„Zijn familienaam was Li, zijn bijnaam Rhʼ, zijn titelnaam P

DE

CHINEESCHE FILOSOFIE

TOEGELICHT VOOR NIET-SINOLOGEN

II.

LAO TSZʼ

DOOR

HENRI BOREL

AMSTERDAM

P. N. VAN KAMPEN & ZOON

INHOUD.

Blz.

Voorwoord 1

Inleiding tot de filosofie van Lao Tszʼ 18

Tao Teh King.

Eerste deel: Tao 74

Tweede deel: Teh 144

Aanhangsel 216

VOORWOORD.

Vóór mijne vertaling van de Tao Teh King te lezen, is het eerst nog

noodig, eenige nadere bizonderheden omtrent dit werk te weten, en zich

een denkbeeld te vormen van wat vertalingen uit het chineesch over het

algemeen zijn, en wat eene van Lao Tszʼ in het bizonder is.

De chineesche geschreven taal is er niet een, als de onze bestaande uit

letters, maar haar karakter is idiografisch. „It is not surprising,

perhaps, that such an idiographic language as this was invented; for

the first thought of one who tries to write an idea, is more likely to

be to picture it than to attempt to express the sounds by which it is

spoken.” De chineesche geschreven taal heeft niet, als de egyptische,

het phonetisch element doen triomfeeren over het symbolische, om ten

slotte een alphabetische taal te worden, zegt S. Wells Williams verder,

[1] van wien ik voorgaand fragment aanhaalde, maar het symbolische

element bleef altijd het phonetische overheerschen. Hieruit volgt, dat

de chinees, van zijn jeugd af gewoon om ideeën te associeeren met

aparte pictoriale symbolen, het bijna ondoenlijk vindt om diezelfde

ideeën te associeeren met gecombineerde letters, die enkel klanken

uitdrukken.

Prof. Legge zegt zeer terecht van de chineesche karakters of

schriftsymbolen: „The written characters of Chinese are not

representations of words but symbols of ideas, and the combination of

them in composition is not a representation of what the writer would

say, but of what he thinks. It is in vain, therefore, for a translator

to attempt a litteral version. When the symbolic characters have

brought his mind „en rapport” with that of the author, he is free to

render his ideas in his own, or any other speech, in the best manner he

can attain to...... In a study of a Chinese classical book there is not

so much an interpretation of the characters employed by the writer as a

participation of the thoughts; there is the seeing mind to mind.” [2]

Jammer, dat dezelfde zendeling-geleerde die dit schreef, in zijne

vertalingen van chineesche klassieken, ook van de Tao Teh King,

dikwijls metrisch heeft willen vertalen, wat kinderachtige rijmpjes

gaf, en geheel in strijd is met deze beschouwing,—want beter en

kernachtiger kon moeilijk het juiste karakter van vertalingen uit het

chineesch worden gezegd.

Juist, the seeing mind to mind, dit alleen is het éénige vereischte tot

het vertalen van een chineesch auteur, en woordelijk vertalen uit het

chineesch is onmogelijk, omdat een europeesche en de chineesche taal

van geheel andere essentie zijn, en men geen pictoriale symbolen, enkel

ideeën gevende, in letters van klank precies kan overzetten.

Dr. Jowett zegt nog zoo mooi van vertalingen [3]: „An English

translation ought to be idiomatic and interesting, not only to the

scholar but to the unlearned reader, Its object should not simply be to

render the words of one language into the words of another, or to

preserve the construction and order of the original; this is the

ambition of a schoolboy, who wishes to show that he has made a good use

of his dictionary and grammar, but is quite unworthy of the translator

who seeks to produce on his reader an impression similar, or nearly

similar, to that produced by the original. To him the feeling should be

more important than the exact word.”

En dit werd gezegd van eene vertaling uit de grieksche taal, die

tenminste nog het gemak oplevert van alphabetisch te zijn, dus hoeveel

moeilijker wordt zulk eene vertaling nog uit het idiographische

chineesch!

Bovenstaande drie verklaringen van Wells Williams, Legge en Jowett zijn

de principes, van welke mijne vertaling van Lao Tszʼ uitgaat. Het op

hoofdpunten zijner vertaling in ’t geheel niet met hem eens zijnde,

stem ik volkomen in met wat de sinoloog en generaal-majoor G. G.

Alexander zegt over de bestaande vertalingen van de Tao Teh King, dat

zij voor den niet-sinoloog en „general reader,” niet aanlokkelijk, ja

„indeed repellent” zijn, „by a strained litteral accuracy which

overrides and destroys the interest of the subject.” [4]

Een feit is, dat de verschillende vertalingen van de chineesche

klassieken bij niet-sinologen zeer weinig bekend zijn, en de reden

hiervan is, dat zij in den vorm waarin zij thans zijn, ook eigenlijk

alleen door sinologen te begrijpen zijn.

Dit is de reden, waarom ik aan mijne „Chineesche Filosofie, toegelicht

voor niet-sinologen” begon. Ik zie niet in, waarom de chineesche

filosofie niet, evenals bv. de grieksche, voor de niet-ingewijden in

die taal genietbaar zou worden gemaakt. En daarom is het wel aardig dat

mij door een sinoloog verwijtend werd gevraagd hoe ik, na den zendeling

Prof. Legge, die veel meer dan twintig jaren chineesch had gestudeerd,

nog aan zoo iets was durven beginnen. Ik heb deze vraag eigenlijk reeds

in het Voorwoord van het eerste deel van dit werk, dat over Confucius,

beantwoord. Met den grooten eerbied dien ik voor dezen eminenten

sinoloog als taalgeleerde heb, kan ik mij niet vereenigen met vele

zijner opvattingen over verschillende chineesche begrippen. En

bovendien, dit is het ergste, is Prof. Legge bevooroordeeld. Hij is met

hart en ziel zendeling geweest, en bij de vertaling der chineesche

klassieken is hij van het standpunt uitgegaan dat alleen zijn

christelijke godsdienst de ware, en zijn christelijke God de onfeilbaar

éénige is, wat hem aanleiding geeft, overal in zijn werk de chineesche

filosofie gering te schatten en te verkleinen. Hierdoor is zij bij hem

niet tot haar recht gekomen, vooral niet die van Lao Tszʼ, in wien hij

nog wel verscheidene christelijke begrippen vindt, die er in ’t geheel

niet in staan, en dien hij veel te laag heeft geschat. [5]

Het is een groot nadeel geweest voor de juiste interpretatie der

chineesche filosofie dat de meeste sinologen zendelingen waren, dus

bevooroordeeld met het idee, dat zij, als afwijkende van de

christelijke leer, per se dwaalbegrippen bevatte.

