Dit is dus een terugblik op de periode, toen hij als epicurist en
bon-vivant leefde. Elegante kleeding uit de kostbaarste zijden stoffen,
lekkere spijzen, vurige romans, gloeiende liefdes-gedichten--dat
waren de dingen, die zijn belangstelling geheel in beslag namen. In
zijn Jiban Smriti bekent hij openhartig, dat hij in dien tijd geen
betrekkingen onderhield met den traditioneelen geestelijken stroom
in zijn familie. Toch lag in zijn diepste "ik" steeds een sterken
ondergrond van de geestelijke natuur, die hij van zijn vader geërfd
had.
Ontkend kan niet worden, dat niettegenstaande dien diepen ondergrond,
vele zijner jeugdgedichten door den bovenstroom zijns levens sterk
waren gekleurd. Inderdaad verwekten eenige daarvan de ergernis der oude
Hindoe-moralisten. Toen op zekeren dag in een Indisch studentenpension
iemand een van Tagore's liederen zong, riepen eenige jonge mannen uit:
"Waarvoor dat gemeene lied?" Hun werd geantwoord, dat het een van
Rabi Babu's liederen was, maar zij wilden het niet gelooven, totdat
hun de gedrukte verzen werden getoond. Toen gaven zij toe, dat achter
de luchtige, ietwat zwoele woorden, een diepere zin verborgen lag. Het
lied luidt ongeveer:
"Hierheen, mijn liefste, kom hierheen!
O kom in mijnen tuin der vreugde binnen
en zie, hoe heerlijk mijne bloemen bloeien.
Zacht waait de wind met bloemengeur beladen;
het maanlicht schemert zacht en murmelnd springt
een zilver-beekje uit 't woudpad vroolijk af.
Hierheen, mijn liefste, kom hierheen!
Laat ons elkaâr des harten diepte toonen
de bloemen zaam'lend der onsterflijkheid.
Wij zullen in verterende verrukking
de ééne voor den ander kransen winden.
Wij zullen naar de sterren kijken lang,
tot zij verbleeken in den morgenschemer.
In dezen onzen rijk-getooiden hof,
geliefde, zullen wij voor immer blijven
en liedren zingen in uitbund'ge vreugde.
Hier zullen onze harten in 't geheim'nis
en 't wondre raadsel van dit leven sidderen.
Ja, en de dagen en de nachten zullen
voorbij ons gaan, als waren zij visioenen
des liefde-gods, en vol verlangen zullen
wij beiden slechts van eeuw'ge vreugde droomen."
In het gedicht "De Bayadère" verbindt hij het zinnelijk-erotische
met edele menschelijkheid.
"In 't stof der wegen, voor Mathura's poorten,
lag slapend Upagupta uitgestrekt.
Gesloten was de poort, gedoofd de lichten,
des hemels glans met wolken overdekt.
Daar stiet zich lichtlijk tegen 't lijf des vromen
een vrouwenvoet: luid klonk haar enkelring.
Ontwaakt zag hij een lamplicht siddrend beven
en oogen met een blijde tinteling.
Het lichaam van den wijn der jeugd nog dronken
en van de pracht van edelsteen verzaad'
zoo stond voor Buddha's knecht de Bayadère
en vroeg verbaasd "Wat doet gij hier zoo laat?
Niet uwer waardig is het stof der wegen,
O wees mij wèlgezind en volg mij nu!"
.... "Ga dan vooraan, gij schoonste aller schoonen,
zoodra het tijd is, kom ik wel bij u!"
Een bliksemstraal doorschoot het nachtlijk duister
toen Upagupta zoo gesproken had.
Vreesachtig vluchtte naar de stad de schoone
lang nagestaard door oogen, droef en mat.
-- -- -- -- -- -- -- -- -- --
-- -- -- -- -- -- -- -- -- --
En maanden gingen onder storm en regen,
zij hebben Upagupta nooit gestoord.
