5. Ik heb hooren zeggen, dat hij, die zijn leven weet te regeeren,

zonder gevaar langs een weg kan gaan, waar rhinocerossen en tijgers

zijn, en in het leger kan treden zonder harnas of wapenen, want de

rhinoceros zou geen plek kunnen vinden om zijn hoorn in te boren, de

tijger geen plek om zijn klauwen in te slaan, de krijgsman geen plek om

zijn zwaard in te steken.

6. En hoe komt dat dan wel? Omdat hij niet blootgesteld is aan den

dood.

HOOFDSTUK LI.

1. Tao brengt de dingen voort. Het brengt ze groot door Teh (Zijne

manifestatie in hen). Het vormt ze door Zijne substantie. Het volmaakt

ze door Zijne impulsie.

2. Daarom, onder alle wezens is er geen, dat niet Tao vereert en Teh

hoogacht.

3. Die majesteit van Tao en die eerwaardigheid van Teh zijn niet aan

hen gegeven, zij bezitten die eeuwig uit zichzelven.

4. Daarom, Tao baart alle dingen, kweekt ze op, doet ze groeien, brengt

ze groot, volmaakt ze, doet ze rijpen, voedt ze, beschermt ze.

5. Te baren, en toch niet als eigendom te beschouwen, te formeeren, en

dat toch niet als glorie te beschouwen, te regeeren, en toch vrij te

laten,—dit noem ik de mysterieuze Deugd.

HOOFDSTUK LII.

1. De wereld heeft een begin, dat werd de Moeder der wereld.

2. Als men de moeder bezit kent men daardoor hare kinderen. Als men

hare kinderen kent en daarna de moeder behoudt, al sterft het lichaam

weg, men heeft dan geen gevaar te duchten.

3. Hij, die zijn mond sluit, en zijne oogen en ooren dichtdoet, zal

zijn geheele leven lang niet (behoeven te) tobben. Hij, die zijn mond

opendoet, en zich druk gaat maken, is niet (meer) te redden.

4. Het kleine te zien heet verlicht zijn, zwakheid te handhaven heet

sterk zijn.

5. Als men gebruik maakt van de afschittering van Tao om daarna tot

Zijn licht terug te keeren, heeft het lichaam geen ramp meer te

vreezen.

6. Dit noem ik dubbel verlicht zijn.

HOOFDSTUK LIII.

1. Als ik, bij toeval, eens een beetje kennis had, zou ik den grooten

Weg bewandelen.

2. Mijn vrees zou zijn, of ik (deze leer) wel zou kunnen verspreiden.

3. (Want) de groote Weg is zeer vlak, maar het volk houdt van de

zijpaden.

4. Als de paleizen veel treden hebben, zijn de velden vol onkruid, en

zijn de graanschuren ganschelijk ledig.

5. De prinsen kleeden zich in schitterende gewaden, dragende een scherp

zwaard; zij verzadigen zich aan (lekker) eten en drinken, en hebben

schatten en goederen te over.

6. Dit noem ik het voorbeeld geven van diefstal. Dit is niet zich

toeleggen op Tao!

HOOFDSTUK LIV.

1. Hij, die goed weet te grondvesten, zal (zijn werk) niet ontworteld

zien; hij, die goed weet vast te houden, zal niet laten ontglippen.

2. Zijn zonen en kleinzonen zullen voor hem offeren zonder ophouden.

3. Als de mensch Het betracht in zich zelven, zal zijn deugd reëel

worden. Als hij Het betracht in zijne familie zal zijn deugd

overvloedig worden. Als hij Het in zijn dorp betracht zal zijn deugd

(vèr) verspreid worden. Als hij Het in zijn staat betracht zal zijn

deugd rijk-bloeiend worden. Als hij Het in het Rijk betracht zal zijn

deugd universeel worden.

4. Daarom, naar zich zelf oordeelt men anderen, naar zijne familie

oordeelt men andere familieën; naar zijn dorp oordeelt men andere

dorpen; naar zijn staat oordeelt men andere staten; naar zijn Rijk

oordeelt men andere (toekomstige) Rijken.

5. Hoe weet ik dat het aldus met het Rijk is? (Juist) door Dit.

HOOFDSTUK LV.

1. Hij die een intenze deugd heeft gelijkt op een pasgeboren kind, dat

de steken van venijnige insecten niet vreest, noch de klauwen van wilde

beesten, noch den greep van roofvogels.

