Aanvaard zijn vertrouwen, leid hem recht en zeegen hem." [11]

Een enkel woord over een klein tooneelspel, dat in Nederland een

enkele maal reeds is opgevoerd geweest en waaruit weder Tagore's

vereering en eerbied voor het kind blijkt. Het is The Post Office,

of in de vertaling van Henri Borel "De Brief van den Koning" geheeten.

"Een stuk als The Post Office van Tagore mist hevige tooneeleffecten

en z.g. "pakkende" coups de théatre, zooals echte "tooneelrotten"

die handig weten te schrijven", zegt Henri Borel in zijn inleidend

woord bij zijn Nederlandsche overzetting. Inderdaad, zeer eenvoudig

is het gegeven in het kleed van zeer eenvoudige woorden. Maar in het

simpele gebeuren van het sterven van dien armen knaap ligt verborgen

de oplossing van het tragische raadsel des heelen levens.

De beminnelijke Amal is het pleegkind van den dorpsbewoner Madhav. Hij

lijdt aan een slepende ziekte en deswege moet hij op last van den

dokter in huis blijven. Mistroostig ligt hij op zijn ziekbed bij

het venster naar buiten te turen en houdt lange gesprekken met

voorbijgangers: den wachter, den melkman, het oudje, Sudha het

bloemenmeisje. Dit is het eerste bedrijf.

Amal, al zieker en zieker wordend, gaat voort vriendschap te sluiten

met allerlei voorbijgangers, die schik hebben in de naieve kinderpraat

van het knaapje, maar in hun hart een groot medelijden koesteren

met den kleinen zieke. Vóór Amals huis is een nieuw postkantoor

gebouwd. Het denkbeeld, dat hij een brief van den koning zou kunnen

krijgen, wordt in den geest van Amal een realiteit en in het heerlijk

besef, dat 's Konings brief inderdaad in het nederige huis is gekomen,

sterft de zieke jongen.

Het tweede bedrijf.

"De brief van den Koning" ontleent zijn naam aan de illusie van

Amal. Een der voorbijgangers, de dorpswachter, die de gong slaat ter

aankondiging van de uren en wiens werk het arme kind bijzonder veel

belang stelt, heeft hem dit verteld. De kinderlijke onschuld gelooft,

dat het postkantoor des konings zóó nabij werd geplaatst voor het

geval de koning hem een brief wil sturen. Het praatje gaat van mond

tot mond en het ijdele dorpshoofd ergert zich over dezen waan, welken

hij toeschrijft aan den hoogmoed van den pleegvader Madhav. Doch als

hij het stervende kind met onnoodige hardheid komt lastig vallen,

als de dokter bevel heeft gegeven alle deuren en vensters te sluiten,

opdat niemand meer binnentrede en hem verontruste--dan wordt er

aan de deuren gerammeid: de geneesheer des Konings treedt de woning

binnen. Deze gelast licht en ruimte om den knaap te maken, overal

bloemen in de kamer te zetten en doet den bullebak, het dorpshoofd,

verwijderen, want.... de Koning zal zelf komen.

Thans is Amal omringd door menschen, die allen hem toegenegen

zijn. Teeder en verheven, echt Tagoriaansch, is het slot:

"Wilt u een woord voor mij in zijn oor fluisteren?" vraagt Sudha aan

den geneesheer des Konings.

"Wat moet ik hem zeggen?"

"Zeg hem, dat Sudha hem niet vergeten heeft". En in vreugde afwachtend

die overweldigende gebeurtenis, de komst van den Koning zelven, omringd

door liefdevolle wezens, gaat het kind het mysterie van den dood in.

Hoe eenvoudig en helder is dit dichterlijke tooneelwerk. Rabindranath

Tagore had niet noodig zijn symbolen nader aan te geven met duidingen

voor ons verstand. Misschien niet voor den louter verstandelijke,

maar voor het rijke gemoedsleven is alles even klaar. Wie voelt hier

niet, dat de Koning met het Hoogste Wezen moet vereenzelvigd worden?

Toch moet men achter "De Brief van den Koning" niet te veel allegorie

zoeken. De bedoeling is minder intellectueel, maar meer emotioneel

en eenvoudig.

W. B. Yeats typeert de waarde van het stuk heel juist met deze woorden:

"De bevrijding, gezocht en gewonnen door het stervende kind, is

dezelfde bevrijding heeft Mr. Tagore gezegd, die oprees voor zijn

verbeelding, toen hij eens in den vroegen ochtendstond tusschen

het lawaai van een menigte, die van een of ander feest terugkeerde,

dezen regel uit een oud dorpslied hoorde: "Veerman, neem mij mede

naar den anderen oever van de rivier". Zij kan op ieder oogenblik van

het leven komen, ofschoon het kind haar ontdekt in den dood, want zij

komt altijd, als het "Ik" niet langer zoekende naar winsten, die niet

kunnen "geassimileerd worden met zijn Geest", in staat is te zeggen:

"Al mijn werk is het Uwe" (Sadhana).

Het geheim van Rabindranath's volkomen meeleven met het kind ligt zeer

dichtbij het geheim van zijn kunst als dichter. In zijn poëzie laat

hij de onschuld van den kinderlijken geest spelen met leven, liefde

en dood en de verschijnselen in de natuur. Hij weet, dat het genot in

de voorstelling van den kindergeest op de wonderen der aarde wijst,

die de philosophie zoo moeilijk weet te rangschikken. Hoe beeldrijk,

hoe concreet de Indische gedachtengang altijd trachtte te zijn, kunnen

we leeren, indien we een bladzijde van de Upanishads opslaan. Bij het

leeren aan den jongen hoe hij komen kan tot het subtiele weezen van

het grooter Zelf, zegt de vader hem een vrucht van den Nyagrodha-boom

te brengen:

"Hier is er een, heer", zegt het kind.

"Breek het stuk".

"Het is gebroken, heer".

"Wat ziet gij er dan?"

"Deze zaden, bijna ondeelbaar".

"Breek er een van".

"Het is gebroken, heer".

"Wat ziet ge dan?"

"Niets, heer".

De vader zeide: "Mijn zoon, dat uiterst fijne Wezen, dat gij dan niet

bespeurt, van datzelfde Wezen bestaat de groote Nyagrodha-boom.

Geloof het, mijn zoon. Dat, wat het uiterst fijne wezen is, daarin

heeft alles wat bestaat zijn zelf. Het is het Ware. Het is het Zelf,

en gij o Svetaketu zijt het". [12]

De practische philosophie van Rabindranath betreffende het kind komt

in het kort hierop neer: Niets moge den ouders te veel zijn, geen

moeite en geen opoffering om het kind tot zijn bestemming te doen

komen n.l. tot mensch, en wel tot mensch in de juiste betrekking met

het gansche heelal. Maar men mag de waarde niet overschatten van de

uitsluitend materieele middelen, die wij aan de opvoeding van onze

kinderen ten koste leggen. Een kind mag niet het medium zijn van onze

eigen onzuivere verlangens en begeerten; wij mogen niet alleen maar

de hoop koesteren, dat onze kinderen naderhand knappe koppen worden,

binnen den kortst mogelijken tijd "binnen" zijn of betrekkelijk jong

reeds in eigen auto's kunnen rijden en "voornaam" kunnen "doen". Als

bolwerk tegen deze vrij algemeene zonde tegen de kinderziel heeft

Rabindranath een nieuw en toch oud systeem van opvoeding opgebouwd

in zijn Shanti Niketan-school. "Ten opzichte van de wijze, waarop

kinderen tot kennis zullen groeien, gaat de bedoeling van den mensch

geheel lijnrecht tegen de bedoeling van God in. Hóe wij onze zaken

en bezigheden en in verband daarmede onze kantoren willen regelen en

inrichten, daarin zijn wij volkomen vrij. Maar zulk een kantoor-achtige

regeling is niet geschikt voor Gods schepping, en kinderen zijn Gods

eigen schepping." [13]

Duidelijker dan betoogen heeft Rabindranath tot mij persoonlijk zijn

levensbeschouwing betreffende het kind gezegd in deze weinige woorden,

welke hij op een kinderportret heeft geschreven: "I bring Father's

message to father".

