Giles. Deze zin komt mij ietwat misplaatst voor in het hoofdstuk. De
bedoeling schijnt te zijn: „De ware Liʼ is de Liʼ van het hart, meer
als een ding van zelf-respect gedaan dan als respect voor anderen. En
hierop kan natuurlijk geen antwoord zijn behalve de uitwendige en
zichtbare gebaren.”
5. Dit correspondeert met de dingen in Hoofdstuk XVIII. Decorum (Liʼ)
is hier blijkbaar genomen in den lageren zin van alleen het uiterlijke
decorum, dat slechts een oppervlakkig ding is als de schors van een
boom.
7. Met het „schijn-weten”, letterlijk „vooraf-weten”, wordt hier
bedoeld het geleerde, buitenissige weten van allerlei bizondere dingen,
zonder het ware al-wetten in Tao, dus het oppervlakkige weten van den
schijn der dingen, zonder het wezen te kennen.
HOOFDSTUK XXXIX.
1 en 2. De hoofdbedoeling hiervan is, te doen voelen, dat alle wezens
en dingen hunne verschillende naturen hebben te danken aan één ding,
Tao, de Eenheid. Die Eenheid is de basis van alle uiterlijk zoo
verschillende dingen. Zonder die Eenheid zou de Hemel niet puur zijn,
de Aarde niet in rust, enz. enz.
3. De hoogheid en gedistingeerdheid der vorsten hebben tot basis de
laagheid en gewoonheid van het volk. De koningen geven zich uit
bescheidenheid die lage titels om te doen uitkomen, dat zij hun
oorsprong hebben gehad in het volk.
4. Letterlijker staat er, véél wielen, géén wagen. De bedoeling is
duidelijk in verband met het vorige over de Eénheid.
HOOFDSTUK XL.
1. Deze zin correspondeert met wat ik in mijne Inleiding zeide, n.l.
dat niet alleen alle dingen uit Tao zijn voortgekomen, maar hun tevens
eene natuurlijke, van-zelve beweging is medegegeven, die hen
onvermijdelijk weder naar Tao terugvoert. Zich op die beweging in
gehoorzaamheid te laten meêgaan is, volgens Lao Tszʼ, de hoogste
levenswijsheid, is Wu Wei zijn.
2. Zie Inleiding en Hfdst. I.
2. Het „daarom” schijnt niet in direct logisch verband met het vorige
onder 1 te staan. De bedoeling is verder duidelijk genoeg, n.l. dat de
verlichten in Tao, in stede van trotsch te zijn, nederig blijven enz.
enz. De meeste vertalers hebben verder: „Hij, die de opperste deugd
heeft, enz. wat op hetzelfde neerkomt. In den tekst staat alleen,
zooals ik heb, „de opperste deugd,” „de groote reinheid” enz.
3. Het volgende, ook al weer niet in direct verband met het vorige,
slaat weer op Tao.
HOOFDSTUK XLII.
1. Tao vóór de creatie, éénig in-zich-zelf, bestaande was er natuurlijk
niet eens het begrip één. Tao baarde één. Eén verdeelde zich in twee,
en wel de principes Yin (vrouwelijk, rust, duister), en Yang
(mannelijk, beweging, licht). De chineesche filosofie van de „I King”
leert dat door de verbinding in harmonie—dit is dus drie, de
harmoniesche samensmelting van Yin en Yang—dezer twee principes alle
dingen ontstaan zijn. Eén ontstond zoodra Tao zich naar buiten
manifesteerde, twéé zoodra één zich verdeelde in Yin en Yang, en drie
zoodra de harmonie ontstond tusschen die twee.
Onnoodig te zeggen dat zendelingen in dezen tekst een chineesche
uitdrukking voor de Drieëenheid hebben gezocht!
2–6. Dit volgt alweer niet in direct verband met het vorige, maar is
een tekst apart.
HOOFDSTUK XLIII.
1. Men vergelijke dit met het nog te volgen Hoofdstuk LXXVIII, waarin
Lao Tszʼ spreekt van water, dat, hoe zacht ook, het hardste kan
vernietigen.
2. Letterlijk staat er „Het Niet-Zijn dringt binnen in waar geen
opening is”.
3. Juist zooals het immaterieele het ondoordringbare doordringt, zoo
overwint ook Wu Wei, de zuivere ziele-actie, álle andere actie, die
niet uit de zuivere ziel komt.
