5. Er is verschil van gevoelen tusschen de chineesche commentators of

hier „de Wijze” of „Tao” bedoeld wordt. Ik méén de Wijze. Met het „op

de goede plaats wonen” wordt bedoeld, dat hij geen bizondere keuze

heeft, en het nederige hem tevreden stelt. Met „menschlievendheid”

liefde voor allen, géén bizondere voor enkelen. Met „goed regeeren” het

tot rust en vrede brengen van het rijk, zoodat het volk van-zelf goed

werd. Met „bewegen op den rechten tijd” wordt bedoeld, dat hij alles

precies doet (b.v. ambt aanvaarden, ontslag nemen, enz.) als het moment

het op dat oogenblik zoo meêbrengt, en het in de natuurlijke orde ligt.

6. Lao Tsz’s discipel Chuang Tszʼ vergeleek den mensch, die in Tao

leeft, met een ledige boot. Géén schipper zou in woede ontsteken tegen

een ledige boot, als hij daarmede toevallig in aanvaring kwam.

HOOFDSTUK IX.

1. Letterlijk staat er „aan twee zijden (een vaas) vasthouden en (haar)

te vullen is niet zoo goed als er mede uit te scheiden.” De bedoeling

is figuurlijk n.l. dat het veel beter is, iets niet te doen dan het

door te zetten in het wilde, en niet van uitscheiden te weten.

2. Dit is eveneens figuurlijk. Het laatste zou misschien ook wel kunnen

beteekenen „zal men zichzelf niet lang goed kunnen bewaren,” dus „zal

men zich wonden.”

4. Voor „na zich sleepen,” staat lett. „nalaten.”

5. Als het werk volbracht is, zal de Wijze, het onwezenlijke er van

inziende, zich terugtrekken, en streven naar het éénig wezenlijke, naar

Tao.

Ik teeken hierbij aan, dat waar ik hier en in volgende noten van

„letterlijk” spreek men dit om zoo te zeggen niet „letterlijk” moet

opvatten, daar er in ’t chineesch geen letters zijn. Ik bedoel dan „het

dichtst bij de bedoeling en opvolging der karakters komende.”

HOOFDSTUK X.

1. Alexander vertaalt dit met „He who makes the investigation of his

spiritual nature his chief object” enz. St. Julien met „L’âme

spirituelle doit commander à l’âme sensitive” enz. Beiden, evenals ik,

hebben iets in den tekst moeten veranderen en verplaatsen.

2. De ongetemde vitale kracht leidt n.l. tot woestheid en

losbandigheid.

Het „als een pas geboren kind” zijn duidt aan een zuivere gevoeligheid

voor indrukken, en het volkomen puur zijn, zonder verwarring, van het

spiritueele.

5. Letterlijk staat er voor „de processen van de natuur”: „het openen

en sluiten van de deuren des Hemels,” en wel deze operaties precies op

de juiste tijden gedaan.

7. Het is niet recht duidelijk of Tao hier het onderwerp is dan wel de

Wijze.

HOOFDSTUK XI.

1. In den ouden tijd had een wiel dertig spaken, correspondeerende met

de dertig dagen van de maan (Lo Tchin Kong en Julien).

2. Julien vertaalt „C’est pourquoi l’utilité vient de l’être, l’usage

vient du non-être.” Alexander door „however beneficial the material may

be, without the immaterial it would be useless.” Giles vindt dit

geheele hoofdstuk zoo absurd, dat hij het niet eens vertaalt, en zegt:

„This chapter is beneath contempt.”

De commentator Peh Yü Sjen van een mijner edities zegt nog van den

laatsten zin: „Dat ik dit lichaam van mijne ouders kreeg is voordeel”

en vergelijkt dan het immaterieele met „het eeuwig behouden van den

Oorsprong, de eeuwige natuur, voor welke geen in- of uitwendig

bestaat.”

HOOFDSTUK XII.

1. „De vijf kleuren” zijn blauw, geel, rood, wit en zwart. Er zal hier

wel bedoeld zijn „alle kleuren,” in ’t algemeen.

„De vijf tonen” zijn de chineesche tonen, „kung, shang, kioh, chʼi en

yü.”

De vijf smaken: „zoet, scherp, zuur, zout, bitter.”