Ik denk hierbij aan die mooie woorden van Ruskin in zijn werk over de

grieksche mythologie: „You must forgive me, therefore, for not always

distinctly calling the creeds of the past „superstition” and the creeds

of the present day religion.” En vooral dit, dat „whatever charge of

folly may justly attach to the saying „There is no God,” the folly is

prouder, deeper and less pardonable in saying „There is no God but

mine.”” [6]

„There is no God but mine,”—van dit idee uitgaande zijn de chineesche

klassieken, is ook Lao Tszʼ, veelal vertaald. Daardoor worden zij in

een valsch licht gezien, en is het noodig dat er nieuwe,

onbevooroordeelde vertalingen komen.

Een der eerste vertalers van Lao Tszʼ is geweest Abel Rémusat, die zijn

werk publiceerde onder den titel „Mémoire sur la vie et les ouvrages de

Lao Tseu.” Ik wil hier vooral de volgende regels van aanhalen:

„Le livre de Lao Tseu n’est pas facile à entendre, parceque l’obscurité

des matières s’y joint à une sorte de concision antique, à un vague qui

va quelquefois jusqu’à rendre son style énigmatique.... Ce serait une

difficulté très grande s’il s’agissait de le traduire en entier et de

l’éclaircir sous le rapport de la doctrine qui l’enferme. Mais, cela ne

doit pas nous empêcher d’en extraire les passages les plus marquants et

d’en fixer le sens au moins d’une manière générale. Il suffit de

constater le sens le plus palbable, quelquefois même noter les

expressions, sans rechercher l’acception profonde et philosophique dont

elles sont susceptibles. Outre l’obscurité de la matière en elle même,

les anciens avaient des raisons de ne pas s’expliquer sur ces sortes de

sujets....

„Le texte est si plein d’obscurité, nous avons si peu de moyens pour en

acquérir l’intelligence parfaite, si peu de connaissance des

circonstances auxquelles l’auteur a voulu faire allusion; nous sommes,

en un mot, si loin à tous égards des idées sous l’influence desquelles

il écrivait, qu’il y aurait de la témérité à prétendre retrouver

exactement le sens qu’il avait en vue, quand ce sens nous échappe.”

De commentator Sie Hoeï had alreeds eeuwen vroeger gezegd: „Het is niet

gemakkelijk om duidelijk de diepzinnigste passages van Lao Tszʼ uit te

leggen; alles wat de wetenschap kan doen is er de algemeene beteekenis

van geven.”

Zeer terecht merkt Stanislas Julien op, dat de moeilijkheid voor

Rémusat, zoowel als voor anderen, bv. Prémare, niet zoozeer lag in het

boek zelf, als in hun systeem van interpretatie. Zij verkondigden

namelijk, dat in de Tao Teh King stukken uit de Heilige Schrift, ja

zelfs katholieke dogma’s waren te vinden. Montucci bv. zegt (in zijn

„De studiis sinicis”): „Beaucoup de passages parlent si clairement d’un

Dieu trine, que quiconque aura lu ce livre ne pourra douter que le

Mystère de la Très-Sainte-Trinité n’ait été révélé aux Chinois plus de

cinq siècles avant la venue de Jésus Christ.”

Von Plänckner spreekt eveneens van in Tao gevonden te hebben eene

Drieëenheid, wel niet identiek, maar toch analoog aan de christelijke.

Rémusat, nog verder gaande, ziet in drie chineesche karakters I Hi Wei,

die eenvoudig „kleurloos, aphoon, onstoffelijk” beteekenen, een

verchineeschten vorm van Jehovah! En dat, terwijl die karakters niet

eens achter elkaar, maar ieder aan het begin van een aparten volzin

voorkomen! Hierop werden dan verder geheele theorieën gebouwd. Zelfs

Legge spreekt van „God in the Tao Teh King” d.i. dan de christelijke

God. Ook von Strauss is niet afkeerig van het woord Jehovah in Lao

Tszʼ.

„Add to this the ingenuity of the Jesuit scholars in detecting in the

Tao Te King a heathen witness to the Trinity, the Logos, and the

Incarnation, five centuries before Christ,—and we shall have some idea

of the burden laid by interpreters on the shoulders of the great

mystical teacher of the East,” zegt Samuel Johnson hiervan terecht.

(Oriental Religions: China.)

Terecht niet tevreden met Rémusat’s Mémoire begon Stanislas Julien eene

nieuwe vertaling (Le Livre de la Voie et de la Vertu. Paris.

L’Imprimerie Royale MDCCCXLII.) Deze vertaling zal misschien qua

taalkundige woord-vertaling wel het standaardwerk over Lao Tszʼ blijven

en is van het grootste nut voor andere vertalers, ook voor mij geweest.

Maar zij wordt totaal bedorven door de geheel verkeerde beteekenis aan

Lao Tsz’s „Tao” en aan de uitdrukking „Wu Wei” gegeven. Hield Julien

zich vrij van de dwaze ideeën der zendelingen, hij gaf in vele

gevallen, o.a. aan „Wu Wei,” beteekenissen, precies tegenovergesteld

aan wat de chineesche wijze bedoelde.—Julien maakte gebruik van

vertalingen en commentaren van verscheidene chineesche geleerden,—die

echter lang niet allen onfeilbaar zijn. De eminente schrijver Ma Touan

Lin zegt van de Tao Teh King, dat „de ware geest er van hoe langer hoe

meer verkeerd werd begrepen, naarmate de menschen verder verwijderd

waren van Lao Tsz’s tijd,” en Johnson zegt van Juliens chineesche

commentaren: „The immense resources of Julien for explaining the

Tao-te-king would give his version supreme authority but for the fact

that the later commentators whom he uses are as likely to illustrate

the philosopher’s statement that he was understood by few, as did the

men of his own generation.”

Meerdere vertalingen zijn van G. Pauthier, J. Chalmers, Watters, von

Plänckner, von Strauss, Alexander, Balfour en eenige anderen [7]—Het is

merkwaardig te zien, hoe al deze vertalingen uiteenloopen, zóó ver

dikwijls, dat het bijna niet te gelooven wordt, dat zij allen uit één

en denzelfden tekst zijn gehaald. Ik neem voor de curiositeit dit

voorbeeld, één toevallig uit zeer velen grepen:

—„De là vient que le saint homme marche toujours (dans le Tao) et ne

s’écarte point de la quiétude et de la gravité. Quoiqu’il possède des

palais magnifiques, il reste calme et les fuit.” (Stanislas Julien.)

—„Therefore it is that the wise man does not—even when making but a

day’s journey—separate from his baggage-wagons, so that should a

beautiful view spread itself out before him, he rests a while and then

continues his journey.” (G. G. Alexander.)

Twee gehéél verschillende interpretaties van één zelfden tekst!

Of wel dit, een héél klein tekstje van maar vier karakters in het

chineesch, waarvan twee dezelfde zijn:

—„The best part of knowledge is (conscious) ignorance.” (Chalmers.)

—„Those who understand (the Tao) are unconscious of their upward

progress.” (Balfour.)

—„To know, but to be as not knowing,—is good.” (Giles.)

