En over liefde, welke is "der vrouwen-al", heeft Tagore gezegd:
"Ik geloof, dat liefhebben is het aanbidden van dien éénen
geheimzinnige. Maar we doen het slechts onbewust. Elke soort van
liefde is het onmiddellijke resultaat van een universeele kracht,
die zichzelf door het menschelijk hart tracht uit te drukken. Liefde
is de tijdelijke verwerkelijking van dien zegen, welke bij den wortel
zelven ligt van het heelal. Anders heeft liefde geen beteekenis. In
de physieke wereld trekt de aldoordringende aantrekkingskracht het
groote zoowel als het kleine gelijkelijk aan. Op dezelfde wijze nu
bestaat er in het rijk van den geest een universeele aantrekking van
vreugde. Het is door deze aantrekkingskracht, dat we schoonheid in
de natuur bespeuren en liefde in onszelven. De eindelooze zegen, die
in het hart der natuur is, bespeelt onze harten. Indien we de liefde
in onze harten beschouwden afgescheiden van de liefde in het heelal,
dan wordt zij zonder beteekenis. Liefde is zegen, is zaligheid".
Tagore's philosophie van de vrouwenbeweging, zooals die belichaamd
is in het realistisch-idealistische drama Chitra, moge wellicht te
radicaal schijnen zelfs voor de radicale feministen in het Westen;
merkwaardig is het, dat de intrige in toto genomen is uit een episode
van het Mahabharata, dat Hindoe-epos, hetwelk terug dateert van 2000
jaren voor den Christelijken tijd.
Ik moet thans goedmaken, wat ik in den eersten druk van dit boekje
verzuimd heb n.l. het volle licht te doen schijnen op Tagore als
kindervriend. Hetgeen ik hierover terloops zeide in verband met
de school te Shanti-Niketan was niet voldoende, vooral met oog op
het feit, dat liefde voor kinderen een beminnelijke karaktertrek is
van de Bengali in het algemeen. In The Crescent Moon, in 1917 door
Frederik van Eeden vertaald onder den titel van De Wassende Maan en in
enkele vertellingen over kinderen, is deze schoone eigenschap van den
Bengali Rabindranath ten volle weerspiegeld. De vreugde in het kind
komt o.a. zeer sterk uit in de Bengaalsche literatuur door de vele
verhalen betreffende het kindje Krshna, de incarnatie van god Vishnu.
In de Indische Vaishnava- of Vishnuïtische gezangen, die in het geheel
niet voor kinderen bedoeld zijn, vindt men dikwijls toetsen van hun
fantasie. Ze brengen in het geheugen terug op wat wijze de kinderen
den jongen god in hun midden verrasten, of het wonder der wereld in
het stof aan hunne voeten vinden.
Zoo luidt een dikwijls geciteerde kreet der herdersjongens, die
ontdekken, dat zij met Krshna gespeeld hebben en hem als een gewonen
schoolmakker behandelden:
"Wel, denk eens aan hoe dikwijls we met u twistten en u namen
toeriepen; hoe dikwijls wij op uw schouders reden en gij op de
onze; hoe dikwijls wij het beste opaten en u slechts de kruimels
gaven! Naamt gij toen deze dingen euvel op en liept gij weg?"
Men heeft slechts de magische lens om te keeren en de volwassen man
of vrouw kan met dezelfde verbazing en gevoel van nieuwe ontdekking
naar het kind zien. Zijn wijze van doen is tegelijk zoo onschuldig
en geheimzinnig, zoo dwaas en wijs, zoo ongerijmd en beminnelijk.
"Rabindranath toovert ons als een echte goochelaar het paradijs der
kinderwereld voor onze oogen met eenvoudige middelen: een weinig stof,
een waterpoel, een bloem, wat inkt en papier", zegt Ernest Rhys in
zijn Biographical Study.
The Crescent Moon is verrukkelijk zoowel door den fantastischen
achtergrond als door het universeele medegevoel van den schrijver. Elke
bladzijde ervan geeft ons een schilderij genuanceerd met het
bekoorlijke, het levend-getrouw nabootsende détail van een
kindervriend.
We zien het jongetje zitten aan het venster om gade te slaan, hoe
de schaduw van den banyan-boom (waringin) wriemelt over het water,
dat in onrust geraakt is, als de vrouwen haar kruiken komen vullen
aan den vijver. We zien hoe het kind de boeken van zijn vader neemt
om erin te krabbelen, of naar diens schrijfpapier graait om er bootjes
van te maken, en hoe het er naar uitkijkt als de avond komt en de oude
visschersvrouw kruiden voor haar avondeten verzamelt langs den vijver,
of hoe de nachtwacht met zijn lantaarn zwaait en voort wandelt met
de schaduw naast zich. De schilderingen van het kind, dat gouden
champa-bloemen verzamelt, die op den boschweg neergevallen zijn;
van het kind dat aan het strand springt of in het stof neerzit om met
een gebroken takje en eigen fantasieën te spelen, worden gevolgd door
andere van den schreeuwenden deugniet, wiens gelaat en vingers beide
bevlekt zijn met teer en inkt. Het gedichtje "De Banyan-boom" herinnert
ons aan den jongen Rabi zelven, toen hij in de kamer opgesloten uren
lang naar den tuin zat te kijken. Men vindt in dit kleine werkje een
eindelooze sympathie met het kindje, dat in moeilijkheden verkeert, en
met het jongetje, dat zich tegenover ouderen verongelijkt gevoelt. De
dichter begrijpt de gulzigheid van het groeiende ding en de gretigheid
van kleintje's lippen. Daarom worden de zwakheden der ouders op
gelijke lijn gebracht met de onschuldige zondigheidjes van kinderen.
"Iedereen weet", roept hij het kind toe, dat zich verongelijkt
acht, "hoe ge van lekkere dingen houdt--noemen zij je daarom
snoepachtig?... Hoe dan", gaat hij voort, "zouden zij ons noemen, die
van je houden?" De ironie van deze vraag wordt niet ten volle ingezien
totdat men ontdekt, dat hierdoor de kinderverafgoder ontmaskerd wordt
in zijn eigen liefde voor de heerlijkheid van den kleinen bengel. En
in het liedje "Wanneer en Waarom" is wederom een andere lezing van
baby's klacht en van de eeuwige philosophie van begeerte en verlangen
en genot. Want, zegt de dichter:
"Als ik zoetigheid breng in je greetige handjes, dan weet ik,
waarom er hoonig is in de bloemkelk en waarom vruchten heimelijk
gevuld worden met zoet sap--als ik zoetigheid breng in je greetige
handjes." [10]
In zijn geschiedenis van den fruitverkooper, in een van zijn
prozawerken, welke zeer veel gelijkt op een hoofdstuk direct uit
zijn eigen ondervinding, hebben we een dochtertje van den schrijver
zelven, Mini, als de hoofdfiguur. Haar kinderlijke verlangens,
haar ondeugendheid en haar grappigheid worden gecontrasteerd met
de groote gestalte van den Kabuli- (dus een Afghaan) marskramer of
fruitverkooper, die druiven en rozijnen en abrikozen aan de deur
brengt.
De zak, dien hij draagt lijkt de wonderbaarlijke buidel van Fortunatus;
voor de gedachte van het kind is hij mysterieus en onuitputtelijk,
en het wordt een grap van den Kabuli, om wanneer Mini hem vraagt wat
er in is, te antwoorden, dat er een olifant in zit.
"Een paar dagen later vond ik mijn dochter zitten op de bank bij
de deur en al maar zonder ophouden sprekend tot den Kabuli, die
aan haar voeten zat, glimlachend en luisterend. Ik merkte dat de
slip van haar kleine sari vol amandelen en rozijnen was."
Zoo was het begin van de vriendschap tusschen het zonderling bij
elkaar passend paar, een vriendschap saamverbonden door voortdurende
lekkernijen. De vader van Mini sluit ook vriendschap met den Kabuli,
Rahamat genaamd.
Ten slotte doodt Rahamat iemand, en wordt tot acht jaar gevangenisstraf
veroordeeld. Als hij terugkomt, is het Mini's huwelijksdag.
"Ik herkende hem eerst niet. Hij had noch zijn zakken, noch zijn
lang haar, noch zijn fijne, levendige manier van doen. Ten laatste
herkende ik hem aan zijn lach.
"Hallo! Rahamat, wanneer ben je gekomen?" zei ik.
"Gisteren kwam ik uit de gevangenis", antwoordde hij.
Ik vertelde hem, dat ik het erg druk had en dat hij beter deed
met heen te gaan.
Daarop zeide hij, toen hij bij de deur stond: "Mag ik het kind nog
eens weer zien?" Maar dit kon niet, en met een zwijgend onrustigen
blik keek de man toen hij heenging. Hij keerde echter terug en
naderbij komende, zeide hij:
"Ik heb deze druiven en amandelen en rozijnen voor het kind
meegebracht. Wil je ze voor mij aan haar geven, alsjeblieft? Neen,
je moet me er niet voor betalen. Juist zoo'n dochter als gij hebt,
heb ik thuis eene, en het is uit herinnering aan haar gezichtje,
dat ik wat fruit voor je kind breng. Ik kom niet om het te
verkoopen..." Terwijl hij dit zeide duwde hij zijn hand in de
plooien van zijn los wijd kleed en bracht een stuk vuil papier te
voorschijn van ergens van zijn borst vandaan. Zorgvuldig vouwde
hij het open en spreidde het uit op mijn schrijftafel. Ik zag
een afdruk van een tengere handpalm op het papier, een eenvoudig
merk, dat verkregen werd door de hand in lampezwart rond te
wrijven. Met dit vreemde teeken van het kind op zijn borst was
Rahamat gekomen om fruit in de straten van Calcutta te verkoopen,
alsof de aanraking met het kinderhandje zijn hart tot rust zou
brengen, dat door de pijnen der scheiding werd verscheurd."
Herbert Spencer zag in de vraatzucht van het kind slechts den
onverzadigbaren honger van het dierlijke in den mensch op een lageren
graad van ontwikkeling. Rabindranath Tagore daarentegen heeft daarin
geleerd te vermoeden de eerste graden van ontwikkeling der verlangens,
die, op een ander niveau van intelligentie, het pad naar den hemel
zelven uitwijzen. De teekens zijn inderdaad duidelijk te lezen in
zekere gedichten en in "Zegening" wordt daaraan een uitwerking gegeven
van zoovele rechtstreeksche wenken:
"Zeegen zijn hartje, deze blanke ziel, die den kus des hemels
heeft gewonnen voor onze aarde.
Hij heeft het zonlicht lief, hij bemint het zien van zijn moeders
gelaat.
Hij heeft niet geleerd het stof te verachten en tuk te zijn
op goud.
Druk hem aan uw hart en zeegen hem.
Hij is gekomen in dit land van honderd doolwegen.
Hij verkoos u uit de meenigte, ik weet niet hoe, en hij greep uw
hand om den weg te vragen.
Hij zal u volgen, lachend en pratend, zonder een twijfeling in
zijn hart.