Om de religieuze liederen in Gitanjali ofte wel Song Offerings

en Wij-Zangen te begrijpen--ik spreek niet eens van de schoonheid

daarvan te gevoelen, want zijn hiervoor wel regels en voorschriften

te geven?--is in de eerste plaats noodig, eenigermate het wezen

van Tagore's God te kennen. Henri D. Davray in een artikel in de

Mercure de France heeft vrij juist, door middel van een parallel met

het Christelijk Godsbegrip, het wezen van Brahma aangeduid, zooals

deze geworden is na het werk der groote hervormers Ram Mohan Roy,

Debendranath Tagore en Keshab Chandra Sen.

"De christelijke theologie", aldus Davray, "is altijd versomberd

geweest door het idee van de zonde, van het oordeel en van de

noodzakelijkheid van een verlossing. De christelijke God is

een almachtig souverein en een geduchte rechter, zelfs in zijn

barmhartigheid. Het anthropomorphe en almachtige Hoogste Wezen, dat

zijn tijd doorbrengt met over ons te waken zonder ons krachtdadig

te kunnen beschermen tegen de zonde, een Wezen, dat ons met een

wreede hardheid veroordeelt om onvermijdelijke zwakheden en fouten,

waarvan hij zelf de verantwoording draagt, zulk een God houdt spoedig

op eerbied af te dwingen. Hij heeft ons niet geschapen, zooals

men wel beweert! Maar wij hebben hem geschapen naar ons beeld. De

cultus van zulk een godheid kan niet anders dan slechts uiterlijk en

formeel wezen: de godsdienst, die ons slechts dezen onvoldoenden god

kan aanbieden, lokt geen enkele universeele liefde uit, geeft geen

enkele universeele vreugde; hij inspireert slechts zelden dit hevig en

brandend verlangen naar een goddelijke aanwezigheid, dat is: de honger

en de onleschbare dorst van de mystiek. In het Oosten daarentegen

wordt God niet verbeeld in dergelijke zwakke grenzen; de godsdiensten

zijn onpersoonlijk en vloeien samen met vele philosophische systemen,

die ruimte laten voor bespiegelingen, waarin de kleine menschelijke

persoonlijkheid geheel en al verdwijnt met al haar begeerten, moeiten,

zwakheden en ellenden. In het Westen heeft men het geloof verloren

in een God, die niet voldoet aan de diepste wenschen van het hart

en het is het Oosten, dat der menschheid de uitdrukking aanbiedt

van een geloof in God, dat verhevener is dan onze tijd ooit er een

heeft geformuleerd.

Op het altaar van zijn ziel plaatst het Westen zijn eigen beeld: den

verachtten en onttroonden god, en biedt zichzelven een hoogmoedigen

eeredienst aan. Het Oosten vindt zijn Godheid in de oneindigheid van

het Heelal en in het diepste diep zijns harten en erlangt daardoor

een wonderbare nederigheid."

De tegenstelling, of beter gezegd de éénheid van Paramatma en Jivatma,

de ziel van het heelal en de ziel van het individueele leven, vindt

men uitgedrukt in de twee eerste gedichten van de Gitanjali.

"Eindeloos hebt Gij mij gemaakt, naar Uw behagen.

Dit brooze vat leedigt Gij weer en weer en vult het telkens met

versch leeven.

Oover heuvelen en dalen hebt Gij dit rieten fluitje gedragen en

er eeuwiglijk nieuwe melodiën door geblazen.

Bij de onsterfelijke aanraking van Uwe handen doorbreekt dit

kleine hart zijn perken en baart onzegbare uiting.

Uw oneindige gaven koomen tot mij enkel op deze mijn nietig-kleine

handen. Eeuwen vergaan en steeds blijft Gij uitstorten en steeds

is er ruimte te vullen." [14]

Dat de mysticus er naar streeft om de verschrikkingen van wereld

en leven, zijn eigen menschelijke ellenden en tekortkomingen niet

alleen te beschouwen, maar ook te ervaren als slechts de spectrale

kleuren van het goddelijk Licht, lezen wij b.v. in Wij-Zang

XXXX. Hier verlangt het hart naar het goddelijk Gevoel, dat alle

vreugden en alle smarten als ééne groote Vreugde ervaart, doch het

verlangen wordt op een wonderlijk-schoone wijze nog getemperd door een

teedere menschelijkheid. Niettegenstaande het menschelijk gevoel nog

terugschrikt voor "den wervel der vreeselijke vreugde", is die schrik

nauwelijks merkbaar door de zuiverheid en gaafheid van het beeld.

"Dagen aan dagen bleef de reegen weg, o God, uit mijn dorre

hart. Felnaakt is de horizon--zonder het dunste floers van

een zachte wolk, zonder de flauwste zweem van een koele bui in

de verte.

Zend uw woedende storm, donker van dood, als het U behaagt, en doe

den heemel opschrikken van einder tot einder met bliksemstriemen.

Maar roep terug, o Heer! roep terug die zwijgende doordringende

hitte, stil en fel en wreed, die het hart verzengt met

vertwijfeling.

Laat de wolk van genade neederbuigen van omhoog, als de tranenrijke

blik der moeder op den dag van des vaders toorn." [15]

Maar daar, waar alle kleine menschelijkheid weggeworpen wordt en waar

voor hem "geen vrees meer overblijft in deeze waereld", wat is dat

ontzettend en geweldig:

"Schoon is Uw polsband, sterren-versierd en kunstig gewrocht in

duizend-verwige juweelen. Maar schooner is mij Uw zwaard met zijn

bliksemende booglijn, als de uitgespreide wieken van Vishnoe's

voogel, zuiver in eevenwicht in het toornig roode licht van de

ondergaande zon.

Het trilt als het laatste teeken van leeven in smartverrukking bij

den laatsten doodelijken slag; het blinkt als de reine Weezensvlam,

die aardsche gevoelens verteert in een felle flikkering.

Schoon is Uw polsband, versierd met sterjuweelen: maar Uw zwaard,

o Heer des Donders! is gewrocht met de uiterste schoonheid,

verschrikkelijk om te zien of te herdenken." [16]

Den strijd tusschen den man en den dichter, de vertwijfeling, die

Tagore moet gevoeld hebben toen de maatschappelijke mensch in hem de

vraag stelde, wat voor "nut" zijn poëzie wel voor het vaderland en

voor de maatschappij kan hebben, meen ik terug te vinden in gedicht

III van De Hoovenier:

"Des morgens wierp ik mijn net uit in de zee.