Somtijds zijn de vertalingen zelfs precies elkaars contrast. En het is

een feit, dat juist door die vele, uit elkaar loopende en

tegenstrijdige versies de ernstige bestudeerder van Lao Tszʼ veel meer

van de wijs raakt, dan wanneer hij zonder ééne enkele vertaling maar op

den oorspronkelijken tekst blijft turen. Zeer juist zegt Prof. R. K.

Douglas, [8] die echter, voor zoover ik weet, zelf nooit eene vertaling

van den geheelen Lao Tszʼ leverde, van al die verschillende

interpretaties: „There is with most people a tendency to seek below the

surface for some occult and far-fetched explanation of a difficulty

rather than adopt the plain interpretation which lies before them.”

Op één punt waren de geleerden het echter allen ééns. De integriteit en

de originaliteit van de Tao Teh King waren onbetwistbaar.—De

Leipzigsche professor von der Gabelentz verklaarde dat de

authenticiteit van dit werk het minste was betwist van alle chineesche

klassieken, èn in China, èn zelfs in den kring der europeesche

sinologen.—En eenparig waren de sinologen [9] van hetzelfde gevoelen.

Tot dat in 1886 een boek verscheen van H. A. Giles, een engelsche

consul en sinoloog in China, getiteld: „The Remains of Lao Tsz.”—Deze

verklaarde, dat bijna de geheele Tao Teh King „forgery” en „fraud” was,

en zij maar enkele oorspronkelijke gezegden van Lao Tszʼ bevatte. De

weinige oorspronkelijke, die er dan waren, verwaardigde hij zich te

vertalen. Bestaande vertalingen, van Legge, van Chalmers, enz. enz.,

werden onbarmhartig en ridiculiseerend door hem afgebroken. Juliens

vertaling, die toch qua woordvertaling hoog staat, noemde hij eveneens

„wholly indefensible,” en „as the descent from one of Dantes horrid

bolgie to the next, so is the passage from one obscure utterance of Lao

Tzsʼ to another obscurer still,” sneerde hij.—De aanmatigende, heftige,

onwetenschappelijke toon van zijn geschrift is echter al voldoende om

al het vertrouwen in zijn argumenten te doen verliezen. [10]

Maar het is voor den ernstiger zoeker naar de waarheid om het hoofd bij

te verliezen. Juliens vertaling is „indefensible,” zegt Giles. Von

Plänckner’s vertaling deugt niet, zegt Legge, want zijn „slender

acquaintance with Chinese by no means fitted him for such a task.”—Een

argument, dat oudere geleerden méér tegen jongeren gebruiken. Enz. Enz.

Niet één, die niet de vertaling van den ander veroordeelde, en de zijne

niet voor de alleen mogelijke hield. Een en ander nog erger gemaakt

door de jalousie de métier, die helaas! onder vele geleerden woedt,

maar onder de sinologen speciaal het toppunt heeft bereikt.—En het is

heel gemakkelijk, eene vertaling uit het chineesch te veroordeelen.

Juist doordat eene vertaling van idiografische karakters, die altijd

hetzelfde blijven, zonder vervoeging of verbuiging, en die, al naar

gelang van het verband waarin zij staan, de meest uiteenloopende

begrippen kunnen beteekenen, tot elkaars tegenovergesteld en

toe,—juist, zeg ik, doordat eene precieze, exacte vertaling totaal

onmogelijk is, al hebben sommige geleerden z.g. vertaalregels gemaakt,

die niet opgaan, kan de eene sinoloog altijd van elke versie zeggen dat

zij niet deugt, maar zóó en zóó moet zijn. Twee of drie chineesche

karakters kunnen dikwijls eene meening hebben, die alleen in een of

meer lange volzinnen kan uitgelegd worden, en alleen benaderd, niet

vertaald, zoodat men er altijd van zeggen kan, dat de interpretatie

niet deugt, en men er een andere voor kan geven, die daarom niet beter

is.

Nadat ik veel werken over Lao Tszʼ had gelezen, en jaren over zijn boek

had nagedacht, besloot ik, mij los te maken van den invloed dier vele,

verschillend denkende geleerden, en zelf eene vertaling te beginnen, om

daarin nauwkeurig te omschrijven, wat ik voor mij in zijne filosofie

heb gezien en doorvoeld. Ik heb voorál steeds gedacht aan deze twee

teksten, die mij als eene waarschuwing schenen om toch vooral niet

verward te worden door schijnbare moeilijkheid, waar die misschien niet

bestond.

„Mijne woorden zijn heel gemakkelijk te begrijpen, heel gemakkelijk te

betrachten. Maar niemand in het rijk kan ze begrijpen, noch betrachten.

Mijne woorden hebben een Oorsprong, mijne daden hebben een Meester.

Maar de menschen weten dat niet, en daarom begrijpen zij mij niet.”

(Hfdst. LXX.)

„Zij, die Tao kennen, zijn niet geleerd; zij, die geleerd zijn, kennen

Tao niet.” (LXXXI.)

Die Oorsprong, wat kon het anders zijn dan Tao? Daarom eerst goed, uit

het geheele werk, het begrip Tao trachten te begrijpen, en dan iederen

tekst vertalen, met bij elk dat idee van Tao trouw voor oogen, dat leek

mij de weg. En hoewel ik zijne woorden voor mij, westerling, nooit

„heel gemakkelijk” heb gevonden, is mij op die wijze veel licht

opgegaan, en is veel, wat ik ingewikkeld en erg geleerd-moeilijk dacht,

later uiterst simpel en puur gebleken. Ook is er toen een groote

Éénheid in het werk gekomen, die ik eerst niet had gezien.

Ik heb daarbij getracht, voor zoover dat mogelijk bleef, zonder eene

goede uitlegging te schaden, zoo getrouw mogelijk aan den tekst te

blijven, maar het „seeing mind to mind”, niet eene enkele interpretatie

der chineesche karakters is voor mij de hoofdzaak gebleven. Evenals in

het eerste deel van dit werk heb ik absoluut onvertaalbare chineesche

karakters, in-chineesche begrippen symboliseerende, onvertaald gelaten,

maar uitvoerig omschreven. En waar de uiterste lakoniekheid, alleen met

de zoo simpele chineesche karakters mogelijk, die wel eens in

denzelfden zin verbum èn adjectief en substantief kunnen zijn, zonder

lidwoorden of bijwoorden verbonden, niet lakoniek was weer te geven,

heb ik een langeren, maar duidelijken volzin er van gemaakt. Want wat

de schrijver denkt, niet wat en hoe hij in ’t chineesch schrijft, is de

hoofdzaak. De charme en pracht van een chineesche

karakter-gedachten-reeks is toch in geen enkele woord-klanken-reeks

precies weer te geven. Het zijn twee geheel ongelijksoortige dingen,

van verschillende essentie.

Men kan evenmin een kleurenpracht in tonen precies eender weêrgeven,

alleen een gelijke emotie zien op te wekken, maar met andere middelen.

