zooals een speelsche hond solt met een mooi boek, dat hij te pakken
heeft gekregen, zooals een klein kind knoeit met een ei! Hoe men van de
woorden: onzichtbaar—I, aphoon—Hi, en onstoffelijk—Wei, dus I Hi Wei,
een verchineeschten vorm van Jehovah, en van het „Tao baarde één, één
baarde twee, twee baarde drie,” een chineesche expressie voor de
Drieëenheid heeft gemaakt, en dan verkondigde, dat de kennis van den
waren (d.i. onzen christelijken) God al in het oude China bekend was!
Hoe zelfs Stanislas Julien, die zich een onschatbare verdienste heeft
verworven door voor het eerst eene goede vertaling [47] van Lao Tszʼ te
leveren, welke van alle altijd, qua taalwerk, de beste is gebleven,
gansch de essentieele beteekenis van Tao (dat hij met „de Weg”
vertaalde als in Confucius) en Wu Wei (dat hij met „inactie” vertaalde)
geheel verkeerd heeft voorgesteld, en dikwijls door precies het
tegenovergestelde heeft omschreven!
De vertalers, zelfs ook Julien, hebben durven volhouden dat Lao Tszʼ
geloofde in een „chaos,” een „immens ledig” vóór de creatie, en zelfs
leerde „zonder te werken te leven ten koste van de lichtgeloovigheid
zijner medemenschen.”!! Men verweet hem „een meer negatieven en
vernielenden geest te hebben dan het boeddhisme,” „de zinnen tot totale
impotentie terug te willen brengen,” „een pessimist en obscurantist,”
ja, een „epicurist” te zijn, en te protesteeren tegen „alle actie van
het intellect” enz. enz. Wèl hebben deze menschen Lao Tsz’s eigen
gezegde geïllustreerd: „Mijne woorden zijn heel gemakkelijk te
begrijpen, heel gemakkelijk om te betrachten. Maar niemand in het rijk
kan ze begrijpen, noch ze betrachten. Mijne woorden hebben een
Oorsprong, mijne daden hebben een Meester. Maar de menschen weten dat
niet, en daarom begrijpen zij mij niet [48].
Veel beter, maar in een tegenovergestelde richting weer te vér gaande,
hebben de duitsche sinoloog von Strauss en de engelsche sinoloog G. G.
Alexander over Lao Tsz’s Tao geschreven.
Von Strauss zegt—na, evenals ik hierboven deed, zij het met hier en
daar van de mijne afwijkende vertaling en met hier iets meer en daar
iets minder voorbeelden, uit de origineele teksten het begrip Tao te
hebben benaderd—:
„Wir meinen, jeder Unbefangene, den man fragte, wie man in unserer
Sprache das Wesen bezeichne, von dem dies Alles ausgesagt werden
könnte, musste antworten: Gott, und nur Gott! Und wer die vorstehenden
Aussagen zusammenfasst, dem kann gar kein Zweifel bleiben, das Lao Tszʼ
ein überraschend grosses und tiefes Gottbewusstsein, einen erhabenen
und sehr bestimmten Gottesbegriff gehabt habe, der sich fast
durchgängig mit dem Gottesbegriff der Offenbarung deckt sofern dieser
nicht über ihn hinaus tiefer und reicher entwickelt ist, was denn
allerdings keiner Nachweisung bedarf. Aber ausserhalb Israels wird aus
allen vorchristlichen Jahrhunderten nichts Aehnliches nachzuweisen
sein.”
Ja, Lao Tszʼ Tao is een Godsbegrip. En de éénige vertaling voor Tao is
God. Indien ik deze vertaling niet genomen heb, is dit alleen om niet
in een babylonische verwarring te geraken. Want, niet waar? het woord
„God” is zoo vertrouwd en gewoon geworden, men kent zoo goed zijn God
uit den bijbel en uit de kerk, zijn „persoonlijken God,” en men is er
niet bang voor, over Hem te spreken als ware Hij een of ander bekend
wezen, van wien men precies weet hoe hij er uitziet, wat hij aanheeft,
wat zijn natuur is. En die „God” zou op verre na niet eene goede
vertaling van Tao zijn. Lao Tszʼ kent Tao niet zoo goed, hij noemt het
vaag, en onbestemd, en verward, en duister voor zijn zwakke oogen.—Maar
indien ik met God bedoel dat majestueuze, zuiver geestelijke,
onsterfelijke Wezen, dat nooit éénig menschelijk woord heeft kunnen
beschrijven, dat nooit aan één onfeilbaren, alleen zaligmakenden
godsdienst heeft behoord als de ware, de eenige God, maar waar alle
godsdiensten van alle volkeren, allen met verschillende woorden en
namen, maar met dezelfde intuïtie naar gereikt hebben, dan is dat
Wezen, dat, eindeloos-in-zich-zelf-bestaande, geen naam kan hebben, en
alléén door het woord God wordt uitgedrukt omdat wij, bij het schrijven
daarover, een concreet letterteeken behoeven, in essentie hetzelfde als
het Wezen, door het chineesche karakter Tao voorgesteld.—Ja, Tao is
niet anders dan de leer van de goddelijkheid en de onsterfelijkheid der
ziel, en in essentie volstrekt geen andere, dan zooals wij die vinden
in den—goed gelezen—Bijbel, en in de Upanishads, en de Bhagavad-Gita.
G. G. Alexander heeft den moed de „Tao Teh King” te vertalen met
„Thoughts on the Nature and Manifestations of God” [49] en vertaalt Tao
overal door „God”, wat uitstekend zou zijn, als het, zooals ik
hierboven zeide, niet zooveel verwarring gaf, en zijne vertaling niet
van vrij, ongebonden ware geworden, want te veel aangepast aan dingen
uit den Bijbel, waar zij essentieel chineesch had behooren te
blijven.—Dat de „Tao Teh King” zoo weinig begrepen is, en men er zoowat
van alles van gemaakt heeft, was te voorzien. Vooral chineesche
commentaren, van welke honderden bestaan, geven verschrikkelijke dingen
te hooren. De filosoof Choe Hi, dezelfde, aan wien wij de bewerking en
uitgave der Confucianistische boeken hebben te danken, zegt dat
„kwakzalvers en toovenaars den naam van Lao Tszʼ stalen om er winst uit
te kloppen, zonder iets van zijne bedoelingen te begrijpen,” en de
beroemde geschiedschrijver Ma Touan Lin zegt van de Tao Teh King: „de
ware geest ervan werd hoe langer hoe meer verkeerd begrepen, naarmate
de menschen verder verwijderd waren van Lao Tsz’s tijd.” En Samuel
Johnson zegt nog zeer juist: „The attractions of spiritual genius are
universal; and a book like the Bible or the Tao Teh King becomes a
fetich to crude stages of mind, as well as a companion to higher ones.”
Heb ik nu het begrip Tao zoo ver trachten te benaderen, als met alléén
’t concrete goed treffende woorden mogelijk is, nu wil ik duidelijk
maken, hoe Lao Tszʼ zich het zuivere leven van den mensch voorstelde in
zijne betrekking tot Tao, om dan te eindigen met zijne conceptie van
een ideaal-rijk, gegrondvest op Tao.—
Ik begin met deze drie wonderschoone teksten voorop te stellen:
„Als de mensch geboren wordt, is hij zacht en zwak, als hij sterft is
hij stijf en sterk. Als het gras en de boomen geboren worden zijn zij
soepel en teêr, als zij sterven zijn zij droog en schraal. Stijfheid en
Sterkte zijn de volgelingen van den dood; Zachtheid en Zwakheid zijn de
volgelingen van het leven. Wat sterk en groot is, is inferieur; wat
zacht en zwak is, is superieur. [50]
„—De opperste Goedheid is als water. Water is goed, doet goed aan alle
dingen, en twist niet. Het woont in plaatsen, die de menschen
verachten.” [51]
„—Niets is in de wereld zachter en zwakker dan het water, en toch is er
niets dat het overtreft in het breken van wat hard en sterk is. Daarom
is er niets, dat water evenaart. Het zachte overwint het harde, het
zwakke overwint het sterke.” [52]
Deze drie teksten karakteriseeren Lao Tsz’s opvatting geheel.—Hij
predikt den deemoed, de zelf-verloochening, de nederigheid. Vér van
eerzucht en hartstocht en begeerte naar grootheid, zal de mensch
eenvoudig, simpel leven, rustig in de veilige schuilplaats van Tao. Hij
moet zijn zuiver en rein als het pasgeboren kind. Hij moet zijn
grootheid en zijn kennis verbergen, en als klein en onwetend schijnen.
Nooit moet hij met geweld en heftigheid optreden, maar tegenover kracht
stelle hij zachtheid, en tegenover beleediging weldaden. Want juist die
zachtheid en die zwakheid, die liefde, zouden wij in ’t europeesch
zeggen, overwint de wereld, en is onverbrekelijk. De ware wijze maakt
geen ophef van zijn weten, maar blijft bescheiden op den achtergrond,
want wèl wist Lao Tszʼ, dat de laatsten de eersten zullen zijn! Tao is
niet heftig en luidruchtig, en hij, die zich aan Tao houdt, is in rust,
als niet-doende, Wu Wei, maar biedt een onvernietigbaren tegenstand aan
het sterke en forsche, juist door zijn passieve taaiheid.—
En, als eeuwig-stralende lichten van onvergankelijke levenswijsheid,
leidende de menschheid door alle tijden naar haar onsterfelijken
Oorsprong Tao, staan die wonderschoone woorden in dezen chineeschen
bijbel van vijf eeuwen vóór Christus:
„Hemel en Aarde duren eeuwiglijk. Hemel en Aarde kunnen dáárom
eeuwiglijk duren, omdat zij niet voor-zich-zelf leven. Daarom stelt de
Wijze zichzelf achter, en wordt dan zelf (juist) de eerste. Hij maakt
zich los van zijn lichaam en dan blijft zijn lichaam juist behouden.”
[53]
„—Alleen als de Wijze niet met anderen in strijd komt, is er niets in
hem te laken.” [54]
„—Als het werk volbracht is en de naam gemaakt, moet men zich
terugtrekken.” [55]
„—Hij, die het animale aan het spiritueele onderwerpt, kan zijn wil op
één ding (Tao) gericht houden, zoodat hij niet verdeeld is. Hij temt
zijn vitale kracht, tot hij gedwee wordt, en als een pasgeboren kind.
Als hij zijn inwendig gezicht klaar en puur maakt, zal hij vrij zijn
van gebreken. Hij zal zijn als de broedende hen, die volmaakt in rust
is, terwijl de processen van de natuur doorgaan. Als zijn licht overal
doordringt, zal hij als onwetend kunnen zijn.” [56]
„De Wijze maakt werk van zijn binnenste en niet van zijn oogen; hij
verwerpt wat van buiten komt, hij langt naar wat van binnen is.” [57]
„—In de Oudheid waren de goede filosofen, die zich aan Tao wijdden als
gering, subtiel, duister, en vérdoordringend. Zij waren bedeesd als
een, die in den winter een stroom doorwaadt. Zij waren op hun hoede,
als een, die zijn buren vreest. Zij waren ernstig als een gast
(tegenover zijn gastheer). Zij verdwenen als het ijs, dat gaat smelten.
Zij waren simpel, als onbewerkt hout. Zij waren ledig, als een vallei.
Zij waren als troebel water. Hij, die Tao behoudt, wenscht niet vol te
zijn. Juist omdat hij niet vol is, is hij voor altijd gevrijwaard tegen
verandering.” [58]
„Ziet Uzelf in Uwen (oorspronkelijken) eenvoud, en behoudt Uw
(oorspronkelijke) puurheid. Hebt weinig egoïsme, en weinig begeerten.”
[59]
„—Het onvolmaakte zal volmaakt worden. Het gebogene zal recht worden.