De lente kwam; daar schetterden schalmeien--
de heil'ge schreed toen langzaam naar de poort.
Wie lag daar voor Mathura's hooge muren
in 't stof der straten weenend uitgestrekt,
van pijnen trillend en haar jeugdig lichaam
met zwarte zweren schriklijk overdekt?
Der pest ten prooi, ach zij, de Bayadère!
Door hare vrienden uit de stad verjaagd!
Niet één heeft haar gelaafd de droge lippen,
door woest verlangen naar één teug geplaagd.
Toen zette zich de monnik naast haar neder
en nam haar smartlijk hoofd in zijnen schoot,
en laafde haar en zalfde hare wonden:
haar reddend uit de klauwen van den dood.
"Wie zijt gij dan?" vroeg toen de Bayadère.
"Engel van medelij, ach, zeg mij nu!"
... "Ik heb u eenmaal vast beloofd te volgen
zoodra het tijd is... en ik ben bij u". [4]
De Hindoe's van den ouden stempel werden op Rabindranath zeer ontstemd,
daar zij dachten, dat hij de jeugd van Indië door de zinnelijkheid
zijner liefdes-poëzie en liederen ging demoraliseeren; in het
bijzonder gold dit de verzamelingen "Liefde" (Prem), "Jeugddroomen"
(Jouban Sapna) en het lyrische drama Chitrangada. Tagore werd er van
verdacht het romantisme van het Westen in Indië te willen invoeren
en zich te willen afscheiden van den klassieken ernst, waarmee
de Indische litteratuur de menschelijke hartstochten placht te
behandelen. Maar in hun ijver om voor de Indische jeugd de zaligheid
der Nirwana-onwetendheid te bewaren, vergaten die moralisten, dat in
de geschriften van den jongen dichter niets was te bespeuren van de
soms ruwe gemeenheid van een vroegeren Bengaalschen dichter, Bharat
Chandra Rai Gunakar, die door de Bengaalsche jeugd maar al te ijverig
werd gelezen.
Terwijl Tagore den tijd verdeelde tusschen het verblijf in zijn
paleisachtig huis te Calcutta en dat in Shanti Niketan te Bolpur, kwam
hij dáár in aanraking met de drukte, het rumoer en de politiek in de
maatschappij, en hìer putte hij uit de inspiratie van de natuur en van
de stilte de krachten voor zijn innerlijken groei. Intusschen vloeide
steeds de stroom van stukken, opstellen, liederen en gedichten. Zooals
de beide uitwendige krachten, vertegenwoordigd in Calcutta en Shanti
Niketan, op elkaar inwerkten, zoo streden ook in zijn binnenste de
tegenstroomingen der zinnelijkheid en des geestes om eindelijk te
komen tot volkomen harmonie. In de periode van zijn twijfel, zijn
vertwijfeling en onzekerheid schreef de dichter gedichten als "De
roeping der Zorg", "Klacht van het Geluk", "Vertwijfeling der Hoop".
Eindelijk kwam de diepere tegenstroom der geestelijke natuur weder
aan de oppervlakte en nu werd zijn leven ten volle van den geest
dezer wedergeboorte doordrongen. Hij vond nu, wat hij steeds gezocht
had. Van dezen ommekeer in zijn leven lezen wij in een brief: "Op een
morgen van uit mijn verandah zag ik de zon opgaan boven het loof der
boomen in den tuin; de schellen vielen mij van de oogen. Een zeldzame
glans overspreidde de heele wereld rondom mij--zaligheid en schoonheid
schenen over de gansche wereld als zeegolven te ruischen.... Toen bleef
mij niemand of niets--wat het ook zij--onwelkom. Wanneer de lieden,
wier gezelschap mij voorheen onaangenaam was, naderden, zou mijn hart
mij vooruit hebben willen loopen om hun welkom te heeten. Zelfs de
grove gestalten en gelaatstrekken van eenige arbeiders, die langs de
straat gingen, hadden een innerlijken glans voor mij".