Uit de donkere diepte haalde ik dingen op van wonderlijk aanzien

en vreemde schoonheid.

Sommigen glansden als een glimlach, sommigen blonken als tranen,

en anderen bloosden als de wangen eener bruid.

Toen ik huiswaarts keerde met mijn dagelijksche vracht, zat mijn

lief in den hof en trok ijdelijk de bladen uit een bloem.

Ik weifelde een oogenblik, legde toen aan haar voeten alles wat

ik opgehaald had, en wachtte zwijgend.

Zij oogde er naar, en zeide:

"Wat voor zonderlinge dingen zijn dat? Ik weet niet waarvoor

zij dienen."

Ik boog beschaamd mijn hoofd en dacht: "ik heb er niet voor

gevochten, ik kocht ze niet op de markt, dat zijn geen waardige

geschenken voor haar."

En den heelen nacht door wierp ik hen één voor één op straat.

Des morgens kwamen reizigers; zij raapten hen op en droegen hen

naar verre landen."

Is het niet, of Tagore's intuïtie hem hier voorspelt, dat vreemdelingen

die "dingen van wonderlijk aanzien en vreemde schoonheid" door de

wereld zouden dragen en dat door die superieure gedachten de blik

van heel de beschaafde wereld zich zou wenden naar Tagore's land en

volk? Allengs wordt hij zich meer en meer bewust van de waardigheid

van zijn werk en van de grootheid van zijn roeping. Vol nederigheid

en toch met een edelen trots en met de verrukking van een toegewijd

leven zingt hij nu:

"In de gehoorzaal der waereld zit de simpele grashalm op hetzelfde

tapijt met de zonnestraal en de middernacht-sterren.

Zoo deelen mijn zangen hun zetels, in het hart der waereld,

met de muziek van wolken en wouden.

Maar uw weelde, gij rijkaard, heeft geen deel in de sobere

grootheid van het blijde zonnegoud, of van het weeke blinken der

peinzende maan.

De zeegen van den al-omvangenden heemel wordt er niet oover

uitgestort.

En als dood komt, verbleekt ze, en verschrompelt en verkruimelt

tot stof."

Wij-Zang XVI toont ons, hoe het streven van waarachtige poëzie de

gemeenschap inhoudt met het allerheiligste:

"Ik ben genoodigd tot het feest deezer waereld en zoo is mijn

leeven gezeegend. Mijn oogen hebben gezien en mijn ooren

gehoord. Het was mijn taak op dit feest mijn speeltuig te

bespeelen, en ik heb gedaan wat ik kon.

Nu, dan, zoo vraag ik, is nu dan ten leste de tijd gekoomen, dat ik

mag ingaan, en Uw aangezicht zien en U eeren met zwijgenden groet?"

De volgende anecdoten uit den loopbaan van den beroemden en gevierden

dichter, die echter in zijn persoonlijken omgang zoo eenvoudig en

beminnelijk is, zijn aardige aanwijzingen naar het latere feit, dat

Tagore een groot en wereldvermaarde man zou worden. Te midden van

stortvloeden van vijandige critiek kreeg Tagore, geheel toevallig,

een inspiratie, welke zijn geest opbeurde en hem aanzette om

hoogere hoogten te bereiken en tot een edeler vlucht in het rijk der

poëzie. Zooals de ontmoeting van Nietzsche met Wagner een bron van

inspiratie voor den eerste en een genoegen voor den tweede was, zoo

was de ontmoeting van Rabindranath met Bankim Chandra Chattopadhya,

den grootsten van alle Bengaalsche novellenschrijvers en dichter

van de nationale hymne Bande Mataram, een bron van inspiratie

en aanmoediging voor den jongen dichter--een genoegen voor den

verteller. Zij ontmoetten elkander op een huwelijksfeest ten huize

van Ramesh Chandra Dutt, staatsman, geschiedkundige en schrijver van

vertellingen. Ramesh Dutt wond een krans van bloemen om den hals van

den proza-dichter om hulde te brengen aan het grootste letterkundige

genie van Bengalen. Chattopadhya deed echter onmiddellijk de krans af

en tooide daarmede Rabindranath, zeggende: "Deze krans behoort hem

toe--hebt gij zijn Sandhya Sangit' gelezen?" Ramesh Dutt antwoordde

ontkennend, maar Bankim Chandra prees hemelhoog enkele gedichten uit

het boek. Zulk een onbegrensde loftuiting van zoo'n hoogen oorsprong

bracht bijna vreugdetranen in de oogen van Rabindranath. Zij deed

hem alle pijn van de pijlen van onaangename critiek vergeten. Dit

plastische eerbewijs van den grooten prozaïst beduidde voor

Rabindranath meer dan de Nobelprijs voor hem later kon beteekenen.

Of de rechtgeloovige Bengali Tagore's vrome gedichten bewonderen of

niet, er is geen twijfel aan, dat zij prachtig zijn in hun opvallende

schoonheid. Eens deed zich voor den dichter vanzelf een kans voor om

een beminnelijke wraak op zijn vader te nemen. Vele jaren voorheen las

de Maharshi een van Rabi's godsdienstige gezangen uit zijn jongenstijd

en de oude Tagore lachte. De poëet herinnerde zich dat alles in die

jaren weer. Onverwacht ontbood de Maharshi zijn zoon, die toen in

het landelijke werkzaam was, naar de stad, waar de vader toen ter

tijd verblijf hield, juist met de bedoeling een bijzonderen zang,

pas gecomponeerd, uit den mond van den auteur zelven te hooren. Toen

hij er om gevraagd werd, begon Rabi-babu te zingen:

"Nawyawn tomarah payna dekhitay

Tumi rawyacho nawyawnay nawyawnay!

Hridawai tomarah payna janitay,

Hridawai rawyacho gopawnay!" etc.

Het lied luidt--gedeeltelijk--in de vertaling als volgt:

"Mijn oogen kunnen u niet zien, en toch zijt gij altijd voor mijn

oogen. Mijn geest kan u niet omvamen, maar in stilte doet gij mij

altijd uw aanwezigheid gevoelen.

"Evenals die van een verdwaasde, zoo stormt mijn geest her- en

derwaarts, beladen met de wereldsche verlangens van mijn hart, maar

ik kan uw beminnende oogen steeds waakzame wacht zien houden in mijn

slaap of in mijn droom.

"De van vriendschap verlatene en de verlorene kunnen zich altoos zeker

gevoelen van u en van uwe liefde. Zelfs de daklooze zwerver heeft de

troost van zijn huis te hebben in het ééne, dat gij voor ons allen

hebt gebouwd." etc.

Toen de zang geëindigd was, zeide de Maharshi met een veelbeteekenende

trilling in zijn stem: "Ongelukkig voor ons land waardeeren onze

Engelsche heerschers niet en moedigen onze kunsten, onze nijverheid

en onze cultuur niet aan; maar hier is een nederige huldiging van uw

genie door uw vader; de zang was prachtig". En de oude man overhandigde

hem een stuk papier. De dichter-zanger opende het en vond een cheque

van 500 rupees (± $165,--) voor een gedicht van 24 regels. Dit was

Tagore's eerste "Nobelprijs" voor poëzie.

