Het woord „sofrosunê”, schrijft de heer Van Deventer verder,

„gewoonlijk, doch met erkenning van het gebrekkige, door bescheidenheid

vertaald, heeft, naar ik meen, een vrij precies hollandsch aequivalent,

n.l. zedigheid. In zedigheid ligt iets meer vertoon dan in

bescheidenheid, en het verschil tusschen sofrosunê en zedigheid ligt

vooral daarin, dat die deugd bij de Hellenen hooger werd aangeslagen

dan bij ons. Vandaar dat men er niet om denkt om sofrosunê door

zedigheid te vertalen. Er is echter een dialoog van Plato, de

Charmides, waarin het begrip sofrosunê onderzocht wordt, en men kan de

dialektiek in de vertaling handhaven door ons woord zedigheid te

gebruiken. In de Phaedo, Cap. XIII, staat: „De sofrosunê, datgene wat

men de sofrosunê noemt, (is) het ten opzichte van de begeerten niet

ontstuimig zijn, doch zich tegenover hen met geringschatting en

welvoegelijk te verhouden.” Ik vertaal natuurlijk te lang en te stijf,

doch de bedoeling zal u blijken, zoomede dat de ingetogenheid veel weg

heeft van sofrosunê”. (Zie „Confucius”, blz. 194.)

„To mousikon”, vervolgt de heer Van Deventer, „is uiterst moeilijk te

vertalen en zelfs te beschrijven. Een musisch man is hij, die een

hoogere beschaving van ziel en van geest op zijn minst erként, en

liefst beoefent. Het musische is het beginsel van het hoogere leven,

dat met geen mogelijkheid materieel en aardsch te verklaren is, en

intuïtief als een bewijs voor het bestaan van het goddelijke moet

begrepen worden; ik spreek steeds van een Helleensch standpunt”. (Zie

„Confucius” blz. 16, Li.)

Ik herhaal nog eens, voor de juistheid dezer equivalenten ben ik niet

bevoegd in te staan. Maar als van den schrijver der „Platonische

Studieën” komende, vond ik het interessant, ze, met mijn’ hartelijken

dank voor zijne bereidwilligheid, in mijn werk op te nemen.

AANTEEKENINGEN

[1] In zijn „Syllabic Dictionary of the Chinese Language.”

[2] Preface of the „Yih King”.

[3] Preface to the second and third editions of the Dialogues of Plato.

[4] Preface to „Lao Tsze, the great Thinker.”

[5] Legge, Texts of Taoism, 39e en 40e deel der „Sacred Books of the

East.”

[6] John Ruskin, The Queen of the Air, Preface.

[7] Bij het corrigeeren der drukproeven verneem ik nog, dat een nieuwe

vertaling juist is verschenen van Dr. Paul Carus: „Lao Tsz’s Tao Teh

King”, te Chicago.

[8] „Confucianism and Taouism.”

[9] o.a. Legge, Rémusat, Wylie, Von Faber, Julien, enz.

[10] Toch is Giles een eminent sinoloog, die o.a. een

standaard-dictionnaire heeft gemaakt, waard naast die van Wells

Williams te staan.

[11] Samuel Johnson, die zelf, meen ik, geen chineesch kent, heeft

anders gedaan. Hij heeft alle mogelijke vertalingen, van de oudste af,

bestudeerd, en met eene intuïtie, die zeker éénig is, uit al die

vertalingen het beste verzameld en bewaard (in zijn werk Oriental

Religions, China). En, wonder genoeg, zóó fijn en zuiver was die

intuïtie, dat hij, ofschoon zelf geen sinoloog zijnde, het allerbeste

over Lao Tszʼ heeft geschreven, wat ooit over hem geschreven is, en

zich uit al de verschillende, tegenstrijdige vertalingen, een apart en

zuiver idee van Lao Tsz’s filosofie heeft gevormd. Maar een eigen

vertaling kon hij natuurlijk niet geven.

[12] Toen ik het eerste deel van dit werk uitgaf, dacht ik dat mijne

vertaling van Confucius de eerste in het nederlandsch was. Sedert

hoorde ik, dat er nog eene vroegere bestaat, maar deze is eene

vertaling vàn eene vertaling, n.l. van Legge’s engelsche vertaling, en

geen oorspronkelijke uit het chineesch. Zij behandelt Confucius en

Mencius.

[13] Zie mijn „Wu Wei. Eene fantazie naar aanleiding van Lao Tsz’s

filosofie” in mijn Wijsheid en Schoonheid uit China (Amsterdam, P. N.

van Kampen en Zoon), voor ’t eerst verschenen in De Gids van Maart

1895.

[14] De Chineesche Filosofie, toegelicht voor niet-sinologen. I.

Confucius. (Amsterdam, P. N. van Kampen en Zoon.)

[15] Het rijk Chʼu bestond als feudale staat onder de Chow dynastie,

van 740 tot 330 v. C., en bevatte gedeelten van Honan en Kiangsu.—Khio

Jin lag dicht bij de tegenwoordige stad Lou-i in Honan.

[16] Zie over Chow het 1e deel mijner Chin. Fil. over Confucius, blz.

30 en 39.

[17] Zie over de Li hetzelfde werk blz. 16. Confucius wilde Lao Tszʼ

vragen over de schrijvers van de Li Ki (het Boek der Li).

[18] Lao Tszʼ heeft altijd veel vereerders gehad onder de boedhisten.

Er zijn er die in hem eene incarnatie van een Boeddha hebben gezien. Er

zijn er ook, die zeggen dat het boedhisme veel aan Lao Tszʼ ontleend

heeft, en omgekeerd. Anderen weer brengen Lao Tsz’s boek in verband met

die der oude Hindoes.—Nog op het laatste Orientalistisch Congres te

Parijs (1897) werd door den sinoloog-consul Allen verklaard, dat Lao

Tszʼ niemand anders dan een Boeddha was.

[19] Zie hieromtrent de „Historische Ophelderingen” in mijn eerste deel

der Chineesche Filosofie (Uitg. P. N. van Kampen en Zoon) blz. 30–33.

[20] Hoofdstuk XVIII.

[21] ,, XIX.

[22] Sam. Johnson, Oriental Religions. China, blz. 862.—De

cursiveeringen zijn van mij.

[23] Zie mijne Chineesche Filosofie. Confucius, blz. 15 en verder.

[24] Prof. de Groot spreekt van „een ondoorgrondelijk beginsel,” dat

men door „universeele ziel van de Natuur” zou kunnen vertalen.

(Jaarlijksche Feesten enz., deel II, blz. 550.)

[25] Vooral Stanislas Julien.—

[26] Toen ik mijne fantazie „Wu Wei” schreef, had ik dit nog niet

gelezen, anders had ik het stellig aangehaald.

[27] Ik neem Tao onzijdig. Natuurlijk kan het geen geslacht hebben.

[28] Hoofdstuk I.

[29] ,, IV. Voor Shang Ti zie men mijn Chineesche Filosofie.

Confucius, bl. 27.

[30] Hoofdstuk XIV.

[31] ,, XVI.

[32] ,, XXI.

[33] Met „karakter” bedoel ik hier een der chineesche schriftteekens.

Deze worden door de sinologen algemeen „karakters” genoemd.

[34] Hoofdstuk XXV.

[35] ,, XXXII.

[36] ,, XXXIV.

[37] ,, XXXV.

[38] ,, XXXVII.

[39] ,, VI.

[40] ,, XL. Men zou ook, als G. G. Alexander kunnen vertalen:

„Alle bestaan is uit het materieele. Al het materieele is uit het

immaterieele (spiritueele).

[41] Toen de creatie nog niet geformeerd was en alleen Tao als essence

in-zich-zelf bestond was er ook niet het begrip „één”, in tegenstelling

met „twee”. Zoodra er „één” was (d.i. zoodra Tao zich gemanifesteerd

had) was er ook „twee” gevormd en wel Yin (vrouwelijk, duister) en Yang

(mannelijk, licht). De z.g. „Khi” (levensadem, natuur-adem) vormt van

Yin en Yang in de juiste verhouding het schepsel, het ding.—Hoofdstuk

XLII.

[42] Hoofdstuk XLVIII.

[43] ,, XI.

[44] ,, I.

[45] ,, LXII. „De steun van den slechte” in zooverre, dat de

slechte, wil hij zich beteren, altijd weer op Tao kan steunen, dat hem

dan redden zal.

[46] Hoofdstuk LXXIX.

[47] Le Livre de la Voie de la Vertu, par Stanislas Julien. Paris.

Imprimerie Royale MDCCCXLII.

[48] Hoofdstuk LXX.

[49] Lao Tsze. The Great Thinker, by Major-General G. G. Alexander.

London. Kegan Paul, Trench, Trübner & Co. Ltd. 1895.

[50] Hoofdstuk LXXVI.

[51] ,, VIII.—Bedoeld worden de lagere, nederige plaatsen.

[52] ,, LXXVIII.

[53] ,, VII.

[54] ,, VIII.

[55] ,, IX.

[56] ,, X.

[57] ,, XII.

[58] ,, XV.

[59] ,, XIX.

[60] ,, XXII.

[61] ,, XXIV.

[62] ,, XXVIII. Valleien hier genomen als diepten, waarin zich

alle wateren uitstorten.

[63] Hoofdstuk XXXIII.

[64] ,, XXXVIII.

[65] ,, XLI.

[66] ,, XLV.

[67] ,, XLVII.

[68] ,, XLIX.

[69] ,, LV.

[70] ,, LVI.

[71] ,, LXIII.

[72] ,, LXIV.

[73] ,, LXVI.

[74] ,, LXXI.

[75] ,, LXXXI.

[76] Zie mijne Chineesche Filosofie. Confucius, blz. 30–33.

[77] Hoofdstuk XX.

[78] ,, XX.

[79] ,, III.

[80] ,, XIX.

[81] Hoofdstuk XXIX. D.w.z. vóór alles gaat Tao in het rijk, dat immers

door Tao geformeerd moet zijn, en door Zijn adem bezield. Dit

àllervoornaamste kan niet door actie worden gemaakt, maar moet

natuurlijk uit de ziel van vorst en volk voortvloeien.

[82] Hoofdstuk XXX.

[83] Hoofdstuk XXXI. De linkerplaats is nog steeds bij de chineezen de

eereplaats. In de oude tijden nam een generaal, die eene overwinning

had behaald, den rouw aan. Hij zette zich in den tempel op de plaats

van hem, die de ceremonieën voor de dooden leidt, en, gehuld in

rouwkleederen, weende en snikte hij.

[84] Hoofdstuk XXXVII.

[85] ,, XXXV.

[86] ,, XLVI.

[87] ,, LVII.

[88] ,, LVIII.

[89] ,, LVIII.

[90] ,, LIX.

[91] ,, LX.

[92] ,, LXI.

[93] ,, LXV.

[94] ,, LXIX.

[95] ,, LXXV.

[96] ,, LXXV.

[97] ,, LXVII.

[98] In de oude, oude tijden gebruikte men koorden met knoopen voor het

tellen.

[99] Hoofdstuk LXXX.

[100] The remains of Lao Tzü by H. A. Giles. Hongkong. China Mail

office, blz. 43.

[101] Over Chuang Tszʼ en zijn werk in zóóveel te zeggen, dat het hier

veel te ver zou voeren, en ik er apart over moet schrijven.

[102] Nan Hwa King. Hoofdstuk XV.

[103] Nan Hwa King. Hoofdstuk XVIII.

[104] Volgens Szʼ Ma Ts’ien is Lao Tsz’s einde onbekend gebleven.

Chuang Ts’z zal dan ook deze episode alleen genomen hebben ter

invoering van zijn idee. Want na Lao Tsz’s vertrek naar het Westen is

nooit meer iets van hem gehoord.

De aanhaling is uit Hoofdstuk III van den Nan Hwa King.

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 2. Lao Tsz' · 第 8 / 8 段