Ik zoek wat ik niet krijgen kan, ik krijg wat ik niet zoek." [3]

Dit is dus een terugblik op de periode, toen hij als epicurist en

bon-vivant leefde. Elegante kleeding uit de kostbaarste zijden stoffen,

lekkere spijzen, vurige romans, gloeiende liefdes-gedichten--dat

waren de dingen, die zijn belangstelling geheel in beslag namen. In

zijn Jiban Smriti bekent hij openhartig, dat hij in dien tijd geen

betrekkingen onderhield met den traditioneelen geestelijken stroom

in zijn familie. Toch lag in zijn diepste "ik" steeds een sterken

ondergrond van de geestelijke natuur, die hij van zijn vader geërfd

had.

Ontkend kan niet worden, dat niettegenstaande dien diepen ondergrond,

vele zijner jeugdgedichten door den bovenstroom zijns levens sterk

waren gekleurd. Inderdaad verwekten eenige daarvan de ergernis der oude

Hindoe-moralisten. Toen op zekeren dag in een Indisch studentenpension

iemand een van Tagore's liederen zong, riepen eenige jonge mannen uit:

"Waarvoor dat gemeene lied?" Hun werd geantwoord, dat het een van

Rabi Babu's liederen was, maar zij wilden het niet gelooven, totdat

hun de gedrukte verzen werden getoond. Toen gaven zij toe, dat achter

de luchtige, ietwat zwoele woorden, een diepere zin verborgen lag. Het

lied luidt ongeveer:

"Hierheen, mijn liefste, kom hierheen!

O kom in mijnen tuin der vreugde binnen

en zie, hoe heerlijk mijne bloemen bloeien.

Zacht waait de wind met bloemengeur beladen;

het maanlicht schemert zacht en murmelnd springt

een zilver-beekje uit 't woudpad vroolijk af.

Hierheen, mijn liefste, kom hierheen!

Laat ons elkaâr des harten diepte toonen

de bloemen zaam'lend der onsterflijkheid.

Wij zullen in verterende verrukking

de ééne voor den ander kransen winden.

Wij zullen naar de sterren kijken lang,

tot zij verbleeken in den morgenschemer.

In dezen onzen rijk-getooiden hof,

geliefde, zullen wij voor immer blijven

en liedren zingen in uitbund'ge vreugde.

Hier zullen onze harten in 't geheim'nis

en 't wondre raadsel van dit leven sidderen.

Ja, en de dagen en de nachten zullen

voorbij ons gaan, als waren zij visioenen

des liefde-gods, en vol verlangen zullen

wij beiden slechts van eeuw'ge vreugde droomen."

In het gedicht "De Bayadère" verbindt hij het zinnelijk-erotische

met edele menschelijkheid.

"In 't stof der wegen, voor Mathura's poorten,

lag slapend Upagupta uitgestrekt.

Gesloten was de poort, gedoofd de lichten,

des hemels glans met wolken overdekt.

Daar stiet zich lichtlijk tegen 't lijf des vromen

een vrouwenvoet: luid klonk haar enkelring.

Ontwaakt zag hij een lamplicht siddrend beven

en oogen met een blijde tinteling.

Het lichaam van den wijn der jeugd nog dronken

en van de pracht van edelsteen verzaad'

zoo stond voor Buddha's knecht de Bayadère

en vroeg verbaasd "Wat doet gij hier zoo laat?

Niet uwer waardig is het stof der wegen,

O wees mij wèlgezind en volg mij nu!"

.... "Ga dan vooraan, gij schoonste aller schoonen,

zoodra het tijd is, kom ik wel bij u!"

Een bliksemstraal doorschoot het nachtlijk duister

toen Upagupta zoo gesproken had.

Vreesachtig vluchtte naar de stad de schoone

lang nagestaard door oogen, droef en mat.

-- -- -- -- -- -- -- -- -- --

-- -- -- -- -- -- -- -- -- --

En maanden gingen onder storm en regen,

zij hebben Upagupta nooit gestoord.

