het posthuis.
Kennismaking met den heer A. van Renesse van Duivenbode. Een der
leden van de groote familie van dien naam, waarvan de overgrootvader
ruim honderd jaren geleden naar de Molukken kwam. Hij, hoezeer
verinlandscht, is toch man van eenige ontwikkeling en met het
aangeboren welopgevoede van den kleurling. Zijn woning is het huis
van een inlander, gemeubeld met eenige stoelen, een tafel en een
paar kasten uit de dagen van de Compagnie. Een Indische rommel. Hij
toont me waardevolle schilden van reusachtige schildpadden, en eenige
mooie exemplaren van takkenkoraal, een algensoort, die men hier aan
den bodem der zee vindt vastgegroeid en achabaché noemt.
's Avonds in het posthuis muziek van de grammophoon van Renesse. Een
serie van de meest banale liedjes. Groote toeloop van inlanders.
Op verzoek van den civiel-gezaghebber wordt de tjakalélé gedanst. Een
weinig wilde krijgsdans, waarbij wat met speren en schilden (de
salawako's) wordt gezwaaid. Men slaat er bij op de tifa, een soort
trom, in een eentonige, meer of minder snelle cadans. En tevens wordt
hierbij gespeeld het spelletje van het touwtrekken, wela wela genoemd,
waarbij aan het eene eind van het touw zich jonge mannen scharen aan
het andere eind slechts jonge meisjes. Terwijl zij elkaar nu minder
eerbare liedjes toezingen, wiegen zij met hun lichamen heen en weer,
om somtijds, na afloop, twee aan twee in de wouden te verdwijnen. Zulke
spelen zijn een doorn in het oog van den zendeling. De heidensche
Alfoer stoort zich hieraan echter niet.
29 Nov. 1912. 's Morgens met Renesse op de wilde varkensjacht. 't
Wild breekt onverwacht en ongezien tusschen ons door. 's Middags
vermoeid. Alleen onder het galerijtje van het posthuis. Lezende,
teekenende en droomende, gaat de middag voorbij. Gevoelens van
verlatenheid in dit onbekende verre uithoekje der wereld. Hoe kom ik
hier verdwaald? Verdiept geweest in Vosmaer's "Amazone". Tegenstelling
tusschen de uitingen van dien toegespitsten, verfijnden geest en de
wereld die mij omringt. Zou ooit dit boek in zulk een omgeving gelezen
zijn? Het verre uitzicht over zee is een troost. Bij het avondlicht
wordt de motorboot zichtbaar, waarmede de civiel-gezaghebber en
Renesse van een tocht naar een der koraaleilandjes terugkomen.
's Avonds weer de tjakalélé, waarvoor ik me interesseeren moet,
en weer draait de grammophoon haar tingel-tangelliedjes af. Een
kersversche Hollander vindt dat inlandsche gedoe sinister en zoo
ver van hem af. Nog meer sinister vindt hij den vulgairen smaak van
zijn gezelschap, en hij gevoelt zich nog eenzamer dan tijdens het
alleenzijn. In het vuile slaapkamertje van het posthuis, verlicht door
een petroleumlampje, is mij dan eindelijk de rust op mijn veldbedje
recht welkom.
25 Nov. 1912. Vertrek om 6 uur 's morgens van Wayaboela. Renesse
gaat mee naar Tobelo. Een kist eetbare vogelnestjes aan boord, door
inlanders in grotten aan de kust bijeenverzameld voor de soepjes van
Chineesche lekkerbekken.
Bezoek aan de Dodola's. Landing zeer moeilijk door de vele
riffen. Mooie klapperaanplanting, oorspronkelijk door Renesse
geplant. Men is hier met vijf man onder een mandoer bezig de tuinen van
onkruid en jongen opslag te bevrijden. Zacht glooiende strandjes en
landpunten van wit koraalzand rondom de eilanden. De beide eilandjes
zijn bij laag water door een droogloopende bank van dat zand,
helwit in het felle zonlicht, verbonden. Schilderachtige inhammen
en baaien. Veel muskieten en een ondragelijke hitte. Het moet op
deze kleine eilandjes veel heeter zijn dan op de grootere eilanden,
waar de bergen voor afkoelende luchtstroomingen en grooteren regenval
zorgen. Na bezichtiging en instructies aan den mandoer terugreis over
een zee zoo spiegelglad, dat ik den indruk krijg over een ijsvlakte
te varen.
Terugkomst in Tobelo. Verster klaagt over de slechte opkomst van
werkvolk tijdens de afwezigheid van den civiel-gezaghebber. Als reden,
dat ze niet meer werken wilden, hadden ze opgegeven dat ze zoo moe
waren van de vorige dagen.
De tobberijen met het werkvolk bleven aanhouden en alle maatregelen
en alle moeite om eene eenigszins geregelde opkomst te verzekeren,
waren vruchteloos. Daarbij kwam nog, dat de Paketvaartboot van Java,
die eens per maand Tobelo aandeed en die ons berichten en goederen uit
de beschaafde wereld zou brengen, 6 dagen over haar tijd binnenviel
en de vele bagage, die we op Ternate hadden achtergelaten, aldaar
had laten staan. Zoo bleven we, tenminste weer voor een maand zonder
boekhouding, zonder bijlen en parangs enz., i. e. w. zonder het
allernoodzakelijkste om te regelen en op te schieten.
Aan boord raakte ik met eenige heeren in gesprek, die jarenlang in
deze streken, en niet zonder succes, handel dreven en die belangen
hadden bij de cultures. Hun conclusies na veel ervaringen waren
(volgens aanteekening in mijn dagboek): "Men komt hier verder met
pessimisme dan met optimisme. Ik heb dat zelf ondervonden. Vroeger was
ik namelijk ook optimist", en de ander, die met vreemd werkvolk bezig
was een klapperaanplant aan te leggen: "Men kan niet met de menschen
uit deze streken werken. Werken ze twee dagen dan luieren ze er zeven."
Hoe anders en hoeveel nuchterder en dichter bij de werkelijkheid klonk
dit dan de adviezen in Holland van onzen raadsman ontvangen. Echter
zou later, tot niet gering voordeel, blijken, dat werkvolk, geworven in
andere naburige residenties, z.g.n. contract-koelies of contractanten,
hier belangrijk goedkooper te krijgen was dan overal elders in den
Archipel.
Hoezeer de Hollanders in Indië, met hun energie uit de gematigde
luchtstreek meegebracht, ook het geheele maatschappelijke raderwerk in
gang zetten en door hun stuwkracht in gang houden, zoodat alles wat
heele of halve bruine broeder is wordt meegesleept, toch gevoelde ik
dat deze energie op de inerte massa dezer bevolking voorloopig nog,
ook met de grootste krachtsinspanning, vergeefsch zou zijn.
Zoo vind ik nog in mijn dagboek: "Reeds vijf dagen zoekt Mainaky,
inwoner van de kampong Tobelo en handelaar, een prauw en drie mannen
om hem naar Morotai te brengen. Ieder weigert uit luiheid." En nog
dit curieuze staaltje, als bewijs van de goedmoedigheid die hier nog
heerschte: "Een pradjoerit, inlandsche politieagent, die de kunst van
haarknippen verstaat en als zoodanig door ons wordt ontboden, laat
melden, dat hij momenteel te dronken is van het sagoweergebruik om dit
te kunnen doen. Morgenochtend zal hij geen sagoweer drinken en is dan
bereid ons van dienst te zijn. De man is notabene tevens cipier van de
gevangenis. Hij zit gewoonlijk als beste maatjes met zijn gevangenen
op een bank voor het huisje dat de gevangenis moet verbeelden."
Ondanks den aard der bevolking slaagden we er in, de grenzen van
een mooi terrein van 1000 bouws nauwkeurig af te zetten en in kaart
te brengen. Het lag geheel in het oerbosch, waarvan een breede weg
over vlak terrein tot het strand werd gemaakt. Bij de duizenden
bouws vruchtbare gronden, die hier nog onaangetast lagen, bleek
het niet noodig voorloopig de hand op meer te leggen. Nu we zoo ver
waren gekomen, werd het noodig, dat ik mij naar Ternate begaf ter
regeling van verschillende zaken met het Residentiekantoor en voor
verdere belangen. Juist een maand na onze aankomst te Tobelo, bood
zich een welkome gelegenheid aan, om mij daarheen te begeven. De
kleine gouvernementsstoomer "Nora" had, op de reede van Tobelo,
het anker laten vallen met bestemming naar Ternate.
Het is in streken met slechte verkeersmiddelen als deze, aan
particulieren, na verkregen verlof van de autoriteiten, geoorloofd van
de regeeringsvaartuigen gebruik te maken. Zoo greep ik deze gelegenheid
dankbaar aan, daar de Paketboot, op haar reis naar Nieuw-Guinea,
eerst na 14 dagen zou terugkeeren en naar Ternate stoomen.
Verster zou tijdens mijn afwezigheid te Tobelo blijven en intusschen
trachten, zooveel mogelijk met het werk op te schieten. Nog aan boord
van de Nora deelde hij mij zeer ontmoedigd mede, dat zich dien morgen,
ondanks al zijn moeite, slechts vier man op het werk hadden gemeld.
HOOFDSTUK IV.
TERUG NAAR TERNATE.
Het vooruitzicht om als eenig Europeaan een kalme 24 uren aan boord
van het bootje te zullen doorbrengen, was me niet onaangenaam. Op een
gemakkelijke bank op de brug gezeten, waar de inlandsche kapitein naast
den roerganger aan het stuurrad stond, tuurde ik over de zee en langs
de lange kust, die zich aan bakboord naar het Noorden uitstrekte. De
overgang van het dagelijksch verblijf in het schemerlicht en het
beperkte uitzicht van het oerwoud, van 't meten en roepen en draven
door versch geslagen rintissen, waar men telkens strompelde over
boomstronken en wortels, in gezelschap van halfnaakte kerels, naar het
volle licht aan boord, met het verre uitzicht en de frissche zeelucht,
gevoegd bij de comfortable netheid der inrichting van het scheepje,
was zoo allerkostelijkst, dat ik me eerst eens onverdeeld aan die
indrukken overgaf.
We zouden om de noordpunt van Halmaheira varen en den nacht in een
beschutte baai van de Loloda-eilanden voor anker gaan, om den dageraad
van den volgenden dag af te wachten, daar strenge orders den kapitein
verboden zich 's nachts met het kleine vaartuig op zee te wagen.
Nog in ander opzicht was het me niet onwelkom, de sfeer van Tobelo
voor korten tijd vaarwel te kunnen zeggen. Zooals op zoovele
buitenposten, waar weinig Europeanen te zamen zijn, heerschte ook
hier een atmosfeer van spanning tusschen de families der blanken,
die op den duur onhoudbaar moest worden. Tusschen het huis van den
civiel-gezaghebber en dat van den oudste der zendelingen was een
wrijving ontstaan, die zich uitte in wederzijdsche tegenwerking en
een drukke, onverkwikkelijke correspondentie, die den onstuimigen
bestuursambtenaar tot het uiterste prikkelden en hem meer dan eens den
uitroep ontlokte: "Hij of ik! maar een van ons beiden moet hier weg!"