Het past mij te bekennen, dat ik veel nut heb gehad van vóór mij gedane

vertalingen, wat het exacte bij den tekst blijven aangaat, vooral van

Julien. [11] Ieder wetenschappelijk man wil er wel voor uitkomen, dat

hij heeft voortgebouwd op wat anderen vóór hem deden. Dikwijls, waar ik

twijfelde, heb ik, waar dit mij maar éénigszins aannemelijk scheen, de

versie van ouderen, met meer taalkundige ondervinding, gevolgd. Maar op

evenveel plaatsen, waar ik heel vast en zeker, mind to mind met den

chineeschen filosoof voelende, de overtuiging had, dat mijne

voorgangers uit het verband van wat Lao Tszʼ noemt „de Oorsprong zijner

woorden” gingen—en dat is bijna overal op hoofdpunten, waar de

begrippen Tao en Wu Wei voorkomen,—heb ik gemeend, mijn eigen gang te

moeten gaan, en heb ik vertaald zooals ik zelf, en niet zooals anderen

voelden.

Ik heb, evenals in mijn eerste deel over Confucius, den tekst zooveel

mogelijk met noten toegelicht. Wie echter de teksten van-zelf begrijpt,

zal meer van het werk genieten door ze alléén te lezen, zonder de

noten, die dan overbodig zijn. Ik voegde ze toe voor het gemak van

velen, die nog niet genoeg van chineesche filosofie hebben gelezen, om

gemakkelijk de somtijds bruuske en schijnbaar onlogische

gedachtenwendingen en toespelingen te volgen. Want een publiek van

niet-sinologen had ik op het oog, dat zich nog niet in chineesche

begrippen en wijzen van denken heeft verplaatst. Lao Tsz’s filosofie,

die tot de hoogste openbaringen van wijsheid van alle eeuwen behoort,

is even waard buiten den beperkten kring van geleerden bekend te worden

als die van Plato, Thomas à Kempis, en andere groote denkers. En onze

taal, al wordt die ook maar door negen millioen menschen in en buiten

Noord- en Zuid-Nederland gesproken, een taal, waarin thans van de beste

poëzie en wijsheid van Europa wordt geschreven—ik denk hier b.v. aan

Willem Kloos en Frederik van Eeden—is mij gelukkig nog lief genoeg, om

mij haar de groote moeite, aan mijn werk besteed, overwaard te doen

vinden, ja mij gelukkig te doen voelen, al die wonder-simpele en

wereld-wijze gedachten van den chineeschen filosoof in háár vertrouwde

woord-klanken te hebben weergegeven.

Dat mijne vertaling in het nederlandsch volstrekt geen overbodige

arbeid was, heeft het debiet van het eerste deel van dit werk, dat over

Confucius, bewezen. Binnen drie maanden na de verschijning waren de

kosten der uitgave, die op risico van den uitgever was ondernomen,

ruimschoots gedekt. En zóó is nu ook de uitgave van dit tweede deel, de

eerste nederlandsche vertaling [12] van Lao Tsz’s filosofie bevattende,

mogelijk geworden.

Makasser, 21 December 1897.

INLEIDING TOT DE FILOSOFIE VAN LAO TSZʼ.

Heb ik eenige jaren geleden eene fantazie geschreven naar aanleiding

van Lao Tsz’s filosofie, nú is het mijn taak, op meer wetenschappelijke

wijze, getrouw bij den tekst blijvende, China’s grootsten wijze en

China’s hoogste filosofie in te leiden bij het publiek van

niet-sinologen. [13]

Kon ik, bij de beschrijving van Confucius’ leven [14] beschikken over

zóóveel gegevens, dat ik heel veel ongebruikt moest laten liggen, van

Lao Tsz’s leven is zóó weinig bekend, dat ik er niet eens een apart

hoofdstuk mede zou kunnen vullen. Zoo openbaar en ceremonieus Confucius

leefde, zoo teruggetrokken en eenvoudig was het leven van Lao Tszʼ.

Men weet niet eens, waar hij zijn laatste levensjaren heeft

doorgebracht, noch waar hij gestorven is; zóó weinig is, op historische

gronden althans, van hem bekend. Toen hij zag, dat de tijden al

slechter en slechter werden, is hij niet, zooals Confucius, van staat

tot staat getogen om zich als hervormer aan te bieden, maar is hij kalm

zijn vaderland uitgetrokken. Hij bleef zwerven in de landen van „het

Westen,” vermoedelijk Thibet en Indië, waar toen de hoogste wijsheid

der wereld werd geboren.—En sedert zijn vertrek is nooit meer iets van

hem gehoord. Maar zijn Boek, de „Tao Teh King,” een chineesche bijbel

van wijsheid en goedertierenheid, het verhevenste werk uit de

chineesche literatuur, is onsterfelijk, en staat in de Woord-kunst der

eeuwen naast de goddelijkste openbaringen, als die der Upanishads, die

van Plato, en die van het Oude Testament.

De éénige historische documenten omtrent Lao Tsz’s leven zijn weinige

regelen, in mijne editie maar even twee bladzijden, uit de annalen van

China’s grootsten geschiedschrijver Szʼ Ma Ts’ien. Ik laat deze in

hoofdzaak hier volgen:

„Lao Tszʼ was iemand uit het district K’u, de streek Li, en het gehucht

Khio Jin, van het rijk Chʼu [15].

„Zijn familienaam was Li, zijn bijnaam Rhʼ, zijn titelnaam Peh Yang en

zijn posthume naam Tan. Hij bekleedde het ambt van bewaarder der

archieven van het rijk Chow [16]. Confucius kwam in het rijk Chow, om

Lao Tszʼ te vragen over de Li [17] (het Decorum). Lao Tszʼ zeide: „De

menschen, over wie gij spreekt, zijn niet meer, en hunne beenderen zijn

allen vergaan. Alleen hun woorden bestaan nog. Als de Kiün Tszʼ (de

Goede Mensch) de gunstige omstandigheden treft stijgt hij in den wagen

(d.i. komt hij tot hooge betrekkingen), maar treft hij die gunstige

omstandigheden niet, dan zwerft hij als een bosje stroo over het zand.

Ik heb gehoord dat een goed koopman zijn schatten diep verbergt en als

leêg van alle goed schijnt, en dat de Kiün Tszʼ, wiens deugd volmaakt

is, een gezicht heeft als een domme. Doe vàn u dien trots, en die vele

begeerten, doe van u dat hooghartige air en die buitensporige

neigingen, want die zullen u tot niets dienen. Dit is, wat ik u te

zeggen heb.”

Confucius, die in ’t geheel niet in Lao Tsz’s filosofie komen kon,

welke even zooveel dieper was dan de zijne als de essences dieper zijn

dan de uiterlijke schijn, was door de majesteit van Lao Tsz’s persoon

en den statigen toon zijner woorden blijkbaar diep getroffen, want,

verhaalt Szʼ Ma Ts’ien verder:

„Confucius ging, en zeide tot zijne discipelen: „Ik weet, dat de vogels

kunnen vliegen, ik weet, dat de visschen kunnen zwemmen, ik weet, dat

de beesten kunnen loopen: zij, die loopen, kunnen in een net worden

gevangen, zij die zwemmen, kunnen aan den haak worden geslagen, en zij

die vliegen, kunnen met een pijl worden getroffen. Maar nu de Draak! Ik

kan niet weten, hoe hij op de wolken en den wind stijgt en ten hemel

rijst. Heden heb ik Lao Tszʼ gezien. Hij is als de Draak!””

Confucius bekende dus zelf, dat hij Lao Tszʼ niet kon begrijpen.

Verder gaat Szʼ Ma Ts’ien door:

„Lao Tszʼ cultiveerde de Tao en de Deugd, en legde er zich op toe om

eenzaam en onbekend te leven. Hij leefde lang in Chow, en toen hij zag,

dat Chow in verval raakte, nam hij haastig zijn ontslag, en ging naar

den bergpas (op de grens). I Hie, de bewaker van dien bergpas, zeide

tot hem: „Nu gij u in de eenzaamheid gaat terugtrekken, moet gij

absoluut een boek maken om mij tot leering te zijn.”—Toen schreef Lao

Tszʼ een werk in twee boeken, dat over de beteekenis van de Tao en de

Teh (Deugd) handelde, en vijfduizend karakters bevatte. Daarna ging hij

heen. Men weet niet hoe het einde was van zijn leven.”

Deze weinige gegevens zijn alles, wat wij op zuiver historische gronden

van Lao Tsz’s leven weten. Enkele bizonderheden omtrent zijne zonen,

voor dit werk van geen belang, zal ik maar voorbijgaan. Welk een

verschil zien wij echter uit dit weinige al tusschen Confucius en Lao

Tszʼ! Confucius, die, toen Chow in verval was, met veel omslag van rijk

tot rijk trok om toch vooral propaganda te maken voor zijne ideeën, Lao

Tszʼ die, toen hij al de droevigheid zag aankomen, stil zijn ambt

neerlegde, en wegging uit het land der ongerechtigheid, om in den

vreemde kalm en rustig te leven, eenzaam met zijn ziel!......

Szʼ Ma Ts’ien geeft niet het geboortejaar op van Lao Tszʼ, maar volgens

eene geloofwaardige traditie was dit het 3e regeeringsjaar van Ting

Wang, van de Chow dynastie, alzoo het jaar 604 v. C.—Lao Tszʼ was dus

reeds 53 à 54 jaar, toen Confucius geboren werd.—Volgens overleveringen

en legenden—op welke men echter volstrekt niet zoo vertrouwen kan als

op Szʼ Ma Ts’ien’s Annalen „Shʼ Kiʼ”—was zijn vader een oude boer, die

eerst op zeventigjarigen leeftijd een vrouw van ongeveer vijf en dertig

trouwde. Zijne moeder ontving hem op bovennatuurlijke wijze, in een

lichtstraal van een vallende ster.—Zij droeg de vrucht twee en zeventig

jaren lang, zoodat het kind ter wereld kwam als een oud man, met grijze

haren. Vandaar, dat men den pas geborene Lao Tszʼ, d.i. het Oude Kind

noemde.—Dadelijk na zijne geboorte rees hij in de lucht op, en zeide,

met de linkerhand naar den hemel, en met de rechter naar de aarde

wijzende: „In den Hemel boven en op de Aarde beneden is alleen Tao

waardig om geëerd te worden.” Zijn gelaatskleur was wit, bij geel,

zijne ooren waren buitengewoon lang, en met drie gaten doorboord. Hij

had schoone wenkbrauwen, groote oogen en een vierkanten mond. Aan

iedere voet had hij tien teenen, en iedere hand was geörnamenteerd met

tien lijnen, enz. enz. Men merke hier de overeenkomst op met de

geboorte van Shakyamuni, Kwan Yin, en andere boeddha’s en heiligen.

Vermoedelijk zijn deze legenden door latere boeddhistiesche vereerders

[18] van Lao Tszʼ verzonnen, daar zij lijnrecht in strijd zijn met

zijne ideeën omtrent de onfeilbaarheid en heiligheid van de processen

der natuur.—In de Nan Hwa King, een boek van Lao Tsz’s voornaamsten

discipel, Chuang Tszʼ, vinden wij nog meer bizonderheden omtrent

ontmoetingen tusschen Confucius en Lao Tszʼ.—

Lao Tszʼ vond Confucius eens bezig met lezen, en vroeg hem, wat hij

daar aan ’t studeeren was.

„Het is de I King,” antwoordde Confucius, „die lazen de heilige mannen

der oudheid ook.”

„Dat konden die heilige mannen doen,” zeide Lao Tszʼ, „maar met welk

doel leest gij die? Wat is de grondbedoeling van dat boek?”

„Het komt neer op menschlievendheid en rechtvaardigheid,” was het

antwoord.

En Lao Tszʼ zeide: „Rechtvaardigheid en menschlievendheid zijn

tegenwoordig maar holle namen; zij zijn een masker voor wreedheid, en

brengen de harten in verwarring; er is nooit meer strijd geweest dan

nu. De duif baadt zich niet altijd expres om wit te worden, de kraai

verft zich niet om zwart te zijn. De Hemel is van nature laag; zon en

maan schijnen van zelve; de sterren en planeten staan natuurlijk op hun

plaats, de planten en boomen vallen natuurlijk onder klassen, volgens

hunne soorten. Zoo, geleerde dokter, als gij Tao betracht, en u er met

uw geheele ziel naar ópheft, dan zult gij er vanzelf wel komen. Waar

zijn die menschlievendheid en rechtvaardigheid toch goed voor? Gij

lijkt op iemand, die op een trom gaat roffelen om een verloren schaap

terug te brengen. Meester, gij brengt de menschelijke natuur maar in

verwarring!”

Maar ziet, er waren groote, essentieele verschillen tusschen Confucius

en Lao Tszʼ. Beiden leefden in ongeveer dezelfde omstandigheden, in het

verval van de Chow dynastie, toen het geheele rijk in wanorde was. [19]

Confucius wilde toen, door de verschillende deugden, als

menschlievendheid, oprechtheid, rechtvaardigheid, plichtmatigheid,

ouderlievendheid enz. te prediken, het volk hervormen. Lao Tszʼ zag

hier geen heil in, en hield het er voor, dat al deze dingen de

verwarring nog maar grooter zouden maken.

Robert K. Douglas in zijn werk „Confucianism and Taouism” zegt hierover

zeer terecht: „Confucius dacht dat de voornaamste vereischte van den

tijd was, om goede namen te hebben (voor de dingen). Hij wilde de

menschen humaniteit doen betrachten, en dat (dan ook)

liefde-voor-de-ouders (Hiao) noemen; hij wilde de menschen met hun

geheele hart hun souverein doen dienen, en noemde dat getrouwheid. Lao

Tszʼ, daarentegen, hield vol, dat als de menschen zich uitgaven voor

menschlievend, ouderlievend en getrouw, dit een zeker teeken was, dat

de substantie verdwenen was, en alleen de schaduw overbleef. De duif is

niet wit omdat zij veel baadt, noch verft de kraai zich zwart. Als de

duif zich ging baden, en de kraai zich ging verven, zou dat geen teeken

zijn, dat zij hunne oorspronkelijke kleuren hadden verloren? Zoo ook

met de menschen. Als alle menschen menschlievend, ouderlievend en

getrouw waren, zou niemand zich op die deugden openlijk beroepen, en

die zouden daarom niet genoemd worden. En op dezelfde manier, als alle

menschen deugdzaam waren, zouden zelfs de namen der ondeugden onbekend

zijn.”