De lente kwam; daar schetterden schalmeien--

de heil'ge schreed toen langzaam naar de poort.

Wie lag daar voor Mathura's hooge muren

in 't stof der straten weenend uitgestrekt,

van pijnen trillend en haar jeugdig lichaam

met zwarte zweren schriklijk overdekt?

Der pest ten prooi, ach zij, de Bayadère!

Door hare vrienden uit de stad verjaagd!

Niet één heeft haar gelaafd de droge lippen,

door woest verlangen naar één teug geplaagd.

Toen zette zich de monnik naast haar neder

en nam haar smartlijk hoofd in zijnen schoot,

en laafde haar en zalfde hare wonden:

haar reddend uit de klauwen van den dood.

"Wie zijt gij dan?" vroeg toen de Bayadère.

"Engel van medelij, ach, zeg mij nu!"

... "Ik heb u eenmaal vast beloofd te volgen

zoodra het tijd is... en ik ben bij u". [4]

De Hindoe's van den ouden stempel werden op Rabindranath zeer ontstemd,

daar zij dachten, dat hij de jeugd van Indië door de zinnelijkheid

zijner liefdes-poëzie en liederen ging demoraliseeren; in het

bijzonder gold dit de verzamelingen "Liefde" (Prem), "Jeugddroomen"

(Jouban Sapna) en het lyrische drama Chitrangada. Tagore werd er van

verdacht het romantisme van het Westen in Indië te willen invoeren

en zich te willen afscheiden van den klassieken ernst, waarmee

de Indische litteratuur de menschelijke hartstochten placht te

behandelen. Maar in hun ijver om voor de Indische jeugd de zaligheid

der Nirwana-onwetendheid te bewaren, vergaten die moralisten, dat in

de geschriften van den jongen dichter niets was te bespeuren van de

soms ruwe gemeenheid van een vroegeren Bengaalschen dichter, Bharat

Chandra Rai Gunakar, die door de Bengaalsche jeugd maar al te ijverig

werd gelezen.

Terwijl Tagore den tijd verdeelde tusschen het verblijf in zijn

paleisachtig huis te Calcutta en dat in Shanti Niketan te Bolpur, kwam

hij dáár in aanraking met de drukte, het rumoer en de politiek in de

maatschappij, en hìer putte hij uit de inspiratie van de natuur en van

de stilte de krachten voor zijn innerlijken groei. Intusschen vloeide

steeds de stroom van stukken, opstellen, liederen en gedichten. Zooals

de beide uitwendige krachten, vertegenwoordigd in Calcutta en Shanti

Niketan, op elkaar inwerkten, zoo streden ook in zijn binnenste de

tegenstroomingen der zinnelijkheid en des geestes om eindelijk te

komen tot volkomen harmonie. In de periode van zijn twijfel, zijn

vertwijfeling en onzekerheid schreef de dichter gedichten als "De

roeping der Zorg", "Klacht van het Geluk", "Vertwijfeling der Hoop".

Eindelijk kwam de diepere tegenstroom der geestelijke natuur weder

aan de oppervlakte en nu werd zijn leven ten volle van den geest

dezer wedergeboorte doordrongen. Hij vond nu, wat hij steeds gezocht

had. Van dezen ommekeer in zijn leven lezen wij in een brief: "Op een

morgen van uit mijn verandah zag ik de zon opgaan boven het loof der

boomen in den tuin; de schellen vielen mij van de oogen. Een zeldzame

glans overspreidde de heele wereld rondom mij--zaligheid en schoonheid

schenen over de gansche wereld als zeegolven te ruischen.... Toen bleef

mij niemand of niets--wat het ook zij--onwelkom. Wanneer de lieden,

wier gezelschap mij voorheen onaangenaam was, naderden, zou mijn hart

mij vooruit hebben willen loopen om hun welkom te heeten. Zelfs de

grove gestalten en gelaatstrekken van eenige arbeiders, die langs de

straat gingen, hadden een innerlijken glans voor mij".

