4. Zijn bovenste is niet verlicht, Zijn onderste is niet duister (heeft

geen schaduw).

5. Het is eeuwig, en kan niet met een naam worden genoemd! Het keert

terug tot het Niet-Zijn! Dit noem ik het beeld van het beeldelooze, den

vorm van het vormelooze. Dit noem ik vaag en onbestemd (een mysterie).

6. Gij nadert Het, en gij ziet niet Zijn begin. Gij volgt Het, en gij

ziet niet Zijn einde.

7. Gij moet het Tao van de Oudheid doorgronden, om over het bestaan van

het Heden te regeeren. Wie het Begin weet van het Oude, heeft de draad

van Tao in handen.

HOOFDSTUK XV.

1. In de Oudheid waren de goede filosofen, die zich aan Tao wijdden,

(als) gering, subtiel, duister, en vèr-doordringend. Zij waren zóó

diep, dat het niet is te begrijpen.

2. Maar omdat het niet te begrijpen is, zal ik mij moeite doen om er

een beeld van te geven.

3. Zij waren bedeesd als een, die in den winter een stroom doorwaadt.

Zij waren op hun hoede, als een, die zijne buren vreest. Zij waren

ernstig als een gast (tegenover zijn gastheer). Zij verdwenen als het

ijs, dat gaat smelten. Zij waren simpel, als onbewerkt hout. Zij waren

ledig, als een vallei. Zij waren als troebel water.

4. Wie kan de onzuiverheden (van zijn hart) verreinen tot rust?

Wie kan langzamerhand geboren worden (in Tao) door een langdurig

betrachte kalmte?

5. Hij, die Tao behoudt, wenscht niet vol te zijn. Juist omdat hij niet

vol is, is hij voor altijd gevrijwaard tegen verandering.

HOOFDSTUK XVI.

1. Als men tot het opperste Ledig is gekomen, handhaaft men eene

onvergankelijke rust.

2. Alle dingen worden te samen geboren; ik zie ze (daarna) weder

terugkeeren.

3. Alle dingen bloeien overvloediglijk; (daarna) keert elk terug tot

zijn Oorsprong.

4. Tot den Oorsprong terugkeeren heet in rust zijn. In rust zijn heet

terugkeeren tot het (eeuwige, reëele) Leven.

5. Terugkeeren tot het Leven heet ik eeuwigdurend zijn.

6. Te weten wat eeuwigdurend is heet verlicht zijn. Niet te weten wat

eeuwigdurend is heet eigen ellende bewerken.

7. Weten wat eeuwigdurend is is een groote ziel hebben. Een groote ziel

hebbende is men rechtvaardig. Rechtvaardig zijnde is men koning. Koning

zijnde is men de Hemel. De Hemel zijnde is men Tao.

8. Tao zijnde is men altijd-durend. Al sterft het lichaam, er is (dan

toch) geen gevaar (meer te duchten).

HOOFDSTUK XVII.

1. In de hooge Oudheid wist het volk alleen van de vorsten dat zij

bestonden.

2. De vorsten die dáárna kwamen had het volk lief en prees hen.

3. Die dáárna kwamen, vreesde het.

4. Die dáárna kwamen, verachtte het.

5. Hij, die anderen niet vertrouwt, krijgt het vertrouwen van anderen

niet.

6. (De Ouden) waren langzaam en ernstig in hun woorden.

7. Als zij de verdiensten hadden gemaakt, en de zaken volvoerd, zeide

het volk: „Wij zijn vanzelven (zooals onze natuur is)”.

HOOFDSTUK XVIII.

1. Toen Tao werd verwaarloosd, kwamen Menschlievendheid en

Gerechtigheid.

2. Toen de „scherpzinnigheid” en „het schrandere doorzicht” voor den

dag kwamen, ontstond de groote Huichelarij.

3. Toen de familie niet meer in harmonie leefde, kwamen de Hiao en de

Ts’zʼ.

4. Toen de staten van het rijk in verwarring waren, kwamen de getrouwe

onderdanen.

HOOFDSTUK XIX.

1. Doe de Wijsheid vàn u, en weg met het Weten, dan zal het volk

honderdmaal meer gelukkig zijn.

2. Doe de Filantropie vàn u, en weg met Gerechtigheid, en het volk zal

(vanzelf) terugkeeren tot liefde voor de ouders en voor de kinderen.

3. Doe de Knapheid vàn u, en weg met Gewinzucht, en er zullen geen

dieven en roovers meer wezen.

4. Doet afstand van deze drie dingen. Hebt niet genoeg aan den schijn.

5. Daarom toon ik u, wáár gij u aan moet houden: Ziet uzelf in uwen

(oorspronkelijken) eenvoud en behoud uw (oorspronkelijke) puurheid.

Hebt weinig egoïsme en weinig begeerten.

HOOFDSTUK XX.

1. Doe de Studie vàn u, dan zult gij geen zorgen hebben.

2. Wat doet het er eigenlijk toe of we het karakter „wei” dan wel het

karakter „oh” voor „ja!” gebruiken? (Maar) het is héél iets anders (om

te weten) het onderscheid tusschen goed en kwaad.

3. Helaas! de wereld is een wildernis geworden, en er is nog geen einde

aan!

4. Alle menschen zijn blij en vroolijk, als hij, die geniet van

rundvleesch, als hij, die in de lente een hoog terras heeft bestegen.

5. Ik alleen ben kalm, en heb nog niet éven bewogen; ik ben als een

klein kindje, dat nog niet geglimlacht heeft. Ik ben vrij, zonder

belemmering, alsof er niets was, waarheen ik zou willen terugkeeren.

6. De gewone menschen hebben over; ik alleen ben als een, die (alles)

verloren heeft. Ik heb het hart van een domme, ik ben een chaos van

verwarring.

7. De gewone menschen zijn schitterend verlicht, ik alleen ben als

duister. De gewone menschen zijn doordringend van doorzicht; ik alleen

ben droevig ongerust. Ik ben vaag als de zee, ik word door de golven

heen en weêrgedreven, als rusteloos.

8. Alle menschen hebben overal een reden voor; ik alleen ben dom, als

iemand van het land.

9. Ik alleen ben anders dan de (gewone) menschen, omdat ik de Moeder

vereer, die alles voedt (Tao).

HOOFDSTUK XXI.

1. De (zichtbare) manifestaties van de groote Teh zijn eene emanatie

van Tao.

Ziehier de natuur van Tao.

2. Tao is vaag en verward. Hoe verward!... Hoe vaag!... En (toch) bevat

het de vormen (der dingen)! Hoe vaag!... Hoe verward!... En (toch)

bevat het eene spiritueele essence! Deze spiritueele essence is ten

zéerste reëel, en bevat de onfeilbare getuigenis (van wat zij is).

3. Van oudsher tot nú toe was Zijn naam onvergankelijk, en Het geeft

geboorte aan de geheele creatie.

4. Hoe weet ik, dat de geheele creatie hierin haar oorsprong heeft?

Door Tao zelf.

HOOFDSTUK XXII.

1. Het onvolmaakte zal volmaakt worden. Het gebogene zal recht worden.

Het holle zal vol worden. Het versletene zal nieuw worden.

2. Met weinig wordt Het verkregen, met véél dwaalt men er van af.

3. Daarom, de Wijze omvat het Eene (Tao), en maakt zich (zoo) het

voorbeeld van de wereld.

4. Hij wenscht zelf niet licht te schijnen, en dáárom juist is hij

verlicht. Hij wenscht niet zelf de ware man te wezen, en dáárom juist

steekt hij boven de anderen uit. Hij pocht niet op zijn werk, en dáárom

juist heeft hij verdienste. Hij stelt zichzelf niet hoog, en is dáárom

juist de meerdere. Hij strijdt niet, en dáárom juist is er niemand in

de wereld die tegen hem op kan.

5. Hoe zou het een leeg gezegde kunnen zijn wat de Ouden noemden: „Het

onvolmaakte wordt volmaakt”? Als iemand het volmaakte bereikt heeft,

onderwerpt zich alles aan hem.

HOOFDSTUK XXIII.

1. Wie weinig spreekt is van-zelf natuurlijk (Tszʼ Jan).

2. Wat is het, dat maakt dat een strenge wind geen geheelen morgen

duurt, en een hevige regen geen geheelen dag? (De actie van) Hemel en

Aarde. Als de Hemel en de Aarde niet lang kunnen duren, hoeveel te

minder dan de mensch!

