rijk niet met geweld van wapenen. Wat men aan de menschen doet, krijgt
men op dezelfde wijze terug als het gegeven is. Overal, waar legers
zijn geweest, groeien doornen en distels. Op groote veldtochten volgen
stellig jaren van hongersnood. De ware Goede slaat ééns met vrucht een
slag, en houdt dàn op, maar durft niet met ruw geweld doorgaan” [82].
„De beste wapenen zijn instrumenten van onheil. Allen verachten ze; die
Tao bezitten, houden er zich niet mede op. In de woning van den Kiün
Tszʼ is de linkerplaats de eereplaats; hij, die soldaten gebruikt, eert
de rechterplaats. Wapenen zijn instrumenten van onheil, geen
instrumenten van den Kiün Tszʼ. Deze gebruikt ze alléén als ’t niet
anders kàn, en kalmte en rust zijn voor hem het hóógste. Overwint hij,
dan verblijdt hij er zich niet over, want zich daarover verblijden zou
zijn houden van menschen-doodslag. En wie houdt van doodslag kan nooit
zijn doel bereiken in de goede regeering van het rijk. In alles, wat
geluk aanbrengt, is de linkerplaats de hoogste, in alles wat onheil
aanbrengt de rechter. De onderbevelhebber neemt (dan ook) de
linkerplaats in, de opperbevelhebber de rechter. Dat is, men plaatst
hen volgens de ceremonieën van den rouwdienst. Hem, die een veldslag
gewonnen heeft, moet men plaatsen als in de ceremonieën voor de dooden”
[83].
En nog meerdere teksten, allen even kernachtig en juist.
„Als de koningen en vorsten Wu Wei konden blijven, zouden alle menschen
zich hervormen” [84].
„De volken van het rijk stroomen toe naar hem, die de groote conceptie
van Tao kan omvatten” [85].
„Toen Tao in het rijk regeerde, zond men de vlugge paarden weg om ze op
’t land te gebruiken; toen Tao niet in het rijk regeerde, werden de
krijgsrossen gefokt op de grenzen” [86].
„Met rechtheid regeert men den staat, met listen voert men oorlog, met
Wu Wei wint men het rijk. Hoe weet ik, dat het zoo met het rijk is?
Door dit: Hoe meer bangmakende verbodsbepalingen er in het rijk zijn,
des te armer wordt het volk. Hoe meer middelen tot productie van weelde
er zijn, des te meer verwarring komt er. Hoe bekwamer en vernuftiger
het volk wordt, des te artificiëeler de dingen worden. Hoe rijker en
klaarder de wet wordt, des te meer dieven en roovers er komen. Daarom
zegt de Wijze: Ik ben Wu Wei, en dan zal het volk zich vanzelf
hervormen. Ik houd van de rust, en dan zal het volk vanzelf recht
worden. Ik doe geen werk en dan zal het volk vanzelf rijk worden. Ik
heb geen begeerten, en dan zal het volk vanzelf (weer) eenvoudig
worden” [87].
„Als de regeering tolerant is, zal het volk schuldeloos zijn; als de
regeering overal den neus in steekt, zal het volk telkens inbreuk op de
wet maken. Falen is de basis van slagen, en slagen is de basis van
falen” [88].
„De wijze is vierkant, zonder hoekig te zijn, is belangeloos zonder te
kwetsen, is oprecht zonder overdreven stipt te zijn, is schitterend,
zonder te verblinden” [89].
„Om de menschen te regeeren en den Hemel te dienen gaat er niets boven
de gematigdheid” [90].
„Om een groot rijk te regeeren, moet men even zoo voorzichtig zijn als
in ’t bakken van een klein vischje” [91].
„Een groot rijk moet zijn (nederig) als de groote stroomen, in welke
zich de wateren van het rijk uitstorten. Het moet de vrouwelijke sekse
navolgen, die juist door de rust (passiviteit) de mannelijke overwint.
Die rust is een vernedering. Daarom, als een groot rijk zich vernedert
voor kleinere staten, zal het die kleinere staten winnen. Als de
kleinere staten zich vernederen voor het groote rijk, zullen zij het
groote rijk winnen” [92].