In de stad Urbana, waar Tagore's zoon op school was om moderne

methodes van landbouw te leeren, kwam Koomar Roy uit Chicago den

dichter bezoeken, die in dien tijd in Amerika vertoefde. Na over

verschillende nationale problemen van Indië gesproken te hebben, zeide

Koomar Roy "Ik ben heelemaal van Chicago gekomen om u een bezoek te

brengen, natuurlijk; maar hoofdzakelijk om u te verzoeken meer van uw

werken te vertalen, zoodat de Westersche wereld de schoonheid van onze

Bengali-litteratuur kan apprecieeren. Bengalen is niet geheel en al

"bom" en "oproer", zooals de Engelsche bladen de wereld gelieven in

te lichten.

"Ja, ik ben bezig meer van mijn werken te vertalen", zeide Tagore,

terwijl zijn oogen naar het vloerkleed keken. "Ik ben werkelijk

blijde te zien, dat Gitanjali, mijn eerste Engelsche boek, zoo goed

ontvangen is."

"Ik heb een ander idee bij mijn verzoek aan u om meer van uw werk te

vertalen", zeide Koomar Roy. "Namelijk dit: zoodra gij bekend wordt,

ben ik er absoluut zeker van, dat ge vroeger of later den Nobelprijs

voor poëzie zult winnen. Niemand anders in Indië en Azië heeft die

lauweren gewonnen. Het zal Indië niet alleen een internationalen rang

geven, maar zal een stap voorwaarts zijn op den weg van internationale

broederschap en wereldvrede."

"Kunnen Aziaten voor den prijs in aanmerking komen?", vroeg

Rabindranath.

"Ja, vast en stellig, en gij moet hem winnen."

"Ik ben niet in staat te zeggen of ik hem verdien of niet. Maar ge

kent het vooroordeel--het vooroordeel tegen Aziaten. Indien Aziaten

verkiesbaar zijn, waarom heeft onze Dr. Jagadis Chandra Bose, Indië's

grootste geleerde in moderne tijden, hem niet gekregen?" zeide Tagore

op verontwaardigden toon, terwijl zijn mooie donkere oogen flikkerden.

"Wat het vooroordeel betreft", antwoordde Koomar Roy, "zijn de

Amerikanen en de Britten de ergste zondaars. De continentale Europeanen

hebben zulk een vooroordeel niet, en de kleine maar meer menschelijke

staten als Noorwegen, Zweden en Denemarken hebben wegens de tyrannie

der grootere machten een bijzondere sympathie voor de onderdrukte en

overheerschte volkeren van Azië. En ge kunt er verzekerd van zijn,

dat als het Nobelprijs-comité verneemt van de aangeboren schoonheid

van uw geschriften, het geen oogenblik zal aarzelen zichzelf te eeren

door u te eeren."

"Ge schijnt van plan te zijn om mij den Nobelprijs toe te kennen",

zeide de dichter, terwijl nauwelijks een glimlach om zijn lippen

speelde. "Gij zijt de eerste persoon, die het mij aan de hand

doet. Prachtig, krijg ik hem, dan zal ik oogenblikkelijk een

ambachtschool oprichten in verband met mijn school te Bolpur." Tagore

lachte en vervolgde: "Maar we krijgen vanavond te veel verbeelding"

en het gezelschap lachte mee.

Binnen tien maanden na dit gesprek werd aan Rabindranath Tagore de

Nobelprijs voor dichtkunst toegekend.

Niet alleen Indië of Azië, maar de geheele wereld heeft reden om

zich over het toekennen van den Nobelprijs voor "idealistische

literatuur" aan den Indischen wijze te verheugen. "Die toewijzing",

om de woorden van een Amerikaanschen schrijver te bezigen, "zal de

menschen van het Westen aansporen te onderzoeken wat de menschen van

het Oosten gezegd hebben en nog te zeggen hebben. Ze zal het Oosten

aan het Westen vertolken zooals het Oosten nooit tevoren vertolkt

was. Ze wordt alzoo een historische gebeurtenis, een keerpunt in

het begrijpen van het eene halfrond door het andere." Ze wijdt ook

in den dageraad van een nieuw tijdperk van vriendschap tusschen Oost

en West, die zoo lang vijandig tegenover elkander gestaan hebben in

eeuwenlange worsteling om materieele oppermacht en vergrooting van

grondgebied. De wederzijdsche waardeering van de literatuur, kunsten

en idealen van het Oosten en het Westen, zal de donkere wolken van

internationale verbittering wegvagen en dien dag helpen brengen, waarop

internationale vrede en internationale welwillendheid oppermachtig op

aarde zullen heerschen. Indien de eindpaal van wereldvrede ooit bereikt

wordt, dan zal die bereikt moeten worden langs den weg van een edelen

wedstrijd in innerlijke beschaving tusschen het Oosten en het Westen,

die leiden zal naar de verwerkelijking van de fundamenteele eenheid

van het geheele menschelijk geslacht.

Indien door een noodlottig toeval alle aan gedachten rijke opstellen,

filosophische verhandelingen, romans, aangrijpende korte vertellingen

en drama's van Tagore werden vernietigd, dan zal men zich--zoolang er

menschen in Indië wonen--den naam van Tagore als dien van een groot

dichter van Indië herinneren, want hoe zou men zijn volksliederen

kunnen vergeten! Zijn zangen hebben in het leven van Indië's

volk zulk een onuitwischbaren indruk gemaakt, dat zij alleen met

Indië zelf zouden kunnen vergaan. De redevoeringen der politieke

agitatoren en de opstellen van hoofdartikelschrijvers zijn slechts

speldeprikken vergeleken met de vurige of innige vaderlandsliederen

des dichters. Zijn uitroepen zweepen de kleine rimpelkringen op tot

ware golven van echt patriotisme, die in Indië tegen de rotsen van

egoïsme en provincialisme slaan en deze vergruizelen, om zoodoende

uit een menigte van tegen elkaar strijdende belangetjes een machtig,

homogeen volk te vormen.

Overal worden Tagore's volksliederen gezongen. Wanneer des morgens

bij zonsopgang stralen van goud uit den horizon neerschieten, hoort

men zijn liederen gezongen door Sankirtan-gezelschappen, die door de

straten trekken om de menschen te wekken, opdat zij deelnemen aan de

heilige handeling God en het moederland te eeren. In den brandenden

middag, wanneer de schaapsherders in de schaduw van den banyan-boom

spelen, zingen zij Tagore's liederen. En verder, wanneer het Indische

landschap zich baadt in de roode stralen der ondergaande zon, hoort men

Rabindranath's liederen tot in de scheepswoningen der schippers en uit

den mond der landlieden, die bij scharen huiswaarts keeren. Zij worden

gezongen op nationale congressen, in de gymnastiekplaatsen, door de

bedelaars op hun bedelgangen; zij worden gezongen bij huwelijken en

bij religieuze handelingen.