3. Daarom de mensch die al zijne daden regelt naar Tao zal gelijk aan

Tao worden; degenen, die zich regelen naar de Deugd zullen gelijk aan

de Deugd worden; die zich regelt naar de Misdaad zal gelijk aan de

Misdaad worden.

4. Wie gelijk aan Tao is verkrijgt ook Tao, wie gelijk aan de Deugd is

verkrijgt ook de Deugd, wie gelijk aan de Misdaad is verkrijgt ook de

Misdaad.

5. Niet genoeg geloof hebben is géén geloof hebben.

HOOFDSTUK XXIV.

1. Wie op zijn teenen gaat staan kan niet rechtop blijven; wie de

beenen ver uitstrekt kan niet loopen.

2. Wie zelf licht wenscht te schijnen is niet verlicht. Wie zelf de

ware man wenscht te wezen steekt niet boven de anderen uit. Wie op zijn

werk pocht heeft geen verdienste. Wie zich zelf hoog stelt is niet

superieur.

3. Zulke manieren van doen, vergeleken bij (de goddelijke principes

van) Tao, zijn als overblijfseltjes van eten, of andere walgelijke

dingen, die altijd verafschuwd worden.

4. Daarom, wie in Tao leven, houden er zich niet mede op.

HOOFDSTUK XXV.

1. Vóór Hemel en Aarde bestonden, was er een vaag Wezen.

2. Hoe rustig-kalm! Hoe onstoffelijk!

3. Het staat alleen, op-zich-zelf, en verandert niet.

4. Het doorvloeit alles en loopt (toch) geen gevaar.

5. Het mag wel de Moeder van alles onder den Hemel worden genoemd.

6. Ik weet niet Zijnen naam.

7. (Maar) Het een karakter willende geven noem ik Het Tao.

8. Wil ik Het met alle geweld omschrijven, dan noem ik Het groot.

9. Van groot noem ik Het vervliedend.

10. Van vervliedend noem ik Het vèr.

11. Van vèr noem ik Het (weer) terugkeerend.

12. Daarom, Tao is groot, de Hemel is groot, de Aarde is groot, de

Koning is groot.

13. Er zijn vier groote machten in de wereld, en de Koning is er één

van.

14. De wet van den Koning is van de Aarde; de wet van de Aarde is van

den Hemel; de wet van den Hemel is van Tao.

15. (Maar) de Wet van Tao is van-zich-zelven.

HOOFDSTUK XXVI.

1. Het zware is de wortel van het lichte; de rust is Overheerser van de

beweging.

2. Daarom laat de Wijze nooit af van zwaarte en rust.

3. Al is er nóg zooveel schoons te zien, hij blijft wonen in de rust,

en gaat er vér van.

4. Maar helaas, de Heer van tienduizend wagenen acht het Rijk licht om

zich zelf.

5. Door ze gering te achten verliest hij zijne ministers, door zich te

laten medesleepen verliest hij de heerschappij.

HOOFDSTUK XXVII.

1. Hij, die goed (in Tao) gaat, laat geen sporen achter. Hij, die goed

spreekt, geeft geen reden tot blaam. Hij, die goed telt, gebruikt geen

bamboe-tabletjes. Hij, die goed sluit, gebruikt geen houten bouten, en

toch kan men niet openen (wat hij sluit). Hij, die goed bindt, gebruikt

geen koorden, en toch kan men niet losmaken (wat hij bindt).

2. Daarom, de Wijze munt altijd uit in het helpen van menschen, en hij

verwerpt er géén; hij munt altijd uit in het helpen van dingen, en hij

verwerpt er geen. Dit noem ik dubbel verlicht zijn.

3. Daarom, de goede is de leermeester van den slechte; de slechte is de

leermeester van den goede.

4. Hij, die geen waarde hecht aan macht, en niet houdt van weelde, al

moge zijn wijsheid als dom schijnen, heeft de Al-Wijsheid verkregen.

HOOFDSTUK XXVIII.

1. Hij, die zijne mannelijke kracht kent, en toch vrouwelijke zachtheid

behoudt, is de vallei van het rijk.

2. Als hij de vallei is van het rijk, zal de altijddurende deugd hem

niet verlaten, en hij zal terugkeeren tot den simpelen staat van een

kind.

3. Hij, die zijn licht kent, en toch in de schaduw blijft, is het

voorbeeld voor het rijk.

4. Is hij het voorbeeld van het rijk, dan zal de altijddurende deugd in

hem niet falen, en hij keert terug tot het eindelooze.

5. Hij, die zijne glorie weet en blijft in de schande, is de vallei van

het rijk.

6. Als hij de vallei is van het rijk zal de altijddurende deugd in hem

haar volmaaktheid bereiken, en hij zal tot den oorspronkelijken,

simpelen staat terugkeeren.

7. Toen de oorspronkelijke, simpele staat zich verspreidde, zijn de

dingen gevormd.

8. De Wijze, als hij (dit alles) gebruikt, zal het hoofd der

mandarijnen zijn.

9. Hij regeert met grandeur, en kwetst niemand.

HOOFDSTUK XXIX.

1. Als de mensch het rijk wil volmaken met actie, zie ik dat hij niet

slaagt.

2. Het rijk is een heilige offervaas, waaraan men niet mag werken.

3. Werkt men er aan, dan bederft men haar, grijpt men er naar, dan

verliest men haar.

4. Daarom, onder de menschen zijn er die vooruitgaan en die volgen, die

verwarmen en die verkoelen, die sterk zijn en die zwak zijn, die

bewegen en die stilstaan.

5. Daarom, de Wijze verwerpt den wellust, de luxe en de

buitensporigheid.

HOOFDSTUK XXX.

1. Zij, die den heerscher over menschen helpen in Tao, onderwerpen het

rijk niet met geweld van wapenen.

2. Wat men aan de menschen doet krijgt men op dezelfde manier terug als

het gegeven is.

3. Overal, waar legers zijn geweest, groeien doornen en distels.

4. Op groote veldtochten volgen stellig jaren van hongersnood.

5. De ware Goede slaat ééns met vrucht een slag en houdt dán op, maar

durft niet met ruw geweld doorgaan.

6. Hij slaat één goeden slag, maar verheft zich niet.

7. Hij slaat één goeden slag, maar roemt er niet over.

8. Hij slaat één goeden slag, maar is er niet trotsch over.

9. Hij slaat één goeden slag, maar alleen omdat hij niet anders kan.

10. Hij slaat één goeden slag, maar wil niet sterk en geweldig lijken.

11. Vanaf het toppunt van kracht worden de (menschen en) dingen oud,

dat wil zeggen, zij zijn niet gelijk aan Tao, en wat niet gelijk is aan

Tao neemt een spoedig einde.

HOOFDSTUK XXXI.

1. De beste wapenen zijn instrumenten van onheil.

2. Allen verachten ze, daarom, zij die Tao bezitten houden er zich niet

mede op.

3. In de woning van den Kiün Tszʼ is de linkerplaats de eereplaats,

hij, die soldaten gebruikt, eert de rechterplaats.

4. Wapenen zijn instrumenten van onheil, geen instrumenten van den Kiün

Tszʼ.

5. Deze gebruikt ze alléén als ’t niet anders kán, en de kalmte en de

rust zijn voor hem het hoogste.

6. Overwint hij, dan verblijdt hij er zich niet over, want zich daarin

verblijden zou zijn houden van menschen-doodslag.

7. En wie houdt van doodslag kan nooit zijn doel bereiken in de goede

regeering van het rijk.

8. In alles, wat geluk aanbrengt, is de linkerplaats de hoogste, in al

wat ongeluk aanbrengt de rechterplaats.

9. De onderbevelhebber neemt de linkerplaats in, de opperbevelhebber de

rechter.

10. Dat is, men plaatst hen volgens de ceremonieën van den rouwdienst.

11. Hij, die een groote menigte menschen gedood heeft, moet over hen

rouwen en weenen.

12. Hem, die een veldslag gewonnen heeft, moet men plaatsen als in de

ceremonieën voor de dooden.

HOOFDSTUK XXXII.

1. Tao is eeuwig en heeft geen naam.

2. Ofschoon zoo simpel-klein van natuur durft de geheele wereld Het

niet te onderwerpen.

3. Als prinsen en koningen Het konden handhaven zouden de tienduizend

wezens en dingen zich aan hen onderwerpen.

4. Hemel en Aarde zouden zich vereenigen, en een zoeten dauw doen

nederdalen, en het volk zou zonder bevelen van zelf tot harmonie komen.

5. Van (het moment) dat Tao verdeeld was, kreeg Het een naam.

6. Die naam, eenmaal bepaald zijnde, moet men zich weten in te houden.

7. Wie zich weet in te houden komt in géén gevaar.

8. Tao is verspreid in het Heelal.

9. Alles keert tot Tao terug, als de bergstroomen tot de rivieren en

zeeën.

HOOFDSTUK XXXIII.

1. Hij, die de menschen kent, is verstandig, maar hij, die zichzelf

kent, is verlicht.

2. Hij, die andere menschen overwint, is sterk, maar hij, die zichzelf

overwint, is almachtig.

3. Hij, die zich weet te matigen, is rijk, maar hij, die energiek is,

heeft kracht van wil.

4. Hij, die niet van zijn essentieele natuur afwijkt, zal lang leven,

maar hij, die sterft, en toch niet verloren gaat, geniet het

eeuwigdurend leven.

HOOFDSTUK XXXIV.

1. Hoe oneindig strekt Tao zich uit!

2. Het kan naar links gaan, het kan naar rechts gaan.

3. Alle wezens steunen op Tao om geboren te worden, en Het weigert

géén.

4. Als het werk volbracht is, noemt Tao het niet het Zijne.

5. Het heeft alle wezens lief, en voedt ze, en beschouwt zich toch niet

als hun Meester.

6. Het is eeuwig zonder begeerte; men zou Het (dus) klein kunnen

noemen.

7. Alle wezens keeren er toe terug, en toch beschouwt Het zich niet als

hun Meester, men zou Het (dus) groot kunnen noemen.

8. Daarom doet de Wijze zijn geheele leven lang niet groot, en daardoor

juist volmaakt hij zijne grootheid.

HOOFDSTUK XXXV.

1. Alle volken van het rijk stroomen toe naar hem, die de groote

conceptie van Tao kan bevatten.

2. Zij stroomen toe, en komen niet in gevaar, en hij zal ze tot rust en

vrede brengen.

3. Voor muziek en fijne gerechten houdt de voorbijgaande vreemdeling

op.

4. (Maar) als Tao uit onzen mond komt lijkt Het flauw en zonder smaak.

5. Wij kijken er naar, en zien Het niet duidelijk; wij luisteren er

naar, en hooren Het niet genoeg; wij willen Het (geheel) gebruiken,

maar Het is onuitputtelijk.

HOOFDSTUK XXXVI.

1. Als een ding gaat contracteeren, moet het stellig oorspronkelijk

expansie hebben gehad.

2. Als een ding gaat verzwakken, moet het stellig eerst sterkte hebben

gehad.

3. Als een ding gaat vervallen moet het stellig eerst in bloei zijn

geweest.

4. Als iemand op ’t punt staat beroofd te worden, moet hem stellig

eerst gegeven zijn.

5. Dit noem ik een vage, en (tegelijk) heldere leer.

6. Het zachte overwint het harde, het zwakke overwint het sterke.

7. Visschen kunnen niet uit het water worden genomen; de instrumenten

van de regeering kunnen niet aan het volk worden gegeven.

HOOFDSTUK XXXVII.

1. Tao is eeuwig Wu Wei, en toch is er niets, wat Het niet doet.

2. Als koningen en vorsten Wu Wei konden blijven, zouden alle menschen

zich hervormen.

3. Als zij na die hervorming toch nog bewegen wilden, zou ik ze met het

simpele Wezen dat geen naam heeft (Tao) bedwingen.

4. Het simpele Wezen dat geen naam heeft bevrijdt ons van begeerte, en,

vrij van begeerte, komen wij tot de Rust.

5. En dan komt het Rijk van-zelf terecht.

TWEEDE DEEL: TEH.

HOOFDSTUK XXXVIII.

1. De hoogste Deugd (Teh) is geen deugd, en is dáárom juist Deugd. De

lagere deugd verliest niet (het idee) deugd, en is dáárom juist geen

Deugd.

2. De hoogste Deugd is Wu Wei, zonder er (expres) iets voor te doen. De

lagere deugd is Wei (doende) en doet (alles) met opzet.

3. De hoogste Menschlievendheid ageert, zonder er (expres) iets voor te

doen; de hoogste Plichtmatigheid ageert, maar doet (alles) met opzet.

4. De hoogste Li (Decorum) ageert, maar er is geen antwoord op. Zij

wordt erkend door een beweging van den arm.

5. Daarom, als Tao verloren is, komt daarna de deugd; als de deugd

verloren is, komt daarna de menschlievendheid; als de menschlievendheid

verloren is, komt daarna plichtmatigheid; als de plichtmatigheid

verloren is komt daarna het decorum.

6. Welnu, het decorum is maar de schors van rechtheid en waarheid, en

het begin van verwarring.

7. Het schijn-weten is maar de bloem van Tao, en het begin van domheid.

8. Daarom houdt de wijze mensch zich aan wat substantieel en niet aan

wat oppervlakkig is, aan wat reëel en niet aan wat mooie schijn is. Hij

verwerpt het eene en langt naar het andere.

HOOFDSTUK XXXIX.

1. De dingen, die eertijds de Éénheid hebben verkregen zijn:

de Hemel, die puur is door de Eénheid.

de Aarde, die in rust is door de Eénheid.

de Geesten, die spiritueel zijn door de Eénheid.

de Valleien, die vol zijn door de Eénheid.

de tienduizend Dingen die baren door Eénheid.

de Prinsen en Koningen, die het voorbeeld der wereld zijn door hun

Eénheid.

Dát heeft de Eénheid voortgebracht.

2. Als de Hemel zijn puurheid niet had zou hij dreigen uiteen te

scheuren.

Als de Aarde haar rust niet had zou zij gevaar loopen uiteen te

barsten.

Als de Geesten hun spiritualiteit niet hadden zouden zij gevaar loopen

van optehouden te bestaan.

Als de valleien niet gevuld werden, zouden zij gevaar loopen van te

verdrogen.

Als de tienduizend Dingen niet baarden zouden zij gevaar loopen uit te

sterven.

Als de prinsen en koningen trotsch waren op hun hoogheid, en niet het

voorbeeld der wereld waren, zouden zij gevaar loopen van den troon te

worden gestooten.

3. Daarom, het aanzienlijke heeft zijn basis in het ordinaire, het

hooge heeft zijne grondvesten in het lage.

Daarom noemen de prinsen en koningen zich weezen, menschen van weinig

verdienste, zonder deugd. Is dit niet omdat zij hun basis zien in het

ordinaire, en terecht?

4. Wie véél basissen heeft, heeft géén basis.

5. De Wijze wil niet hooggeschat worden als jaspis, maar ook niet

veracht als (gewone) steen.

HOOFDSTUK XL.

1. De beweging van Tao is terugkeer (tot zichzelf).

Zachtheid is Zijne functie.

2. Alle bestaan op de wereld is uit Zijn. Alle Zijn is uit Niet-Zijn.

HOOFDSTUK XLI.

1. Als superieure geleerden van Tao hooren, begaan zij Het (dadelijk)

ijverig. Als middelmatige geleerden van Tao hooren, handhaven zij Het

nú, en verliezen Het dán weer. Als inferieure geleerden van Tao hooren,

lachen zij er hard om. Als zij er niet om lachten zou het Tao niet

zijn.

2. Daarom, een oud gezegde luidt: De verlichten in Tao zijn als

duister; de vergevorderden in Tao zijn als achteruitgaande; zij, die de

opperste deugd hebben zijn (laag) als een vallei; de uiterst reinen

zijn als vuil; zij, die deugd in overvloed hebben, zijn alsof ze niet

genoeg hebben; zij die (vast) gegrondveste deugd hebben, zijn als lui;

zij, die waar en simpel zijn, zijn als verachtelijk.

3. Als een groot vierkant zonder hoeken, als een groote vaas, die nog

lang niet afgewerkt is, als een groot geluid, waarvan men den klank

zelden hoort, als een groot beeld zonder vormen, zóó is (voor ons) Tao

verborgen, en heeft geen naam.

4. Het helpt de wezens en dingen en volmaakt ze.

HOOFDSTUK XLII.

1. Tao baarde één; één baarde twee; twee baarde drie; drie baarde alle

dingen.

Want alle dingen komen uit het duister tot het licht, en worden in

harmonie gebracht door den adem der Natuur.

2. Wat de menschen verafschuwen is te zijn weezen, menschen van weinig

verdiensten, zonder deugd, en toch noemen koningen en hertogen zich zoo

(als met een eerenaam).

3. Daarom, wie zich vernedert zal verheven worden, en wie zich verheft

zal vernederd worden.

4. Wat de menschen leeren, dat leer ik ook.

5. De geweldigen en tyrannen zullen geen natuurlijken dood sterven.

6. Ik zal hen tot het voorbeeld van mijn leer nemen.

HOOFDSTUK XLIII.

1. Het allerzachtste in de wereld overwint het allerhardste.

2. Het immaterieele dringt binnen in het ondoordringbare.

3. Vandaar, dat ik het nut weet van Wu Wei.

Er zijn er maar weinigen onder den Hemel die toe zijn aan de Leer

zonder woorden, en aan het nut van Wu Wei.

HOOFDSTUK XLIV.

1. Wat is ons het naaste, onze naam of ons Zelf?

Wat is ons het meeste, ons Zelf of onze rijkdommen?

2. Wat is het ergste, ze te verkrijgen of ze te verliezen?

3. Daarom is het, dat wie veel liefheeft, veel zal verkwisten.

Wie veel (schatten) verbergt zal stellig veel verliezen.

Wie genoeg weet te hebben zal niet onteerd worden. Wie weet (waar) op

te houden zal niet ondergaan. Deze zal langen tijd bestaan.

HOOFDSTUK XLV.

1. (De Wijze) is ganschelijk volmaakt, en lijkt onvolmaakt; zijne

middelen raken nooit op. Hij is ganschelijk vol en lijkt ledig; zijne

middelen (bronnen) zijn nooit uitgeput. Hij is ganschelijk recht en

lijkt krom. Hij is ganschelijk bekwaam en lijkt dom. Hij is zéér

welsprekend en lijkt een stamelaar.

2. De beweging overwint de koude, de rust overwint de warmte.

3. Hij die puur en rustig is, wordt het voorbeeld van het rijk.

HOOFDSTUK XLVI.

1. Toen Tao in het rijk regeerde, zond men de vlugge paarden weg om ze

op het land te gebruiken; toen Tao niet in het rijk regeerde, werden de

krijgsrossen gefokt op de grenzen.

2. Er is géén zoo groote misdaad als zich veel begeerten toe te staan;

er is géén zoo groot ongeluk als niet genoeg weten te hebben; er is

géén zoo groote ramp als (altijd) maar te willen krijgen.

3. Daarom, hij die genoeg weet te hebben, is altijd tevreden, naar ik

meen.

HOOFDSTUK XLVII.

1. Zonder mijn deur uit te gaan ken ik de wereld, zonder uit mijn

venster te kijken zie ik den Weg des Hemels.

2. Hoe verder gij uitgaat, hoe minder gij zult weten.

3. Daarom, de Wijze komt er zonder te loopen, noemt de dingen zonder ze

te zien, en volmaakt zich zonder actie.

HOOFDSTUK XLVIII.

1. Zich toeleggen op de studie is dagelijks „meer krijgen.” Zich wijden

aan Tao is dagelijks „minder krijgen,” minder en minder, tot Wu Wei

bereikt is.

2. Wu Wei eenmaal bereikt, is er niets wat men niet kan doen, naar ik

meen.

3. Door altijd niets te doen kan men over het Rijk meester worden. Maar

door te doen is men niet in staat, meester te worden van het Rijk.

HOOFDSTUK XLIX.

1. De Wijze heeft geen buitengewoon hart. Hij beschouwt het hart van

het volk als het zijne.

2. Ik ben voor de goeden goed. Voor de niet-goeden ben ik ook goed, om

ze goed te maken. Ik geloof de oprechten. De niet-oprechten geloof ik

ook, om ze oprecht te maken.

3. De wijze in de wereld is voortdurend in vreeze dat de wereld zijn

hart in verwarring zal brengen.

4. De ooren en oogen der honderd families zijn op hem gericht, en hij

beschouwt hen als kinderen.

HOOFDSTUK L.

1. De mensch komt uit het leven en gaat in den dood.

2. Er zijn dertien dienaren van het leven en dertien dienaren van den

dood.

3. Als de mensch geboren is, bewegen hem ook al de dertien dienaren van

den dood.

4. Wat is hier toch wel de reden van? Dat hij te intens wil leven, en

te veel vitaliteit verspilt.

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 2. Lao Tsz' · 第 4 / 8 段