„De ouden, die Tao bezaten, gebruikten Het niet om het volk verlicht te
maken, maar om het volk simpel te houden. Het volk is moeilijk te
regeeren omdat het zooveel weet. Hij, die een rijk regeert door het
weten te vermeerderen, is de geesel van het volk; hij, die niet met al
dat weten het rijk regeert, is het geluk van het volk” [93].
„Hij, die een goed veldheer is, is niet krijgszuchtig” [94].
„Een veldheer zeide eens: Ik durf niet gastheer te zijn (d.i. aan te
vallen), ik ben liever gast (d.i. defensief). Ik durf geen duim vooruit
te gaan, ik ga liever een voet terug” [95].
„Het volk heeft honger, omdat zijn vorst veel belastingen heft. Dáárom
heeft het honger. Het volk is moeilijk te regeeren, omdat zijn Heer (te
veel) doet. Dáárom is het moeilijk te regeeren” [96].
Men ziet, de geheele filosofie van Lao Tszʼ is gebaseerd op het zachte
en zwakke, op de nederigheid en den deemoed. De groote fouten van den
tijd waren, dat het leven gebaseerd werd op hardheid en sterkte,
brutaliteit en trots.—Lao Tszʼ zeide, dat hij drie groote schatten had:
liefde, zuinigheid en nederigheid. Door zijne liefde kon hij dapper
zijn, door zijne zuinigheid juist kon hij veel geven, door zijne
nederigheid, die hem verbood, de eerste te willen wezen, kon hij juist
in werkelijkheid de eerste zijn. Maar in den tijd, in welken hij
leefde, was men dapper zonder liefde, gaf men veel uit, zónder zuinig
te zijn, en ging men weg van de laatste plaats, om toch vooral de
eerste te zoeken. Dit alles leidde tot den dood, leerde hij. Alleen als
men strijdt met een hart vol liefde is men onverwinlijk. „De Hemel
schenkt de gave van liefde aan hem, dien zij beschermen wil” [97]. En
als twee legers van gelijke kracht strijden, leerde hij, was die
veldheer, die het meeste medelijden had, de overwinnaar.
Zijn ideaal was, om te beginnen een kleinen staat te hebben, met
simpele menschen, zooals uit het 80e hoofdstuk blijkt. Hij zag zeker
in, dat het onmogelijk was, een heel groot rijk ineens volmaakt te
hebben, en droomde zich dus een klein, te verwezenlijken Arcadia. Als
hij dat kleine rijk had, met weinig volk, zou hij, al waren er voor
tien of honderd man wapenen, die wapenen toch niet gebruiken, noch
zouden de schepen en wagenen, noch zouden de kurassen dienst doen. Hij
zou het volk doen terugkeeren tot het gebruik der geknoopte koorden
[98]. „Het volk zou zoet genieten van zijn eten, zou zijne kleederen
mooi maken, rust hebben in zijne woning en vreugde scheppen in zijne
simpele zeden” [99].
En zóó bang was Lao Tszʼ dat het zuivere, reine gemoed van zijn volk—de
kostbaarste schat in zijn ideaal-rijk—zou bedorven worden door de
zoogenaamde beschaving, dat hij er ten slotte aan toevoegde: „Al lag
een naburige staat vlak over den mijne, zoodat de honden en hanen aan
weêrszijden elkanders geluid konden hooren, mijn volk zou oud worden en
doodgaan zonder er gemeenschap mede te hebben gehad.”
En deze man is genoemd een pessimist, een obscurantist, en wat al niet
meer,—het staat in véle vertalingen van heel geleerde mannen te
lezen,—en zijn leer over de basis, waarop het rijk moet rusten, is
genoemd „anti-social pride” en „hostility to popular education and
progress,” en die over de superioriteit van Wu Wei is genoemd „negative
quietism” en zelfs „idleness” en „self-indulgence”! Is het niet of Lao
Tszʼ dit alles voorzien heeft, toen hij zeide: „Zij, die geleerd zijn
kennen Tao niet”? En blijkt hieruit niet, dat om Lao Tsz’s pure
filosofie te begrijpen, nog wat meer noodig is, dan enkele
taalgeleerdheid en spitsvondigheid en woordelijke, letterlijke
accuratesse, vooral wanneer, zooals in zijn wondere boek, de woorden
zoo subtiel uit hunne sfeer zijn gehaald, om aan de behoefte van eene
andere, hoogere spiritueele expressie te voldoen? Waar Lao Tszʼ
aangeeft, dat voor óns beperkte begrip Tao als duister en verward is,
verwijt men hem het geloof aan een „chaos” en aan „void time”, en zelfs
Stanislas Julien, als enkel sinoloog een eminent geleerde, houdt vol
dat Tao is „un être dépourvu d’action, de pensées” en dat het gebruik
en de definitie van het woord Tao „excluent toute idée de cause
intelligente”!
De waarheid is, dat Lao Tsz’s leer, wel verre van den mensch te
abrutiseeren en ongevoelig te maken, hem opwekt tot verheven idealen,
en aan het leven op aarde hare pure zuiverheid wil teruggeven. Wel
vèrre van tot luiheid en anti-socialen trots aan te sporen, heeft Lao
Tsz’s leer vooral tot thema de zelf-verloochening en de liefde voor
onzen medemensch. Het is bedroevend te zien, hoe geleerden, die in de
taalwetenschap een eereplaats innemen, enkel en alleen omdat zij
denken, er het Christendom mede te verheffen, alle andere, vreemde
leeren bekladden. Zóó zegt de gewezen zendeling prof. Legge, de
vertaler der chineesche klassieken, dezelfde die overal à tout prix
Confucius neêrhaalt, van Lao Tsz’s gezegde „Wreek kwaad met goed”:
„There hardly belongs to it a moral character”! Terwijl zelfs Giles,
een der hevigste vijanden van de Tao Teh King, bij die passage moet
bekennen: „Those who, wanting in the logical faculty, have been foolish
enough to say that the Golden Rule of Confucius ranks lower than the
Golden Rule of Christ, have here had to take their shoes from off their
feet and admit that they are upon holy ground” [100].
Ik voor mij wil gaarne bekennen, dat ik bijna overal in de Tao Teh King
den heiligen grond betreed. Maar met een zuiver hart moeten zijne
simpele woorden gevoeld worden, en men moet ze lezen in stille
eenzaamheid, vér van de geruchten der wereld, en leêg van aardsche
gedachten, zooals men dat wereldwijze boek moet lezen, waarmede het
waard is vergeleken te worden: De Imitatione Christi van Thomas à
Kempis.
Lao Tsz’s leer, tot het uiterste doorgevoerd zijnde, gaat er een geheel
nieuw licht over de dingen der wereld. De begrippen goed en kwaad gaan
weg, want wat Lao Tszʼ leerde was niet goed te zijn, daar er in de orde
der dingen niet zoo iets als goed, en ook niet zoo iets als kwaad was,
er was alleen zuiver, volgens de natuur, van-zelf zijn. De loop der
dingen en het wezen der dingen was niet goed of kwaad, het wàs
eenvoudig zooals het wàs. Alles gebeurde, omdat het in de natuurlijke
orde lag om te gebeuren.
Zóó verliest ook de dood zijne verschrikking, en het leven zijn aan die
verschrikking tegenovergestelde vreugde. Wat nog volstrekt geen
onverschilligheid en ongevoeligheid in zich sluit, zooals velen beweerd
hebben. Integendeel. Zeer mooi wordt dit gezegd in den Nan Hwa King,
het mystieke werk van Lao Tsz’s grootsten discipel Chuang Tszʼ [101]:
„De geboorte van den wijze is de (natuurlijke) gang des Hemels, zijn
dood is de (natuurlijke) loop der dingen. Zijn leven is als drijven,
zijn dood is als rust” [102]. Het aannemen van alle dingen als gewoon,
natuurlijk, zuiver, was een eerste vereischte. Niets was bizonder blij
of bizonder droef, niets pleizieriger of treuriger dan iets anders, als
men maar Tao had. En daarom kon Chuang Tszʼ in hetzelfde hoofdstuk
zeggen: „Droefheid en Geluk zijn de afvalligen van de Deugd; Vreugde en
Toorn leiden af van Tao.”—Er was ook niet zoo iets aparts als leven en
dood, als contrasten, elk op zich zelf reëel bestaande. Een andere
discipel van Lao Tszʼ, Ljeh Tszʼ, zat eens aan den weg te eten, en zag
een honderdjarig doodshoofd liggen. Hij plukte een bosje gras af, en
wees daarmede naar den doodskop, zeggende: „Alleen gij en ik weten dat
er geen leven bestaat en geen dood.”