Er zijn critici die beweren, dat Rabindranath's volksliederen te

week zijn, te vrouwelijk om te voldoen aan de tegenwoordige nooden

van Indië. Het is waar, dat Tagore niet de vurige hartstocht heeft

van Hem Chandra Bandopadhya, noch de mannelijke kracht van Nabin

Chandra Sen; het is ook waar, dat hij zich meer wendt tot de teedere

gemoedselementen, en de andere tot de sterkere. Inderdaad zijn "Slaap

niet meer" van den eerste en eenige strofen uit "De slag van Pallasi"

van den tweede, machtige factoren geweest in de crisis van Indië. Toch

moet een ieder, die meer afweet van de fantastische en diepzinnige

natuur der Hindoes, erkennen, dat van beide

"Ontwaakt, staat op en grijpt naar de overwinning; werpt neer

den staf der overheerschers!"

en

"Uw moederland lijdt honger en verkwijnt! Wie anders dan een

plichtgetrouwe zoon kan zijner moeder zorgen lenigen!"

de laatste zich sterker tot de ziel der Hindoes wendt en een meer

durenden invloed uitoefent. Rabindranath volgt beslist den laatsten

weg. Hij idealiseert het moederland, doordat hij in zijn lezer even

zoovele snaren als zijn gemoedsontroeringen aanslaat. Hij spreekt

van zijn golvende rijstvelden, lachende bloesems en geurende bloemen,

zingende vogels, murmelende beekjes, eerbiedwekkende bergen, rumoerige

bazar's, vriendelijke huizen, gevulde rijstschuren en speelplaatsen

vol lieve, kleine, naakte kinderen--en die alle bekleedt hij met

de heilige liefde voor zijn moederland, Bharat Mata, zooals het in

Indië heet. Onophoudelijk behandelt hij de zaak van Indië, op honderd

verschillende wijzen, en steeds in onnavolgbaren stijl.

"O, moederland, ik geef aan u mijn lichaam; want u wil ik mijn

heele leven wijden; ik stort om u mijn tranen, en mijn Muze zal

altijd uwen roem en lof bezingen. En of mijn armen kracht- en

hulploos zijn, zij zullen toch de daden wel verrichten, die uwe

zaak alleen maar dienen kunnen; ofschoon mijn zwaard van schande

roestig is, toch zal het ééns den band der knechtschap snijden,

o, mijne lieve moeder!"

Op een andere plaats berispt hij het moederland, terwijl hij zegt:

"O, moeder, zult gij waarlijk uwe kind'ren als beed'laars aan

de deur der vreemden sturen, die toch, wanneer zij zien den

bedelstaf, beginnen hen te haten en met steenen naar hen te werpen

in verachting? Zeg, o moeder!"

Hier protesteert hij tegen "de politiek van bedelarij" en spoort

zijn landgenooten aan om zelve alle krachten in te spannen teneinde

land en volk vooruit te brengen. In een essay heet het: "Wanneer het

bereiken van een ideaal niet ook van onze eigen krachten afhangt, doch

uitsluitend van de liefdadigheid van anderen, wordt zulks onwaardig

en beleedigend voor ons, en voor den gever ook schadelijk...."

In een ander gedicht troost hij het moederland en berispt hij zijn

landgenooten, die zich van de zaak van het volk hebben afgewend:

"Niets kunt gij van uwe kinderen hopen, Moeder; want zij zullen

niets u geven, schoon gij hun in uwe groote goedheid alles geeft,

wat gij ook maar bezit: lucht en water, rijst en geesteswelvaart. O

vergeef den ondankbaren kinderen, die zooveel beloofd, en bij

den eersten ademtocht reeds hun belofte breken!"

Een Engelschmanhater is Tagore in geenen deele: daarvoor is hij behalve

een dichter ook een wijze, die, schoon met droefheid, toch met geduld

en ootmoed het lot van een onderworpen volk draagt, omdat hij in de

vernedering van zijn landgenooten God's voorzienigheid aanschouwt en

in het duistere heden van zijn land voorvoelt den dageraad van een

betere toekomst.

Liefde, zwier, deemoed en de geest van opoffering bezielen zijn

patriotische gedichten; maar daarin is niet één spoor te vinden

van toorn, ijverzucht en haat tegen wien ook in de wereld. Hierin

verschilt hij van den radicalen nationalist van bloed en ijzer. In

zijn ziekelijken haat tegen de Britten en in zijn verlangen dezen

met al hun koffers en bagage uit Indië te verdrijven verliest de

radicaal veel van het evenwicht, dat noodig is om helder en klaar te

kunnen denken. Zoo staart hij zich welhaast blind op het uitwendige

en vergeet ook kennis te nemen van de inwendige oorzaken, die leiden

tot politieke misstanden en kwalen. Het is een slechte dokter, die

alleen zachte zalf zou willen smeren op de huid van een pokkenlijder.

"Maar", bijt de radicaal terug, "indien van buitenaf de atmospheer

en de omgeving de inwendige storingen teweeg brengen, welke uitbreken

in een kwaal, dan kunt ge den patient wel genezen, maar hij zal toch

weer instorten.

"Als die ééne patiënt sterft, laat hem dan sterven, maar maak de

omgeving zuiver, opdat duizend anderen kunnen blijven leven."

"Ja, ge hebt gelijk," zal Tagore daarop antwoorden, "doch wanneer het

inwendige niet gezond is, dan zal het een kwaal uitbroeden, hoe rein

de omgeving ook moge wezen. Maar ik ga volkomen met U mee, indien

gij hervormingen op uzelven wilt aanbrengen, die zoowel inwendig als

uitwendig werken."

Het hedendaagsche probleem van Indië is, volgens Tagore, niet

van politieken aard. De Hindoes zullen nimmer in staat zijn hun

levensvoorwaarden hooger op te voeren, tenzij zij zich ontdoen van

een zekere engheid van geest en zwakheid van karakter. Al het gif van

onkunde, onverschilligheid en tweedracht in de Hindoe-maatschappij

staan der volle ontwikkeling der Indiërs in den weg. Daartegen moet

de strijd gestreden worden.

De Indiërs moeten zich oefenen in het uitbreiden van hun gezichtskring

buiten het gezin en buiten het dorp tot wijder cirkels. Zij moeten de

hagen van versleten gewoonten uitroeien en hun socialen bodem beploegen

voor hoogere doeleinden dan alleen om "te tuinieren in het klein".

"Laat ons in de eerste plaats onze maatschappij van de tyrannie

van bekrompen zeden bevrijden en haar wijden aan een geest van

liberaliteit. Dat is onze eerste plicht", roept Tagore uit.

Het was met het oogmerk "den socialen bodem te beploegen" en

de Indische maatschappij van "bekrompen zeden te bevrijden" door

middel van inwendige verlichting, dat hij naar de eenzaamheid ging,

niet om zijn dagen in ledigheid door te brengen, maar om in zijn

Shanti Niketan-school menschen te vormen voor den dienst van het

moederland. [17]

Het is, omdat Tagore den moreelen moed bezit, den vinger te leggen

op de wonde plekken der Indische maatschappij, dat een Indiër zelf

zich op deze hatelijke wijze uitliet over den dichter, voor wien God

zijn voortdurende metgezel en Indië het voortdurende object zijner

gedachten zijn: "Ik zou Tagore's gezicht niet eens willen zien: ik

zou de straat niet eens willen oversteken om hem te ontmoeten. Zelfs

een ongeletterde koopman in Indische goederen, die onder valsche

beschuldiging naar de gevangenis is gebracht, staat in mijn achting

hooger dan de groote dichter, een moreele lafaard, die zijn eigen

woorden inslikt en daarna zich terugtrekt in de eenzaamheid."

Dat Tagore niet deelneemt aan actieve politiek van het oude regime,

en niet de gebruikelijke methoden van den "nationalist" tot de zijne

maakt, dat kan een groot deel zijner landgenooten hem niet vergeven.

Dat een man, die om zijn gematigdheid en om zijn afkeer van geweld

zelfs door zijn landgenooten voor "overlooper" wordt uitgemaakt,

thans front maakt tegen de Britsche politiek, naar aanleiding van

het Amritsar-bloedbad en voor de "eer van Engelsch ridder" te zijn

bedankt, geeft te denken.

Het geeft ons een vaag vermoeden van ongehoorde geweldmaatregelen van

dezelfde soort, waardoor de naam van het Britsche imperium in de ooren

van onderdrukte volkeren zulk een schrikwekkenden klank heeft gekregen.

Mogen echter de Britsche politici van de gevreesde soort eens

denken aan hetgeen Tagore over het imperialisme heeft gezegd:

"Een groep van het menschelijk ras kan niet eeuwig sterk blijven

door een andere groep van haar inhaerente rechten te berooven;

Dharma (rechtvaardigheid) hangt af van de evenwichtige schikking der

dingen. Wanneer dit evenwicht verstoord, de orde ontwricht wordt,

dan begint de rechtvaardigheid te dalen. De Britten zijn machtig

geworden door het bezit van het Indische Rijk, en indien zij wenschen,

dat Indië zwak blijft, dan kan dat eenzijdig voordeel niet lang duren;

dan is het gedoemd, om zijn eigen doel illusoir te maken. De zwakheid

van het ongewapende, door honger en door armoe uitgemergelde Indië,

zal de oorzaak worden van de ineenstorting van het Britsche Imperium."

"Slechts zeer weinige menschen kunnen een breeden blik hebben in

politieke inzichten. Indien de inhalige Britsche politici begonnen

te peinzen over de onmogelijke taak Indië in eeuwige onderwerping te

houden, dan zouden zij terzelfder tijd de middelen vergeten om Indië

voor langen tijd te onderdrukken. Want Indië eeuwig te willen behouden

is een onmogelijkheid, omdat dit tegen de wet van het Universum is;

zelfs de boomen moeten zich van hunne vruchten afscheiden. De poging

om Indië te blijven binden aan de ketting der slavernij maakt de

knoop slechts losser en verkort den tijd van mogelijke onvrijheid."

Doch Tagore is meer dan slechts Indisch nationalist, hij is een

"universeele nationalist", een vertegenwoordiger van de wijd over de

wereld verspreide humaniteit.

Zijn universalisme heeft den hoogsten graad van volkomenheid

bereikt. Als een idealist van de twintigste eeuw gelooft hij aan

de éénheid van het menschelijk geslacht--een éénheid in den rijkdom

van haar verscheidenheid. Hij gelooft, dat het aanwezig zijn van de

nationale, raziale, credale, continentale elementen en hun samenwerken

in de menschelijke samenleving wezenlijk noodig is voor de ontwikkeling

van de wereld, evenals de organen van het lichaam wezenlijk noodig

zijn voor de normale ontwikkeling van den mensch. Hij is van oordeel,

dat, evenals de taak van de roos ligt in de ontplooiing van haar

bloembladen, zoo ook de roos der humaniteit slechts volkomen is,

wanneer de verschillende rassen en volkeren hun geheel van elkaar

verschillende karakteristieke eigenschappen ontvouwd hebben, die

alle echter op den stam der humaniteit door den band der liefde

zijn bevestigd.

Dit is de reden, waarom hij gelooft, dat het Oosten en het Westen

hun bijzonder leven te leiden en hun bijzondere roeping te vervullen

hebben--maar hun einddoel is hetzelfde. Zoo sprak hij op een banket,

dat de litteratoren van Engeland en Ierland hem eens aangeboden

hadden: "Ik heb geleerd, dat wij, ofschoon onze talen en onze zeden

ongelijksoortig zijn, dat wij in den grond van ons hart één zijn. De

monsumwolken, die zich vormen aan de oevers van den Nijl, bevruchten

de ver verwijderde korenakkers aan den Ganges; gedachten moeten van de

oostelijke naar de westelijke kusten gaan om een welkomstgroet in de

menschenharten te vinden en om tot vervulling te komen. Oost is Oost,

en West is West--God behoede, dat het anders zou worden--maar beide

moeten tot elkaar in vriendschap, vrede en goede verstandhouding komen;

hun ontmoeting zal des te vruchtbaarder zijn--die moet beide tot een

heilig huwelijk leiden op het altaar der menschelijkheid".

Of Tagore van den aanvang af éénstemmig door zijn landgenooten

gewaardeerd werd als nationaal dichter? Neen; ook hij heeft, als alle

profeten, in zijn eigen land verguizing en miskenning ondervonden. Men

noemde hem, zooals ik reeds vermeldde, "overlooper" en "moreele

lafaard", omdat hij zijn pen niet heeft laten leenen ten dienste van

de politiek van het geweld. Iemand zeide: "als Tagore beproefd had

gedichten te schrijven als de Raibatak of de Kurukshétra van Nabin

Chandra Sen, dan zou zijn lyrisch brein uit elkaar gespat zijn vóórdat

hij nog twee strofen daarvan had kunnen beëindigen." De grootste

grief van sommige heethoofdige patriotten tegen Tagore was, dat hij

hun met zijn gedichten geen bloedige visioenen voortooverde. Maar

zij vergaten, dat meer dan eens een revolutionair als martelaar voor

het vaderland stierf met een gebed of lied van Tagore op de lippen,

en daaruit de kracht putte om den dood te overwinnen. Zij vergaten

ook, dat het Tagore's lyriek en universalisme zijn geweest, die de

aandacht en de bewondering van heel de wereld op Bengalen en Indië

hebben gericht. Basanta Koomar Roy noemt Tagore een universeele

nationalist, wiens vaderlandsliefde niet is exclusief en arrogant en

welke de beschavingen van alle andere volkeren minderwaardig acht dan

de vaderlandsche cultuur. Daarom weigert Tagore beslist om strijd

als het eerste en laatste middel te erkennen om tot grootheid te

geraken. Tagore's vaderlandsliefde is evenals zijn andere liefden: een

"liefde, die wel de geliefde tot haar middelpunt kiest, maar daarnaast

zachte vriendelijkheid over het heelal verspreidt en daardoor een

duurzaamheid bezit, onaantastbaar door goden en menschen."

Men treft in elk land en onder elk volk--vooral daar, waar het

nationalisme aan het opkomen is--een groep van menschen aan, die

"strijd" in hun banier hebben geschreven.

Men zou op de vragen dier militante naturen "Waarom geen strijd? Is

strijd niet het eenige op de wereld, dat jonge mannen tot geestdrift

bewegen kan?" hartgrondig kunnen antwoorden: "natuurlijk, wèl

strijd". "Natuurlijk", want daarover zijn wij menschen het roerend met

elkander ééns, dat het leven één strijd is, een strijd, waar niemand

buiten kan, niet alleen jonge mannen maar ook ouderen, àlle wezens

zelfs. Zònder strijd zou het leven niet bestaanbaar zijn. Goed en

kwaad, licht en donker, dat zijn de elementen, die elkaar voortdurend

bekampen.... en ten slotte de volle waarde en schoonheid geven aan

het leven. Ware dit anders, de geheele schepping zou gebleven zijn

in den schoot van den Onnoembare.

Strijd is leven, strijd is zijn, strijd is; dat bedoelde reeds

Heraclitus met te zeggen, dat alles ontstaan is door "vuur" als de

kracht, die alle veranderingen en omwentelingen teweeg brengt en

regelt. Positiever drukt hij zich uit met deze woorden: "Strijd is

de vader van alle dingen".

De vraag rijst nu: "Wat is het ideaal van den mensch, levende

in deze groote wereld, dezen macrocosmos vol tegenstellingen en

strijd?" Is de eerste en grootste taak van den mensch deel te nemen

aan dezen algemeenen kamp, zich vijandig te stellen tegenover de hem

omringende wereld; of is er voor hem nog iets anders te doen dan in

de allereerste plaats toegeven aan deze instincten, welke hij met de

dieren gemeen heeft?

Er doet zich echter deze merkwaardigheid voor: de mensch, levende

in dit heelal van strijd, draagt in zijn eigen boezem een wereld,

waarin de strijders als bittere vijanden tegenover elkander

geschaard staan. Deze microcosmos, het heelal in hem zelven, maakt

het mysterie van den mensch uit, is tevens het criterium van het

mensch-zijn. Daaraan dankt de mensch de bijzondere plaats, welke

hem in de schepping wordt toegekend door de denkende wezens, of zij

Darwinisten zijn of geloovigen, die het bijbelsche scheppingsverhaal

over het ontstaan van het menschelijk geslacht als openbaring van

God-zelven beschouwen.

Daar nu, zooals we reeds zeiden, leven strijden beteekent, kan het niet

anders of het ideaal van den mensch moet ook "strijd" heeten. Doch

wij worden voor het dilemma gesteld: "Moeten wij den strijd beginnen

in den microcosmos of in den macrocosmos?"

In het verschil van antwoord op deze vraag nu, ligt, mijns bedunkens,

het wezenlijk onderscheid tusschen het Westen en het Oosten. Terwijl

de Westerling, in het algemeen gesproken, meer den nadruk legt op den

strijd in den macrocosmos, slaat de Oosterling meer den blik naar

binnen en acht het als de eerste taak van den mensch om den strijd

in zijn eigen, innerlijke wereld uit te strijden. Natuurlijk ziet men

zich op sommige momenten in het leven geplaatst voor het feit, dat men

den uitwendigen strijd moèt strijden. Ons innerlijk zegt dan: het kàn

niet anders. In die gevallen moge men dan moed en begeestering putten

uit de wijsheid van de Bhagavad Gîta, ofschoon de schoone wijsheid van

dit gedicht door politici te veel wordt misbruikt als leuzen voor den

uitwendigen kamp, terwijl ik geneigd ben dit werk eer te beschouwen als

een schildering, een verbeelding van den strijd in ons binnenste. Doch

zoolang wij ons, innerlijk, nog niet genoopt gevoelen den uitwendigen

strijd te aanvaarden, zóólang, dunkt mij, is de voornaamste en eerste

opgave van den mensch den strijd in zich-zelven te strijden.

Hoe moet men zich nu tegenover de uitwendige wereld gedragen, en op

welke wijze moet men den strijd in zich-zelven voeren? Het antwoord

op de eerste vraag geeft implicite het antwoord op de tweede, en ik

meen dit gevonden te hebben in de serie van Tagore's "lectures",

bijeenverzameld in het boek Sadhana, dat ik mijnen landgenooten

ter lezing wèl aanbeveel. [18] Het ligt buiten het bestek van deze

schets om uitvoerig dit boek te bespreken. Ik laat hier een kort

resumé volgen van Tagore's vredelievende wereldinzicht, dat ik wilde

stellen tegenover het offensieve van de patriotten der ijzeren garde.

"In Indië was het in de wouden, dat onze beschaving haar geboorte

vond, en zij nam een bepaald karakter aan, overeenstemmend met haar

oorsprong en omgeving. Zij werd omringd door het uitgestrekte leven

der natuur, werd door haar gevoed en gekleed en had het innigst en

voortdurend contact met haar wisselende aspecten.

Men zou kunnen denken, dat zulk een leven de verstomping van het

menschelijk verstand en de verzwakking der prikkels om vooruit te komen

tengevolge zou hebben, daar de standaard van het bestaan laag werd

gehouden. Maar in het oude Indië vinden wij, dat de omstandigheden

van het woud-leven den geest des menschen niet verwonnen en niet

de ontwikkeling van zijn wilskracht verzwakten, doch slechts aan

die ontwikkeling een bijzondere richting gaven. Daar de mensch in

voortdurend contact was met den levendigen groei der natuur, was

zijn geest vrij van de begeerte om zijn gebied uit te breiden door

rondom zijn bezittingen begrenzende muren op te richten. Zijn doel

was niet te winnen, maar te realiseeren, zijn bewustzijn te verbreeden

door te groeien mèt en in zijn omgeving. Hij voelde, dat de waarheid

al-omvattend is, dat er niet zoo iets is van absolute afgescheidenheid

in het bestaan, en dat de eenige weg om de waarheid te kennen is:

het dóórdringen van ons wezen in alle voorwerpen. De groote harmonie

tusschen den menschelijken geest en den wereld-geest te realiseeren,

dat was het verlangen der woud-bewonende wijzen van het oude Indië."--

Ook in de latere ontwikkeling der beschaving, zelfs in zijn materieele

welvaart bleef het hart van Indië steeds met aanbidding terugzien

naar het vroegere ideaal van zelf-realisatie, en naar de waardigheid

van het eenvoudige leven van woudhermitage en trok het zijn schoonste

inspiraties uit de wijsheid, aldaar vergaard.

"Het Westen schijnt trotsch te zijn op het denkbeeld, dat het de natuur

onderwerpt, alsof we leven te midden van een ons vijandige wereld,

waar wij elk ding, wat wij noodig hebben, te ontwringen hebben aan

een ons ongenegen schikking der dingen."

"In Indië was het gezichtspunt anders; het omvatte de wereld met

den mensch als één groote waarheid. Indië zette al den nadruk op de

harmonie, die bestaat tusschen het individueele en het universeele. Het

voelt, dat wij geen enkele verbinding hebben met het ons omringende,

indien dit geheel en al vreemd aan ons was."

"De Indische geest heeft nooit geaarzeld om verwantschap met de natuur

te erkennen, zijn onverbroken betrekking met het al. De fundamenteele

eenheid in de schepping was niet eenvoudig een philosophische idee

van Indië, het was zijn levensdoel om deze groote harmonie in gevoel

en daad te realiseeren. Met meditatie en eeredienst, met regeling van

zijn leven kweekte hij zijn bewustzijn op in die richting, dat elk ding

en elk wezen een geestelijke beteekenis voor hem had. Aarde, water

en licht, vruchten en bloemen, waren voor hem niet slechts physische

verschijningen om tot gebruik te worden aangewend en dan terzijde

gelegd. Zij waren hem noodzakelijk voor zijn reiken naar het ideaal van

volmaaktheid, zooals iedere noot noodzakelijk is voor de volmaaktheid

der symphonie. Indië voelde instinctief, dat de wezenlijkheid van

deze wereld voor ons haar levensbeteekenis heeft; wij moeten hiervoor

volgevoelig wezen en een bewuste betrekking daarmee in het leven

roepen, niet alleen gedreven door wetenschappelijke nieuwsgierigheid

of begeerte naar materieel voordeel, maar we moeten die realiseeren in

den geest van sympathie en met een groot gevoel van vreugde en vrede."

"De man van wetenschap weet, van een zeker standpunt, dat de wereld

niet slechts dat is, wat zij schijnt te zijn voor onze zinnen; hij

weet, dat aarde en water in werkelijkheid het spel is van krachten,

die zich aan ons voordoen als aarde en water--hóe, dat vatten wij

slechts gedeeltelijk. De mensch, die zijn geestelijke oogen open heeft,

weet op gelijke wijze, dat de groote waarheid omtrent aarde en water

ligt in onze bevatting van den eeuwigen Wil, die werkt in den tijd

en gestalte neemt in de krachten, welke wij in deze verschijnselen

realiseeren. Dit is niet alleen kennis, zooals wetenschap is, maar

het is een voorschrift van de ziel door de ziel. Dit leidt ons niet

tot macht, zooals wetenschap doet, maar het geeft ons vreugde, welke

het product is van de vereening van verwante dingen. De mensch, wiens

bekendheid met de wereld hem niet verder leidt dan de wetenschap hem

leidt, zal nooit begrijpen wat dit is, dat de geestelijke visie in

deze natuurlijke verschijnselen vindt. Het water reinigt niet alleen

zijn ledematen, maar het zuivert ook zijn hart; want dit raakt zijn

ziel aan. De aarde steunt niet alleen zijn lichaam, maar zij verheugt

zijn geest, want haar aanraking is méér dan een physisch contact--zij

is een levend gezelschap. Wanneer een mensch zijn verwantschap met de

wereld niet realiseert, dan leeft hij in een gevangenis, wier muren hem

vijandig zijn. Wanneer hij den eeuwigen Geest in alle dingen ontmoet,

dan is hij vrij, want dan ontdekt hij de volste beteekenis van de

wereld, waarin hij geboren is; dan vindt hij zichzelven in volmaakte

waarheid, en zijn harmonie met het al is gevestigd."

"Het is niet waar, dat Indië getracht heeft de waarde-verschillen in

verschillende dingen (m.a.w. den strijd der tegenstellingen in den

macrocosmos N. S.) te ontkennen, want zij weet, dat deze ontkenning

het leven onmogelijk zou maken. Het besef van de superioriteit van

den mensch in de scala der schepping (het bezit van den microcosmos,

die den mensch stempelt tot een redelijk wezen. N. S.) is nooit in

zijn geest afwezig geweest. Maar het heeft zijn eigen idee omtrent

datgene, waarin zijn superioriteit in waarheid bestaat. Het is niet

in de macht van het bezit, maar in de macht van vereening."

"Indië wist, dat wanneer wij door physische en geestelijke grenzen

ons afscheiden van het onuitputtelijke leven der natuur; wanneer wij

slechts menschen zijn, en niet mensch in het heelal; wanneer wij ons

zelven uitsluiten van de levenwekkende en zuiver makende aanraking

van het Oneindige..., dat wij dan verwarde problemen in het leven

roepen." "Dan is het, dat de mensch zijn innerlijk perspectief mist en

zijn grootheid meet met massa's en niet door zijn levende schakel met

het Oneindige, zijn werkdadigheid beoordeelt naar haar beweeglijkheid

en niet naar de rust van volmaaktheid--de rust, welke is in den met

sterren bezaaiden hemel, in den steeds vloeienden, rythmischen dans

der schepping."

"Onze betrekking met het al te realiseeren, in elk ding dóór te

dringen door de vereening met God werd dus in Indië beschouwd als

het uiterste eind en de vervulling der menschelijkheid.

Een mensch kan vernielen en plunderen, winnen en vergaren, uitvinden en

ontdekken, maar hij is groot, omdat zijn ziel alles omvat. Het is een

verderf voor hem, wanneer hij zijn ziel omhult in een doode schelp van

verharde gewoonten, wanneer een blinde werk-woede rondom hun dwarrelt

gelijk een wervelstorm, die den horizon met stof verduistert. Dat

doodt inderdaad den waren geest van zijn wezen, welke de geest is

van omvatting. In het diepste wezen is de mensch geen slaaf nòch van

zichzelven nòch van de wereld; maar hij is een minnaar. Zijn vrijheid

en volmaking liggen in liefde, welke een andere naam is voor volmaakt

begrijpen. Door deze kracht van omvatting, deze doordringing van zijn

wezen, wordt hij vereenigd met den al-doordringenden Geest, die ook

is de adem van zijne ziel. Waar een mensch tracht zichzelven op te

heffen, uit te steken boven anderen, door deze weg te duwen en uit te

stooten, die tracht een onderscheiding te bereiken, waarbij hij zich

laat voorstaan méér te zijn dan ieder ander, daar is hij vervreemd

van dien Geest. Dat is, waarom de Upanishads hen, die het doel van het

menschelijk leven bereikt hebben, beschrijven als "vrede-vol" en als

"één met God", daarmee bedoelende, dat zij in volmaakte harmonie zijn

met mensch en natuur, en daarom in ongestoorde éénheid met God."

Ziehier in korte trekken een levensbeschouwing, die

overweldigend-grootsch is door haar levendigen, verheven zin voor

universeele liefde, welke ook beteekent de elementen van ons lager

ego te bekampen, den strijd in den microcosmos te volvoeren. Dit is de

boodschap, die de groote dichter-philosoof, in wiens kunst de wijsheid

van den vader, den "Maharshi", als het ware is geïncarneerd, te brengen

heeft aan de menschheid in dezen door ontzettende oorlogen ontwrichtten

tijd, vrucht ongetwijfeld van al te ver doorgevoerde levensbeschouwing,

dat strijd van den mensch in den macrocosmos een levensbeginsel is.

Kan echter deze dichter, die het Universum lief heeft, wel liefde

gevoelen voor zijn land, dat toch slechts een klein stukje is

van de wereld? Kan Rabindranath Tagore voor zijn volk wel een

nationaal dichter zijn, een dichter van slechts een klein stukje der

groote menschheid? Méér dan dit; Tagore is niet alleen nationaal

dichter, maar hij is nationalistisch, doch zijn patriotisme is

geen hoera-patriotisme. Hij vraagt voor zijn land en zijn volk geen

politieke vrijheid in de eerste plaats, een vrijheid, die een eeuw,

twee eeuwen kan duren, maar méér dan dit, want luistert maar eens

naar zijn gebed voor zijn volk, vers XXXV uit de Gitanjali, dat in

de Javaansche overzetting van Prins Mangkoe Nagoro luidt:

Hing don kang jatnjo tanpa-djrih mjang kang moeko toemengo,

Hing don kang kawroeh mardiko,

Hing don kang bawono tan pinétaq-pétaq hing papagerring groho,

Hing don kang witjoro timboel sing gandjoeto-lajaning njoto,

Hing don kang sedjo hadreng joen mangrang­sang mring paripoerno,

Hing don kang wenienging hili boedojo maksih doeroeng léno,

handjog hing samódro-pasirring kang tototjoro,

Hing don kang jatnjo tinoentoen hing siro, loemebwèng ngen-angen

mjang bowo, kangsani­tyoso melarken wiarnjo;

Hing swargo mardikéko, doeh Bopo, siro ma­rengno bangsambo

manglilir sing néndranjo.

Rabindranath Tagore: Een biografische Schets · 第 9 / 11 题