Kom met uwe tranen, bedroefde vrouw, o kom." [9]

En over liefde, welke is "der vrouwen-al", heeft Tagore gezegd:

"Ik geloof, dat liefhebben is het aanbidden van dien éénen

geheimzinnige. Maar we doen het slechts onbewust. Elke soort van

liefde is het onmiddellijke resultaat van een universeele kracht,

die zichzelf door het menschelijk hart tracht uit te drukken. Liefde

is de tijdelijke verwerkelijking van dien zegen, welke bij den wortel

zelven ligt van het heelal. Anders heeft liefde geen beteekenis. In

de physieke wereld trekt de aldoordringende aantrekkingskracht het

groote zoowel als het kleine gelijkelijk aan. Op dezelfde wijze nu

bestaat er in het rijk van den geest een universeele aantrekking van

vreugde. Het is door deze aantrekkingskracht, dat we schoonheid in

de natuur bespeuren en liefde in onszelven. De eindelooze zegen, die

in het hart der natuur is, bespeelt onze harten. Indien we de liefde

in onze harten beschouwden afgescheiden van de liefde in het heelal,

dan wordt zij zonder beteekenis. Liefde is zegen, is zaligheid".

Tagore's philosophie van de vrouwenbeweging, zooals die belichaamd

is in het realistisch-idealistische drama Chitra, moge wellicht te

radicaal schijnen zelfs voor de radicale feministen in het Westen;

merkwaardig is het, dat de intrige in toto genomen is uit een episode

van het Mahabharata, dat Hindoe-epos, hetwelk terug dateert van 2000

jaren voor den Christelijken tijd.

Ik moet thans goedmaken, wat ik in den eersten druk van dit boekje

verzuimd heb n.l. het volle licht te doen schijnen op Tagore als

kindervriend. Hetgeen ik hierover terloops zeide in verband met

de school te Shanti-Niketan was niet voldoende, vooral met oog op

het feit, dat liefde voor kinderen een beminnelijke karaktertrek is

van de Bengali in het algemeen. In The Crescent Moon, in 1917 door

Frederik van Eeden vertaald onder den titel van De Wassende Maan en in

enkele vertellingen over kinderen, is deze schoone eigenschap van den

Bengali Rabindranath ten volle weerspiegeld. De vreugde in het kind

komt o.a. zeer sterk uit in de Bengaalsche literatuur door de vele

verhalen betreffende het kindje Krshna, de incarnatie van god Vishnu.

In de Indische Vaishnava- of Vishnuïtische gezangen, die in het geheel

niet voor kinderen bedoeld zijn, vindt men dikwijls toetsen van hun

fantasie. Ze brengen in het geheugen terug op wat wijze de kinderen

den jongen god in hun midden verrasten, of het wonder der wereld in

het stof aan hunne voeten vinden.

Zoo luidt een dikwijls geciteerde kreet der herdersjongens, die

ontdekken, dat zij met Krshna gespeeld hebben en hem als een gewonen

schoolmakker behandelden:

"Wel, denk eens aan hoe dikwijls we met u twistten en u namen

toeriepen; hoe dikwijls wij op uw schouders reden en gij op de

onze; hoe dikwijls wij het beste opaten en u slechts de kruimels

gaven! Naamt gij toen deze dingen euvel op en liept gij weg?"

Men heeft slechts de magische lens om te keeren en de volwassen man

of vrouw kan met dezelfde verbazing en gevoel van nieuwe ontdekking

naar het kind zien. Zijn wijze van doen is tegelijk zoo onschuldig

en geheimzinnig, zoo dwaas en wijs, zoo ongerijmd en beminnelijk.

"Rabindranath toovert ons als een echte goochelaar het paradijs der

kinderwereld voor onze oogen met eenvoudige middelen: een weinig stof,

een waterpoel, een bloem, wat inkt en papier", zegt Ernest Rhys in

zijn Biographical Study.

The Crescent Moon is verrukkelijk zoowel door den fantastischen

achtergrond als door het universeele medegevoel van den schrijver. Elke

bladzijde ervan geeft ons een schilderij genuanceerd met het

bekoorlijke, het levend-getrouw nabootsende détail van een

kindervriend.

We zien het jongetje zitten aan het venster om gade te slaan, hoe

de schaduw van den banyan-boom (waringin) wriemelt over het water,

dat in onrust geraakt is, als de vrouwen haar kruiken komen vullen

aan den vijver. We zien hoe het kind de boeken van zijn vader neemt

om erin te krabbelen, of naar diens schrijfpapier graait om er bootjes

van te maken, en hoe het er naar uitkijkt als de avond komt en de oude

visschersvrouw kruiden voor haar avondeten verzamelt langs den vijver,

of hoe de nachtwacht met zijn lantaarn zwaait en voort wandelt met

de schaduw naast zich. De schilderingen van het kind, dat gouden

champa-bloemen verzamelt, die op den boschweg neergevallen zijn;

van het kind dat aan het strand springt of in het stof neerzit om met

een gebroken takje en eigen fantasieën te spelen, worden gevolgd door

andere van den schreeuwenden deugniet, wiens gelaat en vingers beide

bevlekt zijn met teer en inkt. Het gedichtje "De Banyan-boom" herinnert

ons aan den jongen Rabi zelven, toen hij in de kamer opgesloten uren

lang naar den tuin zat te kijken. Men vindt in dit kleine werkje een

eindelooze sympathie met het kindje, dat in moeilijkheden verkeert, en

met het jongetje, dat zich tegenover ouderen verongelijkt gevoelt. De

dichter begrijpt de gulzigheid van het groeiende ding en de gretigheid

van kleintje's lippen. Daarom worden de zwakheden der ouders op

gelijke lijn gebracht met de onschuldige zondigheidjes van kinderen.