Het holle zal vol worden. Met weinig wordt Het verkregen; met véél
dwaalt men er van af. Daarom, de Wijze omvat het Eéne (Tao), en maakt
zich (zoo) het voorbeeld van de wereld. Hij wenscht zelf niet licht te
schijnen, en daarom juist is hij schitterend. Hij wenscht zelf niet de
ware man te wezen, en dáárom juist steekt hij boven anderen uit. Hij
pocht niet (op zijn werk) en heeft daarom juist verdienste. Hij stelt
zichzelf niet hoog, en is dáárom juist de meerdere. Hij strijdt niet,
en daarom juist is er niemand in de wereld, die tegen hem op kan” [60].
„Wie op zijn teenen gaat staan kan niet vast rechtop blijven; wie de
beenen ver uitstrekt kan niet loopen” [61].
„Hij, die zijne mannelijke kracht kent, en toch vrouwelijke zachtheid
behoudt, is de vallei van het rijk. Hij, die zijn licht kent, en toch
in de schaduw blijft, is het voorbeeld van het rijk. Hij, die zijne
glorie weet, en blijft in de schande, is de vallei van het rijk” [62].
„—Hij, die de menschen kent, is verstandig, maar hij die zich-zelf kent
is verlicht. Hij, die anderen overwint is sterk, maar hij, die
zich-zelf overwint, is almachtig” [63].
„De hoogste Deugd (Teh) is geen deugd en is daarom juist Deugd; de lage
deugd verliest nooit (het idee) deugd, en is daarom juist géén Deugd”
[64].
„De verlichten in Tao zijn als duister, de vergevorderden in Tao als
achteruitgaande; die aan Tao toe zijn, zijn als gewone menschen; zij,
die de opperste Deugd hebben, zijn (laag) als een vallei; de uiterst
reinen zijn als vuil; zij, die deugd in overvloed hebben, zijn alsof ze
niet genoeg hebben, die vast gegrondveste deugd hebben, zijn als lui;
die waar en simpel zijn, zijn als verachtelijk. Tao is verborgen, en
heeft geen naam” [65].
„(De Wijze) is ganschelijk volmaakt, en lijkt onvolmaakt; zijne
middelen raken nooit op. Hij is ganschelijk vol en lijkt ledig; zijne
bronnen zijn nooit uitgeput. Hij is ganschelijk recht en lijkt krom.
Hij is ganschelijk bekwaam en lijkt dom. Hij is zéér welsprekend en
lijkt een stamelaar. Hij, die puur en rustig is, wordt het voorbeeld
van de wereld” [66].
„Zonder uit te gaan ken ik de wereld; zonder uit mijn venster te kijken
zie ik den Weg des Hemels. Hoe verder gij gaat, hoe minder gij zult
weten. Daarom, de Wijze komt er zonder te loopen, noemt de dingen
zonder ze te zien, en volmaakt zich zonder actie” [67].
„(De Wijze) is voor de goeden goed. Voor de niet-goeden is hij ook
goed, om ze goed te maken” [68].
„Hij, die de reëele deugd bezit, is als een pasgeboren kind, dat de
venijnige insecten niet steken, de wilde beesten niet grijpen, en de
roofvogels niet meêvoeren” [69].
„Zij, die Tao weten, spreken er niet over; die er over spreken weten
Het niet. (De Wijze) doet zijn mond dicht, sluit zijne oogen en ooren,
haalt zijne hooge aspiraties neder, ontrafelt het verwarde, tempert het
(verblindend) schitterende, en maakt zich gelijk aan het stof. Dit noem
ik eene mystieke gelijkenis met Tao. Gunst noch ongenade, voorspoed
noch schade, eer noch verachting kunnen hem treffen. Daarom is hij de
eerbiedwaardigste mensch onder den Hemel” [70].
„De Wijze doet Wu Wei [lett. niet-doen], werkt aan géén werk, en
savoureert wat zonder smaak is. Hij wreekt kwaad met goed. Hij zoekt
geen groote dingen te doen, en daardoor juist volbrengt hij groote
dingen” [71].