3. Letterlijk staat er „zijn binnenste vullen,” in den zin van „vullen

met spiritueele dingen” en „ledigen zoowel van animale dingen als van

belemmerende affecties.”

4. Men vergelijke Thomas à Kempis „Imitation de Jésus Christ”:

„Travaille donc à retirer ton cœur de l’amour des choses visibles pour

te porter aux invisibles. (Livre I, Ch. I, trad. L. Moreau.)

HOOFDSTUK XIII.

1. Er is in verschillende edities van den Tao Teh King geen

overeenstemming wat de volgorde van eenige karakters in dit hoofdstuk

aangaat. Zóó geven enkele commentators voor den tweeden volzin:

„geëerdheid en groote rampen zijn als het lichaam”.—De hoofdidee blijft

echter dezelfde. Peh Yü Shen teekent bij dit nummer aan: „De van-zelve

(d.i. natuurlijke) toestand van het hart (hier meer in den zin van

ziel) is zonder glorie of vernedering.”

2. Is men bij den vorst in hooge gratie, dan is men in vreeze, dat men

haar niet behoudt, en is men in degradatie, dan is men in vreeze, dat

het misschien nooit weer beter kan worden.

3. Peh Yü Shen teekent hierbij aan: „Ben ik Ik, dan heb ik ook een

lichaam, ben ik niet Ik, dan heb ik ook geen lichaam”. M.a.w. men moet

vrij zijn van alle begeerten en behoeften van het lichaam, en geheel

opgaan in Tao; dan kunnen rampen ons niet meer bereiken.

4. Dezelfde commentator zegt: „het Ik vergeten, en de wereld vergeten,

dit is de reëele en Tszʼ Jan (van-zelve) toestand van den Hemel”.

5. Wie het vorst-zijn in ’t geheel niet als iets bizonder glorieus’

beschouwt, maar zich eigenlijk veel liever van alles terugtrok, om zich

geheel over te geven aan Tao, zóó iemand zou alleen als vorst geschikt

zijn, en zich nooit te buiten gaan aan eerzucht, haat, enz. Een

commentator maakt de vergelijking er bij: „Het hart (de ziel) is de

Vorst, het lichaam is het rijk.”

HOOFDSTUK XIV.

1. Rémusat, Strauss en nog anderen zagen in deze drie woorden „I” „Hi”

en „Wei” een verbastering voor „Jehovah” en groot was de verrassing

toen men hoorde, dat de chineezen vóór onze jaartelling reeds van

Jehovah afwisten. Er is echter geen kwestie van, of deze woorden hebben

den zin, die ik hier gebruik, evenals zij in authentieke commentaren

voorkomen. Julien en Legge hebben het ook nooit geloofd. De bedoeling

is: „Tao is kleurloos, aphoon, en onstoffelijk.”

2 en 3. Wat deze drie dingen zijn is niet met woorden uit te drukken,

omdat zij met niets zijn te vergelijken, en ook niet van elkaar te

onderscheiden. Samen geven zij het immaterieele aan van Tao.

4. Omdat het onstoffelijk is, is het ook niet, als alle stoffelijke

dingen van boven meer verlicht dan van onderen. Het kan licht noch

schaduw hebben.

5. Het Niet-Zijn, hierin voorkomend, is het voor ons Niet-Zijn, daar

wij alleen stoffelijke, met de zintuigen waar te nemen dingen Zijn

noemen. Maar, hooger denkend, is dit Zijn reëel, want niet

eeuwigdurend, en onderhevig aan geboorte en dood, terwijl het

zoogenaamde Niet-Zijn eigenlijk het éénige reëele, eeuwigdurende Zijn

is.—Een vorm, die vergaat (als die van alle sterfelijke dingen) is

eigenlijk geen vorm, evenmin als een beeld, dat weer uitgewischt wordt

een beeld is, dat uit-zich-zelf eeuwig bestaat. Tao is voor ons

onzichtbaar, dus voor ons beeldeloos en vormeloos. Maar Tao bestaat uit

zich-zelf eeuwig, en daarom belichaamt Tao eigenlijk het éénige reëele

beeld, den éénigen reëelen vorm.

6. Tao heeft verder begin noch einde, verleden noch toekomst.

7. Het Tao weten van de Oudheid is weten, dat er oorspronkelijk geen

leven en dood is, dat er geen leven en dood als reëele dingen bestaan.

Het Begin van het Oude weten is weten, dat er geen verleden of toekomst

bestaat voor Tao, dat, voor hem, die in Tao opgaat, het heden morgen en

het morgen heden is, daar Tao alleen reëel in en nooit vergaat,

vermindert of vermeerdert.

HOOFDSTUK XV.

1. Deze volzin is een verwijt tegen de filosofen in Lao Tsz’s tijd, die

wanhopig waren, als zij miskend en onbekend bleven. De filosofen uit de

Oudheid waren één met Tao, en, evenals Tao zelf, schenen zij voor de

gewone menschen als gering, subtiel en duister, en drongen toch in

alles door.

3. Het doorwaden van een stroom in den winter symboliseert hier een

groote moeilijkheid, waar men niet lichtvaardig aan begint. Het als

gast zijn beteekent zich mindere voelen en reverend zijn.—Het

versmelten als ijs in water symboliseert het terugkeeren van het

lichaam om te vergaan in Tao.—Als onbewerkt hout zijn is in den

natuurlijken staat zijn, zonder fraaiigheid.—Het ledig zijn als een

vallei symboliseert het vrij zijn van alle begeerten en stoffelijke

aantrekkingen.—Het vaag zijn duidt aan, dat zij zich volstrekt niet als

bizonder verlicht voordeden, maar dat de menschen hen als troebel en

duister vonden, en dachten, dat zij onwetend waren, daar zij zich niet

boven hun gewone dingen trachten te verheffen.

4. Iedere beweging maakt de ziel onzuiver, evenals een beweging in

water. Alleen door volkomen kalmte blijven de ziel en het water helder

en puur.—Gedachten, begeerten, affecties, deze bewegen de ziel, en

alleen rust en kalmte houden haar rein.

5. Wat vol is, loopt spoedig over, en verandert dus, of vermindert. Tao

is van een natuur, dat er niets bij kan of af kan gaan, dat het grooter

of kleiner maakt. Peh Yü Shen vergelijkt hier direct de ziel met Tao

door te zeggen: „Tao kan niet uitgeput worden, de ziel kan niet

uitgeput worden.”

De filosofen van den nieuwen tijd, dacht Lao Tszʼ, wilden altijd maar

vol schijnen, vol glorie en geleerdheid. Die der Oudheid waren

oogenschijnlijk als ledig, maar bleven dan ook altijd hetzelfde, in

Tao.

HOOFDSTUK XVI.

1. „Ledig” beteekent hier weer „ledig van begeerten en egoïsme”.—Ik heb

hier letterlijk vertaald, waar Johnson, minder getrouw, maar misschien

duidelijker heeft: „Whoso has wholly ceased from self shall find

immovable rest”.

„Het ledig en de ruste”, zegt Sie Hoei hierbij, „zijn de wortel (basis)

van onze natuur” (Julien).

4. Met „Leven” wordt hier bedoeld het Leven zooals het oorspronkelijk

is, het eeuwige leven, zonder passies, van Tao. En dit is voor ieder te

bereiken, daar het de oorsprong van zijne natuur is. Alle beweging

ontstaat uit en is geworteld in rust.

6. Wie niet weet wat eeuwigdurend is houdt zich op met voorbijgaande

verschijningen, en leeft van sterfelijke hartstochten, die hem

ongelukkig maken, omdat zij niet reëel zijn.

7. Hier doet Lao Tszʼ wat ook Confucius deed: het exalteeren van den

Wijze, en hem één verklaren met den Hemel (zie Confucius’ „Choeng

Yoeng”). Alleen hij, die de hoogste rechtvaardigheid bezat, was volgens

Lao Tszʼ en Confucius waard koning te zijn, en over allen zonder

onderscheid zijne weldaden te verspreiden.

8. Volgens enkele commentators moet de laatste zin luiden: „tot aan den

dood is er voor hem geen gevaar”.—Ik kan hier niet met hen medegaan.

Johnson vertaalt hier gelijk ik; Julien echter niet.—Johnson haalt bij

dit hoofdstuk de volgende twee schoone teksten aan uit de Vedanta:

„Those who know the Supreme Brahma become even Brahma”, en „When He is

known as the nature of every thought, than immortality is known”.

HOOFDSTUK XVII.