HOOFDSTUK XLIV.
3. „Liefheeft” neme men hier in den lageren zin van passies, begeerten
hebben. Hij, die zoo liefheeft, zal veel van zijn beste goed
verkwisten.
2. De bedoeling zal wel zijn die van Li Si Tchaï, door Julien
overgenomen, dat de beweging, die de koude overwint door warm te maken,
en de rust, die de warmte overwint door te verkoelen, beide hun grenzen
hebben. Maar als de mensch Wu Wei is, zoekt hij niet te overwinnen, en
daardoor kan ook niets hém overwinnen.
3. Letterlijk staat er „puurheid en rust zijn het rechte van de
wereld”.
HOOFDSTUK XLVI.
1. Letterlijk staat er: „Toen het rijk Tao had” enz. De commentator Peh
Yü Shen neemt dezen tekst figuurlijk, en ziet in het rijk het hart, in
de paarden de hartstochten en begeerten. Ik geloof met anderen dat men
hier den tekst evengoed in letterlijken zin kan nemen.
HOOFDSTUK XLVII.
Men zou dit hoofdstuk in ’t kort kunnen verklaren door: „Alles moet van
binnen, niet van buiten komen. Het hoogste weten wordt alleen bereikt
door zelf-contemplatie, en de oorsprong van alle weten is in de eigen
ziel”.
HOOFDSTUK XLVIII.
1. Met „minder krijgen” is natuurlijk bedoeld „minder verlangens,
begeerten, aardsche dingen krijgen.”
2. De woordspeling is hier alweer eigenaardig. „Als Wu (niets) Wei
(doen) bereikt is, is er niets (Wu) wat men niet kan doen (Wei). Ik leg
er nog eens den nadruk op voor de zóóveelste maal, en kan dit niet
genoeg doen, dat „Wu Wei” volstrekt niet zoo maar beteekent inactie,
indolentie, of niets doen, maar zooals ik in de Inleiding duidelijk
maakte, „niets tegen Tao in doen”, dus „zich bewegen, en doen, zuiver
en geheel volgens het rythme van Tao dat (zie Hoofdstuk XL weer) naar
Tao terugvoert. En dat met „doen” wordt bedoeld „onnatuurlijk, aardsch
gedoe van begeerten en verlangens”.
HOOFDSTUK XLIX.
1. Letterlijk staat er „geen eeuwig (onveranderlijk) hart”. Hart hier
ook in den zin van „gevoelens”.
2. Van de juiste vertaling, hoe mooi die ook klinken moge, ben ik hier
lang niet zeker. Ik heb hier „Teh” deugd moeten vervangen door „teh”
verkrijgen, maken, eene verwisseling die in het oude chineesch veel
voorkomt, en die ook o.a. Giles e.a. en veel chineesche commentators
maken. Anderen behouden Teh als deugd, en vertalen dan aan het slot van
den zin: „Dit is het toppunt van de deugd”, waarvan „toppunt” echter
niet in den tekst staat. Weer andere chineesche commentaren zien in
dezen tekst niet anders dan ongenaakbaarheid, alsof Lao Tszʼ wilde
zeggen dat goeden en slechten, oprechten en niet-oprechten voor hem
hetzelfde waren, iets wat ik niet kan aannemen.
3. Ook van deze vertaling ben ik niet zeker. Evenmin van die van
Julien: „Le Saint vivant dans ce monde reste calme et sincère et
conserve les mêmes sentiments pour tous”. Hij vat „hwun”, d.i. verward,
vuil, chaotisch, op als „het geheel, allen”. Beide beteekenissen staan
o.a. in Wells Williams’ dictionnaire. Maar „calme et sincère” voor
„tieh” vreesachtig, verlegen, bezorgd, kan ik niet aannemen.
4. „De honderd families” is eene uitdrukking voor „het volk”.
HOOFDSTUK L.