„De Wijze begeert géén begeerten te hebben, en hecht geen waarde aan
moeilijk te verkrijgen dingen. Zijne studie is géén studie, en daardoor
ontloopt hij de fouten der menschen” [72].
„Waarom kunnen de groote rivieren en zeeën de koningen zijn van alle
stroomen? Omdat zij zich onder hen weten te houden, dáárom kunnen zij
de koningen aller stroomen zijn. Daarom, als de Wijze superieur wil
zijn aan het volk, moet hij in zijn spreken ónder het volk blijven. Als
hij voor het volk uit wil staan, moet hij zich op den achtergrond
houden. Daar hij allen strijd vermijdt is er niemand in het rijk, die
tegen hem strijden kan” [73].
„Te weten dat wij niet weten, is superieur; niet te weten en denken te
weten, dat is de ziekte der menschen. Als men om deze ziekte lijdt, zal
men haar ontkomen. De wijze heeft deze ziekte niet, juist omdat hij er
het lijden van weet” [74].
„Ware woorden zijn niet mooi; mooie woorden zijn niet waar. Zij, die
goed zijn, zijn niet welsprekend, zij, die welsprekend zijn, zijn niet
goed. Zij, die Tao kennen, zijn niet geleerd; zij, die geleerd zijn,
kennen Tao niet. De Wijze stapelt niet op (wat hij bezit). Hoe meer hij
gebruikt om de menschen te helpen, des te meer heeft hij over; hoe meer
hij den menschen geeft, des te rijker wordt hij.—De Weg des Hemels is:
wèl te doen en niet te schaden. De Weg des Menschen is: te handelen,
maar niet te strijden” [75].
Reine, zoete woorden van deemoed, klinkende door twee en twintig eeuwen
heen, en thans nog onvergankelijk van simpele waarheid! Leer van liefde
en genade, gepredikt in de zesde eeuw vóór Jezus Christus, door den
grootsten Wijze van China, en thans nog waardig om naast de leer van
christelijke liefde te schijnen als een Licht voor de menschheid.
Begint men te begrijpen, dat, áls China uit zijn diep verval zal worden
opgeheven, dat zéér goed zijn kan met geheel eigen hulpmiddelen, zonder
de inmenging der gehate vreemden? „The answer to Confucianism is
China,” heeft Prof. Legge eens gezegd, een zendeling. Dus ook „The
answer to Lao Tsz’ism is China!”—En daarom is het mij een groote
vreugde, de woorden van China’s grootsten wijze nog eens te doen
klinken, twee duizend twee honderd jaar later, in deze verlichte,
christelijke tijden.
Is óns christelijke volk in Europa zoo deemoedig, en nederig, en puur,
zóó ongevoelig voor die nietigheden der wereld als eer, en roem, en
rijkdom? Zijn ónze groote mannen zoo bescheiden en simpel, zoo afkeerig
van glorie en naam, en zoo sterk en devoot van ziel? Zijn ónze tijden,
in welke de vrede alleen kan bestaan gegrondvest op bruut geweld en de
vrees van enkele machthebbers onderling, die vooral voor verlies van
eigen heerlijkheid bang zijn, zijn onze christelijke tijden zoo rein en
zuiver? Zijn onze tijden niet, met enkele uitwendige verschillen,
gelijk aan de tijden van Lao Tszʼ? Hebben wij niet de namen der dingen
voor de dingen zelven, niet de schaduw voor de substantie, den schijn
voor het wezen? Hebben wij niet „eminente, beroemde” geleerden met
ridderorden en palmen getooid, waarvan de lintjes elken dag gedragen
worden? Hebben wij niet staatslieden en ambtenaren, die zoo
„belangloos, en actief, en uiterst capabel, en vol dienstijver” zijn,
hebben wij geen „groote” o! „groote, groote” artiesten, die „hoog” o!
„hoog, hoog” boven ons uitsteken, vèr boven de gewone stervelingen, en
die, dronken van trots, dit elken dag met boller en boller opblazing
toonen, en klinkt de geheele europeesche pers niet van namen, en namen,
en nogeens namen, die toch vooral op den voorgrond moeten worden gezet?