1. Lao Tszʼ bedoelde, dat vroeger de regeering zoo van-zelf (Tszʼ Jan),

zoo „Wu Wei” ging, doordat de Vorsten in Tao leefden, dat er niets

bizonders behoefde gedaan te worden, doordat alles van-zelf ageerde, en

zóó wist het volk alleen van de vorsten, dat zij bestonden.

2, 3, en 4. Dit is een voorlooper van Hoofdstuk XVIII. Het verval wordt

erger en erger, zoodra alles niet meer „Wu Wei” is. In plaats van

natuurlijke dingen kwamen wetten, die dan veinzerij veroorzaakten, enz.

enz.

5. Zoo de vorsten strenge wetten noodig hadden in plaats van natuurlijk

vertrouwen in het volk, vertrouwde het volk hen ook niet meer.

7. Alles „Wu Wei” gaande, was er ook niets bizonders aan als alle zaken

gelukten en er voorspoed was. Dit was niet anders dan „Tszʼ Jan”,

vanzelf.

HOOFDSTUK XVIII.

1. Toen het volk nog in Tao leefde was er vanzelf liefde van de

menschen onder elkaar, was er vanzelf geen strijd en misdaad. Alles was

Wu Wei. Vanzelf was er dus ook geen begrip Menschlievendheid en geen

begrip Gerechtigheid. Zoodra die kwamen, was Tao al verlaten.

2. De vorst, die in Tao leefde, regeerde Wu Wei (zie het vorige

Hoofdstuk), en behoefde geen bizondere slimheid te gebruiken; deed hij

dit, dan ging het volk dat met dezelfde wapenen te keer, en de

Huichelarij ontstond.

Johnson geeft: „With the sharpening of the wits come trickery and

sham.”—Ik ga in dezen eerder mede met Thi We Tszʼ, The Thsing en

Julien, die dit gezegde betrekking doen hebben op de regeering (in

verband dus met het vorige hoofdstuk).

3. Van ouds was er vanzelf harmonie in de familie (lett. staat er: „de

zes bloedverwanten” d.i. vader—zoon, oudere broeder—jongere broeder, en

man—vrouw). Het was Wu Wei, natuurlijk. Toen er Hiao (liefde voor de

ouders) en Tszʼ (hier: liefde voor de kinderen) kwamen was de harmonie

natuurlijk niet meer natuurlijk bestaande.

4. Johnson zegt hiervan terecht: „The call for examples of this kind is

a sign. Lao Tszʼ is showing that what causes the boast or claim of

special virtues is the consciousness of self, the absence of

spontaneous goodness in an old traditioned state of society beset by

formulas and prescriptions.”

HOOFDSTUK XIX.

In verband met het vorige hoofdstuk is dit negentiende duidelijk

genoeg. Véél beter dan te weten achtte Lao Tszʼ het, zijn

oorspronkelijken natuurstaat te behouden.

In den natuurstaat is men, volgens Lao Tszʼ, vanzelf (Tszʼ Jan) wijs,

filantropiesch en knap, maar zonder het te weten, onbewust, en zijn die

dingen dus een onbewuste realiteit. Zoodra men ze echter met namen gaat

noemen, als iets bizonders, ontaardt die realiteit in een schijn.

Men vergelijke dit Hoofdstuk en ook het volgende met Hoofdstuk 3 uit de

„Imitation de Jésus Christ.” O.a. „L’humble connaissance de toi-même

est une voie plus sûre pour aller à Dieu que les profondes enquêtes de

la science,” en „Combien périssent par la vaine science dans le siècle,

insouciants du service de Dieu.” (trad L. Moreau.) Treffend is ook de

gelijkenis met Hoofdstuk 2 uit hetzelfde boek. O.a. „Tout homme désire

naturellement savoir; mais la science, sans la crainte de Dieu, que

produit-elle? Certainement, l’humble paysan qui sert Dieu vaut mieux

que le philosophe superbe qui, négligeant son âme, observe le cours des

astres.” Dit slaat ook op den eersten tekst van het volgende Hoofdstuk

XX.

HOOFDSTUK XX.

5. Ik vertaal hier „kalm” bij gebrek aan beter woord. Het karakter

„poh” beteekent „ankeren, ten anker liggen”, wat Alexander wel wat

vrij, maar zeer schoon doet vertalen: „I am as a solitary ship at

anchor on an unknown shore”. De commentator The Thsing merkt bij den

laatsten zin op: „Ik ben als een vaartuig, welks kabeltouw is

gebroken”.

6. Lao Tszʼ meent met „alles verloren”: „alle aardsche dingen verloren,

maar het ééne, Tao, behouden. Ik heb een chaos van verwarring”, daar

„tun” beteekent „het neerstorten van een stroom, chaotisch, verward”

(Wells Williams.) Julien, op gezag van Sie Hoeï, vertaalt met

„dépourvue de connaissances, ignorant” deze herhaling „tun tun”.

9. Dit correspondeert met in Hfdst. I: „Als Zijn kan men Het noemen de

Moeder aller dingen”.

Ik heb na 2 een zin uitgelaten, luidende: „Voor dat, wat de menschen

vreezen, mogen wij niet onbevreesd zijn”, daar deze mij geheel buiten

het verband van dit zoo schoone hoofdstuk leek te liggen.

HOOFDSTUK XXI.

1. Hier gebruikt Lao Tszʼ „Deugd” (Teh) voor Tao. Letterlijk staat er

niet „manifestatie”, maar „uiterlijk, voorkomen, vorm”. In het tweede

deel van dit werk zal ik nader over deze verwisseling spreken.—Tao

heeft geen lichaam, maar in circulatie in het heelal noemt Lao Tszʼ het

Teh (Deugd), zoodat Teh (Deugd) de manifestatie van Tao is (Sou Tszʼ

You).

2. Tao, met andere woorden, is de essence, het transcendentale,

mystieke, eeuwige Wezen van alle sterfelijke lichamen en dingen.

Julien voegt hier bij: „In medio ejus est spiritus”.

De onfeilbare getuigenis van het Wezen dier spiritueele essence is dat

zij onsterfelijk is, terwijl ál het andere buiten haar sterft.

3. Het karakter, dat dit „geboorte geven” uitdrukt, bevat een poort.

Julien zegt er, op den commentator Sie Hoeï afgaande, bij: „Lao Tszʼ

vergelijkt hier Tao met een poort, waar alle wezens uitkomen om in het

leven te gaan.”

HOOFDSTUK XXII.

2. „Het” is hier Tao.

5. Volgens anderen „Als iemand het volmaakte bereikt heeft, keeren

allen tot hun oorspronkelijken staat van eenvoud terug”.

HOOFDSTUK XXIII.

1. Zooals ik reeds in mijn vorige werk, over Confucius, zeide, is Tszʼ

Jan: „van-zelf, natuurlijk”. Sie Hoeï merkt hierbij aan, wat ik ook

reeds vroeger opmerkte vóór dit te lezen, dat Tszʼ Jan in Lao Tszʼ

gelijk is aan Wu Wei.

5. Dit is weer iets uit het verband, of het geloof hebben zou moeten

slaan op het gelooven in de woorden van dit hoofdstuk, wat ik niet

waarschijnlijk vind.

HOOFDSTUK XXV.

2. Ik vertaal hier „tsih” met rustig-kalm, omdat het zoowel rustig als

kalm beteekent, en dit eigenlijk nog gecombineerd met „eenzaam”.—En

„liao”, dat „leeg, stil” beteekent, vertaal ik, evenals Julien, op

gezag van eenige chineesche commentators, met „onstoffelijk”.

4. Lo Tchin Kong voegt hier aan toe: „De warmte van de zon verbrandt

Het niet, de vocht beschimmelt Het niet. Het gaat door alle lichamen en

is aan geen enkel gevaar blootgesteld” (Julien).

5. Vergelijk Hoofdstuk I, 2.

6 en 7. Deze teksten zijn wel het duidelijkste bewijs, dat Tao hier

niet, als in Confucius, kan vertaald worden en in Lao Tszʼ geen „Weg”

of „Pad” beteekent. Met „een karakter” wordt hier bedoeld „een

chineesch schriftteeken.”

10. „Ver” hier meer in den zin van „die ver gaat, die in de verte gaat,

als in de grieksche werkwoorden τηλέπορος, μακροπορος (Julien).

14 en 15. Op Tao komt dus alles neer, en wie koning wil zijn kan dus

niet buiten Tao.

HOOFDSTUK XXVI.