Met de verandering in den mensch veranderden ook toon en karakter
zijner gedichten. Tot aan den rand gevuld met liefde voor God en
voor deze wereld, voelde hij niets, schreef hij niets, wat niet
door liefde-gedachten voor het geestelijk leven, voor de eeuwige
schoonheid en liefelijkheid der natuur was doordrongen. De zon, de
maan, de sterren aan den hemel, de boomen en de bloemen op de aarde,
zij spraken tot hem in een taal van liefde voor het hoogste Wezen,
wiens handwerk zij zijn.
Het vermengen van aardsche en hemelsche elementen is een typische
karaktertrek van den Indo-Arischen geest. Daarom zal een Indiër,
wanneer hij voorbeelden van Tagore's mystieke gedichten moet opnoemen,
niet aarzelen om ook uit De Hoovenier, die "lyrische gedichten over
liefde en leven", zijn keuze te doen. Deze gedichten zijn bloemen, die
de dichter ons uit zijnen tuin aanbiedt; vandaar de titel. Westerlingen
houden liever godsdienstige en minnedichten uit elkaar. De Oosterling
daarentegen ziet ook in de aardsche liefde een afglans van de liefde
tot God en zoo tracht ook Tagore den glans van het hoogere licht
binnen te laten, opdat Gods licht onze aardsche vreugde en ons
aardsch werk moge beschijnen en deze aardsche dingen veranderen in
hemelsche. Tagore's minnedichten voeren ons op tot die geestelijke
hoogten, waar menschelijke liefde door die hooge liefde doordrongen
wordt en verandert van aanschijn. Zijn poëzie is in waarheid "het
aardsche dialect van een hemelsche taal".
In een bloemlezing van Tagore's mystieke poëzie, door K. S. Ramaswami
Sastri, vind ik o.a. het volgende heerlijke vers uit De Hoovenier:
"Gij zijt de avondwolk, die aan den hemel mijner droomen drijft.
Ik kleur u en boetseer u altijd-door met mijn liefde-verlangen.
Gij zijt mijn eigen, mijn eigen, Bewoonster van mijn eindelooze
droomen.
Uw voeten zijn roozerood door den gloed van mijn hartsbegeeren,
Sprokkelaarster van mijn zangen van zonsondergang.
Uw lippen zijn bitterzoet door de smaak van mijn smarten-wijn.
Gij zijt mijn eigen, mijn eigen, Bewoonster van mijn eenzame
droomen.
Met de schaduw van mijn drift heb ik uwe oogen verdonkerd,
Bezitster van de diepte van mijn blik!
Ik heb u gevangen, mijn Liefste, en u gewikkeld in het net
mijner muziek.
Gij zijt mijn eigen, mijn eigen, Bewoonster van mijn onsterfelijke
droomen." [5]
Wat een hemelsche verrukking klinkt er in het volgende gedicht,
mede uit De Hoovenier:
"Toen zij met vlugge stappen voorbij ging, raakte mij de zoom
van haar kleed.
Van het onbekende eiland eens harten kwam een plotselinge warme
lente-adem.
Het wapperen van een vluchtige beroering bestreek mij, en verdween
oogenblikkelijk als een losgerukt bloemblad in den wind.
Het raakte mijn hart als een zucht van haar lichaam en een
fluistering van haar hart."
De populaire geest in het Indische volk zoekt steeds abstractie
te vermijden. Hij verlangt naar een zichtbare verbeelding van God;
vandaar dat er in de Indische schoonheidsontroering geen scheiding
wordt gemaakt tusschen aardsche en hemelsche gevoelens. Het volk
tracht steeds de aardsche dingen te interpreteeren op zijn eigen
wijze, waardoor aan zijn Gods-verlangen wordt voldaan. Dinesh Chandra
Sen vertelt in zijn boek over Bengali-litteratuur, hoe hij eens een
zeventigjarigen Vaishnava (Vishnuïet) het volgende lied van Chandi
Das hoorde zingen:
"Duister is de nacht en zwaar zijn de wolken.