Maar waar is de eenvoud, en de deemoed, en de puurheid des
harten?......
Hoe rein en bizonder wordt die figuur van Lao Tszʼ, als we ons haar
voorstellen in de verwarring der tijden tegen het einde der
Chow-dynastie. Men wist het toen toch zoo! De heilige woorden van
hertog Chow, van koning Wên, en van koning Woe [76], men had ze zóó
lang herhaald, en van buiten geleerd, tot ze leêg van alle beteekenis,
enkel holle klanken waren geworden. Men wist precies hoe het gaan
moest, en hoe alles in elkaar moest zitten. Men wist precies de
inrichting van het goevernement, en de namen der deugden, waarmede men
het waarnemen moest.—De menschen waren o! zoo geleerd, en zoo verlicht,
en schepten zulk een vreugde in ’t leven! En toen zeide Lao Tszʼ deze
onsterfelijke woorden:
„Alle menschen zijn blij en vroolijk, als hij, die geniet van
rundvleesch, als hij, die in de lente een hoog terras bestegen heeft.
„Ik alleen ben kalm, en heb nog niet éven bewogen; ik ben als een klein
kindje, dat nog niet geglimlacht heeft. Ik ben vrij, zonder
belemmering, àlsof er niets was, waarheen ik zou willen terugkeeren.
„De gewone menschen hebben óver, maar ik alleen ben als een die (alles)
verloren heeft. Ik heb het hart van een domme, ik ben een chaos van
verwarring.
„De gewone menschen zijn schitterend verlicht; ik alleen ben als
duister. De gewone menschen zijn doordringend van doorzicht; ik alleen
ben droevig ongerust. Ik ben vaag als de zee, ik word door de golven
heen en weer gedreven, rusteloos... Alle menschen weten overal een
reden voor, ik alleen ben dom, als iemand van het land.
„Ik alleen ben anders dan de (gewone) menschen, omdat ik de Moeder
vereer, die alles voedt (Tao)” [77].
En alles ging zoo goed in het rijk, al was alles in verwarring! Dat,
waarop het geheele rijk moest steunen, de reinheid en puurheid van het
volk en van den vorst, bestond niet meer, maar men had dan toch de
namen van de dingen! Men had menschlievendheid, en filantropie, en
gerechtigheid, men had ouderlievendheid, en getrouwheid en
oprechtheid!—Men was ook verbazend knap geworden, scherpzinnig, en
doordringend van doorzicht. Maar de essentie ontbrak. De essentie van
het zuivere, reine gemoed, waardoor vrede alleen mogelijk is, het
gemoed zonder égoïsme en begeerten, dat in een vorst onmisbaar is. De
grondvesten van het rijk, dit zuivere gemoed èn van het volk èn van den
vorst, waardoor alles vanzelf goed zoude gaan, waardoor alle deugden
vanzelf bestaan zouden, zonder nogeens apart met mooie namen te worden
genoemd omdat de natuurlijke loop der dingen, het leven der dingen
volgens de beweging van Tao, vanzelf zuiver is, deze grondvesten
ontbraken. De zoogenaamde beschaving, met hare precies geformuleerde
moraal, die aan alle dingen een juisten naam had gegeven, en die èn
vorst èn volk maar voller had gemaakt van altijd groeiende begeerten,
die verlichtheid en die studie, die, oorspronkelijk goed, de ijdelheid
en de eerzucht hadden opgezweept, hadden het reine gemoed van de
menschen verduisterd, en zóó de basis, waarop het geheele rijk moest
rusten, verwaarloosd. „Wat doet het er eigenlijk toe, of we het
karakter „wei” dan wel het karakter „oh” voor „ja!” gebruiken?” zeide
Lao Tszʼ, „maar het is héél iets anders om te weten het onderscheid
tusschen goed en kwaad” [78].
Beter dan de beschaving, die schijn en huichelarij ten grondslag had,
vond Lao Tszʼ dan nog de tijden, toen het volk onwetend, maar gelukkig;
ónbeschaafd, maar simpel; onceremonieus, maar rein van hart was, toen
de koningen van-zelf regeerden, zonder veel moeite te moeten doen,
omdat alles op natuurlijke wijze goed ging, en toen er minder rijkdom
en weelde was, maar het volk geen honger leed. Want óók, dit wist de
chineesche wijze, wat de meesten nú nog niet weten, die zoo vér zijn in
socialisme en humaniteit, dat het alleréérste vereischte tot geluk voor
het volk is, om geen honger te hebben. Alle andere dingen komen dan
later wel. En hij leerde, dat vóór alles noodig was een terugkeer naar
den oorspronkelijken, primitieven staat van éénvoud van lang voorheen.
Dat hij, zooals vele vertalers beweerd hebben, het volk daardoor voor
altijd in een soort bruten gelukstoestand wilde houden, ongeveer als
die van een rumineerende koe in de weide, geloof ik niet. Mijns inziens
was het hem vooral te doen, om een sterken nadruk dáárop te leggen, dat
vóór alles (het andere kwam dan later wel) de oorspronkelijke, zuivere,
pure menschennatuur moest wederkomen, de primitieve toestand, waarin de
menschheid eeuwen geleden had verkeerd, in een geluksstaat, een thans
ongeloofelijk schijnenden eenvoud, waarin het chineesche rijk in zijn
eerste stadium schijnt verkeerd te hebben, met ideaal-vorsten als Yaou
en Shoen aan het hoofd, meer dan tweeduizend jaren vóór onze
jaartelling.—Wetenschap, en kennis, en knapheid, en ook weelde van
kunst, waren mooi, maar zonder den eenvoud des harten, zonder het
diviene principe, door Tao in den mensch gelegd, was dat alles voos en
zonder reëel wezen. Dan liever onwetend, maar rein; dom, maar
kinderlijk; ongeciviliseerd, maar zuiver; dan liever geen oorlogen en
geen roemruchtige daden, maar vrede en liefde onder de menschen. Als
het hart van het volk en van den vorst maar weer rein was, dan zou de
regeering vanzelf wel gaan, zonder ingenieuze staatsinstellingen en
spitsvondige systemen en wetten, omdat dan de staat bezield zou wezen
met den heiligen adem van Tao, op welken alles, de geheele natuur, in
de onvermijdelijk juiste richting beweegt. Zóó, van déze dingen
uitgaande, en niet als onbereikbare, onmogelijke droomen moeten we de
leer van Lao Tszʼ over het volk, en het rijk, en den vorst opvatten.—En
de eenvoudige gezegden, die ik thans hieronder zal aanhalen, zouden zij
misschien ook nú niet, zóó opgevat, van toepassing zijn?
„—Maakt geen ophef van eerwaardigheid, dan zal het volk niet twisten.
Hecht geen hooge waarde aan moeilijk te verkrijgen goederen, dan zal
het volk geen diefstal plegen. Ziet niet naar wat begeerlijk is, dan
zal het hart van het volk niet in opstand komen. Daarom, de Wijze
(vorst) regeert door de harten ledig (van begeerte) te maken, de buiken
stevig te voeden, de (slechte) neigingen te verzwakken, en het
beenderstelsel te versterken” [79].
„Doe de Wijsheid vàn U, en wèg met het Weten, dan zal het volk
honderdmaal meer gelukkig zijn! Doe de Filantropie vàn U, en wèg met
Gerechtigheid, en het volk zal (van-zelf) terugkeeren tot liefde voor
de ouders en voor de kinderen! Doe de Knapheid van U, en weg met
Gewinzucht, en er zullen geen dieven en roovers meer wezen!” [80]
„Als de mensch het rijk wil volmaken met actie, zie ik dat hij niet
slaagt. Het rijk is een heilige offervaas, waaraan men niet mag werken.
Werkt men er aan, dan bederft men haar, grijpt men er naar, dan
verliest men haar” [81].
En nu ook deze mooie hoofdstukken over het oorlogvoeren, en den
krijgsroem: