Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
EEN JAAR IN DE MOLUKKEN.
PERSOONLIJKE ERVARINGEN BIJ 'T VESTIGEN EENER CULTUURONDERNEMING.
Door H. R. Roelfsema.
So sehnt sich der unruhigste Vagabund
zuletzt wieder nach seinem Vaterlande
und findet in seiner Hütte, an der Brust
seiner Gattin, in dem Kreise seiner
Kinder, in den Geschäften zu ihrer
Erhaltung all die Wonne, die er in der
weiten, öden Welt vergebens suchte.
Goethe.
Die Leiden des jungen Werthers.
Erstes Buch. Am 21 Junius.
HOOFDSTUK I.
DOEL MIJNER REIS.
Voor een avontuurlijk gemoed was de opdracht, waarmede ik naar Indië
was vertrokken en me nu in October 1912 te Ternate bevond, om in de
wolken te zijn.
Het doel mijner reis was, in 't kort, het onderzoeken der geschiktheid
van reeds aangevraagde concessieterreinen op Halmaheira en omliggende
eilanden voor de cultuur van klappers en, zoo mogelijk, een onderneming
voor een dergelijke cultuur op een dier terreinen te vestigen. Een
planter van ervaring, die hiervoor twee weken eerder uit Holland was
vertrokken, zou mij daar ter zijde staan. Op Java hadden we elkaar
ontmoet en wij hadden te zamen de reis naar de Molukken aanvaard.
Zoo waren we dan ter hoofdplaats der Residentie Ternate aangekomen
en hadden ons geïnstalleerd in het eenige hotel van dit plaatsje. Om
ons op de hoogte te stellen van land en volk, menschen en toestanden,
was daar de beste gelegenheid, daar alle verkeer van dit gewest over de
hoofdplaats gaat. Regelingen konden hier gemaakt, maatregelen genomen
worden, terwijl we de laatste voorbereidingen konden treffen voor de
tenuitvoerlegging der plannen, waarvoor we gekomen waren.
Nu is het verschil tusschen plannenmaken in Holland en de uitvoering
daarvan in Indië wel zeer groot, vooral wanneer die plannen moeten
worden uitgevoerd in een weinig bekende streek, waarvan alle gegevens,
die men ontvangt, nog even onbetrouwbaar zijn.
Van de terreinen, die ons voor onderzoek waren aangewezen, werd door
den oorspronkelijker aanvrager, die eenige jaren in deze streken
vertoefde, een als het meest geschikte genoemd, waarom men in Holland
besloten had op die plek met de eerste ontginning aan te vangen.
Dit terrein lag op de zuidwestelijke punt van het eiland Morotai,
dat ten Oosten van Halmaheira gelegen, slechts door een zeestraat
ervan gescheiden was. Klimaat en bodem moesten er zeer gunstig zijn,
werkvolk zou men er in voldoenden aantal kunnen vinden, terwijl de
aanvoer van goederen en levensmiddelen en de afvoer van producten
zeer gemakkelijk zou gaan. Nu vindt men in de Molukken en vooral op
Halmaheira terreinen in overvloed voor de voordeelige klappercultuur,
terwijl het klimaat op de laaggelegen gronden overal gunstig is.
Echter, naast deze groote vruchtbare complexen van maagdelijken
grond, waarop zwaar oerwoud staat, is voor de ontginning daarvan, op
Halmaheira, behoefte aan goed werkvolk. De betrekkelijk schaarsche
bevolking, die uitsluitend aan de kust woont, heeft hier van
de vroegste tijden af gezeten en sinds die tijden nauwelijks een
hand uitgestoken om in haar levensonderhoud te voorzien. De weinige
behoeften in dit warme klimaat, de overvloed van levensmiddelen, welke
in deze streken, waar de sagoboom inheemsch is, op de gemakkelijkste
wijze door dezen boom wordt geleverd, leidden tot eene luiheid, waarvan
men in Europa geen denkbeeld heeft. Voor eenigen geregelden, zelfs
lichten arbeid waren deze menschen voorloopig nog zeer ongeschikt.
De eerste kennismaking met de Ternataansche bevolking en de verhalen,
die ik van de daar wonende Hollanders vernam over de luiheid van het
menschdom in deze streken, waren van dien aard, dat ik al spoedig
inzag mijn energie, versch uit Holland meegebracht, tegenover deze
inerte massa in geduld om te moeten zetten. Het eenige middel er iets
te bereiken, zou zijn mee te leven met den zooveel langzameren polsslag
hier, aan te sporen, op te wekken en naar omstandigheden te handelen.
Toch was ik niet gaan twijfelen aan de goede uitvoering van een
gedeelte mijner aantrekkelijke opdracht, namelijk om de eerste
grondslagen te leggen voor een klapperonderneming, waar ontgonnen
en geplant zou worden naar de nieuwste eischen. De invoer van
contract-koelies uit andere residenties, een der noodzakelijke
voorwaarden om te kunnen slagen, bleek, hoewel bezwaarlijk, mogelijk;
het gewestelijk bestuur betoonde sympathie met mijn plannen en
beloofde alle hulp. Daarbij zou de cultuur van klappers op de gronden
dezer streken zeer eenvoudig en daardoor ook zeer lucratief zijn, en
tevens bleken de overige voorwaarden, om met goeden uitslag te kunnen
planten, geheel naar verlangen te zijn. Omtrent het tweede gedeelte
mijner opdracht, het onderzoek van diverse concessieterreinen voor de
klappercultuur zeer in het groot en het vestigen van ondernemingen
op verschillende punten tegelijk, was ik minder gunstig gestemd
geworden. Deze streken bleken naar den eersten indruk voor zulke
groote plannen nog niet rijp te zijn; integendeel leken zij hier bij
voorbaat tot mislukking gedoemd. Wij zouden echter nader zien.
Eerst eens iets over klappercultuur en hare vooruitzichten.
Van oudsher is de klapperboom of cocospalm (de cocos nucifera)
de zegen der tropen geweest. Nuttiger boom is moeilijk denkbaar,
en het is geen wonder dat men schreef, dat de klapperboom, alleen,
reeds in staat is aan een primitieve inlandsche maatschappij alles te
leveren, waaraan zij behoefte heeft. In alle tijden is de cultuur van
dezen palm in handen der inlanders geweest en door hen op inlandsche
wijze gedreven, wat zeggen wil, dat men nooit veel heeft nagedacht
over de eischen, die deze boomen stellen om tot volkomen ontwikkeling
te komen. Men plantte waar men toevallig woonde, plantte altijd veel
te dicht naast elkaar, en droeg slechts weinig of geen zorg voor den
nuttigen boom. Het toeval wilde echter, dat hij, dankbaar voor een
geregelde bemesting en een schoongehouden grond, dit beide vond in
de naaste omgeving dier huisjes, zoodat daar waar deze voorwaarden
op grooter afstand van de woonsteden der inlanders gewoonlijk niet
te vinden waren, de klapperboom een kommervol bestaan leidde.
Door de groote vraag op de wereldmarkt naar vetten gebeurde het,
dat het gedroogde vleesch van de noot, de zgn. copra, waaruit de
olie of het vet wordt bereid, jaar op jaar in prijs steeg, zoodat de
cultuur in het groot steeds voordeeliger werd. Chineezen en Europeanen
legden zich toen steeds meer daarop toe, met het gevolg dat men in den
Indischen Archipel reeds uitgestrekte terreinen met dezen boom vindt
beplant, welke waardevolle en groote winsten afwerpende bezittingen
bleken te zijn.
Het was het schoone vooruitzicht der winsten met die cultuur te
behalen, dat mij, naast de behoefte tot een daad, verleid had tot
een reis zoo ver van huis, gedreven had van een veilig milieu naar
een onbeschermde moeilijke positie in een streek, waar niemand mij
kende en waar alles mij vreemd was.
Doch, laten we 't maar eerlijk bekennen, nog altijd bezit het geld
zijn oude aantrekkingskracht en spoort misschien meer dan ooit tot
daden aan, waarvan de belooning in de verte schittert. Totdat we ook
eenmaal moeten bemerken, als het doel is bereikt, dat het ook daar
niet is, om dan tot onze verbazing in te zien, dat het geluk niet
grooter is dan eertijds, neen, dat het gerafeld en gescheurd is op
weg naar de fata morgana.
Maar nog lag het als doel in de verte voor me, en voelde ik ook door
mijn leven en streven in de Indische maatschappij reeds bedenkelijke
scheuren en rafels komen in 't gelukskleed der rustige gedachte van
een leven van meer contemplatie, toch ging ik zonder omzien verder,
gedreven door den eenmaal aanvaarden plicht en begeleid door den lust
tot avonturen.
In Holland hadden we onze plannen opgezet, die in de verte dikwijls
zoo eenvoudig en zoo voordeelig lijken en het ook kunnen zijn,
maar onverwachte en onvoorziene omstandigheden halen niet zelden in
de praktijk meedoogenloos een streep door de mooiste rekening. Met
dergelijke omstandigheden zal men, vooral in de verre Buitenbezittingen
van onzen Oost, nog jarenlang rekening dienen te houden.
Daar wonen buitendien nog menschen, die met een rijke fantasie belast,
op gebrekkige of losse gegevens zonder deugdelijk onderzoek, plannen
bouwen, die voor de uitvoering in de harde werkelijkheid veel te
luchtig zijn opgezet en waardoor de verbeeldingrijken in Holland kunnen
worden meegesleept. Hoeveel er op deze wijze in Indië gezondigd wordt
is niet te zeggen. In de Buitenbezittingen echter is het schrikbarend
en de plannen van ondernemende zwervers, die tijdens mijn verblijf in
de Molukken met hun stokpaardjes bij mij kwamen, als ze vernamen met
welk doel ik naar Indië was gegaan, waren zoo talrijk, dat ik weldra
al die voorstellen, plannen en goede wenken voor kennisgeving aannam
of hun aanried hun kostbare wetenschap toch in de eerste plaats ten
eigen nutte aan te wenden. Ik voelde me, nu ik de toestanden met eigen
oogen leerde kennen, reeds voldoende slachtoffer van deze richting,
om mijn ondernemingszucht niet een strenge zelfbeperking op te leggen.
Ik was in dien eersten tijd te Ternate, terwijl mijn metgezel en ik
weinig opbeurends voor onze plannen vernamen en nu aan alle zijden aan
kritiek bloot stonden, daarbij kennis maakten met dat afgesloten leven
op de Moluksche eilanden, waar uit den aard geen gang in zat, dikwijls
genoodzaakt uren te verbeuzelen, nietsdoend, afwachtend, verlangend
naar bedrijvigheid onder den druk eener vage onzekere toekomst.
Zoo was ik vaak weinig hoopvol gestemd en de zucht naar avontuur en
geld, was somtijds nauwelijks een prikkel meer.
HOOFDSTUK II.
PER PRAUW VAN TERNATE NAAR TOBELO.
Mijn reisgenoot, de planter Verster, was van zijn eersten
onderzoekingstocht naar Halmaheira en Morotai te Ternate teruggekeerd
en had goede en slechte tijdingen meêgebracht. Het bleek ons na
besprekingen alras, dat het terrein op het eiland Morotai, niet alleen
door zijn ongunstige ligging voorloopig niet voor exploitatie in
aanmerking kon komen, maar ook niet wegens gebrek aan werkkrachten,
en dat alle verdere hulp ontbrak, daar de geheele landpunt uit vrees
voor de booze geesten, de Soeangies, door de vroegere bewoners verlaten
was en nog slechts enkele overblijfselen van vervallen nederzettingen
aan hun voormalig verblijf herinnerden.
Het beste en meest gunstig gelegen terrein werd nu op de kaart door ons
uitgezocht, en de keus viel op de vlakke vruchtbare gronden achter de
kampong Tobelo, de belangrijkste plaats aan de Oostkust van Halmaheira
en zeer gunstig gelegen. Eens in de maand werd het plaatsje aangedaan
door een boot van de Paketvaart; we waren dus terstond in het verkeer
opgenomen, een voorname factor om te kunnen slagen. Tevens hadden zich
hier twee zendelingen van de Utrechtsche Zendingsvereeniging gevestigd,
terwijl het gouvernement was vertegenwoordigd in den persoon van een
civiel-gezaghebber. We mochten er op rekenen niet zonder hulp van
deze Europeanen te blijven, wat van groote waarde zou zijn bij het
moeilijk werk dat ons te wachten stond. Waar we onze werkzaamheden
zouden aanvangen, moest alles van den beginne af worden opgebouwd;
van het oerwoud moest een bewoonbaar cultuurland worden gemaakt, met
loodsen en huizen enz.; zelfs moest in de wildernis eerst nog het
gedeelte worden uitgezocht, dat in ontginning zou worden gebracht,
zoodat het vooruitzicht in de nabijheid dier wildernis woonplaatsen
van Europeanen te zullen vinden ons zeer welkom was.
Het was in alle opzichten een goede ruil, die we zouden doen, en
met dit goede vooruitzicht maakten we ons gereed per prauw naar
onze toekomstige standplaats te vertrekken. Intusschen hadden we
een koeliewerver de opdracht gegeven naar Menado en de Sangir-
en Talaut-eilanden te gaan, om de eerste contractkoelies aan te
werven. Het zou drie à vier maanden moeten duren, alvorens wij dezen
man met zijn aangeworven contractanten op Tobelo konden verwachten,
in welken tijd er uitzicht bestond met behulp der kampongbewoners,
die reeds een vijftiental jaren onder den invloed van Europeanen
stonden, de allereerste werkzaamheden te kunnen beginnen.
Het was den 12den November 1912, toen we 's morgens om 8 uur in twee
prauwen van Ternate van wal staken, koers zettende naar het Oosten, de
smalle landengte van Dodinga, die Noord- en Zuid-Halmaheira verbindt,
tegemoet.
Het was in de vroege uren van dien morgen een gepak en gesleep en
geschreeuw van belang geweest, om tijdig weg te komen; en hadden we
niet dankbaar den steun en het gezelschap van den zendeling Laschuyt
aanvaard, die eveneens overstak om, na een reis door zijn afdeeling
naar zijn post, waar we heden hoopten te overnachten, terug te keeren,
dan hadden we allicht nog vele uren met heen en weer loopen verloren,
alvorens we de luiaards in de prauwen hadden meegekregen.
In de eene prauw zaten, behalve de roeiers, drie Europeanen,
nl. Laschuyt, Verster en ik, met onze voornaamste kostbaarheden,
papieren en geld. Onder dit geld was een kistje met duizend
rijksdaalders, dat door zijn waarde en onhandige zwaarte mij reeds
heel wat zorg had gegeven. Dien morgen had ik het reeds een tijdlang
in de onverschillige handen van een der roeiers boven het water zien
bungelen, toen hij tot aan zijn buik in de zee wandelde om de prauw
te bereiken, waarin hij het onverschillig neergooide. Ieder oogenblik
had het, tot mijn niet geringe onrust, geleken of hij het in het water
zou laten ploffen, waar het in den zachten, zandigen bodem aanstonds
een eind zou wegzakken en allicht onvindbaar zou zijn.
Voor contante betalingen aan de inlandsche bevolking waren we wel
genoodzaakt geweest deze rijksdaalders, de ringgits, zooals men
ze hier noemt, mee te nemen. Deze munt is voor die menschen de
eenheid waarmede zij rekenen, ja, is hier en daar, als in enkele
streken van Nieuw-Guinea, nog het eenige gangbare geld. De ringgit
is het geliefkoosde geldstuk, dat wordt opgepot en waarmede de
betaling van gewichtige overdrachten geschiedt. Zoo betaalt de
bruidegom den bruidschat in blanke ringgits aan zijn toekomstigen
schoonvader. Guldens en pasmunt mogen te gebruiken zijn, maar niet
in groote hoeveelheden, terwijl betalingen aan de oorspronkelijke
bevolking in papier steeds bezwaren ontmoet. Men is dan genoodzaakt den
zendeling of een ander vertrouwd persoon te hulp te roepen, die naast
het papiergeld de waarde in ringgits legt, alvorens de Tobelorees of
Galelarees of hoe al die stammen en stammetjes op Halmaheira heeten
mogen, teleurgesteld het papier aanneemt.
In de andere prauw zat op een tiental koffers en kisten, de rest zou
met de boot volgen, onbeweeglijk onze huisjongen, een Madoerees,
die luisterde naar den bijnaam Ketjil, d. i. klein. Naast hem
stond een mandje met twee miauwende katjes, die voor de toekomstige
huishouding werden meegenomen, terwijl hij verder de zorg had voor
een kakelbonte papegaai, een beest dat hier in bijna geen huishouding
ontbreekt. Straks zonden we kleurige groote en kleine papegaaien en
witte en gele kakatoe's bij troepen in de hooge boomen zien en hooren,
zooals we ze in grooten getale in Ternate aan het strand hadden zien
te koop aanbieden, of hadden zien slingeren aan stokken en kettingen
in de galerijen der huizen en van het hotel.
Met een zacht windje mee, voeren de prauwen over de wijde watervlakte,
die begrensd wordt door de kusten van Halmaheira, de eilandjes Tidore
en Ternate. Deze beide laatsten zijn niet anders dan twee vulkanen,
die op hun ronde basis zacht glooiend uit de zee oprijzen, dan steeds
steiler worden tot een hoogte van respectievelijk 1620 en 1579 M.
De eerste is totaal uitgedoofd, doch de laatste vertoont steeds een
rookpluim en kan nog wel eens onheilspellend grommen en den grond doen
sidderen. Of er nog eens gevaar dreigt voor de inwoners aan den voet,
is bijna zeker bevestigend te beantwoorden; maar het "wanneer?" en
"hoe erg?" doet de menschen rustig blijven wonen, evenals overal
elders op de wereld, waar een noodlot eeuwenlang dreigt.
De huizen van Ternate, onder het zware groen verscholen, verdwenen
spoedig uit het gezicht; de witte Kedaton, waar de Sultan woonde,
met een open grasvlakte ervoor, bleef nog lang zichtbaar, evenals de
lichtgekleurde romp van den gouvernementsstoomer, die ter beschikking
van den resident soms wekenlang op de reede lag.
We lieten de beschaving achter ons en zwalkten in onzen notedop,
in een verblindend zonlicht, dat uit den hemel viel en uit de zee
weerkaatste, naar 't lange eiland dat daar voor ons lag. Dat eiland
van zijn noord- tot zuidpunt 350 K.M. lang, langer dus dan de langste
rechte lijn die door Nederland valt te trekken, was behalve door de
inlandsche bevolking, door 8 zendelingen en 2 civiel-gezaghebbers met
hunne families bewoond, de eenige Europeanen, die er zich toentertijd
hadden gevestigd. Wij, mijn reisgenoot en ik, zouden het dozijn vol
maken en daarmede tevens den derden beschavingsfactor brengen, die
naast het gouvernement en de zending in Indië bestaat--de cultures.
Terwijl we daar voeren, staande in de prauw en leunende tegen het
afdakje, dat in het midden tot beschutting tegen den regen was gebouwd,
werd de hitte, nu de middag naderde, steeds grooter, en steeds feller
weerkaatsten de zonnestralen op het water, waartegen geen tropenhoed
beschermde.
De zendeling met zijn breedgeranden hoed, zijn gebaard, bruin
en ernstig gezicht, zijn pajong, waarmede hij zich tegen den
allerergsten zonnegloed trachtte te beschutten, deed mij in dat
primitieve vaartuigje, met een bruinen roeier aan zijn voeten, aan
een lang vergeten plaatje uit mijn kinderjaren denken, toen ik van
Robinson en zijn trouwen Vrijdag droomde en met een popelend hart
dat romantische leven in gedachten meeleefde.
In de werkelijkheid is het vaak anders, en terwijl ik daar half
luisterde naar het gesprek van mijn reisgezelschap, waren mijn
gedachten niet bij avonturen, doch dwaalden terug naar Holland,
naar den eigen haard, dien ik verlaten had, en onwillekeurig tuurde
ik over de zee in de richting van het Noord-westen, waar dat alles
gelegen was. Doch we gingen steeds nog verder naar het Oosten, zooals
ik nu reeds maandenlang dienzelfden kant was uitgegaan.
Een hevig gekraak riep mij plotseling uit mijn droomerijen wakker. Het
kleine afdakje in het midden der prauw was ingevallen door het
gewicht der beide converseerende heeren, die ten slotte, moe van
het lange staan, zich daarop hadden neergezet en nu tot amusement
van alle opvarenden lagen te spartelen tusschen de gevolgen van hun
onnadenkendheid.
Het intermezzo was mij welkom, we ontwaakten uit een zekere verdooving
en zetten ons nu aan den maaltijd, waarvoor het reeds lang tijd was
geworden. Intusschen naderden wij de kust van Halmaheira zoo dicht,
dat we de inhammen en de kreken duidelijk konden onderscheiden en
spoedig met zekerheid konden bepalen welke richting we moesten sturen
om de monding der kali te vinden, die we nog een eindweegs hadden op
te varen, alvorens voet aan wal te kunnen zetten.
Het water werd ondiep, de roeiers sprongen uit de prauw en duwden en
trokken het lichte vaartuigje door het water de kali in, die aan beide
oevers dicht met laag hout was begroeid. Zoo kwamen we tenslotte aan
eenige huisjes en sprongen met blijdschap aan land, na 8 uren in het
kleine ding te hebben gestaan en gezeten.
We waren op de landengte van Dodinga aangekomen, waar Halmaheira op
z'n smalst is. Nog vóór het invallen van den avond wenschten we met
onze talrijke bagage de andere zijde der landengte, die hier slechts
5 K.M. breed is, te bereiken, om met de daar wachtende prauw van den
zendeling nog vóór den nacht in zijn huis op Pasir Poeti aan te komen.
Na eenigen tijd verscheen ook de prauw met onzen huisjongen, de katjes,
de papegaai en de talrijke bagage.
De inlanders uit de kleine kampong aan den oever keken nieuwsgierig
naar ons doen en laten, zonder neiging te toonen een hand uit te
steken. Toch hadden we hen noodig, om de zware koffers aan lange
houten palen over de landengte te dragen (te pikelen). Door den
invloed van den zendeling kregen we het, na langen tijd wachten en
na veel gepraat over de betaling, gedaan en een lange karavaan van
menschen, die twee aan twee een zwaren koffer pikelden, zette zich
over een veel beloopen pad in beweging. Wij volgden; voor mij uit
ging mijn huisjongen, die de geldkist torste, terwijl de papegaai in
veel benauwenis op zijn rug heen en weer bungelde.
Langzaam rees de weg die ons door velden van alang-alang en langs hoog
geboomte voerde, terwijl overal laag bij den grond in het wild ananas
groeide die haar roode kern vertoonde, waaruit de harde stekelige
bladeren te voorschijn kwamen.
Reeds spoedig zagen we naar de andere zijde, op de pashoogte (40 M.),
tusschen het geboomte de watervlakte van de Kaubaai glinsteren en een
wijder panorama voor ons liggen. Het was tegen den tijd, waarop het
al te felle licht, dat loodrecht uit den hemel viel, plaats maakte
voor een licht dat over het landschap speelde; de atmosfeer scheen
reiner en blanker te zijn geworden nu de hitte van de middagzon haar
niet meer trillen deed; kleuren werden getooverd in de hoogste sferen
boven ons, terwijl achter ons, in het Westen, een geweldige opstand
kwam van kleurig licht. De dag ging scheiden en dit noopte ons tot
spoed, want de Indische schemering is maar kort.
De Kaubaai, die daar voor ons lag, dringt in dit grillig gevormde
eiland dieper door dan een der andere diep insnijdende baaien,
de Boeli- en de Weda baai. Nog 5 K.M. verder en het eiland ware in
tweeën gesneden geweest; nu echter ligt hier het knooppunt, van waar
vier armen naar het Noorden, het Oosten en het Zuiden wijzen. Ook
het naastbij-gelegene grootere Celebes heeft vier soortgelijke
armen welke in die richtingen wijzen, waardoor een merkwaardige
overeenkomst tusschen die grillig gevormde eilanden bestaat. Beiden
hebben hun ontstaan aan vulkanische werkingen te danken, doch hoe
zij die opvallende overeenkomst hebben verkregen, schijnt ook voor
de geologen nog een onopgelost probleem te wezen.
Aan de dichtbegroeide steile en hooge kust aangekomen, leidde een
kunstige, door inlanders aangelegde trap naar de oppervlakte van het
water, waar we een kleinen inham vonden, die aan drie kanten door
steile oevers en hoog geboomte was afgesloten, terwijl de vierde
zijde naar de baai open lag.
Hier zou volgens afspraak de groote prauw van den zendeling met de
roeiers moeten liggen, om ons naar Pasir Poeti te brengen, doch van
die prauw was geen spoor te ontdekken. Wel lag er afgetakeld en met
verroest ijzerwerk en kettingen een kleine klipper verlaten op het
strandje, als een sombere, troostelooze verschijning, machteloos om te
helpen. We zetten ons neer op de talrijke bagage en overlegden wat ons
te doen stond. Kwam er geen prauw, dan zouden we hier den nacht moeten
doorbrengen, tenzij het een der dragers nog mocht gelukken door het
bosch te dringen en in een nabijzijnde kampong de menschen te bewegen
ons over te roeien. Gelaten wachtten we, nu het inmiddels stikdonker
was geworden, ons lot af bij het licht van een kaarslantaarntje.
Tusschen de omlijning der silhouetten van het hoog oprijzende geboomte
was een stuk heldere sterrenlucht zichtbaar, waar we den Kraanvogel
met zijne lange schitterende sterrebeenen zijn bedachtzamen stap
zagen doen. De zwarte wanden van de diepte, waarin we zaten, waren
verlicht door krioelende vuurvliegjes, als levende lichtjes op talrijke
kerstboomen; uit het woud klonk het nachtelijk gesjirp en helsche
geraas van duizenden insecten, en terwijl we daar zaten te wachten,
voelden we over ons komen het geheimvolle van den Indischen nacht. Een
bivak zou in deze omgeving zijn eigenaardige bekoring hebben, en reeds
wilden we eenige toebereidselen maken, toen over het water, reeds zeer
dichtbij, een vlerkprauwtje kwam aanglijden, door een tweede gevolgd.
Hoe nu in die duisternis al onze bagage in de prauwtjes werd gestuwd,
is me een raadsel gebleven, doch na eenigen tijd zat ik goed en wel
op de geldkist in het midden van een dier vaartuigjes te schommelen
op de onstuimige golven van de baai. Het weer was omgeslagen, een
sterke lauwe wind was opgestoken, de sterren begonnen te verdwijnen
en een zware bui dreigde. Het zeewater lichtte, elke pagaaislag gaf
een kolk van vuur te zien, elke klets van een der vlerken, die door
het schommelen beurt om beurt uit en in het water gingen, werd tot
een vurige streep. De tweede prauw hielden we door het licht, dat
ook zij op die wijze in de duisternis uitstraalde, steeds in het
oog. Weldra schommelden we als bezetenen te midden van die vurige
strepen en kolken en toen de golven steeds hooger rezen, hadden ook zij
lichtende kruinen, die op ons afkwamen als draken met vurige bekken. De
branding bruiste met veel geweld tegen de kust en straalde eveneens
licht uit. De lucht werd steeds zwarter, buien pakten zich samen en
het werd de vraag of we nog droog het huis van den zendeling zouden
bereiken. Het antwoord op die vraag duurde slechts kort, de regen
begon te stroomen en maakte ons in korten tijd tot op de huid toe nat,
doch het kon onze lachende stemmen niet dooven, opgewekt als we waren
door het dolle spektakel der elementen in dien heksenketel rondom ons.
Eindelijk naderden we het punt waar geland moest worden, waar hooger
op de kust een lichtje zichtbaar was, dat spetterde uit het huis van
den zendeling.
De landing in de duisternis en in de geweldige branding, die de
zwaarbeladen prauwen op het strand dreigde stuk te slaan, was uiterst
lastig. Er bleef ons slechts over, uit het vaartuigje in zee te
springen en tot aan de borst door het woelende water naar het land te
waden. Mijn horloge, portefeuille en lucifers, hoewel reeds kletsnat,
deed ik in mijn zonnehoed, die toen zoo vast mogelijk op het hoofd
werd gedrukt. Mijn reisgenoot zorgde voor de papieren, in een city-bag
geborgen, en ik zelf nam de geldkist voor mijn rekening. In het lauwe
water, waarin een aanrollende golf mij bijna van de been had gegooid,
bleef ik staan, dank zij die zware kist op mijn schouder. Op den tast
waadden we in het diepe duister verder, tot het droge was bereikt.
We lieten onze koelies verder met de bagage scharrelen en gingen,
door den zendeling geleid over het onbekende pad, het welkome huis
tegemoet. De kletsnatte bagage volgde.
Na een verkwikkenden slaap deed ik 's morgens de deuren van mijn
slaapkamer open en zag daar het mooiste panorama voor mij liggen,
dat ik tot dusver in Indië had gezien. Werkelijk in dit landschap
was op dit uur iets liefelijks en stemmingsvols, zooals het in het
rijzende licht van den jongen dag voor mij lag.
Van den heuvel, die den omtrek beheerschte en waarop het huis
stond, zag men de oevers van de Kaubaai zich evenwijdig naar het
Noord-Oosten uitstrekken, tot zij in de verte in den teêren morgennevel
verdwenen. Heuvelachtig, dichtbegroeid land, dat zich tot lagere
bergen ontwikkelde, rees aan den horizon op, waartusschen een wijde
waterspiegel blikkerde en glom. Over dit landschap welfde zich een
transparante atmosfeer van fijngekleurde morgentinten.
Kort is in Indië het weldoende oogenblik van den morgen, als de
zonnestralen over de aarde scheren. Snel rijst de zon en brengt ons
den zomerdag met zijn hitte en steeds weer den zomer en steeds weer
de hitte.
Deze natuur staat onder een eentoniger licht dan die der noordelijke
landen, ook is zij zelve veel eentoniger. Van Padang tot Halmaheira
doorreisde ik in eenige maanden den Archipel over een afstand van
3600 K.M., gelijk aan dien van de Noordkaap tot Athene, en over dien
afstand had ik het karakter van het land zich niet merkbaar zien
wijzigen, terwijl in elken tijd van het jaar het landschap hetzelfde
voorkomen heeft.
Overal had het donkere zinnobergroen overheerscht; overal hadden de
klapperboomen met hun wuivende kruinen, de pisangs met hun gladde
stille bladeren dezelfde karakteristiek bij de nederzettingen der
menschen aan het landschap gegeven; overal had dezelfde bergvorm, die
van de lange oprijzende lijnen der vulkanen, gedomineerd; nooit hadden
de wisselende grootsche vormen van een rotsgebergte mijn oog bekoord,
overal was hetzelfde vlakke strand, soms van wit soms van donker
zand, langs de kusten te zien geweest, en over dat alles had steeds,
wanneer niet een regenwolk het licht onderschepte, een zon geschenen,
die hoog uit de lucht haar stralen pardoes naar de aarde zond.
Zelden was de natuur liefelijk geweest, zelden grootsch, doch altijd
ontzagwekkend, soms angstwekkend door haar macht, die nog de macht der
menschen overheerschte. Deze natuur maakt ons klein, doch stemt niet
bescheiden, gelukkig, noch wijst ten hemel en verheft. Het natuurgenot,
zooals wij dat kennen, 't welk ontstaat door de afwisselende pracht der
jaargetijden en door de sterkere contrasten van kleuren, door fijne en
wazige overgangstinten, ontbreekt. Deze altijd gelijke natuurtafereelen
brengen ons in een droom, in den droom die ligt op de gezichten der
inlanders, voor wie een eentonig droomleven gelukzaligheid beteekent,
van hen, die nooit wisten van den opwekkenden prikkel der noordelijke
landen. En zoo ontberen we hier, totdat we tenslotte de ontbering
niet meer gevoelen, den weldoenden invloed van ontroeringen, die de
natuur der gematigde luchtstreek ons zoo dikwijls schenkt.
In de galerij van zijn huis verscheen de zendeling in het
gemakkelijke morgentoilet en noodigde ons aan het ontbijt. Hij was
alleen, zijn vrouw en kinderen waren om gezondheidsredenen te Ternate
achtergebleven, hoe gaarne zij ook naar Pasir Poeti waren teruggekeerd,
waar zij zich in de eenzaamheid in eigen huis gelukkiger gevoelden,
dan in het bedenkelijk slechte hotel, dat wij gisteren met vreugde
hadden vaarwel gezegd.
Aan tafel gezeten, volgden we naar het gebruik van het huis eerst de
morgenwijding, die met bijbellezen begon en eindigde met gebed. Tijdens
den maaltijd bespraken we onze plannen voor de verdere reis. De
hulpvaardige zendeling was genegen ons zijn groote prauw met roeiers
af te staan, waarin tevens alle bagage kon worden meegenomen.
De duur van de reis, die nu voor ons lag, zou geheel van een meer
of minder gunstigen wind afhangen. De afstand tot Tobelo bedroeg nog
ruim 100 K.M., die door hem eens bij gunstigen wind in ruim 12 uren
was afgelegd, doch waarvoor men meermalen met zulk een groote prauw
3 dagen en meer had noodig gehad.
Terwijl alles voor ons vertrek werd gereed gemaakt, bezagen we de
geheele nederzetting, zooals die hier uit de wildernis door den
zendeling was te voorschijn geroepen.
Een kerk, een school, een timmerwerkplaats en nette huisjes, waarin
christen-inlanders woonden, stonden op een uitgezocht plekje bijeen als
een kostelijk brandpunt van beschaving in de wildernis van de somber
stemmende wouden, waarmede het achterland was begroeid, en te midden
van de lugubere samenleving der primitieve heidensche bevolking. Noode
nam ik afscheid van de veilige haven, die me zoo kort had geherbergd
en van den man, die in zelfverloochenende plichtsbetrachting hier
zijn nuttig leven sleet.
De prauw lag gereed, de bagage was onder het beschuttende dakje
gestuwd, waar tevens een veldbed en een matras was gespreid, waarop we
de eerstvolgende dagen voor een groot gedeelte zouden doorbrengen. Vier
roeiers zaten voor en vier achter in de prauw. Onder hen was een
albino, een man met witte haren, een licht rose huid en lichtschuwe
roode oogen. Hij stak onsmakelijk af tegen zijn bruine broeders. Met
hun gebronsde huid, gaven dezen in hunne naaktheid niet den minsten
aanstoot, men went daaraan ook als totok spoedig; doch van den anderen
met zijn berimpelde lichte huid, die vol wratten zat, zouden we gaan
schuwen als van een melaatsche.
Met hartelijken handdruk namen we afscheid van onzen gastheer;
toen dreven we, kalm voortgeroeid in onze hulk, de wijde Kaubaai
in. De felle zon dwong ons weldra onder het beschuttende afdakje
plaats te nemen, waar ik op mijn veldbed onder het zachte deinen der
boot gelegenheid en rust vond om mij aan correspondentie en lectuur
te wijden.
Verdiept in een boek, dat me in klein burgerlijke toestanden naar
Duitschland verplaatste, was het een vreemde gewaarwording eensklaps
tot de werkelijkheid om mij heen te worden teruggeroepen en door
de groote openingen van de wanden van het afdakje, de lichamen der
naakte pagaaiende inlanders, het van zonlicht glinsterende water
en nog na drie uren Pasir Poeti in de nabijheid te zien. Langzaam,
heel langzaam gingen we verder, de hitte en de eentonigheid brachten
ons dien dag in een dommel, en tijdens den koeleren nacht kwam het
niet tot een verkwikkenden slaap.
Vier en twintig uren hadden we zoo in de prauw doorgebracht, soms
eens even naar buiten kijkend, soms ook de roeiers aanmoedigend,
die tijdens de uren van den nacht, toen de noordenwind dreigde ons
weer terug te drijven, het liefst hadden gerust. Dan bliezen deze
christenen op een groote schelp; een doffe doordringende toon klonk
over het water, waarmede zij hoopten de geesten, die den tegenwind
brachten, gunstiger te stemmen.
We voelden ons lusteloos, zwaar in het hoofd en slap, toen we na dat
eerste etmaal in Kau aan land stapten en door dik, mul zand in een
verschrikkelijke hitte tusschen kamponghuisjes naar een kleinen toko
gingen om eenige inkoopen te doen. De eigenaar, Rompies genaamd, half
Chinees half Ternataan, ontving ons met een natuurlijke wellevendheid
en een zekere bescheidenheid, die al deze menschen eigen is. Ver
boven den inlander staande, vormen zij den nuttigen middenstand van
kleine tokohouders in deze afgelegen streken. Zijn vrouw bracht ons
een kop thee, dat kostelijk verkwikte. Zoo verkwikte ons ook een bad,
waarvoor hij ons de gelegenheid in zijn mandiekamertje aanbood, dat
van bamboestijlen en wanden van gedek (platgeslagen bamboe) gemaakt,
wel zeer primitief, doch voldoende was.
Van den eigenaardigen primitieven smaak dezer menschen getuigden de
kleurige gladde prenten van vorstelijke personen in uniformen met
veel rood en veel ordeteekenen, die in het voorgalerijtje hingen en
die we later bij deze soort menschen als de gewone wand versiering
zouden leeren kennen. Zoo hingen hier de keizer van Duitschland,
de koningen van Engeland en van Roemenië in schitterende uniformen
en ook onze Koningin, omgeven door een apothéose van vlaggen, waarin
het felle rood domineerde.
Tegen den namiddag kwamen we in Gamlaha, waar we met een tweeden
zendeling, den heer Ellen, zouden kennismaken. Het was twee uur,
het uur van de middagrust, toen we zijn huis naderden, dat aan alle
zijden gesloten was. Op een vloer van cement stond, aan vier zijden
door een breede galerij omgeven, een flink vierkant gebouw voor ons,
met vier ramen en een deur aan de frontzijde. Het was van ijzerhout en
gaba-gaba (de nerf van het blad van den arènpalm) wanden gemaakt, en
vertoonde zich in zijn bruine kleur in goede harmonie met zijn omgeving
van donkergroen; stemmiger dan de Europeesche huizen in de grootere
plaatsen, die met hun practische witte kleur vaak al te erg vloeken
met het donkere bruin en groen, te midden waarvan zij zijn geplaatst.
Na eenigen tijd drentelen in de voorgalerij kwam een bleeke blonde
man uit een der zijgalerijen naar ons toe. Hoewel het bezoek van
Europeanen hier iets zeer bijzonders moest wezen (later vernamen we
dat dit in een vol jaar niet had plaats gehad), scheen hij niet in
het minst verrast. Hij verzocht ons plaats te nemen en het gesprek
begon. Van onze plannen had hij reeds het een en ander vernomen, en
hij wees ons met voldoening op eenige jonge klapperboomen voor zijn
huis, door hemzelven geplant, die met zware stammen als ballen uit
den grond kwamen. In de nabijheid had hij een klapperaanplant gemaakt,
waarvan hij de beste verwachtingen koesterde.
Terwijl wij praatten en informeerden verscheen zijn vrouw met een
blond slank meisje van een jaar of zes aan de hand; een zacht, teer
kind buiten rumoer en sterke contrasten in de eenzaamheid geboren en
opgevoed. Het was een kasplant, die een sterke tegenstelling vormde
met de wildernis, welke zoo dicht om het huis lag, en toen we later
met z'n beidjes alleen aan het strand liepen, alsof we elkaar jaren
hadden gekend en mooie schelpen opraapten voor een jongetje ver in
Holland, was het mij zonderling te moede, hier in deze omgeving dat
helblonde babbelende kind naast me te zien.
Na de thee wilden we verder, doch de noordenwind stak zoo hard op,
dat we eer achter dan vooruit zouden zijn gekomen, zoodat we besloten
tot den avond te wachten, wanneer de wind zou zijn gaan liggen. We
brachten den verderen tijd in het huisgezin door en gebruikten er den
avondmaaltijd, om tegen tien uur de prauw op te zoeken, die langzaam
de baai invoer, terwijl wij ter kooi gingen.
Toen ik wakker werd was het nog donker en lagen we stil voor Pediwang,
een kampong in welker nabijheid een groot vlak terrein lag, waarop
een concessie was aangevraagd voor de cultuur van klappers. Over de
uitvoerbaarheid der ontginning van dit terrein hadden we ons oordeel
naar Holland te berichten.
Pediwang zelf was een oud berucht rooversnest. Het gouvernement
had echter een eind gemaakt aan het bedrijf dier kampongbewoners,
die nu in vreedzame luiheid voortvegeteerden. Het concessieterrein,
dat in de nabijheid lag, was 3000 bouws groot en moest geheel met
oerbosch zijn bezet.
Toen het lichter werd, gingen we aan land en verrasten de inwoners
bij het krieken van den dag in hun schamele huisjes. Vrouwen waren
reeds met eenig huiswerk bezig, doch de mannen stapten, met een doek
om hun naakte lijf geslagen, welke hen tegen de morgen koelte moest
beschutten en met een sigaret in den mond, in trotsche houding als
pauwen voor hun huisjes op en neer, en keken ons onbeschroomd en
glimlachend met een aristocratisch nietsdoeners-air aan.
Geheel anders dan van den Javaan is de houding van den bewoner dezer
streken tegenover den Hollander. Van onderdanigheid tegenover hem zag
ik nooit een spoor, wel van vrees, vooral bij vrouwen en kinderen,
die dikwijls, wanneer ze me later in de alang-alang zagen aankomen,
ijlings de vlucht zouden nemen.
We verlangden den kapala kampong te spreken. Hierop verscheen een
inlander met een langen grijzen baard, die zich als zoodanig bekend
maakte, en wien wij de reden van onze komst mededeelden. We wenschten
van hem een geleider, die ons bij de zuidelijke grenssteenen van
het concessieterrein zou brengen. Het heerschap was, zooals we later
vernamen, in zijn jeugd een bekend zeeroover geweest, doch nu door
het gouvernement op verzoek der bevolking als haar hoofd aangesteld.
Het duurde geruimen tijd voor dat iemand verscheen, die genegen
was met ons het bosch in te gaan en die de grenssteenen wist aan te
wijzen. Het werd een lange marsch over een smal paadje het oerwoud
in. Het terrein bleek vlak en overal met zwaar hout begroeid. Het was
er vochtig en koel en het rook er naar vermolmd hout onder het zware
bladerendak dier reuzenboomen, waardoor nooit een zonnestraaltje tot
den bodem kan doordringen. Varens en laag hout stonden aan den voet van
dunne en dikke, soms metersdikke stammen, waaronder er waren die, naar
schatting 40 M. en hooger moesten zijn. Lianen hingen als koorden van
de hoogste kruinen dier boomen tot den grond en vormden daar, verder
slingerend, een net, waarin de voeten telkens verward raakten. Ook
waren er lianen dik als menschenarmen, die dichter aan den stam naar
boven kropen en zich als slangen om zware takken kronkelden.
Toen de eerste grenssteen was bereikt, een dikke vierkante, met
cement bestreken steenen paal, waren we overtuigd een uitmuntend
terrein voor de klappercultuur voor ons te hebben. De bodem was vlak,
de gronde bleek na uitgraving uit poreuze tuf te bestaan en was met
een dikke humuslaag bedekt, terwijl de regenval tegen de daarachter
liggende bergen aanzienlijk moest zijn en twee altijd watergevende
kali's, volgens onze kaart en ook volgens onzen gids, het terrein
doorsneden. Alle gunstige factoren voor het welslagen der cultuur,
wat het terrein betreft, waren hier bijeen.
We gingen nog dieper het woud in, op weg naar een volgenden steen. Het
werd een eindelooze, eentonige marsch over steeds denzelfden vlakken
vruchtbaren grond, onder steeds dezelfde hooge boomkruinen, terwijl
een hopelooze strijd met lianen was ontstaan, die zich om onze beenen
kronkelden of ons, als touwen voor de borst gespannen, tegenhielden
totdat we besloten terug te keeren.
We hadden echter de overtuiging gekregen, dat deze voor de
klappercultuur zoo geschikte gronden door hun afgelegen ligging nog
jarenlang een zwaar oerwoud zouden dragen.
Nu kwam voor onze roeiers het zwaarste werk. We waren de Kaubaai uit,
maar nog niet onder de beschutting van de meer noordwaarts liggende
eilanden, zoodat de volle zeedeining nu te trotseeren zou zijn.
In de schommelende prauw vervielen we in een loome, lustelooze
stemming, nu we daar in de hitte van den dag uitgestrekt lagen;
als eenig geluid hoorden we het eentonig plassen der pagaaien en
het aanmoedigende geroep der roeiers. Tegen den avond bereikte ons
het heugelijk bericht, dat we nog dezen nacht voor Tobelo zouden
aankomen. De beschuttende eilanden waren bereikt, waarna het nog een
kwestie van 6 uren roeien zou zijn.
Ik zette me op het stevige dak der prauw, terwijl rondom ons de
avond viel en we dicht langs de kust der eilanden voeren. Inlanders,
slechts met den lendengordel om de heupen, stonden op de witte
strandjes der koraaleilanden en keken ons nieuwsgierig na. Het
iets hoogere land achter die strandjes was dichtbegroeid met
struikgewas en enkele hooge boomen, en cocospalmen wuifden met hun
pluimen, waaronder zware vruchtentrossen zichtbaar waren, in den
zeewind. Hier en daar lag een huisje van atap en bamboe tusschen al
dat groen verscholen, en prauwtjes lagen teekenachtig op het strand,
terwijl in de hooge boomen krijschende witte kakatoes en kleurrijke
papegaaien rondvlogen. Tusschen de eilanden en ver de zee in waren
de lange krullende golven der branding te zien, die op langgestrekte
ondiepe koraalbanken braken. In de breede straat door het groote
vulkanische moeder-eiland (Hale-ma-heira) en de kleine koraaleilanden
en banken gevormd, dreven we omringd door een wijd panorama. Naar het
Oosten de blauwe zee in het avondlicht, met de lange witte rollers,
waartegen de eilanden met scherpe contouren afstaken. Naar het Westen
het groote eiland, als een vastland met zwaar oerwoud begroeid,
met steeds hooger oploopenden bodem, die in den kam der bergen (300
à 400 M.) in het Westen culmineerde. Achter de scherpe lijn van dien
bergkam verdween de ondergaande zon, die zware blauwachtige wolken met
helroode randen verlichtte. Het was een fantastisch, schouwspel, dat
boeide als een suggestieve Böcklin-fantasie, als een theater-decoratie
uit een Wagnerdrama.
In het Noord-oosten werd, wanneer geen der eilanden het uitzicht
daarheen belemmerde, het eiland Morotai als een berg, die in wazige
verte was te zien, voor het eerst zichtbaar. Daar lag dan eindelijk
in de tastbare werkelijkheid, dat eiland voor ons, welks beeld mij
de laatste maanden, door het vooruitzicht op zijn grond een eenzaam
verblijf van een à twee jaar in de rimboe te moeten doormaken, steeds
had achtervolgd.
Nog zat ik op het dakje, toen het reeds geheel nacht was geworden en ik
hier, onder den evenaar, den noordelijken en zuidelijken sterrenhemel
met nieuwe en van oudsbekende beelden in volle glorie boven mij
zag. Orion, klein, maar des te schitterender, hoog in de lucht; de
"drie knoopen" noemen de inlanders de drie heldere middensterren van
de wapenrusting, Cassiopeia, Perseus, de Pleiaden, naar welk laatste
beeld de Tobeloreezen hun plant- en oogsttijd regelen; ook stonden
de Tweelingen hier als een groet van huis. Daar, in 't Zuiden, de
slingerende Schorpioen en weer de leuke Kraanvogel, de Zuiderkroon en
't wonderbaarlijke Zuiderkruis, en dwars door al die beelden heen
de Melkweg, zoo egaal geplaveid, als ik hem nog slechts in de ijle
lucht van 't hooge Zwitsersche bergland had gezien.
't Was twaalf uur 's nachts toen ik op mijn veldbedje uit een lichten
sluimer ontwaakte, doordat een ongewoon gedruisch tot mijn bewustzijn
doordrong. De roeiers roeiden niet meer, zij bewogen zich dooreen
en ik hoorde het ploffen van een anker in het water. We lagen stil
voor Tobelo.
Het land lag zwart onder den zachten schijn van het sterrenlicht,
waarvan de gladde waterspiegel glom; de beelden in den vroegen avond
gezien, waren verdwenen of naar het Westen gezonken en door een
nieuw heirleger uit het Oosten vervangen. Doodstil was het in den
nacht. Van het land drong geen geruisch tot ons door en aan boord van
de prauw sliepen de roeiers, na het langdurige werk, aanstonds in de
onmogelijkste en ongemakkelijkste houdingen op de kleinst denkbare
plekjes, zooals alleen inlanders dat kunnen. De huisjongen zat, met
gekruiste beenen, naast zijn korfje met de vies geworden katjes,
op hetzelfde plekje te slapen, waarop hij nu reeds drie dagen had
zitten te soezen. Wijzelven verlangden naar ruimte en beweging en naar
een grondige reiniging. Voor het laatst kroop ik onder het afdakje,
om nog gedurende vijf uren allerlei gedachten en beelden door mijn
hoofd te laten spoken.
HOOFDSTUK III.
AANKOMST TE TOBELO. EERSTE WERKZAAMHEDEN.
16 November 1912 was voor het kleine Tobelo een historische dag van
den eersten rang, wat in den vroegen morgen van dien dag zeker nog
door niemand aldaar werd beseft; doch misschien zal eens deze datum
hier als het begin van een nieuw tijdperk worden herdacht.
Nauwelijks was het licht in de lucht of we maakten ons gereed naar
den wal te gaan.
Van het plaatsje was niets te zien, maar een kleine dam van
koraalbrokken, die van het land een eind in de zee was uitgebouwd,
eenige goedangs (loodsen) van de Paketvaart en de Moluksche
Handels-Vennootschap duidden er toch reeds op, dat hier een geregeld
verkeer moest plaats hebben. Zelfs stond er een lantaarnpaal, waarop
een lantaarn, die dezen nacht evenwel niet had gebrand; doch wie had
in Tobelo kunnen vermoeden, dat het feit van een brandende lantaarn
aldaar dezen nacht als een teeken van beschaving verbijsterend op
een Hollander zou hebben gewerkt.
Aan een weg, evenwijdig met het strand, lagen links en rechts de
huisjes der kampong. Voor een dier huisjes, door een heg van den
weg gescheiden, stond een vlaggestok. Juist toen we passeerden
verscheen in het kleine voorgalerijtje een Europeaan in slaapbroek
en kabaai. Het was de civiel-gezaghebber, die belast was met het
bestuur over de Oostkust der onderafdeeling Noord-Halmaheira en van
de daarbij behoorende eilanden.
Verster, die reeds op zijn eersten tocht naar hier kennis met hem
had gemaakt, stelde mij aan hem voor, en zoo zaten we reeds spoedig
in het kleine voorgalerijtje op schommelstoelen bijeen.
Na de eerste plichtplegingen kwam reeds spoedig het gesprek op het
doel onzer reis en de reden onzer komst te Tobelo. Toen hij vernam,
dat wij van zins waren van het achterliggende land voorloopig een
stuk van 1000 bouws uit te zetten, om in concessie aan te vragen,
was zijn antwoord: "Onmogelijk!"
Dit was het pijnlijkste oogenblik, dat ik op mijn reis doormaakte;
want zouden we hier niet kunnen slagen, dan zag ik het doel mijner
zending in rook vervliegen. Doch slechts een oogenblik bleef ik onder
den indruk van zijn afwijzend antwoord.
Op mijn vraag, waarom zulk een aanvrage hier onmogelijk was,
kreeg ik ten antwoord, dat hij deze gronden voor de bevolking
wenschte gereserveerd te houden voor den aanleg van sawah's voor de
rijstcultuur, die hier nog zeer primitief gedreven werd.