Met de verandering in den mensch veranderden ook toon en karakter

zijner gedichten. Tot aan den rand gevuld met liefde voor God en

voor deze wereld, voelde hij niets, schreef hij niets, wat niet

door liefde-gedachten voor het geestelijk leven, voor de eeuwige

schoonheid en liefelijkheid der natuur was doordrongen. De zon, de

maan, de sterren aan den hemel, de boomen en de bloemen op de aarde,

zij spraken tot hem in een taal van liefde voor het hoogste Wezen,

wiens handwerk zij zijn.

Het vermengen van aardsche en hemelsche elementen is een typische

karaktertrek van den Indo-Arischen geest. Daarom zal een Indiër,

wanneer hij voorbeelden van Tagore's mystieke gedichten moet opnoemen,

niet aarzelen om ook uit De Hoovenier, die "lyrische gedichten over

liefde en leven", zijn keuze te doen. Deze gedichten zijn bloemen, die

de dichter ons uit zijnen tuin aanbiedt; vandaar de titel. Westerlingen

houden liever godsdienstige en minnedichten uit elkaar. De Oosterling

daarentegen ziet ook in de aardsche liefde een afglans van de liefde

tot God en zoo tracht ook Tagore den glans van het hoogere licht

binnen te laten, opdat Gods licht onze aardsche vreugde en ons

aardsch werk moge beschijnen en deze aardsche dingen veranderen in

hemelsche. Tagore's minnedichten voeren ons op tot die geestelijke

hoogten, waar menschelijke liefde door die hooge liefde doordrongen

wordt en verandert van aanschijn. Zijn poëzie is in waarheid "het

aardsche dialect van een hemelsche taal".

In een bloemlezing van Tagore's mystieke poëzie, door K. S. Ramaswami

Sastri, vind ik o.a. het volgende heerlijke vers uit De Hoovenier:

"Gij zijt de avondwolk, die aan den hemel mijner droomen drijft.

Ik kleur u en boetseer u altijd-door met mijn liefde-verlangen.

Gij zijt mijn eigen, mijn eigen, Bewoonster van mijn eindelooze

droomen.

Uw voeten zijn roozerood door den gloed van mijn hartsbegeeren,

Sprokkelaarster van mijn zangen van zonsondergang.

Uw lippen zijn bitterzoet door de smaak van mijn smarten-wijn.

Gij zijt mijn eigen, mijn eigen, Bewoonster van mijn eenzame

droomen.

Met de schaduw van mijn drift heb ik uwe oogen verdonkerd,

Bezitster van de diepte van mijn blik!

Ik heb u gevangen, mijn Liefste, en u gewikkeld in het net

mijner muziek.

Gij zijt mijn eigen, mijn eigen, Bewoonster van mijn onsterfelijke

droomen." [5]

Wat een hemelsche verrukking klinkt er in het volgende gedicht,

mede uit De Hoovenier:

"Toen zij met vlugge stappen voorbij ging, raakte mij de zoom

van haar kleed.

Van het onbekende eiland eens harten kwam een plotselinge warme

lente-adem.

Het wapperen van een vluchtige beroering bestreek mij, en verdween

oogenblikkelijk als een losgerukt bloemblad in den wind.

Het raakte mijn hart als een zucht van haar lichaam en een

fluistering van haar hart."

De populaire geest in het Indische volk zoekt steeds abstractie

te vermijden. Hij verlangt naar een zichtbare verbeelding van God;

vandaar dat er in de Indische schoonheidsontroering geen scheiding

wordt gemaakt tusschen aardsche en hemelsche gevoelens. Het volk

tracht steeds de aardsche dingen te interpreteeren op zijn eigen

wijze, waardoor aan zijn Gods-verlangen wordt voldaan. Dinesh Chandra

Sen vertelt in zijn boek over Bengali-litteratuur, hoe hij eens een

zeventigjarigen Vaishnava (Vishnuïet) het volgende lied van Chandi

Das hoorde zingen:

"Duister is de nacht en zwaar zijn de wolken.

Hoe kunt ge, geliefde, in zulk een nacht bij het pad komen?

Daar, in den tuin, zie ik hem in den regen staan.

Mijn hart breekt, bij het aanschouwen daarvan.

Ik zeg u, mijn dienstmaagden, voor vele mijner deugden heeft

mijn geliefde mij een gunst betoond door hierheen te komen om

mij te ontmoeten.

Binnen in huis zijn de ouders, en mijn schoonzuster is zeer wreed;

ik kan niet onmiddellijk naar buiten snellen om hem te begroeten.

O, wat angst en pijn heb ik hem niet berokkend door hem te wenken

hierheen te komen.

Als ik zie, hoe diep-ernstig hij mij lief heeft, dan zal ik met

vreugde den last der schande op mijn hoofd dragen en mijn huis

in brand steken.

Al de ellenden, die hij om mijnentwille geleden heeft, rekent

hij tot zijn geluk; en het doet hem slechts leed, als hij mij

droevig ziet."

Dinesh Chandra Sen vertelt verder: "Terwijl de oude man zong, hoorde

ik plotseling zijn stem verstikt worden door zijn tranen. Nadat hij

tot zich zelven gekomen was, vroeg ik hem naar de oorzaak zijner

tranen. Hij zeide, dat het de zang was. De zang, zeide ik, beschrijft

een gewone liefdes-affaire; en waar zou wel het aandoenlijke ervan

liggen, dat een ouden man aanleiding kan geven tot zulk een uitbarsting

van gevoelens? Hij verklaarde, dat hij dit niet beschouwde als een

gewone liefde-zang. Ziehier zijn verklaring: "Ik ben vol zonden. Mijn

ziel is bedekt met duisternis. In diepe droefheid wenkte ik Hem om tot

mij te komen. De barmhartige God kwam. Ik vond Hem op mij wachtende

bij de deur van mijn huis. Het kan voor Hem geen vreugde wezen om te

komen tot een zondaar als ik ben--het pad is onrein, maar in groote

genade sloeg de barmhartige God het pad in. De wereld, waarin ik leef,

heeft geen deur voor Hem opengelaten. Betrekkingen en vrienden lachen

mij uit, of zijn zelfs vijandig; maar wat kan een zondaar, denkende

aan Zijn groote genade, anders doen dan mijn huis en alles wat ik

heb te verlaten, en een sanyasin [6] te worden? De gedachte aan zijn

barmhartigheid verstikte mijn stem.--"O, duister is de nacht en zwaar

zijn de wolken; hoe kunt ge, geliefde, bij het pad komen?" Maar Hij

stelt zich aan den regen bloot, en om den zondaar te helpen is Hij

bereid te lijden."

"Tagore's mystiek leidt hem niet tot het ontvlieden van reine

huiselijke vreugde en levensgeluk. Hij predikt niet die opdringerige

zelfverloochening, die zich uit in de vormen van het ascetisme,

maar de werkelijke zelfverloochening van een onzelfzuchtig en aan

God gewijd leven", zegt Ramaswami Sastri.

Dit moge blijken uit gedicht XLIII uit De Hoovenier:

"Neen, mijn vrienden, een askeet word ik nooit, wat gij ook

moogt zeggen.

Als zij niet samen met mij de gelofte aflegt, wordt ik geen askeet.

Ik ben vast beslooten nooit askeet te worden, tenzij ik een

schaduwig hoekje vind en gezelschap bij mijn boetedoening.

Neen, mijn vrienden, ik zal nooit mijn haard en huis verlaten, noch

mij terugtrekken in woudeenzaamheid, als er geen vroolijke lach

echoot in haar schaduw, en er niet de tip van een safraan-geele

mantel fladdert in den wind; als haar stilte niet verdiept wordt

door zacht gefluister:

Rabindranath Tagore: Een biografische Schets · 第 6 / 11 题