Toen Chuang Tsz’s vrouw was gestorven, en men zich verwonderde, dat hij
er zoo kalm bij bleef, en tot tijdverdrijf op een schaal sloeg, zeide
hij, dat sterven volstrekt niets bizonders was, evenmin als geboren
worden; het was enkel maar verandering, en het lag in den natuurlijken
gang der dingen. „Dit is gelijk de gang der vier jaargetijden, lente,
herfst, winter en zomer. Rustigjes slaapt zij in het Groote Huis (Tao)”
[103].
Zóó verhaalt Chuang Tszʼ ook, dat toen, na Lao Tsz’s dood, de filosoof
Chʼin Shih op rouwbezoek ging, hij een groote schaar menschen om het
lijk zag geschaard, jammerlijk snikkende en huilende zooals het de
gewoonte was uren te blijven doen. Chʼin Shih gaf maar drie korte
schreeuwen, meer niet, en ging toen heen. Een der discipelen
verwonderde zich over dezen inbreuk op de ceremonieën en vroeg Chʼin
Shih verwijtend, of hij dan geen vriend van den Meester was. En toen
antwoordde Chʼin Shih, dat al dat gejammer en gekrijt maar gekheid was,
en afleidde van Tao. „Het is den Hemel weêrstaan, de emoties (der
wereld) verdubbelen, en vergeten wat ons oorspronkelijk deel is. De
Meester kwam precies omdat het zijn tijd was, hij ging precies heen,
omdat hij volgzaam aan zijn tijd was” [104].
Ik weet het, dit schijnt ongevoelig, onverschillig, onsympathiek. Maar,
wanneer men dieper doordenkt, getuigt het van een naïef, kinderlijk
vertrouwen, en tevens van een wèlbewuste zekerheid in de
onsterfelijkheid der ziel, of, meer eigenaardig chineesch uitgedrukt,
in het terugkeeren tot Tao. Het sterven was alleen een overgebracht
worden tot iets anders, evenals hout, dat verbrandt tot vuur, en het
vuur dat verdampt tot schijnbaar niets. Maar niets gaat verloren, de
essence is onvernietigbaar.
Dit is de zekerheid die Chuang Tszʼ, doordrongen als hij was van Lao
Tsz’s principes, deze schoone woorden deed zeggen, toen hij zijn dood
voelde naderen, en zijne familie op het hart drukte, toch vooral niet
te jammeren, en hem geen pompeuze begrafenis te geven, maar gewoon
buiten te leggen, in het veld:
„Ik wil den Hemel en de Aarde hebben voor mijn sarcophaag, de zon en de
maan zullen mijne eereteekenen zijn, waar ik op mijn staatsiebed lig,
en de geheele creatie zal de rouwende zijn bij mijn uitvaart.”
Het is treurig te zien, wat het latere geslacht van Lao Tsz’s zuivere
leer gemaakt heeft. Den ontzaglijken eenvoud van zijne aphorismen niet
begrijpende, begonnen latere chineesche geleerden in zijn boek een
mystiek te zien, die over de kunst handelde om onsterfelijk te worden.
En men ging... het elixir zoeken, dat de gave schonk om eeuwig te
leven! Het lijkt haast onmogelijk de menschelijke dwaasheid zóó hoog
opgevoerd te zien, maar uit de Tao Teh King is de chineesche alchimie
en de magie geboren! Men begon in alle zinnen verborgen meeningen te
zien, dacht dat zij zinspeelden op tot nu toe onbekende Goden, op verre
gelukslanden ergens in den oceaan, en op geheime wonderdranken! Men
begon Lao Tszʼ zelf te vergoden, noemde hem een zuiver goddelijk wezen,
een incarnatie van Tao, die reeds vroeger op aarde was verschenen in
verschillende gedaanten, en ook in de toekomst weer verschijnen zou,
maar voor ’t oogenblik zalig was, in een paradijs, gelegen in de
Poolster, enz. enz. De boeddhisten die—en terecht—zeer veel punten van
gelijkenis zagen tusschen hun leer en de zijne, maakten een boeddha van
hem, en verzonnen omtrent zijn leven dezelfde legenden, als die welke
omtrent Shakyamuni in omloop waren. Men zag, eenmaal zoo ver verdwaald,
overal duivels en demonen, en ook heilige geesten en feeën, en zóó
ontstond die belachelijke goden- en geestendienst, met zijn eindeloos
pantheon van afgoden en mystieke personnages, dien men tegenwoordig in
China „het Taoïsme” noemt. Wèl jammer, dat men er dien naam aan gegeven
heeft, want dit Taoïsme, met zijn fetischdienst, en zijn verachtelijke
priesterschap, heeft absoluut niets te maken met de pure, zuivere,
menschelijke leer van Lao Tszʼ, zooals die is neergeschreven in den Tao
Teh King. Ik zal mij, hier althans, niet verder in dit latere Taoïsme
verdiepen, daar ik in deze studie alleen de oorspronkelijke leer van
Lao Tszʼ wensch te bespreken. En laten wij niet ál te veel op de
chineezen neêrzien, omdat zij van Lao Tsz’s zuivere ideeën zulke dolle
dingen hebben gemaakt. Wat is er in Europa al niet gemaakt van de leer
van Jezus Christus, en welke gruwelen en misdaden zijn er niet
bedreven, en welke valsche, leugenachtige voorstellingen zijn er niet
gemaakt in Zijnen naam, die lijnrecht in strijd zijn met wat Hij heeft
gepredikt? Ik heb reeds aangehaald, wat Samuel Johnson daar zoo terecht
van gezegd heeft: „a book like the Bible or the Tao Teh King becomes a
fetich to crude stages of mind, as well as a companion to higher ones.”
En als ik er in geslaagd ben om, geïnspireerd als ik was door mijne
innige bewondering voor China’s grootsten wijze, de leer van Lao Tszʼ
zóó in deze studie te hebben voorgesteld, dat zij voor goed een
vertrouwde metgezel wordt voor velen, die er de uitdrukking in zullen
vinden van reeds lang in hen sluimerende, maar nog niet bewust geworden
ideeën, dan zou ik daarmede nog maar een klein weinigje van de
dankbaarheid gekweten hebben, die men hem, en álle groote voorlichters
van den menschelijken geest, is verschuldigd. Want hij heeft van het
reinste en nobelste werk gedaan, dat op aarde kan gedaan worden.
TAO TEH KING.
EERSTE DEEL: TAO.
HOOFDSTUK I.
1. Kon Tao uitgezegd worden, dan zou het de eeuwige Tao niet zijn; kon
de naam genoemd worden, dan zou het de eeuwige Naam niet zijn.
2. Als Niet-Zijn kan men Het noemen het begin van Hemel en Aarde; als
Zijn kan men Het noemen de Moeder van alle Dingen.
3. Daarom, als het hart voortdurend Niet-Is (d.i. vrij van alle
aardsche begeerten) kan men het Mysterie aanschouwen van Tao’s
spiritueele essence; als het voortdurend Is (d.i. vol begeerten), kan
men er enkel den begrensden Vorm van zien.
4. Deze beiden, Zijn en Niet-Zijn, komen uit hetzelfde voort, en hebben
verschillenden naam.
5. Beiden zijn zij geheimzinnig. Het geheimzinnige er van is dubbel
geheimzinnig.
6. Dit alles is de Poort van het spiritueele Mysterie.
HOOFDSTUK II.
1. Allen onder den Hemel weten zoo dat mooi „mooi” is; dan komt het
„leelijke” voor den dag. Allen weten zoo dat goed „goed” is; dan komt
het „slechte” voor den dag.
2. Daarom, Zijn en Niet-Zijn produceeren elkaar wederkeerig.
3. Moeilijk en Gemakkelijk brengen zich wederkeerig voort. Lang en kort
geven elkaar wederkeerig verschil in vorm. Hoog en Laag brengen
elkaar’s ongelijkheid voort. De Toon en de Stem harmoniëeren
wederkeerig. Het Vóór en het Ná volgen elkaar wederkeerig op.
4. Daarom is het, dat de Wijze zijn zaak maakt van Wu Wei (Niet-Doen),
en hij begaat de leer zonder woorden.
7. Als het werk volbracht is, hecht hij er zich niet (meer) aan. Juist
omdat hij er zich niet aan hecht, gaat het (de verdienste er van) niet
van hem weg.
HOOFDSTUK III.
1. Maakt geen ophef van eerwaardigheid, dan zal het volk niet twisten.
2. Hecht geen hooge waarde aan moeilijk te verkrijgen goederen, dan zal
het volk geen diefstal plegen.
3. Ziet niet naar wat begeerlijk is, dan zal het hart van het volk niet
in verwarring komen.
4. Daarom, de Wijze regeert door de harten ledig (van begeerte) te
maken, de buiken stevig te voeden, de (slechte) neigingen te
verzwakken, en het beenderstelsel te versterken.
5. Hij maakt voortdurend, dat het volk niet weet, en geen begeerten
heeft.
6. Als dit niet geheel gelukt, maakt hij dat zij, die (wèl) weten, niet
durven ageeren.
7. Hij doet Wu Wei (Niet-Doen), en dan is er niets, wat hij niet (goed)
regeert.
HOOFDSTUK IV.
1. Tao is ledig, en (toch) in Zijne operaties als onuitputtelijk.
2. O! Hoe diep is Het! Het is de Oer-Vader aller dingen.
3. Het verstompt zijn scherpte, ontrafelt zijne verwardheid, tempert
zijne (verblindende) schittering, en maakt zich gelijk aan het stof.
4. O! Hoe kalm is Het! Het lijkt wel eeuwig te bestaan.
5. Ik weet niet van wien Het het kind is. Het was vóór Shang Ti (den
oppersten God).
HOOFDSTUK V.
1. Hemel en Aarde zijn niet menschlievend, en alle dingen zijn voor hen
als de strooien honden (voor de offering).
2. De Wijze is niet menschlievend, en beschouwt het volk als de
strooien honden (voor de offering).
3. Te midden van Hemel en Aarde is als een blaasbalg; Het is ledig en
(toch) nooit uitgeput; hoe meer Het beweegt, hoe meer (kracht als wind)
er uitkomt.
4. Maar met veel woorden raakt men uitgeput. Het is beter, het midden
te bewaren.
HOOFDSTUK VI.
1. De Geest van de vallei sterft niet, men noemt haar de mystieke
Moeder.
2. De deur van de mystieke Moeder is de Wortel (Oorsprong) van Hemel en
Aarde.
3. Het gaat eeuwiglijk door en schijnt altijd (als stoffelijk) te
blijven bestaan.
4. Houdt u er altijd aan, en gij zult niet behoeven te bewegen.
HOOFDSTUK VII.
1. Hemel en Aarde duren eeuwiglijk. Hemel en Aarde kunnen dáárom
eeuwiglijk duren, omdat zij niet voor zich zelf leven.
2. Daarom stelt de Wijze zich zelf achter de anderen, en wordt dan zelf
(juist) de eerste.
3. Hij maakt zich los van zijn lichaam, en dan blijft zijn lichaam
(juist) behouden.
4. Is dit niet, omdat hij geen egoïsme heeft?
5. En (toch) wordt dan zijn egoïstisch eigenbelang volmaakt.
HOOFDSTUK VIII.
1. De opperste Goedheid is als water.
2. Water is goed, doet goed aan alle dingen, en twist niet.
3. Het woont in plaatsen, die de menschen verachten.
4. Daarom komt (de Wijze, die als water is) dicht bij Tao.
5. Hij woont (vanzelf) op de goede plaats. Hij houdt er van dat zijn
hart diep is als een afgrond. Als hij weldoet meent hij het in
menschlievendheid. Als hij spreekt, spreekt hij goed de waarheid. Als
hij regeert, houdt hij goed orde. Als hij zaken heeft, doet hij ze
goed. Als hij beweegt is het op den rechten tijd.
6. (Maar alleen) als hij niet met anderen in strijd komt is er niets in
hem te laken.
HOOFDSTUK IX.
1. Beter dan een gevulde vaas aan beide zijden te dragen, is het, er in
’t geheel geen te dragen.
2. Als men (een lemmet), na het gescherpt te hebben, telkens met de
hand voelt (om het te probeeren), zal het niet lang goed kunnen
blijven.
3. Als men zijn zaal vol goud en edelgesteenten heeft, zal men haar
niet kunnen behouden.
4. Als men, rijk en in aanzien zijnde, trotsch is, zal men zelf zijn
ongeluk na zich sleepen.
5. Als het werk volbracht is, en de naam gemaakt, moet men zich
terugtrekken. Dit is de Weg van den Hemel.
HOOFDSTUK X.
1. Hij, die het animale aan het spiritueele onderwerpt, kan zijn wil op
één ding (d.i. Tao) gericht houden, zoodat hij niet verdeeld is
(tusschen wereldsche dingen).
2. Hij temt zijn vitale kracht, tot hij gedwee (en gevoelig) wordt, en
als een pasgeboren kind.
3. Als hij zijn inwendig gezicht klaar en puur maakt (vrij van de
duisterheden en twijfelingen van het Verstand), zal hij vrij zijn van
alle moreele gebreken.
4. Als hij, met liefde voor het volk (als hij een Vorst is) het rijk
regeert, zal hij Wu Wei kunnen zijn.
5. Hij zal zijn als de broedende hen, die in volmaakte rust is, terwijl
de processen van de natuur voortgaan.
6. Als zijn licht overal doordringt, zal hij als onwetend kunnen zijn.
7. Hij brengt de dingen voort en voedt ze. Hij brengt ze voort, zonder
ze (als bezit) te hebben. Hij vermeerdert en vermenigvuldigt, en rekent
niet op hun belooning. Hij regeert hen, en beschouwt zich niet als hun
Meester.
Dit is wat men noemt de mysterieuze Deugd.
HOOFDSTUK XI.
1. De dertig spaken van een wiel vereenigen zich om een naaf. Maar
alleen door de ledige ruimte is de wagen van nut.
2. De vaas is uit klei gekneed tot huisraad. Maar alleen door de ledige
ruimte (binnen in) is zij van nut.
3. Men boort deuren en vensters uit om een huis te bouwen. Maar alleen
door de ledige ruimte zijn zij van nut.
4 Daarom, het Zijn (het materieele) heeft zijn voordeel, maar van het
Niet-Zijn (het immaterieele) hangt het eigenlijke nut af.
HOOFDSTUK XII.
1. De vijf kleuren verblinden het oog van den mensch. De vijf tonen
verdooven het oor. De vijf smaken bederven den smaak.
2. Dolle ritten en jachten brengen het menschelijk hart in verdwaling.
Moeilijk te verkrijgen goederen brengen den mensch tot verderfelijke
daden.
3. Daarom maakt de Wijze werk van zijn binnenste en niet van zijne
oogen.
4. Hij verwerpt wat van buiten komt, en langt naar wat van binnen is.
HOOFDSTUK XIII.
1. Hooge gratie en degradatie zijn dingen van vreeze. Het lichaam is
als een groote ramp.
2. Hoe is het, dat men (dit) zegt (van) hooge gratie en degradatie?
Hooge gratie is iets inferieurs. Verkrijgt men haar, dan is men als in
vreeze. Verliest men haar, dan is men als in vreeze. Daarom zegt men:
hooge gratie en degradatie zijn dingen van vreeze.
3. Hoe is het, dat men zegt: „Het lichaam is als eene groote ramp”? Ik
heb dáárom groote rampen, omdat ik een lichaam heb.
4. Als ik zoover was, dat ik géén lichaam had, welke rampen zou ik dan
hebben?
5. Daarom, wie het als een zware karrewei beschouwt, om het rijk te
regeeren, dien kan men het rijk toevertrouwen; wie het iets
verwerpelijks vindt om zelf het rijk te regeeren, dien kan men de
regeering van het rijk opdragen.
HOOFDSTUK XIV.
1. Gij kijkt er naar, en gij ziet Het niet; men noemt Het kleurloos
(I).
Gij luistert er naar, en gij hoort Het niet; men noemt Het aphoon (Hi).
Gij tast er naar, en gij raakt Het niet; men noemt Het onstoffelijk
(Wei).
2. Deze drie dingen zijn niet met eigen woorden uit te leggen.
3. Daarom, zij smelten samen tot één.