Krachtig zegt Lao Tszʼ dit zelf in zijn Tao Teh King [20]: „Toen Tao

werd verwaarloosd kwamen Menschlievendheid en Gerechtigheid. Toen de

„scherpzinnigheid” en het „schrandere doorzicht” voor den dag kwamen,

ontstond de groote Huichelarij. Toen de familie niet meer in harmonie

leefde, kwamen de Hiao (Ouderlievendheid) en de Ts’zʼ (compassie). Toen

de staten van het rijk in verwarring waren, kwamen de getrouwe

onderdanen.”—

En in een ander hoofdstuk [21]: „Doe de Filantropie vàn u, en wèg met

Gerechtigheid, en het volk zal (vanzelf) terugkeeren tot liefde voor de

ouders en voor de kinderen!”

Zooals ik reeds zeide, het verschil tusschen Confucius en Lao Tszʼ is

op zeer veel punten dat tusschen Schijn en Wezen.

Het Boek, dat Lao Tszʼ als eenig aandenken aan zijn leven bij den

wachter I Hie van den bergpas achterliet, was de Tao Teh King, het Boek

van Tao en Teh.—De Tao Teh King is wel het moeilijkste boek, waar de

sinoloog zich aan kan wagen, en ook voor den chineeschen literator is

het de zwaarste arbeid in zijne literatuur. Maar jaren van studie

loonen den ijverigen leerling met rijke winst.—Uit de diepe mijnen van

dit wondere wereldboek haalt de verrukte delver steeds edeler en

blinkender schatten van onvergankelijke wijsheid. „La sagesse humaine

n’a peut-être jamais exprimé des paroles plus saintes et plus

profondes,” roept de sinoloog Pauthier in bewondering uit. En Samuel

Johnson, een geleerde en een poëet, die, met minder geleerdheid maar

meer intuïtie en wijsgeerigen aanleg dan anderen in de essentieele

waarheden van oostersche godsdiensten en filosofieën is doorgedrongen,

zegt er zeer schoon en juist van: „He is a word; a protest and prophecy

in one; a book, the Tao Teh King, a voice of universal truth and

sentiment, appealing to all ages.” En ook nog: „Nothing like this book

exists in Chinese literature, nothing, so far as yet known, so lofty,

so vital, so restful at the roots of strength: in structure as

wonderful as in spirit; the fixed syllabic characters formed for

visible and definite meaning, here compacted into terse aphorisms of a

mystical and universal wisdom, so subtly translated out of their

ordinary spheres to meet a demand for spiritual expression, that it is

confessedly almost impossible to render them with certainty into

another tongue”. [22]

De lezer zal wel reeds gemerkt hebben, dat ik het hiermede geheel ééns

ben, en dat ik slechts met moeite mijn enthoesiasme en innige vereering

voor Lao Tszʼ, die ik zoo vrij kon uiten in mijne fantazie „Wu Wei”,

bedwing, om precies bij de daadzaken eener op zuiver wetenschappelijken

grond berustende studie te blijven. Inderdaad is het in China gegaan

als in zoovele landen. Een wèl sereen en eerbiedwaardig, maar toch maar

heel zelden subliem wijsgeer als Confucius heeft een wereldvermaardheid

verkregen, en is in alle beschaafde landen op gezag bekend als zijn

grootsten man, terwijl zijn waarlijk allergrootste filosoof, een zoo

rein en simpel voeler en denker als Lao Tszʼ, die zich wist op te

droomen tot nabij de allerzuiverste conceptie van het goddelijk Wezen

die een mensch kan naderen, zoo goed als onbekend is gebleven buiten

het kleine kringetje der sinologen-vakgeleerden.—

Lao Tszʼ leerde in zijn Tao Teh King in hoofdzaak het volgende:

Vóór Hemel en Aarde bestonden, vóór de formatie der werelden, vóór het

begrip Shang Ti (de opperste Godheid) was er een Wezen, een essence,

voor ons niet te begrijpen, voor ons vaag en verward, voor ons, die aan

alle Zijn een zichtbaren vorm en eene gedaante verbinden, een

Niet-Zijn, een Wezen, of een Wereld-Ziel (al deze namen kunnen het

natuurlijk niet omschrijven), die alleen-in-zich-zelf eeuwig en

onsterfelijk bestond.—Natuurlijk kan zulk een Wezen, dat alleen

in-zich-zelf bestond, geen naam hebben, daar namen alleen dienen om

verschillende dingen te onderscheiden.—Omdat Lao Tszʼ er echter over

zou schrijven, moest hij het absoluut een naam geven, en, een goede,

juiste naam onbestaanbaar zijnde voor zulk een Wezen, noemde hij het

Tao, een woord, dat in de vroegere chineesche filosofie, en vooral in

Confucius meer bepaald „de Weg” of „het Pad” beteekent [23]. Hij zegt

er echter herhaaldelijk uitdrukkelijk bij, dat het Wezen, dat hij

bedoelt, niet Tao heet of kan heeten, maar dat hij dien naam maar

gebruikt, omdat er geen naam mogelijk is. Dit Wezen, deze Al-Ziel, deze

Essence [24] (men voelt, ook deze omschrijvingen zijn maar vage

benaderingen) was de Oorsprong aller dingen, en baarde de werelden en

de schepselen op ondoorgrondelijke wijze, ze allen doorvloeiende, en

gemanifesteerd zijnde in alles en allen, natuur, menschen, en dingen.