1. „Beweging” hier vooral als haastige, overijlde beweging. De geleerde

commentator Peh Yü Shen van een mijner edities, die heel korte, maar

treffende commentaren geeft, merkt bij dezen tekst op: „Het hart is de

wortel (lett. voorvader) van alle dingen, en Tao is het eigenlijke

Wezen van het hart”.

3. Peh Yü Shen merkt hier bij op: „Het hart gaat buiten de dingen”.

4. Vele commentators meenen dat met dezen „Heer van tienduizend

wagenen” de Keizer wordt bedoeld. Peh Yü Shen ziet er echter weder „het

hart” in.

HOOFDSTUK XXVII.

Dit Hoofdstuk is een der duisterste uit het geheele werk, wat de

constructie der chineesche zinnen aangaat, en heeft, zoowel van

chineesche als europeesche zijden, tot de meest verschillende en

uiteenloopende verklaringen aanleiding gegeven. Ik zou dan ook niet

gaarne volhouden dat mijne vertaling hier onfeilbaar is.

1. Deze eerste tekst lijkt mij duidelijk genoeg. Ik ga hier gaarne mede

met den commentator Shun Yang van een mijner chineesche edities, die

hier in ziet de verheffing van Wu Wei (van-zelf doen) boven Wei

(onnatuurlijk doen). Alles wat Wu Wei gedaan wordt, staat er

figuurlijk, is onvernietigbaar.

Vroeger rekende men met bamboe-tabletjes.

2. Het „daarom” hier lijkt mij niet logisch te volgen in zinsverband

met het vorige.

3 en 4. Deze teksten zijn zeer duister in het chineesch, zoodat ik niet

kan instaan voor de vertaling. Ik heb hier „yaou miao” met „teh Tao”,

eene mystieke uitdrukking voor „de Al-Wijsheid, het Al-Weten”,

vertaald, op gezag van Shun Yang.

HOOFDSTUK XXVIII.

1. De „vallei” is een geliefkoosd beeld van Lao Tszʼ om uit de drukken

het lage, nederige, waar toch alles zich aan onderwerpt en zich in

uitstort.

HOOFDSTUK XXIX.

1 en 2. Alleen met „Wu Wei” is het rijk te regeeren. De grondvesten van

het rijk zijn de diviene principes van Tao, dus dingen, die van-zelf,

natuurlijk uit Tao voortvloeien. Alleen door dus „Wu Wei” te zijn, d.i.

in alles gehoorzaam aan het rythme van Tao, is een goede regeering

mogelijk.

4. De bedoeling is, dat de vorst aan de zoo verschillend aangelegde

menschen vrijheid moet laten om hun eigen natuur te volgen, maar ze

niet met alle geweld anders moet maken dan ze zijn.

HOOFDSTUK XXXI.

3. De eereplaats is ook thans nog bij de chineezen de linkerzijde. De

gast zit ter linkerzijde van den gastheer.

6. Letterlijk staat er niet „verblijdt hij er zich niet over” maar

„vindt hij het niet mooi”.

12. Als in den ouden tijd een generaal een veldslag gewonnen had, nam

hij den rouw aan, en ging hij in den tempel, in rouwkleederen, weenende

de ceremonieën der dooden verrichten.

HOOFDSTUK XXXII.

1. Zie de noot bij Hfdst. XXV 6 en 7.

3. Letterlijk staat er niet „zich onderwerpen” maar „zouden alle dingen

(d.i. de geheele creatie) hun gasten zijn.”

5. Toen Tao, het (schijnbaar) zoo simpel-kleine (want

één-in-zich-zelve), zich verdeelde (verspreidde), ontstond de creatie.

6. Dit beteekent hier „De creatie eenmaal ontstaan zijnde,” dus ook „de

wezens eenmaal uit Tao geboren zijnde”. „Inhouden” is hier „zich aan

Tao houden,” zich niet door de actie van begeerten, hartstochten enz.

laten medesleepen.

De commentator Peh Yü Shen van een mijner edities, wiens uitstekende,

geserreerde commentaren ik reeds menigmaal aanhaalde, ziet bij tekst 3

in de „koningen en hertogen” slechts een symbolieke uitdrukking voor

„het hart”, in „de tienduizend dingen” de geheele creatie en in „het

volk” een uitdrukking voor „het lichaam.” In „het verspreiden van Tao”

ziet hij eene verborgen beteekenis voor „het zich verdeelen van Tao in

de menschelijke harten.” Zoodat hij in dit Hoofdstuk eigenlijk de

bedoeling ziet, dat als het hart slechts Tao behoudt, en daar nooit

buiten gaat, het lichaam ook vanzelf tot rust en harmonie komt, en het

hart dan de gastheer, de Meester is over alle wezens en dingen in de

creatie, die als zijne gasten zijn. Ik teeken hierbij aan dat „hart” in

’t chineesch dikwijls synoniem is met ziel.

HOOFDSTUK XXXIII.

4. Letterlijk staat er: „hij, die niet verliest wat hij gekregen

heeft,” dus hij, die niet van zijne essentieele natuur afwijkt, zal

lang leven.

De bedoeling van den geheelen tekst, zooals vele chineesche commentaren

haar dan ook geven, zal wel deze zijn: „Het animale leven vergaat, maar

de ziel blijft altijd.”

HOOFDSTUK XXXIV.

Men vergelijke dit Hfdst. met Hfdst. X.

8. Men vergelijke in Thomas à Kempis’ „Imitation de Jésus Christ”:

„Vraiment grand est celui qui en soi-même est petit et tient pour néant

tout faîte d’honneur.” (Ch. 3.)

HOOFDSTUK XXXVI.

6. Daar het uitgezette gaat contracteeren, het sterke verzwakken, het

bloeiende vervallen, enz., zoo is het ook duidelijk, dat het zachte het

harde overwint.

7. Het verband van dezen tekst met het vorige is mij niet recht

duidelijk. Mijn commentator zegt dat „visschen kunnen niet uit het

water worden genomen” eene symbolische uitdrukking is voor „de ziel kan

niet buiten Tao gaan”.

HOOFDSTUK XXXVII.

1. Johnson ziet hier eene analogie met Hegel en zegt: „The analogy with

Hegels theses of the development of the Idea, in itself, and for

itself, of the logic of the movement of the spirit, and of progress as

the identity of being and nought,—is obvious. The German philosopher

has formulated for the West the same conceptions which are here

instinctive and intuitive in the East. Lao-Tse combines with them a

profoundly religious spirit, and a sense of personal liberty through

cognition of the universal, as rare as it is admirable”.

3. Niet zeer getrouw aan den tekst, maar toch karakteristiek vertaalt

Giles: „Smouldering ambition I would repress by extreme simplicity”.

4. Het is niet duidelijk of deze tekst misschien niet beter vertaald

ware met: „Het simpele Wezen, dat geen naam heeft, heeft geen begeerte,

en geen begeerte hebbende, is Het in rust”.

TWEEDE DEEL: TEH.

HOOFDSTUK XXXVIII.

Dit hoofdstuk is een van de moeilijkste van het geheele werk, en iedere

vertaler heeft weer een andere versie. De meesten nemen „teh”

verkrijgen voor „teh” deugd, maar dit behoeft hier in ’t geheel niet.

Wie goed heeft gelezen wat ik in mijn Voorwoord over vertalingen uit

het chineesch heb gezegd, zal begrijpen, hoe weinig het verschil in

zinswending enz. er toe doet, mits het hoofdidee maar juist is.

Verscheidene vertalers hebben, op eigen beter weten, den chineeschen

tekst veranderd, en er een eigen chineeschen tekst van gemaakt. Toch

lijkt mij de hoofdbedoeling vrij duidelijk, in verband met den geheelen

geest van de Tao Teh King. Een zin uit Chuang Tszʼ: „Het hoogste Geluk

is geen geluk” correspondeert er mede.

1 en 2. De hoogste Deugd is van-zelf, uit Tao, is dus Wu Wei. Maar

zoodra men, deugdzaam zijnde, het idee heeft: „dit is nu deugd,” dan is

het al geen Deugd meer, dan krijgt men den schijn voor de realiteit,

den naam voor het ding zelf.

3. De hoogste Menschlievendheid doet goed van-zelf, omdat zij niet

anders kan, uit haar natuur. Zoodra er het idee „dit is mijn plicht”

bijkomt, wordt het al onzuiver.

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 2. Lao Tsz' · 第 6 / 8 段