2. Zijn beenderen zijn zwak, zijn pezen zijn week, en (toch) houdt het

(de dingen) stevig vast.

3. Het weet nog niet de gemeenschap der beide seksen en (toch) is er

(al) wat actie in zijn geslachtsdeel. Dit is door de volmaaktheid van

het semen.

4. Het schreeuwt den ganschen dag en (toch) wordt zijn keel niet schor.

Dit is (door) de volmaaktheid van de harmonie.

5. Te weten wat harmonie is heet onveranderlijk (eeuwigdurend) zijn. Te

weten wat onveranderlijk is heet verlicht zijn. Vermeerdering van leven

heet zaligheid. De geest het lichaam besturende heet kracht.

6. Vanaf het toppunt van kracht worden de dingen oud, dat wil zeggen,

zij zijn niet gelijk aan Tao, en wat niet gelijk is aan Tao neemt een

spoedig einde.

HOOFDSTUK LVI.

1. Zij die (Tao) weten spreken er niet over; zij die er over spreken

weten Het niet.

2. De Wijze doet zijn mond dicht, sluit oogen en ooren, haalt zijne

hooge aspiraties neder, ontrafelt het verwarde, tempert het

(verblindend) schitterende, en maakt zich gelijk aan het stof. Dit noem

ik eene mystieke gelijkenis (met Tao).

3. Gunst noch ongenade, voorspoed noch schade, geëerdheid noch

verachting kunnen hem treffen.

4. Daarom is hij de eerbiedwaardigste mensch onder den Hemel.

HOOFDSTUK LVII.

1. Met rechtheid regeert men den staat, met listen voert men oorlog,

met Wu Wei wint men het Rijk.

2. Hoe weet ik, dat het zoo met het Rijk is? Door dit:

3. Hoe meer bangmakende verbodsbepalingen er in het rijk zijn, des te

armer wordt het volk; hoe meer middelen tot productie van weelde het

volk heeft, des te verwarder wordt de staat; hoe bekwamer en

vernuftiger het volk is, des te meer artificiëele dingen worden er

gemaakt; hoe rijker en klaarder de wet wordt, des te meer dieven en

roovers er komen.

4. Daarom zegt de Wijze: Ik ben Wu Wei en dan zal het volk zich vanzelf

hervormen. Ik houd van de rust, en dan zal het volk vanzelf recht

worden. Ik doe geen werk, en dan zal het volk vanzelf rijk worden. Ik

heb geen begeerten, en dan zal het volk vanzelf (weer) eenvoudig

worden.

HOOFDSTUK LVIII.

1. Als de regeering tolerant is, zal het volk schuldeloos zijn; als de

regeering overal den neus in steekt, zal het volk telkens inbreuk op de

wet maken.

2. Falen is de basis van slagen; slagen is de basis van falen. Wie weet

(van die twee) het uiterste?

3. Voor den ongerechte lijkt gerechtigheid als vreemd, en goedheid als

verdorvenheid.

4. Waarlijk, de menschheid is gedompeld in dwaling, sinds menigen dag!

5. Daarom, de Wijze is vierkant, zonder hoekig te zijn, is belangeloos

zonder te kwetsen, is oprecht zonder overdreven stipt te zijn, is

schitterend zonder te verblinden.

HOOFDSTUK LIX.

1. Om de menschen te regeeren en den Hemel te dienen gaat niets boven

de gematigdheid.

2. Gematigdheid is het allereerst noodige voor den mensch.

3. Dit allereerst noodige noem ik eene zware opeenstapeling van deugd.

Met eene zware opeenstapeling van deugd is er niets, wat hij niet

verwezenlijken kan. Als er niets is, wat hij niet verwezenlijken kan,

kent niemand de grenzen (van zijn macht). Als niemand de grenzen kent

(van zijn macht) is hij geschikt om het rijk te regeeren.

4. Die het oer-principe van het rijk bezit, zal lang blijven

(regeeren). Dit is wat men noemt „een krachtigen en diep geplanten

wortel hebben”. Dit is de leer van lang te leven.

HOOFDSTUK LX.

1. Om een groot rijk te regeeren moet men even zoo voorzichtig zijn als

in ’t bakken van een klein vischje.

2. Als men het rijk regeert met Tao zijn de kwade invloeden tot inactie

gedwongen; niet dat zij hun macht verloren hebben, maar zij kwetsen de

menschen niet. Niet alleen dat zij de menschen niet kunnen kwetsen,

maar zelfs de Wijze kwetst de menschen niet.

3. Noch de Wijze, noch de kwade invloeden kwetsen hen, daarom zullen

hunne deugden samen ineenvloeien.

HOOFDSTUK LXI.

1. Een groot rijk moet zijn (nederig) als de groote stroomen, in welke

zich de wateren van het rijk uitstorten.

2. Het moet de vrouwelijke sekse navolgen, die juist door de rust

(passiviteit) de mannelijke overwint. Die rust is eene vernedering.

3. Daarom, als een groot rijk zich vernedert voor kleinere staten, zal

het die kleinere staten winnen. Als de kleinere staten zich vernederen

voor het groote rijk, zullen zij het groote rijk winnen.

4. Daarom, de een vernedert zich om te krijgen, de ander om gekregen te

worden.

5. Wat een groote staat enkel moet willen is zich te vergrooten en uit

te breiden, wat een kleine staat enkel moet willen is protectie, dan

krijgen beide wat zij noodig hebben.

6. Maar de grooten behooren zich te vernederen!

HOOFDSTUK LXII.

1. Tao is de veilige schuilplaats van alle dingen, de schat van de

goeden, de steun van de slechten.

2. Goede woorden kunnen ons tot voordeel zijn, en een eerwaardig gedrag

kan ons boven de anderen verheffen.

3. Hoe kan men het wegmaken, dat er slechte menschen zijn?

4. Daarom heeft men een keizerschap gegrondvest en drie ministers

ingesteld.

5. Al houdt men in beide handen een jaspisstaf en gaat men vóór met een

vierspan, het is beter te blijven zitten en vooruit te gaan in Tao.

6. Hoe is het, dat de ouden Tao zoo vereerden? Is het niet, omdat men

Het vanzelf vindt zonder den ganschen dag te zoeken, en omdat Het de

misdaden vergeeft?

7. Daarom is Tao het eerbiedwaardigste onder den Hemel.

HOOFDSTUK LXIII.

1. De Wijze doet Wu Wei, werkt aan géén werk, en savoureert wat zonder

smaak is.

2. Het groote en het kleine, het vele en het weinige zijn even

gewichtig voor hem.

3. Hij wreekt kwaad met goed.

4. Als hij moeilijke dingen ontwerpt, begint hij met de gemakkelijke,

als hij groote dingen wil doen, begint hij met de kleine.

5. De moeilijke dingen onder den Hemel zijn stellig uit de gemakkelijke

gemaakt, de groote dingen onder den Hemel zijn stellig uit de kleine

gemaakt.

6. Daarom, de Wijze zoekt geen groote dingen te doen, en daardoor juist

volbrengt hij groote dingen.

7. Lichtvaardig gedane beloften worden stellig zelden gehouden, en wie

veel voor gemakkelijk houdt, ondervindt dat veel moeilijk is.

8. Daarom, de Wijze vindt alsof alles moeilijk is, en daarom juist

ondervindt hij nooit moeilijkheden.

HOOFDSTUK LXIV.

1. Dat, wat in rust is, is gemakkelijk te behouden in zijn toestand;

dat wat nog niet verschenen is, is gemakkelijk te voorkomen; dat wat

broos is, is gemakkelijk te breken; dat wat klein is, is gemakkelijk te

verspreiden.

2. Houdt het kwaad tegen vóór het bestaat, regeer wanorde vóór zij

uitbarst.

3. Een boom dien gij met beide armen (nauwelijks) kunt omvatten is

gegroeid uit een vezeltje zoo fijn als een haar; een toren van negen

verdiepingen is uit een klein hoopje aarde opgericht, en een reis van

duizend li’s begint met een enkelen voetstap.

4. Wie „doet” faalt, wie grijpt verliest (wat hij grijpt).

5. Daarom, de Wijze is Wu Wei en faalt daarom niet, de Wijze grijpt

niet en verliest daarom niet.

6. Als het volk iets doet faalt het altijd als het op het punt is om te

slagen.

7. Zorg voor het einde zoowel als voor het begin, dan zult gij niet

falen.

8. Vandaar, de Wijze begeert géén begeerten te hebben, en hecht geen

waarde aan moeilijk te verkrijgen dingen; zijn studie is géén studie en

daardoor ontkomt hij aan de fouten der menschen. Hij laat alle dingen

hun natuurlijken gang gaan, en komt niet tusschenbeide.

HOOFDSTUK LXV.

1. De Ouden, die Tao betrachtten, gebruikten Het niet om het volk

verlicht te maken, maar om het simpel te houden.

2. Het volk is moeilijk te regeeren omdat het zooveel weet.

3. Hij, die een rijk regeert door het weten te vermeerderen, is de

geesel van het volk; hij die niet met al dat weten het rijk regeert, is

het geluk van het volk.

4. Hij die deze beide dingen weet, is ook een voorbeeld (voor het

rijk). Altijd een voorbeeld weten te zijn, noem ik de mystieke deugd

(hebben). (Deze deugd) is diep, en vèr-reikend, en tegenovergesteld aan

de (materieele) dingen!

5. En daarna komt men tot den grooten vrede.

HOOFDSTUK LXVI.

1. Waarom kunnen de groote rivieren en zeeën de koningen zijn van alle

stroomen? Omdat zij zich onder hen weten te houden, daarom kunnen zij

de koningen aller stroomen zijn.

2. Daarom, als de Wijze superieur wil zijn aan het volk, moet hij in

zijn spreken ónder het volk blijven. Als hij voor het volk uit wil

staan, moet hij zich op den achtergrond houden.

3. Daardoor staat hij boven allen, en weegt (toch) niet zwaar op het

volk, staat hij voor allen uit en kwetst (toch) het volk niet. Daardoor

gehoorzaamt het rijk hem met vreugde, en wordt hem niet moede.

4. Omdat hij allen strijd vermijdt is er niemand in het rijk, die met

hem strijden kan.

HOOFDSTUK LXVII.

1. Allen in het rijk noemen mij groot, maar ik ben als gedegenereerd.

Juist omdát ik groot ben, ben ik als gedegenereerd.

2. Als ik daaraan (d.i. aan groot) gelijk ware.... reeds lang, naar ik

meen, weet ik daar het kleine van.

3. Welnu, ik heb drie schatten, die ik vasthoud en in eere houd. De

eene heet Liefde. De tweede heet Zuinigheid. De derde heet Nederigheid.

4. Door mijn liefde kan ik dapper zijn, door mijn zuinigheid kan ik

veel geven, door mijn nederigheid kan ik de eerste zijn.

5. Tegenwoordig verwerpt men de liefde en is (toch) dapper, verwerpt

men de zuinigheid, en geeft (toch) veel uit, en verwerpt men de laatste

plaats om (toch) de eerste te zijn.

Dit leidt tot den dood, naar ik meen.

6. Welnu, als men strijdt vervuld van liefde, overwint men, en als men

iets verdedigt vervuld van liefde, zal men het behouden.

7. De Hemel schenkt de gave van liefde aan hem, dien zij beschermen

wil.

HOOFDSTUK LXVIII.

1. Hij, die een goed veldheer is, is niet krijgszuchtig. Hij, die een

goed strijder is, is niet toornig. Hij, die een goed overwinnaar is,

worstelt niet. Hij, die goed menschen (weet te) gebruiken, stelt zich

onder hen.

2. Dit noem ik de deugd die niet strijdt. Dit noem ik de kracht die de

menschen weet te gebruiken. Dit noem ik met den Hemel samen één zijn.

3. Dit was het opperste, waartoe de Ouden kwamen.

HOOFDSTUK LXIX.

1. Een veldheer zeide eens: Ik durf niet gastheer te zijn (d.i. aan te

vallen); ik ben liever gast (d.i. defensief). Ik durf geen duim vooruit

te gaan; ik ga liever een voet terug.

2. Dit noem ik vorderingen maken zonder vooruit te gaan, terugslaan

zonder de armen uit te strekken, vervolgen zonder dat er een vijand is,

grijpen zonder wapenen.

3. Er is geen grooter ramp dan den vijand (te) gering te achten. Den

vijand gering te achten is bijna onzen schat verliezen.

4. Als twee legers van gelijke kracht strijden, overwint dat leger dat

de liefde heeft.

HOOFDSTUK LXX.

1. Mijne woorden zijn heel gemakkelijk te begrijpen, heel gemakkelijk

te betrachten. Maar niemand in het rijk kan ze begrijpen, noch ze

betrachten.

2. Mijne woorden hebben een’ Oorsprong, mijne daden hebben een’ Meester

(Tao). Maar de menschen weten dat niet, en daarom begrijpen ze mij

niet.

3. Zij, die mij kennen, zijn zeldzaam. Dat is (juist) mijne

eerwaardigheid, naar ik meen.

4. Daarom, de Wijze trekt grove wollen kleederen aan, en verbergt zijn

edelsteenen in zijn boezem.

HOOFDSTUK LXXI.

1. Te weten dat wij niet weten is superieur. Niet te weten en denken te

weten is de ziekte der menschen.

2. Als men om deze ziekte lijdt zal men haar ontkomen.

3. De Wijze heeft deze ziekte niet, (juist) omdat hij er het lijden van

weet. Dáárom is hij er niet ziek van.

HOOFDSTUK LXXII.

1. Als het volk niet vreest wat te vreezen is, zal dat, wat te vreezen

is, tot hem komen.

2. Vindt uwe woning niet te nauw, walg niet van uw levenslot.

3. Nu, ik walg niet van het mijne, daarom boezemt het mij geen walging

in.

4. Daarom, de Wijze kent zichzelf, maar zonder gezien te willen worden;

hij heeft zich zelf lief, maar zonder zich hoog te stellen. Hij

verwerpt het eene, en langt naar het andere.

HOOFDSTUK LXXIII.

1. Hij, die zijn moed aanwendt om te durven, vindt den dood, maar hij,

die moed (genoeg) heeft om niet te durven, zal leven.

2. Van deze twee dingen is het eene nuttig, het andere schadelijk.

3. Wie weet de reden als de Hemel iets haat?

4. Daarom, de Wijze is alsof hij alles moeilijk vindt.

5. De Tao van den Hemel is niet te strijden en (toch) goed te

overwinnen, niet te spreken, en (toch) goed geantwoord te worden, niet

op te roepen en (toch) de menschen vanzelf te doen komen.

6. Hij lijkt stil, maar maakt goed plannen.

7. Het net van den Hemel is (eindeloos) groot; zijn mazen zijn ver van

elkaar, maar niemand ontsnapt er aan.

HOOFDSTUK LXXIV.

1. Als het volk den dood niet vreest, hoe het dan schrik aan te jagen

met den dood?

2. Als het volk voortdurend den dood vreesde, en er waren slechten, dan

zou ik die grijpen en ter dood brengen, en wie zou dan nog durven?

3. Er is altijd een Opperrechter om den doodstraf op te leggen. Hij,

die in plaats van dien Opperrechter wil dooden, is als een, die in

plaats van den timmerman hout gaat kappen.

4. Onder hen, die in plaats van den timmerman hout gaan kappen, zijn er

maar weinigen, die niet hun vingers snijden.

HOOFDSTUK LXXV.

1. Het volk heeft honger, omdat zijn vorst veel belastingen heft.

Dáárom heeft het honger. Het volk is moeilijk te regeeren, omdat zijn

Heer (te veel) doet. Dáárom is het moeilijk te regeeren. Het volk schat

den dood gering, omdat het te intens zoekt te leven.

2. Maar hij, die niets doet om te leven, is wijzer dan hij die het

leven (bovenmatig) hoogschat.

HOOFDSTUK LXXVI.

1. Als de mensch geboren wordt is hij zacht en zwak, als hij sterft is

hij stijf en sterk. Als het gras en de boomen geboren worden zijn zij

soepel en teêr, als zij sterven zijn zij droog en schraal.

2. Stijfheid en sterkte zijn de volgelingen van den dood, zachtheid en

zwakheid zijn de volgelingen van het leven.

3. Daarom, als een leger sterk is overwint het niet, als de boom sterk

is wordt hij omgehakt.

4. Wat sterk en groot is, is inferieur, wat zacht en zwak is, is

superieur.

HOOFDSTUK LXXVII.

1. De Tao van den Hemel is als het spannen van een boog, dat het hooge

naar de laagte brengt, en het lage verheft, dat afneemt van wat te

veel, en toevoegt aan wat te weinig is.

2. De Tao van den Hemel is om af te nemen van wat te veel, om toe te

voegen aan wat te weinig is.

3. Maar de Tao van de menschen is om af te nemen van wie (al) niet

genoeg hebben, en toe te voegen aan wie (al) te veel hebben.

4. Wie is in staat om wat hij over heeft aan de wereld te schenken?

Alleen hij, die Tao heeft.

5. Daarom, de Wijze doet (goed) maar steunt er niet op; als zijn werk

volbracht is hecht hij er zich niet aan, en hij wenscht niet zijn eigen

eerwaardigheid te doen uitkomen.

HOOFDSTUK LXXVIII.

1. Niets in de wereld is zachter en zwakker dan het water, en toch is

er niets, dat het overtreft in het breken van wat hard is. Daarom is er

niets, dat water evenaart. Het zachte overwint het harde, het zwakke

overwint het sterke.

2. Er is niemand in de wereld, die dit niet weet, maar niemand kan het

in toepassing brengen.

3. Daarom zegt de Wijze: Hij, die de schande van het rijk op zich nemen

kan, is (geschikt om) Heer van het rijk (te zijn); hij, die de rampen

van het rijk op zich nemen kan, is (geschikt om) koning van het rijk te

zijn.

4. Dit zijn ware woorden, die contradicties schijnen.

HOOFDSTUK LXXIX.

1. Als een groote twist beslecht is, blijft er stellig (altijd) nog wat

vijandigheid over. De kwestie is, hoe dit nu goed te maken.

2. Daarom, de Wijze bewaart de linkerzijde van het contract, en eischt

niets van de anderen.

3. Wie deugd heeft zorgt voor geven, wie geen deugd heeft zorgt voor

eischen.

4. De hemelsche Tao heeft geen lievelingen, maar is toch altijd mild

voor de goeden.

HOOFDSTUK LXXX.

1. Als ik over een kleinen staat regeerde met een weinig volk zou ik,

al waren er wapenen voor tientallen of honderdtallen, die (toch) niet

gebruiken.

2. Ik zou maken, dat het volk den dood vreesde, en niet emigreerde.

3. Al waren er schepen en wagenen, men zou er niet ingaan.

Al waren er kurassen en wapenen, men zou ze niet aandoen.

4. Ik zou maken dat het volk terugkeerde tot het gebruik der geknoopte

koorden.

5. Het volk zou zoet genieten van zijn eten, zou zijn kleederen mooi

maken, rust hebben in zijn woning, en vreugde scheppen in zijn simpele

zeden.

6. Al lag een naburige staat vlak over den mijnen, zoodat de honden en

hanen aan weerszijden elkanders geluid konden hooren, mijn volk zou oud

worden en sterven zonder er gemeenschap mede te hebben gehad.

HOOFDSTUK LXXXI.

1. Ware woorden zijn niet mooi; mooie woorden zijn niet waar.

2. Zij, die goed zijn, zijn niet welsprekend, zij, die welsprekend

zijn, zijn niet goed.

3. Zij, die (Tao) kennen, zijn niet geleerd; zij, die geleerd zijn,

kennen (Tao) niet.

4. De Wijze stapelt niet op (wat hij bezit). Hoe meer hij gebruikt om

de menschen te helpen, des te meer heeft hij over; hoe meer hij den

menschen geeft, des te rijker wordt hij.

5. De Weg des Hemels is: wèl te doen en niet te schaden. De Weg des

Menschen is: te handelen, maar niet te strijden.

TAO TEH KING.

(NOTEN.)

EERSTE DEEL: TAO.

HOOFDSTUK I.

1. Dat het tweede Tao in den chineeschen tekst van den eersten zin

„zeggen” beteekent wordt bevestigd door meer dan één chineeschen

commentator, door het te omschrijven door „met den mond zeggen”.

2. Van iets, dat eeuwig en onvergankelijk is, kan natuurlijk niet

gezegd worden dat het is of niet is, daar deze tegenstellingen alleen

betrekking kunnen hebben op sterfelijke dingen.

Als abstractie, te subtiel voor woorden, zou men het kunnen noemen:

„het Begin van Hemel en Aarde”, en, beschouwd met betrekking tot zijn

oorsprong van alle dingen, als Zijn, kan men het noemen: „de Moeder van

alle Dingen”.

3. „Niet zijn” (Wu Yiu) beteekent hier „vrij zijn van alle aardsche

begeerten” en „zijn” beteekent hier „in aardsche begeerte zijn”.

HOOFDSTUK II.

1. De hoofdbedoeling van dit hoofdstuk is aan te toonen, dat alle

dingen alleen gekend worden door hunne contrasten.

Lao Tszʼ vond het gevaarlijk, het „goed” en „mooi” vinden, want goed en

mooi moeten dat van-zelf zijn. De mensch moet „mooi” en „goed”

vergeten, en van-zelf „Wu Wei” zijn, volgens het natuurlijke rythme,

hem door Tao gegeven.

Aan het slot heb ik eenige teksten onvertaald gelaten, omdat ik niet

kan vermoeden wat zij beteekenen, en ook geen der bestaande versies

aannemelijk acht. En er maar iets van maken wilde ik niet.

HOOFDSTUK III.

5. Zooals Stanislas Julien terecht opmerkt, beteekent dit niets anders

dan „Hij brengt het volk tot zijnen primitieven (natuur) staat terug.”

7. De natuurstaat is van-zelf Wu Wei, en daarin gaat alles vanzelf zijn

juisten gang.—

Men vergelijke dit geheele hoofdstuk met in de „Imitation de Jésus

Christ”: „Dès que l’homme convoite une chose désordonnément, aussitôt

il devient inquiet en lui même. L’Orgueilleux et l’avare ne sont jamais

en repos. Le pauvre et l’humble en esprit vivent dans la plénitude de

la paix.” (Chap. VI. trad. L. Moreau.)

HOOFDSTUK V.

1. Alle wezens hebben van Tao dezelfde impulsie, hetzelfde rythme

gekregen, en deze impulsie doet het geheele Heelal vanzelf zijn

natuurlijken gang gaan. Daarom gaat het niet aan, te veronderstellen,

dat de Hemel en de Aarde nog eens eene aparte affectie voor enkele

wezens zouden hebben.

2. Zoo ook met den Wijze, die alle menschen gelijkelijk liefheeft, en

niet nog eens apart den een boven den ander.

3. Tao is als ledig, en toch onuitputtelijk, en hoe meer het beweegt,

hoe meer kracht het voortbrengt.

4. Hoe meer woorden men gebruikt om Tao uit te drukken, des te eerder

raakt men uitgeput, en bereikt toch niet zijn doel. Daarom is het beter

het midden te bewaren, d.i. Wu Wei te zijn.

HOOFDSTUK VI.

1. Deze mystieke chineesche uitdrukking beteekent heel eenvoudig, dat

Tao is als de geest van eene vallei, even als een vallei ledig en toch

bestaande, eene figuurlijke uitdrukking voor „eene diepte van ziel” die

niet sterft, maar eeuwig is, eene onvergankelijke ziele-oneindigheid.

Dit is de mystieke Moeder, uit wie alle dingen worden geboren.

2. Dit beteekent eenvoudig, dat alles en allen uit Tao geboren zijn,

dus hebben Hemel en Aarde hun oorsprong in Tao.—

4. Dan zal namelijk alles van-zelf gaan, Wu Wei.—

HOOFDSTUK VII.

1. „Hemel en Aarde duren lang” omdat dit hun natuur is, n.l. Tszʼ Jan

(van-zelf), zonder dat zij er iets voor doen (Wei). Zij leven niet met

het doel, toch vooral voor zichzelf te zorgen.

2. Zoo ook moet de Wijze niet aan zichzelf, zijn (egoïstisch) Ego

denken, maar zich absorbeeren in Tao. En dáár één mede, is hij dan

vanzelf al vér vóór de anderen.

3. Letterlijk staat er „hij doet zijn lichaam (hier in den zin van

„zijn Zelf”) buiten zich” enz.—Zijn éénige doel is één zijn met Tao.

5. Terwijl hij dus zijn (onreëel) eigenbelang schijnbaar verwaarloost,

heeft hij zijn (éénige, reëele) belang, het één zijn met het Absolute,

toch eigenlijk volmaakt.

HOOFDSTUK VIII.

2. De menschen trachten in hun eerzucht zoo hoog mogelijk in de

maatschappij te stijgen, verachtend het lage; maar het water (en ook de

Goedheid) stroomt naar de laagten en diepten.

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 2. Lao Tsz' · 第 5 / 8 段