"Iedereen weet", roept hij het kind toe, dat zich verongelijkt

acht, "hoe ge van lekkere dingen houdt--noemen zij je daarom

snoepachtig?... Hoe dan", gaat hij voort, "zouden zij ons noemen, die

van je houden?" De ironie van deze vraag wordt niet ten volle ingezien

totdat men ontdekt, dat hierdoor de kinderverafgoder ontmaskerd wordt

in zijn eigen liefde voor de heerlijkheid van den kleinen bengel. En

in het liedje "Wanneer en Waarom" is wederom een andere lezing van

baby's klacht en van de eeuwige philosophie van begeerte en verlangen

en genot. Want, zegt de dichter:

"Als ik zoetigheid breng in je greetige handjes, dan weet ik,

waarom er hoonig is in de bloemkelk en waarom vruchten heimelijk

gevuld worden met zoet sap--als ik zoetigheid breng in je greetige

handjes." [10]

In zijn geschiedenis van den fruitverkooper, in een van zijn

prozawerken, welke zeer veel gelijkt op een hoofdstuk direct uit

zijn eigen ondervinding, hebben we een dochtertje van den schrijver

zelven, Mini, als de hoofdfiguur. Haar kinderlijke verlangens,

haar ondeugendheid en haar grappigheid worden gecontrasteerd met

de groote gestalte van den Kabuli- (dus een Afghaan) marskramer of

fruitverkooper, die druiven en rozijnen en abrikozen aan de deur

brengt.

De zak, dien hij draagt lijkt de wonderbaarlijke buidel van Fortunatus;

voor de gedachte van het kind is hij mysterieus en onuitputtelijk,

en het wordt een grap van den Kabuli, om wanneer Mini hem vraagt wat

er in is, te antwoorden, dat er een olifant in zit.

"Een paar dagen later vond ik mijn dochter zitten op de bank bij

de deur en al maar zonder ophouden sprekend tot den Kabuli, die

aan haar voeten zat, glimlachend en luisterend. Ik merkte dat de

slip van haar kleine sari vol amandelen en rozijnen was."

Zoo was het begin van de vriendschap tusschen het zonderling bij

elkaar passend paar, een vriendschap saamverbonden door voortdurende

lekkernijen. De vader van Mini sluit ook vriendschap met den Kabuli,

Rahamat genaamd.

Ten slotte doodt Rahamat iemand, en wordt tot acht jaar gevangenisstraf

veroordeeld. Als hij terugkomt, is het Mini's huwelijksdag.

"Ik herkende hem eerst niet. Hij had noch zijn zakken, noch zijn

lang haar, noch zijn fijne, levendige manier van doen. Ten laatste

herkende ik hem aan zijn lach.

"Hallo! Rahamat, wanneer ben je gekomen?" zei ik.

"Gisteren kwam ik uit de gevangenis", antwoordde hij.

Ik vertelde hem, dat ik het erg druk had en dat hij beter deed

met heen te gaan.

Daarop zeide hij, toen hij bij de deur stond: "Mag ik het kind nog

eens weer zien?" Maar dit kon niet, en met een zwijgend onrustigen

blik keek de man toen hij heenging. Hij keerde echter terug en

naderbij komende, zeide hij:

"Ik heb deze druiven en amandelen en rozijnen voor het kind

meegebracht. Wil je ze voor mij aan haar geven, alsjeblieft? Neen,

je moet me er niet voor betalen. Juist zoo'n dochter als gij hebt,

heb ik thuis eene, en het is uit herinnering aan haar gezichtje,

dat ik wat fruit voor je kind breng. Ik kom niet om het te

verkoopen..." Terwijl hij dit zeide duwde hij zijn hand in de

plooien van zijn los wijd kleed en bracht een stuk vuil papier te

voorschijn van ergens van zijn borst vandaan. Zorgvuldig vouwde

hij het open en spreidde het uit op mijn schrijftafel. Ik zag

een afdruk van een tengere handpalm op het papier, een eenvoudig

merk, dat verkregen werd door de hand in lampezwart rond te

wrijven. Met dit vreemde teeken van het kind op zijn borst was

Rahamat gekomen om fruit in de straten van Calcutta te verkoopen,

alsof de aanraking met het kinderhandje zijn hart tot rust zou

brengen, dat door de pijnen der scheiding werd verscheurd."

Herbert Spencer zag in de vraatzucht van het kind slechts den

onverzadigbaren honger van het dierlijke in den mensch op een lageren

graad van ontwikkeling. Rabindranath Tagore daarentegen heeft daarin

geleerd te vermoeden de eerste graden van ontwikkeling der verlangens,

die, op een ander niveau van intelligentie, het pad naar den hemel

zelven uitwijzen. De teekens zijn inderdaad duidelijk te lezen in

zekere gedichten en in "Zegening" wordt daaraan een uitwerking gegeven

van zoovele rechtstreeksche wenken:

"Zeegen zijn hartje, deze blanke ziel, die den kus des hemels

heeft gewonnen voor onze aarde.

Hij heeft het zonlicht lief, hij bemint het zien van zijn moeders

gelaat.

Hij heeft niet geleerd het stof te verachten en tuk te zijn

op goud.

Druk hem aan uw hart en zeegen hem.

Hij is gekomen in dit land van honderd doolwegen.

Hij verkoos u uit de meenigte, ik weet niet hoe, en hij greep uw

hand om den weg te vragen.

Hij zal u volgen, lachend en pratend, zonder een twijfeling in

zijn hart.

Rabindranath Tagore: Een biografische Schets · 第 8 / 11 题