2. Wie die dertien dienaren (sommigen vertalen „dienaren”, anderen
„oorzaken”) zijn, is niet recht duidelijk. De eene chineesche
commentator zegt dat het zijn 13 deugden (als b.v. zuiverheid,
zwakheid, nederigheid, zachtheid, armoede, enz.), die van ’t leven, en
13 ondeugden (b.v. onzuiverheid, rijkdom, kracht, hoogheid, zucht om
uit te blinken, enz.), die van den dood. De ander (b.v. Han Fei Tszʼ)
zegt dat de beide dertien identiek zijn, n.l. de vier leden, de mond,
de oogen, de neus, enz. die in ’t leven gebruikt worden en toch naar
den dood leiden.—Maar ik zou niet durven zeggen, wie nu eigenlijk de
dertien zijn.
4. Dat „te intens leven” is hier „zijne hartstochten opzweepen, en zoo
zijn levenskracht verspillen”.
5–6. Met „zijn leven regeeren” bedoelt Lao Tszʼ hier „Wu Wei” worden,
het spiritueele tot het hoogste opvoeren.—Hij, die alleen in ’t
spiritueele leeft, heeft als ’t ware geen lichaam meer, en is dus niet
meer blootgesteld aan den dood, die alleen ’t lichaam treft.—Johnson
vergelijkt deze regelen terecht met Markus XVI, 18: „Slangen zullen zij
(die gelooven) opnemen; en al is het dat zij iets doodelijks zullen
drinken, het zal hun niet schaden”.
HOOFDSTUK LI.
1. Ik herinner aan wat ik in de Inleiding uitlegde, n.l. dat Lao Tszʼ
Tao, in-zich-zelf beschouwd, Tao noemde, en dat hij Teh noemde: Tao als
gemanifesteerd zijnde in de creatie.
Ik heb hier eene vrijheid genomen. Letterlijk staat er: „Tao brengt de
dingen voort, Teh brengt ze groot”.—Ik nam mijne vrije vertaling om nog
eens goed te doen uitkomen wat Teh is.
5. Met dit „vrij laten” wordt bedoeld, dat Tao niet, zooals b.v. een
koning, nog eerst krachtige wetten behoeft te maken, en hen voortdurend
onder bedwang houdt, maar hen hun natuur laat volgen.
Immers, als ze maar Wu Wei zijn, is alles vanzelf goed.
Johnson vergelijkt den eersten tekst, 1, met den schoonen tekst uit de
Prasna Upanishad. „As the birds to a tree, so all beings repair to the
supreme Soul”.
HOOFDSTUK LII.
1. Vergelijk Hoofdstuk I. 2.
2. De moeder is hier Tao, hare kinderen de door Hem gecreëerde wezens
en dingen. Hij, die weet hoe de wereld gecreëerd is, en waaruit zij is
ontstaan, vreest natuurlijk den dood van zijn lichaam niet.
3. Voor „druk maken” (lett. staat er „zijn zaken redden”) hebben
sommigen eene uitdrukking voor „zijne begeerten vermeerderen” gezien.
4. Het kleine, d.i. het subtiele.
5. Deze tekst is niet heel duidelijk. De uitlegging van een chineesch
commentator Lüi Kie Fou, ook door Julien aangehaald, komt mij vrij
aannemelijk voor. Volgens dezen is zij „hij, die gebruik maakt van de
afschittering van Tao om de menschen en dingen te leeren kennen en zich
aan hen te onttrekken, en dan weer terug keert tot het licht van Tao
zelf, om tot de absolute rust te komen, zal niet in rampen komen”. Maar
dubieus blijft het.
HOOFDSTUK LIII.
1. Hier hebben wij weer een voorbeeld, dat Tao gewoon Weg, of Pad
beteekent, als zoo dikwijls in Confucius.—Hier dus, het Pad, de Weg van
Tao, het Pad, waarin men gaat (en dit is door Wu Wei te zijn) als men
in Tao leeft. Wells Williams, in zijn dictionnaire dit hoofdstuk
aanhalende, spreekt van „the way of truth” in dit geval.
2. Door er een karakter bij te voegen, krijgen vele vertalers, er een
dat „doen” beteekent (Wei), achterplaatsende dézen zin: „wat ik vrees,
is om te ageeren”. Maar, het karakter zoo latende, krijg ik mijne
versie, die toch ook aannemelijk is, en wèl in verband met het
volgende.
3. „Vlak” ook in den zin van „eenvoudig”.
4. „Veel treden hebben”, d.i. dus hoog gelegen zijn, mooi en weelderig
zijn.
6. Een zoo groot geleerde als keizer Khang Hi volgende, heb ik hier,
zooals hij in zijn beroemd „Khang Hi’s Woordenboek” deed, hier in deze
passage het karakter „ting” bijgevoegd, waardoor ik deze versie kreeg.
Letterlijk staat er „dit noem ik zich beroemen op diefstal”.
Het geheele hoofdstuk, bemerkt men, is eene tirade tegen de toen ter
tijde regeerende vorsten, die Tao verzaakten in de regeering van het
rijk.—Het „de groote Weg” in den eersten volzin is een der voornaamste
argumenten van velen, dat Lao Tsz’s „Tao” met „Weg” zou moeten vertaald
worden.—Maar dat het karakter Tao hier even „Weg” beteekent, daaruit
volgt nog volstrekt niet, dat het dit per se nu ook overal elders moet
beteekenen.
HOOFDSTUK LIV.
1. „Grondvesten”, d.i. hier „grondvesten op Tao”. „Vast houden”, d.i.
hier „de beginselen van Tao goed vasthouden”.—Vergelijk in Confucius,
Choeng Yoeng, Hfdst. VIII, blz. 88.
3. „Het” is hier weer „Tao”.—De opvolging van zich-zelf, zijne familie,
zijn dorp, zijn staat, zijn Rijk, doet hier aan een ideeëngang van
Confucius denken. Vergelijk „Confucius, Ta Hioh”, Hfdst. I, 5 en 6,
blz. 148.
Sommige vertalers lezen hier voor „teh” niet overal deugd, maar de
gevolgen dier deugd, en krijgen dan o.a. „Hij, die Het in zijn dorp
betracht, zal „de bevolking (daarvan)” vermeerderd zien”.
5. „Door Dit”, d.i. door Tao.
HOOFDSTUK LV.
1. D. i. „Hij die in Tao leeft”.
4. Indien menschen schreeuwen van pijn of van pleizier, wordt de keel
schor, en is er geen harmonie in dien mensch. In het kind is de
volkomen harmonie der vitale krachten.
5. Zie Hfdst. XVI.—Verlicht is hier synoniem met wijs. Letterlijk staat
er „het hart de vitale energie besturende”.
6. Zie Hfdst. XXX.
HOOFDSTUK LVI.
2. Letterlijk staat er „sluit zijn deuren”, maar volgens verscheidene
chineesche commentators beteekenen die deuren hier „oogen en ooren”.
3. Ik vertaal hier „hij haalt zijn hooge aspiraties neder”, maar
letterlijk staat er, als in Hfdst. IV: „Het verstompt zijn
scherpte”.—Men lette op de woordelijke gelijkenis met Hfdst. IV, waar
Tao het onderwerp is. Deze gelijkheid van uitdrukking maakt de
gelijkenis nog sterker.
HOOFDSTUK LVII.
1. Men denke er vooral om, wat ik reeds zoo herhaaldelijk releveerde,
dat „Wu Wei” niet zoomaar niets-doen beteekent.
3. Herbert Giles vertaalt de laatste zinsnede kernachtiger, maar minder
getrouw aan den tekst: „Overlegislation increases crime”.—Denkt men bij
dezen tekst niet onwillekeurig aan den ontzaglijken berg folio’s van
Staatsbladen, die een ambtenaar in Ned.-Indië moet kennen?
4. Men versta hier in dit speciale geval „de Wijze, die een vorst is”.
Met „géén werk” wordt bedoeld „geen militaire expedities, groote
ondernemingen”, enz.
HOOFDSTUK LVIII.
1. „Shun” is hier zoowel puur als eerlijk, ongemengd, zuiver.—Ik heb
mijn commentator Peh Yü Shen gevolgd, die een ander klassenhoofd voor
het karakter geeft dan er staat. Anderen, het oorspronkelijke
behoudend, krijgen „rijk, liberaal”.
2. Letterlijk staat er „ongeluk is de basis van geluk” enz.
3. Julien en anderen hebben: „Si le prince n’est pas droit, les hommes
droits deviendront trompeurs, et les hommes vertueux pervers”.
HOOFDSTUK LIX.
2. Op autoriteit van keizer Khang Hi neem ik, evenals Julien, hier een
kleine vrijheid met het woord „fuh”. Letterlijk staat er dan
„Gematigdheid is de eerste zaak van den mensch”.
4. Letterlijk staat er „Wie de moeder van het rijk bezit”.
In den laatsten volzin komt Tao hier voor in den zin van „leer”.
HOOFDSTUK LX.
1. Letterlijk staat er: „Het regeeren van een groot rijk is als ’t
bakken van een klein vischje”. Ik vertaalde vrijer, om beter de
bedoeling te doen uitkomen.
2–3. De rest van dit hoofdstuk is vrij duister. De tekst spreekt hier
van „kwei” (zie „kwei-shin” in Confucius blz. 100), maar mij dunkt dat
Lao Tszʼ die niet kan bedoeld hebben, en daarom nam ik „kwade
invloeden”.
4. Dit is niet erg duidelijk.
HOOFDSTUK LXII.
1. „De steun van de slechten”, omdat de slechten er altijd weer op
kunnen steunen om goed te worden.
3. Dit is een heel lastige zin door de woordschikking in het chineesch.
Daarom geef ik hier twee andere versies er bij. Julien geeft n.l.: „Si
un homme n’est pas vertueux, pourrait-on le repousser avec mépris?”
Alexander: „By what means is it possible to get rid of the effects of a
mans vileness?”
4. Het keizerschap en de ministers zijn n.l. juist ingesteld om er voor
te zorgen dat de slechten beter worden en
5. daarvoor is het allereerst noodig dat zij zelf Tao betrachten, en
niet dat zij praal maken met jaspisstaven (teekenen van waardigheid der
hooge mandarijnen) en vierspannen.
HOOFDSTUK LXIII.
2. In het chineesch staat, zonder verdere verbinding, enkel achter
elkaar: „groot—klein—veel—weinig”. Men begrijpt hoe moeilijk de
vertaling wordt. Johnson, von Strauss aanhalend, heeft: „Let thy great
be as little, thy many the few”. Julien „Les choses grandes et petites,
nombreuses ou rares (sont égales à ses yeux)”. Alexander: „Turn the
small into the great, and the few into the many”, enz. Ik nam mijne
versie, omdat deze mij het nauwkeurigst scheen aan te sluiten aan wat
volgt.
3. Letterlijk staat er: „Hij wreekt kwaad met deugd”.
5. Letterlijk staat er niet „uit” maar „met”.
HOOFDSTUK LXIV.
Dit Hoofdstuk biedt vele moeilijkheden, zoodat ik vooruit moet
verklaren, niet in te durven staan voor de juistheid van de vertaling
op eenige punten. Ik zal deze nader aangeven.
1. Ik volg hier, zelf geen rechte versie wetende, Stanislas Julien, in
wiens vertaling als letterlijke vertaling der woorden, zooals ik reeds
zeide, ik het meest vertrouw, maar ik betwijfel of zij de bedoeling wel
weergeeft. Giles, toch ook een eminent sinoloog, heeft: „While times
are quiet, it is easy to take action; ere coming troubles have cast
their shadows before, it is easy to lay plans”. Men ziet, het scheelt
nog al wat!
2. Als boven. Alexander heeft „It is easier to prevent than to
suppress”. De chineesche commentaren, die ik bezit, verschillen allen.
4. „Doet” hier in den zin als reeds zoovele malen, en in de inleiding,
door mij aangegeven.
8. „Daardoor ontkomt hij aan de fouten der menschen”. Dit is op gezag
van eenige chineesche commentators, die ook Julien volgt.—Giles heeft:
„And you (hier dus he) will revert to a condition which mankind in
general have lost”.
HOOFDSTUK LXV.
3. Letterlijk staat er: „Hij die met het weten het rijk regeert”.
5. Letterlijk staat in plaats van vrede: „gehoorzaamheid,
volgzaamheid”.
HOOFDSTUK LXVII.
1. De bedoeling van deze in ’t hollandsch moeilijk weer te geven
woordspelingen (siao is n.l. zoowel „gelijk als” als „klein” en met
„niet” er voor „gedegenereerd”) is blijkbaar, dat indien men iemand
groot noemt, en hij zich groot vindt, hij al niet groot meer is. Het is
dan niet Wu Wei meer. Zie ook Hfdst. II.
3. Er staat niet in het chineesch „nederigheid” maar omschreven: „niet
durven de eerste in het rijk zijn”.
6. Letterlijk staat er: „Als men strijdt met liefde”.
HOOFDSTUK LXIX.
2. Letterlijk staat er: „Gaan zonder te gaan”. Mijn commentator Peh Yü
Shen merkt hier terecht op dat deze tekst niets dan eene illustratie is
van „Wu Wei”, van „werken aan géén werk”, enz.
4. „De liefde” hier vooral als het „medelijden”, meen ik. Anderen zien
er in „de liefde voor het vaderland”.
HOOFDSTUK LXXI.
De eigenaardige woordspeling, met het achtmaal in dit korte hoofdstukje
voorkomende karakter „ping”, dat zoowel „ziekte” als „ziek zijn”
beteekent, en hier zelfs ook „lijden door de ziekte”, gaat natuurlijk
in de vertaling geheel verloren. De bedoeling blijft echter, hoop ik,
duidelijk genoeg.
Ik ben strikt getrouw aan den tekst gebleven, waarin staat: „weten niet
weten (is) superieur”.
Anderen vertalen: „te weten, maar te doen alsof men niet weet is
superieur”. Maar het eerste is veel mooier en juister, en waar het
bovendien precies accuraat den tekst weergeeft, vond ik het verre te
verkiezen.
HOOFDSTUK LXXII.
1. „Dat wat te vreezen is”, is hier: „de dood”.
4. „Het eene” is hier: „zelf gezien willen worden”, het andere „zich
zelf kennen”. Zoo ook met het tweede.
HOOFDSTUK LXXIII.
1. Als een bewijs hoe weinig in ’t chineesch letterlijke accuratesse
van vertaling er toe doet, diene de volgende vertaling van Alexander:
„He, whose courage amounts to rashness, will lose his life, but he in
whom it is tempered with discretion, will save it”.
Mijne vertaling is getrouwer aan den tekst, maar de bedoeling blijkt
dezelfde.
3. Het verband is mij hier niet duidelijk.
4. Hetzelfde geldt voor dezen tekst, waarin ik alleen analogie vind met
Hfdst. LXIII.
5. M.a.w.: De Tao van den Hemel is Wu Wei. Het „geantwoord” is hier ook
„gehoorzaamd”.
6. „Hij” is hier „de Hemel”; „tʼan” is hier stil, rustig, dus in dezen
zin als niets doend, bijna lui.
HOOFDSTUK LXXIV.
1 en 2. Lao Tszʼ wilde zeggen dat hoe strenger en wreeder het
gouvernement met doodstraffen optreedt, hoe meer misdadigers er juist
zullen zijn, en hoe minder het volk den dood zal gaan vreezen.
3. Alleen de Opperrechter, hier de Hemel (men vergete hierbij niet dat
de Keizer is de Zoon des Hemels) mag dooden, dus alleen een werkelijk
goed en rechtvaardig gouvernement of Keizer. Zij, die de regeering
usurpeeren en woest met de onderdanen te werk gaan, zullen zichzelf
snijden, d.i. ten onder brengen.
4. Hoe ongeloofelijk het ook moge klinken van enkele geleerden,
waaronder zelfs de gewezen zendeling, later prof. Legge, hebben zij uit
deze eenvoudige vergelijking van een timmerman alweer den christelijken
God ontdekt, n.l. den grooten Architect (timmerman) van het Heelal!!!
HOOFDSTUK LXXVII.
1. Als de chineesche boogschutter zijn boog spant, heft hij het
benedenste eind op en brengt hij het bovenste eind naar de laagte, en
hij neemt zijn afstand door de hoogte van den boog minder of grooter te
maken naarmate het doel lager of hooger is.
2. In 2 en 3 is hier Tao weer meer de weg, de manier van doen.
HOOFDSTUK LXXVIII.
1. Letterlijk staat er: „Daarom is er niets, dat het water kan
vervangen”.
3. Alleen de zachte en zwakke kan die schande en die rampen verduren
zonder morren en beklag.
4. Want de meeste menschen denken dat iemand een laag, verachtelijk
karakter moet hebben, om te verduren zonder in woede op te vliegen.
HOOFDSTUK LXXIX.
2. Letterlijk staat er niet „contract” maar „tablet”. In den ouden tijd
werden de contracten geschreven op houten tabletten, die in twee deelen
waren verdeeld. Hij, die de zaak, waarover gecontracteerd was, moest
geven, behield de linkerzijde van de tablet, hij die haar had te
eischen, behield de rechterzijde. Later, bij eventueele geschillen,
moesten de twee helften, die gekarteld of getand waren, weer precies in
elkaar passen, als de echtheid van het contract moest bewezen worden
(Pue Yeou Thsing, Julien).
3. Letterlijk staat er voor „eischen”: „belasting heffen”.
4. In de oude, oude tijden gebruikte men koorden met knoopen voor het
tellen.
HOOFDSTUK LXXXI.
1 en 2. Men vergelijke Confucius’ „Mooie woorden en een mooi gemaakt
gezicht gaan zelden samen met menschelijkheid”. (Zie mijn Chin. Fil.,
deel I, „Loen Yü”, blz. 178.)
Thomas à Kempis zegt (De Imitatione Christi): „Het is de Waarheid, die
men van de heilige geschriften moet eischen, en niet de
welsprekendheid.” (Hfdst. V.)
AANHANGSEL.
Voor de lezers van het eerste deel van dit werk kan het wellicht
interessant zijn te vernemen, wat de heer Dr. Ch. M. van Deventer, de
bekende schrijver van „Platonische Studieën”, mij schreef, naar
aanleiding van mijne omschrijving van onvertaalbare chineesche
begrippen als Tao, Li, enz. Nadat hij in eene bespreking van mijn werk
(in het Weekblad „de Amsterdammer” van 27 September 1896) er in ’t kort
op gewezen had, dat eenige eveneens onvertaalbare grieksche begrippen
wellicht equivalenten waren voor mijne chineesche, was deze heer zoo
vriendelijk mij, op mijn verzoek, uitgebreider inlichtingen daaromtrent
te verschaffen.—Hij gaf mij de volgende dingen aan:
Kiün Tszʼ (zie „Confucius” blz. 13) = καλοκἄγαθος (kalokagathos).
De kleine man (Confucius blz. 14) = πονηρός (ponêros).
Jên (door mij bij gebrek aan beter vertaald door menschelijkheid) (zie
Confucius blz. 8) = ἀρετή (aretê).
Li, Decorum (Confucius blz. 16) = το μουσικόν (to mousikon).
De rechtmatigheid die de dapperheid in toom houdt (Confucius blz. 263)
= δικαιοσύνη (dikaiosunê).
Sing (Confucius blz. 8 en 80) waarschijnlijk = το θεῖον (to theion) en το
ἀγαθόν (to agathon).
Shang (Confucius blz. 194) = σωφροσύνη (sofrosunê).
Daar ik niet ingewijd ben in het grieksch, kan ik niet over de
juistheid dier equivalenten oordeelen, maar toch wilde ik ze gaarne in
dit werk opnemen.
„Kalokagathos” schrijft de heer van Deventer, valt in vele gevallen als
woord van dagelijksch gebruik, geheel samen met gentleman, fatsoenlijk
man („fatsoenlijk man” wilde ik niet gebruiken, omdat er in onze taal
een luchtje aan is gekomen, en liever dan een engelsch woord te nemen,
behield ik het chineesche), man, op wien niets valt aan te merken. Het
kan echter hoogere wijding aannemen, en heeft dan zijn schoonste
voorwerp in den Platonischen Socrates.
„Ponêros is zoowel de gemeene, als, en misschien het laatste nog meer,
de kleine, de niet-heroïsche, de plebeïsche, de klein- en grofzielige,
tegenovergesteld zoowel aan den kalokagathos als aan den mousikos. Als
het onheroïsche komt het voor in de beroemde bewering van Aristofanes
(Kikvorschen): de dichter moet het ponêron verbergen en niet op het
tooneel brengen”.
Mij dunkt dat een en ander wonder wèl overeenstemt met den Kiün Tszʼ en
den Siao Jen van Confucius. (Zie „Confucius” blz. 14.)
Omtrent „dikaiosunê” schrijft mij de heer Van Deventer: „Dikaiosunê
wordt gewoonlijk met rechtvaardigheid vertaald. In het grootste
document echter over de dikaiosunê, Plato’s Politeia, komt men er niet
met die vertaling. Beter is dan braafheid en rechtschapenheid, en
volgens Plato is een waar, braaf en rechtschapen man, als uitvloeisel
van de deugd, óók rechtvaardig”. (Zie „Confucius” blz. 263.)