Als in-zich-zelf-bestaande Essence het Tao noemende, noemde hij het als

manifestatie in de creatie Teh, met een woord, dat in de gewone

beteekenis met Deugd is te vertalen, maar m. i., evenals Tao, zooveel

mogelijk onvertaald moet blijven.—Maar niet alleen, dat alle dingen uit

Tao geboren zijn, allen keeren ook weder tot Tao terug.—Aan alle dingen

is bij hun geboorte een beweging gegeven, een divien levensrythme, dat

hen onfeilbaar weer tot Tao zal terug brengen. Het eenige en simpele

middel om weer tot Tao terug te keeren is, zich eenvoudig aan dat

rythme over te geven, alles te weren, wat er van afleidt en aan die

beweging tegenstrijdig is.—Als pas-geboren kind is de mensch volkomen

zuiver en natuurlijk, en de hoogste levenswijsheid is, zich altijd zoo

zuiver te bewaren als het pasgeboren kind. Deze pure wijze van leven,

dit zich-laten-meêvoeren op het oorspronkelijke rythme, maar men

vergete hierbij niet, ook den energieken strijd tegen alles, wat van

dat rythme afwijkt en er tegenovergesteld aan is, noemde Lao Tszʼ Wu

Wei. Dit woord Wu Wei, samengesteld uit Wu—niet of niets,—en Wei,—doen,

zou, letterlijk, met een dictionnaire vertaald, beteekenen

„niets-doen”.—Deze letterlijke vertaling heeft vele sinologen [25]

aanleiding gegeven om te beweren dat Lao Tszʼ in een lui, bruut

niets-doen het hoogste heil zag, en daarom leerde om, onverschillig

voor alles en allen, maar in een soort slaperigheid het leven uit te

soezen. Ik behoef zeker niet te zeggen, dat precies het tegendeel waar

is, en dat Wu Wei geen niet-doen, geen inactie of inertie is, maar

juist zeer sterke en reëele actie en wel actie van het onsterfelijke

principe in den mensch, van de in hem gemanifesteerde Tao.—Deze actie

zal zijn eene beweging van het onsterfelijke in den mensch naar den

eindeloozen, eeuwigen Oorsprong, naar dat voor menschenbegrip

onbenaderbare en onbeschrijfelijke Wezen, die Al-Ziel, die bestond vóór

Hemel en Aarde, vóór gedaante en vorm bestonden, en die Lao Tszʼ,

voelende hoe onmogelijk zij met een naam aan te geven was, alleen met

den naam Tao noemde, omdat hij dien noodig had om haar concreet in een

letterteeken aan te duiden. Maar deze actie Wu Wei zal tevens zijn een

beweging tegen alle actie, die aan haar tegenstrijdig is, en den

weder-ópgang naar Tao stuit, dus tegen alle actie van menschelijke,

relatieve dingen als eerzucht, trots, woede, haat, hebzucht, passie,

enz. enz. En wie weet dat deze dingen de felste, sterkste en hevigste

van het geheele menschenleven zijn, zal begrijpen hoe moeilijk en zwaar

de strijd dáártegen moet zijn, dus hoe intens de actie Wu Wei moet

zijn, die zulke geduchte vijanden moet weêrstaan. Daar Tao het eenige

in-zich-zelf-bestaande en dus reëele is, en de menschelijke

hartstochten en begeerten allen sterfelijk en dus onreëel zijn, zouden

wij de gewone, alledaagsche beweging van het menschenleven naar die

hartstochten en begeerten onreëele actie, en Wu Wei, het ópgaan náár

Tao, reëele actie kunnen noemen, of ook wel, de eerste de actie van den

Schijn, en de tweede de actie van het Wezen.

Zéér schoon zegt alweer Johnson hiervan, krachtig protesteerend tegen

velen, die Wu Wei maar door „niets-doen” vertaalden, en dus precies het

tegenovergestelde kregen van wat Lao Tszʼ bedoelde [26]:

„Such misinterpretations as have been quoted simply reduce the

Tao-Teh-King to a mass of self-contradictions. Its „nonaction” does not

propose that man shall forbear while the work is done by heaven, but is

defined as a living union with Tao, as secret power to make all things

new through humility and self-renunciation: a still and unapparent

strength that „does not strive” but „hides itself while it lifts up

men”. Its paradoxes, putting the least above the greatest, and rest

above work, are intuitions of the spiritual mind; enforcements of

substance against shadow, of living soul against dead mass.”

Zóó spreekt Lao Tszʼ ook dikwijls in zijn boek over „Wu Yiu”,

letterlijk vertaald „Niet-Zijn”.—Dit beteekent alweer niet zóó maar

niet-bestaan, in-’t-geheel-niet-zijn, maar enkel niet-sterfelijk-zijn,

niet zooals menschen, dieren en dingen zijn, die immers ééns moesten

sterven; dus eigenlijk beteekent het wel dégelijk Zijn, maar het Zijn

van het Wezen, in tegenoverstelling met het Zijn van den Schijn. Men

kan niet te voorzichtig zijn met woorden indien er sprake is van zulke

boven alle woordbegrip verheven dingen als b.v. God, of Nirvâna, of

Tao.—Men vergete dan niet, dat juist dat wat wij omschrijven willen van

zulk een transcendent, subtiel, spiritueel wezen is, dat alle woorden,

waarmede wij het willen aanraken, en die alleen veel meer nabije dingen

kunnen bereiken, slechts als steenen zijn, die ópgeworpen in de lucht,

toch nooit het azuur omhoog kunnen treffen. Onze woorden kunnen alleen

benaderen, richting aangeven in zoo’n geval, en men wachte zich wel,

het punt, waartoe zij komen, en dat in gewone gevallen het doel is, ook

nu voor het hoogste en juiste doel te houden.—

Lao Tszʼ beschouwt nu Tao èn als Oorsprong van alles, ongemanifesteerd

en in-zich-zelf bestaande, èn als gemanifesteerd zijnde in de creatie,

of, mag ik nu wel na mijne juist omschreven opheldering zeggen, als Wu

Yiu (lett. Niet-Zijn) en als Yiu (lett. Zijn).—

Ik zal, na al de voorgaande beschouwingen voorop gezet te hebben, nu

door een aantal vertalingen uit de Tao Teh King zelve, dus met Lao

Tsz’s eigen woorden, verder het idee Tao benaderen. De lezer kan dan

zelf oordeelen en zich een begrip vormen.

„Als Niet-Zijn kan men Het [27] noemen het begin van Hemel en Aarde;

als Zijn kan men Het noemen de Moeder (dus: dat wat baarde) van alle

Dingen” [28].

„Tao is ledig en toch in Zijne operaties als onuitputtelijk. O! Hoe

diep! Het is de oer-vader aller dingen. Het verstompt zijn scherpte,

ontrafelt zijn verwardheid, tempert zijn verblindende schittering, en

maakt zich gelijk aan het stof. O hoe kalm is Het! Het lijkt eeuwig te

bestaan! Ik weet niet van wien Het het kind is. Het was vóór Shang Ti

(de Opperste God)” [29].

„Gij kijkt er naar, en gij ziet Het niet; men noemt Het kleurloos. Gij

luistert er naar, en hoort Het niet, men noemt Het aphoon. Gij tast er

naar, en raakt Het niet, men noemt Het onstoffelijk.—Zijn bovenste is

niet verlicht, Zijn onderste heeft geen schaduw. Het is eeuwig en kan

niet met een’ naam worden genoemd. Het keert terug tot het Niet-Zijn

(Wu Yiu). Dit noem ik het beeld van het beeldelooze, den vorm van het

vormelooze. Dit noem ik vaag en onbestemd. Gij nadert Het, en gij ziet

niet Zijn begin. Gij volgt Het en gij ziet niet Zijn einde” [30].

„—Als men tot het opperste ledig is gekomen, behoudt men een

onbewegelijke rust. Alle dingen worden te samen geboren; ik zie ze

weder terugkeeren. Alle dingen bloeien overvloediglijk; daarna keert

elk terug tot zijn Oorsprong. Tot den Oorsprong terugkeeren noem ik in

rust zijn. In rust zijn noem ik terugkeeren tot het (eeuwige, reëele)

Leven. Terugkeeren tot het Leven noem ik Eeuwigdurend zijn. Tao zijnde

is men altijddurend. Al sterft het lichaam, er is (dan toch) geen

gevaar (meer te duchten)” [31].

„De zichtbare manifestaties van de groote Teh (Deugd) zijn eene

emanatie van Tao. Ziehier de natuur van Tao: „Het is vaag en

verward.... Hoe verward.... Hoe vaag!.... En (toch) bevat Het de vormen

der dingen! Hoe vaag!.... Hoe verward!.... En (toch) bevat Het

wezens!.... Diep en duister!.... En (toch) bevat het eene spiritueele

essence! Deze spiritueele essence is ten zéérste reëel, en bevat de

onfeilbare getuigenis (van wat zij is). Het geeft geboorte aan de

geheele creatie” [32].

„Vóór Hemel en Aarde bestonden, was er een vaag Wezen. Hoe rustig-kalm!

Hoe onstoffelijk! Het staat alléén-op-zich-zelf en verandert niet. Het

doorvloeit alles en loopt geen gevaar. Het mag wel de Moeder van alles

onder den Hemel worden genoemd. Ik weet niet Zijnen naam. Het een

karakter [33] willende geven schrijf ik Het Tao. Wil ik Het met alle

geweld omschrijven, dan noem ik Het groot. Van groot noem ik Het

vervliedend. Van vervliedend noem ik Het vèr. Van vèr noem ik Het

weêr-terugkeerend. De wet van den koning is van de Aarde. De wet van de

aarde is van den Hemel. De wet van den Hemel is van Tao. (Maar) de wet

van Tao is van-zich-zelve” [34].

„Tao is eeuwig en heeft geen naam. Ofschoon zoo simpelklein van natuur,

durft de geheele wereld Het niet onderwerpen. Tao is verspreid in het

Heelal. Alles keert tot Tao terug, als de bergstroomen tot de rivieren

en zeeën” [35].

„Hoe oneindig strekt Tao zich uit! Het kan naar links gaan, Het kan

naar rechts gaan. Alle wezens steunen op Tao om geboren te worden, en

het weigert géén. Als het werk volbracht is noemt Tao het niet het

Zijne. Het heeft alle wezens lief, en voedt ze, en beschouwt zich toch

niet als hun Meester. Het is eeuwig zonder begeerte; men zou Het (dus)

klein kunnen noemen. Alle wezens keeren er toe terug, en toch beschouwt

Het zich niet als hun Meester; men zou Het (dus) groot kunnen noemen.

Daarom doet de Wijze zijn geheele leven lang niet groot, en daardoor

juist volmaakt hij zijne grootheid” [36].

„Als Tao uit onzen mond komt lijkt Het flauw en zonder smaak.—Wij

kijken er naar, en zien Het niet duidelijk; wij luisteren er naar, en

hooren Het niet genoeg; wij willen Het (geheel) gebruiken, maar Het is

onuitputtelijk” [37].

„Tao is eeuwig Wu Wei en toch is er niets, wat Het niet doet” [38].

„Het is een onvergankelijke ziele-oneindigheid” [39].

„De beweging van Tao is terugkeer (tot-zich-zelf). Zachtheid is zijn

functie. Alle bestaan is uit Zijn (Yiu). Alle Zijn is uit Niet-Zijn (Wu

Yiu)” [40].

„Tao baarde één; één baarde twee; twee baarde drie; drie baarde alle

dingen. Want alle dingen komen uit het duister naar het licht, en

worden in harmonie gebracht door den adem der Natuur” [41].

„Zich toeleggen op de studie is dagelijks „meer krijgen.” Zich wijden

aan Tao is dagelijks „minder krijgen,” minder, en steeds minder, tot Wu

Wei bereikt is. Wu Wei eenmaal bereikt, is er niets, wat men niet doen

kan, naar ik meen” [42].

„Tao brengt de dingen voort. Het brengt ze groot door Zijne

manifestatie (Teh) in hen, Het vormt ze door Zijne substantie, Het

volmaakt ze door Zijne impulsie. Daarom, van alle wezens is er géén,

dat niet Tao vereert, en Teh hoogacht. Die majesteit van Tao en die

eerwaardigheid van Teh zijn niet aan hen gegeven; zij bezitten die

eeuwig uit-zich-zelven. Daarom, Tao baart alle dingen, kweekt ze op,

doet ze groeien, brengt ze groot, volmaakt ze, doet ze rijpen, voedt

ze, beschermt ze. Te baren, en toch niet als eigendom te beschouwen, te

formeeren, en dat toch niet als glorie te beschouwen, te regeeren, en

toch vrij te laten,—dit noem ik de mysterieuze Deugd” [43].

„Als het hart voortdurend vrij van aardsche begeerten is kan men het

Mysterie aanschouwen van Tao’s spiritueele essence; als het hart

voortdurend vol begeerten is, kan men er enkel den begrensden Vorm van

zien” [44].

„Tao is de veilige rustplaats van alle dingen, de schat van de goeden,

de steun van de slechten. Hoe is het, dat de Ouden Tao zoo vereerden?

Is het niet, omdat men Het van-zelf vindt, zonder den ganschen dag te

zoeken, en Het de misdaden vergeeft? Daarom is Tao het

eerbiedwaardigste onder den Hemel” [45].

„De hemelsche Tao heeft geen lievelingen, en is toch altijd mild voor

de Goeden” [46].

Met deze teksten kan ik voorloopig volstaan. Het begrip Tao is er op

verschillende wijzen in benaderd. Welk een grootsche conceptie! Tao

was, vóór Hemel en Aarde bestonden, onzichtbaar, onhoorbaar, vormeloos,

beeldeloos, de eeuwige Oorsprong van alles en allen, altijd zonder

verlangen en behoefte, altijd in rust, zonder actie, en toch in Zijne

operaties onuitputtelijk, en de voeder, volmaker van alles wat leeft!

Het is lichaamloos, en voor ons vaag en duister, maar is een zuiver

spiritueel licht!

Het is álom bestaande, links en rechts. Alle schepselen wachten er op,

om geboren te worden, en Het weigert geen! Het is ledig, roerloos, en

doet toch het Heelal bewegen. Is alles uit Tao ontsprongen, alles keert

ook weder tot Tao terug, want terugkeeren tot Tao is het rythme van het

leven van elk wezen. Het doordringt het ondoordringbare, en toch kan

het nooit worden gedeerd. Het is eene onvergankelijke, eeuwige

ziele-oneindigheid. Het is liefderijk zonder liefde, genadig zonder

genade, de veilige rustplaats der Goeden, de verlosser der

slechten..........

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 2. Lao Tsz' · 第 1 / 8 段