Hoe kunt ge, geliefde, in zulk een nacht bij het pad komen?
Daar, in den tuin, zie ik hem in den regen staan.
Mijn hart breekt, bij het aanschouwen daarvan.
Ik zeg u, mijn dienstmaagden, voor vele mijner deugden heeft
mijn geliefde mij een gunst betoond door hierheen te komen om
mij te ontmoeten.
Binnen in huis zijn de ouders, en mijn schoonzuster is zeer wreed;
ik kan niet onmiddellijk naar buiten snellen om hem te begroeten.
O, wat angst en pijn heb ik hem niet berokkend door hem te wenken
hierheen te komen.
Als ik zie, hoe diep-ernstig hij mij lief heeft, dan zal ik met
vreugde den last der schande op mijn hoofd dragen en mijn huis
in brand steken.
Al de ellenden, die hij om mijnentwille geleden heeft, rekent
hij tot zijn geluk; en het doet hem slechts leed, als hij mij
droevig ziet."
Dinesh Chandra Sen vertelt verder: "Terwijl de oude man zong, hoorde
ik plotseling zijn stem verstikt worden door zijn tranen. Nadat hij
tot zich zelven gekomen was, vroeg ik hem naar de oorzaak zijner
tranen. Hij zeide, dat het de zang was. De zang, zeide ik, beschrijft
een gewone liefdes-affaire; en waar zou wel het aandoenlijke ervan
liggen, dat een ouden man aanleiding kan geven tot zulk een uitbarsting
van gevoelens? Hij verklaarde, dat hij dit niet beschouwde als een
gewone liefde-zang. Ziehier zijn verklaring: "Ik ben vol zonden. Mijn
ziel is bedekt met duisternis. In diepe droefheid wenkte ik Hem om tot
mij te komen. De barmhartige God kwam. Ik vond Hem op mij wachtende
bij de deur van mijn huis. Het kan voor Hem geen vreugde wezen om te
komen tot een zondaar als ik ben--het pad is onrein, maar in groote
genade sloeg de barmhartige God het pad in. De wereld, waarin ik leef,
heeft geen deur voor Hem opengelaten. Betrekkingen en vrienden lachen
mij uit, of zijn zelfs vijandig; maar wat kan een zondaar, denkende
aan Zijn groote genade, anders doen dan mijn huis en alles wat ik
heb te verlaten, en een sanyasin [6] te worden? De gedachte aan zijn
barmhartigheid verstikte mijn stem.--"O, duister is de nacht en zwaar
zijn de wolken; hoe kunt ge, geliefde, bij het pad komen?" Maar Hij
stelt zich aan den regen bloot, en om den zondaar te helpen is Hij
bereid te lijden."
"Tagore's mystiek leidt hem niet tot het ontvlieden van reine
huiselijke vreugde en levensgeluk. Hij predikt niet die opdringerige
zelfverloochening, die zich uit in de vormen van het ascetisme,
maar de werkelijke zelfverloochening van een onzelfzuchtig en aan
God gewijd leven", zegt Ramaswami Sastri.
Dit moge blijken uit gedicht XLIII uit De Hoovenier:
"Neen, mijn vrienden, een askeet word ik nooit, wat gij ook
moogt zeggen.
Als zij niet samen met mij de gelofte aflegt, wordt ik geen askeet.
Ik ben vast beslooten nooit askeet te worden, tenzij ik een
schaduwig hoekje vind en gezelschap bij mijn boetedoening.
Neen, mijn vrienden, ik zal nooit mijn haard en huis verlaten, noch
mij terugtrekken in woudeenzaamheid, als er geen vroolijke lach
echoot in haar schaduw, en er niet de tip van een safraan-geele
mantel fladdert in den wind; als haar stilte niet verdiept wordt
door zacht gefluister: