Deze biographische schets, aanvankelijk als een lezing voor een
kleinen kring van belangstellenden, de "Indische Vereeniging",
bedoeld, is door aanvullingen en toevoegingen uitgedijd tot een korte
verhandeling. Aangezien over den Bengaalschen dichter, bij mijn weten,
nog geen levensbeschrijving in de Nederlandsche taal is verschenen,
heb ik gemeend goed te doen met deze schets aan het Nederlandsch lezend
publiek, zoowel aan Nederlanders als aan Javanen, aan te bieden. Doch
niemand is méér overtuigd van de onvolledigheid van dit geschriftje,
zelfs maar als een korte biographie van den dichter-wijsgeer, dan de
schrijver zelf.
Noto Soeroto.
Henri Borel, in een artikel over Tagore, schreef onlangs: "Er
bestaat voor den Oosterling geen toeval. Toeval bestaat alleen voor
wie het mystieke verband der dingen niet ziet. Zóó was het ook
geen toeval, dat juist enkele jaren vóór dezen verschrikkelijken
wereldoorlog, die het debacle is van de westersche, bijna uitsluitend
materieel-intellectueele beschaving, over Europa de stem gehoord werd
van den oosterschen dichter-wijsgeer Rabindranath Tagore, brengend
de geestelijke tijding, dat een nieuwe era aan zal breken voor het
westersche gevoelsleven en de westersche kunst".
Inderdaad is het succes, waarmee Tagore geest en hart in Europa
veroverd heeft, overweldigend. In een paar jaren tijds zijn meerdere
zijner werken in bijna al de voornaamste Europeesche talen vertaald
geworden, en niet alleen in Engeland, maar ook in Rusland hebben
reeds opvoeringen van eenige zijner tooneelwerken plaats gevonden.
Naar mijn overtuiging echter brengt Tagore die geestelijke boodschap
niet alleen voor Europa, doch ook voor alle andere volkeren buiten
dit werelddeel, zoo zij slechts de deuren van hun geestes-woningen
willen openen om den verkwikkenden wind, die van uit Bengalen aanwaait,
beladen met den geur van de heerlijkste zielebloemen in hun atmosfeer
te doen aanzweven. Ik acht het niet onmogelijk, dat ook op Java éénmaal
de stem van Tagore onder de zonen des lands een talrijk gehoor zal
vinden, want zelfs nu reeds begint de groote Bengalees onder de
Javanen enkele bewonderaars en vereerders te tellen, ofschoon het
aantal Javaansche overzettingen van Tagore's verzen nog maar luttel
is te noemen. Wanneer de Javaansche letterkunde verrijkt wordt met
producten uit de Indische, speciaal Bengaalsche litteratuur, hebben
wij dit te danken aan den toenmaligen Raden Mas Ario Soorjo Soeparto,
thans prins Mangkoe Negoro VII; en aan hem zijn dan ook degenen
verplicht, die, ofschoon geen enkele Europeesche taal kennende,
toch onder de bekoring zijn geraakt van Tagore's sublieme poëzie.
Henri Borel zegt: "In ons land was het Frederik van Eeden--en dat
het juist deze, en geen andere was, kan evenmin een toeval zijn--die
het eerst Rabindranath Tagore in dichterlijke, Nederlandsche taal
tot ons bracht." Hij veroorlove mij op mijn beurt te zeggen: het kàn
ook geen toeval wezen, dat juist Raden Mas Ario Soorjo Soeparto, zelf
kleinzoon van een grooten dichter--prins Mangkoe Negoro IV--het eerst
getroffen werd door de schoonheid der van Eedensche overzettingen en
toen besloot langs dien weg den Hindoe-zanger in het land der Javanen
binnen te halen. Maar wat is dit een mysterie! De sporen op den weg,
waarlangs de Hindoe-leermeesters rechtstreeks uit hun land naar Java
kwamen getogen, zijn eeuwenlang reeds uitgewischt, doch de Javanen
hebben nimmer hun oude guru's vergeten. Na eeuwenlange scheiding
schijnt het verlangen naar het wederzien zóó sterk te zijn, dat de
Javanen hen weder in hun land binnenleiden, al was het langs den
ontzachelijken omweg van Engeland en Nederland.
Het is met het oog op deze groote waarschijnlijkheid, deze zekerheid,
durf ik wel te zeggen, dat ik mij gelukkig acht in uw midden het een
en ander te kunnen mededeelen omtrent den grooten dichter, opdat gij
van den aanvang af zult beseffen, wèlk een geest op het punt staat van
zijn rijkdom en zijn schoonheid aan geestelijke schatten het noodige te
geven voor den bloei van ons cultuur-leven. De mededeelingen, welke ik
u nu ga doen, zijn grootendeels ontleend aan de Biographische studie
over Tagore door diens landgenoot Basanta Koomar Roy.
De schrijver begint met ons te vertellen in welk een omgeving de
dichter-wijsgeer het eerste levenslicht aanschouwde. "Poëzie,"
zegt hij, "vormt een deel van ons dagelijksch leven in Indië. De
eerste zegen, dien het pas geboren kindje bij zijn komst op deze
wereld ontvangt, is in verzen. Wanneer het groeiende kind iets
onzindelijks doet, reciteert de moeder een klein versje, waarin
zij het wijst op de onwelkome gevolgen van zulk een daad. Wanneer
het kind naar school gaat, worden de eerste lessen in het alphabet
gegeven in verzen. Wanneer de opgeschoten jongen Sanskrit begint te
leeren, is één van de eerste çloka's, die in zijn geheugen worden
ingeprent, deze: "De twee groote zegeningen, die een wijding geven
aan de verschrikkingen dezer harde wereld, zijn: het smaken van
den nectar der poëzie en het hebben van een goed gezelschap". De
meeste vakken, welke een student in het Sanskrit te leeren heeft,
zijn geschreven in verzen--de regels der grammatica, de aphorismen
der metaphysica en logica, de botanische en medische wetenschappen,
astronomie, chemie en physica zijn alle in verzen. De Ramayana, het
meest gelezen boek overal in Indië, is in verzen. Bij het huwelijk
wordt het jonge paar ingezegend door mantram's in verzen; en verder
wanneer, na den dood, het lichaam aan het vuur of aan de aarde wordt
toevertrouwd, is het weer de Hindoe-Muze der Poëzie, die de laatste
woorden te zeggen heeft."
In zulk een land en in een familie, die sedert de 10e eeuw aan den
geestelijken horizon van Indië geschitterd heeft, werd Rabindranath
Tagore, de Nobelprijs-winner van 1913, geboren op den 6en Mei 1861.
Op het gebied van maatschappelijke en godsdienstige hervormingen,
in de herleving van schilderkunst en muziek, op het terrein
van politiek en industrieel nationalisme, hebben de leden der
Takur-familie (verengelscht in Tagore) onschatbare diensten aan hun
land bewezen, en daarvoor verwierven zij zich de hooge achting van
het Indische volk, van het Bengaalsche in het bijzonder. Prosonno
Koomar Tagore, een grondbezitter, was een rechtsgeleerde van
grooten naam; hij schreef en gaf boeken uit over rechtsgeleerde en
opvoedings-vraagstukken en was de stichter en voorzitter der "British
Indian Association". Raja Sir Surindra Mohun Tagore, ongetwijfeld
een der grootste muziek-geleerden van Indië, stichtte "de Bengaalsche
Muziekschool" en "de Bengaalsche Hoogeschool voor Muziek" en schreef
vele boeken over Hindoe-muziek en muziekinstrumenten. Gogonindranath
en Abanindranath Tagore zijn befaamde schilders en leiders in
de herleving der Hindoe-schilderkunst. De laatste telt bijna
alle jonge schilders van naam, als Asit Koomar Haldar en Nanda
Lal Bose, onder zijne discipelen. Beroemd zijn van Abanindranath
"The victory of Buddha" en "Karna and Kunti". Maharaja Ramanath
Tagore, de broeder van des dichters grootvader, was politicus en
publicist. Dwarakanath, de grootvader, was land-edelman, stichtte de
"Grondbezitters-vereeniging"; philantroop en sociale hervormer ageerde
hij tegen de sati (weduwen-verbranding). Dwijendranath, de oudste
broeder des dichters, een philosoof, is iemand met zulk een rein en
heilig gemoed, dat de eekhorens van de boomen afspringen om tegen
zijn knieën op te klauteren en de vogels neerstrijken op zijne handen.
Verreweg de merkwaardigste van des dichters voorouders was zijn eigen
vader: Debendranath Tagore. Hij was Raja nòch Maharaja, titels waar
hij niets om gaf, aangezien het volk hem reeds versierde met een
schooneren titel, nl. dien van "Maha Rishi" (Groote Wijze). Ofschoon
Debendranath niet de intellectueele wedergade was van zijn leermeester
Raja Ram Mohun Roy, den vader van het moderne Indië, vond hij toch
in toewijding voor de zaak der sociale en religieuze hervormingen,
in bereidwilligheid om te offeren aan en te lijden voor een beginsel,
zijn gelijke niet. Zoon van een prins, maar begaafd met een hoogen
zin voor moreele plicht, weigerde hij, ofschoon er geen wettige noch
documentale verbintenis bestond, één onwaardig "neen" te zeggen en gaf
héél zijn uitgestrekt landgoed aan de schuldeischers zijns vaders,
zoodat hij zichzelven bracht tot de positie van een pauper. Geen
wonder, dat het volk hem versierde met den titel Maharshi; en
geen wonder ook, dat de goedgezinde schuldeischers, bewogen door de
heroïsche eerlijkheid van Debendranath, een compromis sloten en eenig
eigendom overlieten aan den jeugdigen wijze en ziener.
Maharshi Debendranath Tagore was een van Indië's grootste geestelijke
leiders. Zijn godsvrucht was aanstekelijk. Eens vroeg hem een
sceptisch-gezinde vriend: "Gij spreekt altijd en altijd over God! Wat
hebt gij voor bewijzen, dat er inderdaad een God is?"
De Maharshi wees op een licht en vroeg toen zijn vriend: "Weet ge,
wat dat is?"
"Een licht", was het antwoord.
"Hoe weet ge, dat daar een licht is?"
"Ik zie het; en het behoeft geen bewijs, het is van-zelf-sprekend."
"Zoo is het ook met het bestaan van God", antwoordde de Maharshi. "Ik
zie Hem in mij en buiten mij, in elk ding en dóór elk ding, en het
behoeft geen bewijs; het is van-zelf-sprekend".
Het zou mij te ver voeren om verder over den Maharshi te spreken. Wie
genoeg bewondering koestert voor een edel en opofferend leven, voor
het lijden en strijden van een machtigen geest in zijn vurige liefde
tot God, leze de autobiographie van den grooten wijze. Het zijn uren
van hoog-geestelijk genot en van wijding, welke men al lezende in
dit boek doorbrengt. Ik wil u slechts één episode verhalen uit het
leven van dezen merkwaardigen man. Het is het verhaal van een bezoek,
dat leden van de Brahmo-Somaj, de godsdienstige vereeniging door Ram
Mohun Roy gesticht ter aanbidding van het eenig en eeuwig Wezen,
aan den Maharshi brachten. "Wij werden binnengeleid in de ruime
verandah op de tweede verdieping, waar de eerbiedwaardige oude
man op een stoel gezeten was. Wij bogen eerbiedig en namen onze
zitplaatsen in. De Maharshi nam het eerst het woord. "Sinds gij,
drie maanden geleden, hier gekomen zijt, is mijn verbinding met de
uitwendige wereld zeer verminderd. Ik zie minder dingen en hoor minder
woorden. Maar dat beteekent voor mij geen verlies. Wanneer mijn omgang
met de buitenwereld afneemt, dan neemt mijn Yoga met de innerlijke
wereld snel toe. Nu doe ik geen poging om die vereening te zoeken. Ik
zit bij mij zelven en verheug mij in dit gezelschap". Terwijl hij deze
woorden sprak, glansde zijn aangezicht van innerlijke ontroering. Nadat
het gesprek lang geloopen had over het wel en wee van de Brahmo-Somaj,
zeide de grijsaard ten slotte tot zijn bezoekers: "God heeft ulieden
geroepen om de Brahma-Dharma te preeken voor dit arme volk van Indië,
en in het bijzonder voor Bengalen, ons zwak, noodlijdend en hulpeloos
land. Zooals de moeder haar zwakste kind het teederst lief heeft,
zoo heeft ook God deze grootere liefde betoond aan deze Zijn arme
kinderen. Voor die bijzondere genade zijn wij God hoogst dankbaar. Hij
heeft ulieden een bijzondere gunst toegestaan en heeft u geschikt
geacht voor uw werk. Ik heb mijn laatste werk over Paraloka en Mukti,
het génerzijds en de zaligheid, in een klein boekje uitgegeven. Ik
bied u dit aan." Na deze woorden vertrokken de pelgrims, zeer getroost
en innerlijk gesterkt en geholpen.
Prof. Max Müller, aan wien wij dit verhaal ontleenden, teekent er bij
aan: "Ik dacht, dat deze blik op wat in Indië binnenshuis gebeurt,
en wat zelden gezien of zelfs maar vermoed wordt door degenen, die
ons zooveel vertellen van de paleizen, de Raja's en Maharaja's, den
wagen van Jaganath, den Toren van het stilzwijgen, of van de grotten
van Ellora, waard was om opgeteekend en bewaard te worden. Het kon
den waren vrienden van Indië belang inboezemen. Wij hebben slechts
de Indische kranten op te slaan om berichten te ontmoeten omtrent
menschen, die hetzelfde heilige en godvruchtige leven hebben geleid als
Debendranath Tagore, maar desniettemin, in de oogen van het Indische
volk, den rang van een Paramahamsa niet hebben bereikt. Sommige hunner,
die in hun land als heiligen zijn vereerd, worden door Europeesche
critici als dwazen of als fanatici beschouwd. Toch hebben zij hun
eigen plaats in hun eigen land, en zij vertegenwoordigen een macht,
welke nooit veronachtzaamd zou kunnen worden door de heerschers van
"arm, zwak en hulpeloos Bengalen".
Alvorens verder te gaan over Debendranath Tagore, ben ik u een
verklaring schuldig van het woord Paramahamsa. Max Müller zegt:
"De welbekende naam, waarmee sommige dezer wijzen en heiligen
worden genoemd, is Paramahamsa, een naam, welke moeilijk vertaald
kan worden. Studenten, die plegen te spotten en te glimlachen bij het
vernemen van elke gewoonte of traditie der Hindoe's, vertalen dien naam
letterlijk met "Groote Gans", maar het is juister om dien klassieken
titel weer te geven met "Hoog-vliegende Adelaar". Bovendien is hamsa,
ofschoon hetzelfde woord als "gans", niet dezelfde vogel."
Kenschetsender voor de beteekenis van Paramahamsa schijnt mij toe
een gezegde van den godsminnaar Rama Krishna: "De zwaan kan melk
van water afscheiden; hij drinkt alleen de melk op en laat het
water achter. Andere vogels kunnen dit niet. Evenzoo is God (wezen)
innig met Maya (schijn) vermengd; gewone menschen kunnen Hem niet
gescheiden van Maya zien. Alleen de Paramahamsa (de groote ziel--hier
is een woordspeling op hamsa, dat tegelijk "ziel" en "zwaan" beduidt)
werpt Maya weg en neemt alleen God in zich op".
Keeren wij nu tot Debendranath Tagore terug. De Maharshi heeft in zijn
vroege jeugd zeer weelderig geleefd. In zijn autobiographie vertelt
hij zelf van zijn levensommekeer, die hoogst merkwaardig is om de
analogie met den ommekeer van Rabindranath zelven. Trouwens, er zijn
meer gelijkenissen in de levens van vader en zoon. Het zich één voelen
met hun volk en met de menschheid in het algemeen komt bij den vader
aan het licht door alle voorrechten verbonden aan een hooge geboorte
prijs te geven, en zich voortaan, als primus inter pares, te wijden
aan de sociale en religieuze opvoeding van het volk; bij den zoon komt
dat tot uiting in zijn leven en werken o.a. in de oprichting van de
jongens-republiek in Bolpur en is "een ding van schoonheid" geworden
in zijn 8e vers uit de Gitanjali. Hij spreekt hier "het mysterie van
het geboren worden" aan, verpersoonlijkt in de Moeder, en zegt:
"Een kind in vorstelijk gewaad, met juweelsnoeren om den hals,
heeft geen plezier meer in het spel, zijn kleeding hindert hem
bij elken stap.
Uit angst om haar te scheuren of te besmeuren durft het niet met
de anderen gaan en vreest zelfs zich te bewegen.
Moeder! de keetenen van uw opschik zijn niet begeerlijk,
als ze afhouden van de gezonde aarde, als ze berooven van
het toegangsrecht tot het groote feest van menschelijk
gemeenschapsleeven" [1].
De levenswending van Debendranath luidt in zijn autobiographie ongeveer
als volgt:
"In den nacht, voorafgaande aan den dag, waarop mijn grootmoeder op
den oever van de Ganges zou verscheiden, zat ik op een mat, nabij
het hutje uitgespreid; de volle maan was aan den horizon opgekomen
en dicht bij mij lag het aanstaande graf. Toen was men bezig met
Kirtan-liederen te zingen om mijne grootmoeder.
"Wanneer zal die gezegende dag toch komen,
Wanneer zal ik het sterfelijk lijf verlaten
U roepende bij name, o Heer?"
Een zachte wind droeg de klanken tot mijne ooren; plotseling kwam een
vreemde ontroering over mijn geest. Van dat oogenblik werd ik een
geheel ander mensch.--Ik voelde een hevigen afkeer van weelde. Het
matje, waarop ik zat, scheen mij de eenige en geschikste zitplaats
toe. De rijke carpetten en al het andere leken mij waardeloos. Ik
voelde in mij een klaarheid en een vreugde, welke ik nimmer tevoren
kende... de vreugde, die ik op dien dag gevoelde bij het graf,
overweldigde mijn ziel... Niemand kan die vreugde ervaren door zijn
hoofd met logische redeneeringen te vullen... Wie zegt, dat er geen
God is? Hier is het bewijs van zijn bestaan... Ik kon dien nacht niet
slapen. De reden van mijn slapeloosheid was de extase der ziel, alsof
héél dien nacht het maanlicht zelf zich over mijn geest had gespreid."
Bij het bericht van den dood des Maharshi's schreef de geleerde
Ananda Mohun Bose "als zoon van Dwarakanath en, naar ik meen, eerste
secretaris van de "British Indian Association" had hij reeds lang
Maharaja kunnen worden. Maar hij koos het beste deel. Maharaja's
sterven, maar Maharshi's leven voort, leven voort in de dankbare
harten der komende geslachten. Zonder twijfel zal de Maharshi blijven
voortleven voor altijd, en de jongere generaties zullen begeesterd
worden door de sublimiteit van zijn karakter".
Rabindranath was de jongste zoon in een familie van 7 broeders
en 3 zusters. Men zegt, dat geboren dichters meestal schoon zijn
en ook Rabindranath was geen uitzondering op dezen regel. Lang
is hij in Indië beroemd geweest, zoowel om zijn poëzie als om
zijn schoonheid. "Inderdaad toonen zijn portretten een treffende
gelijkenis met de beste beeltenissen van den Galileïschen dichter,
die geen enkelen versregel ooit geschreven heeft, maar die de
wereld heeft geheiligd met de majesteit zijner levenspoëzie en van
zijn woorden." Het golvende haar van den Hindoe-zanger, het breede
ongerimpelde voorhoofd, de glanzende donkere en magnetische oogen,
de als gebeeldhouwde neus, de krachtige en toch zachte kin, de fijne
gevoelige handen, zijn welluidende stem, de vriendelijke glimlach,
zijn levendige zin voor vroolijkheid en zijn natuurlijke, goede
levenswijze maken hem tot een betooverende persoonlijkheid en tot de
zuivere belichaming van den kunstenaar.
Daar de God-minnende vader van den dichter veel placht te reizen, kon
hij zich niet altoos met de opvoeding zijner kinderen bezig houden. En
ongelukkigerwijze viel de opvoeding van "Rabi" in plaats van in de
handen zijner moeder of van de dienstmaagden, in die der mannelijke
bedienden. Deze waren verschrikkelijke meesters en toonden zich zeer
wreed voor het kind. Om het werk van kinderen-oppassen gemakkelijker te
maken, sloten zij het in een kamer op, en vaak trokken zij, bij wijze
van straf, met een krijtstreep een cirkel in de kamer en gelastten
het kind niet uit dien cirkel te gaan. Gelukkig voor het kind kwam die
cirkel wel eens te liggen dicht bij een venster, dat uitzicht gaf op
een tuin met vijver, bloembedden en vruchtboomen. Dan placht het kind
te kijken naar de kaleidoscopische bewegingen der menschen, der dieren
en der vogels. De eenden, die speelden in het water, zoekende naar
voedsel, de menschen--sommigen keuvelende en zich koesterende in de
zon, anderen vruchten of bloemen plukkende--boeiden het kind zoozeer,
dat het daardoor al het verdriet in zijn eenzame opsluiting vergat.
Ofschoon Rabi op deze wijze de voordeelen van veronachtzaamd te
worden genoot, deed toch de gevangenschap zijn hart verlangen naar
vrijheid. Dat uitzicht op de dingen daarbuiten verhoogde zijn smachten
naar de vereening met de natuur, en later door deze naar de vereening
met God in de natuur. Dit gescheiden zijn maakte zijn liefde voor
de natuur zóó hevig, dat, wanneer de vrijheid aangebroken was, de
vreugde over de ontmoeting met de natuur om zoo te zeggen wederkeerig
was. Natuur koesterde het kind aan haar boezem, en dit begon de natuur
met hart en ziel lief te hebben. De scheiding maakt den zegen der
vereening van geliefden zooveel te heerlijker.
Het eenzaam bestaan in de kamer maakte het kind nadenkend, en de
kiem van zijn later mysticisme werd aldaar gelegd. In een zijner
brieven verhaalt de dichter ons van eenige ervaringen uit zijn
kindertijd: "Ik herinner mij slechts vaag de dagen mijner vroegste
jeugd. Maar ik herinner mij toch zeer goed, dat nu en dan op sommige
ochtenden een soort van onuitsprekelijke vreugde zonder eenige reden
zich van mijn hart meester maakte. De heele wereld scheen mij vol
geheimenissen. Elken dag placht ik met een klein bamboestokje in den
grond te graven in de hoop één daarvan te ontdekken. Al de schoonheid,
de liefelijkheid en de geur van deze wereld, al de bewegingen der
menschen, het gerucht op straat, het geschreeuw van den kiekendief,
de palmboomen in onzen familietuin, de banyan-boom bij den vijver,
zijn schaduw op het water, de morgengeur der bloemen--al deze dingen
deden mij de aanwezigheid gevoelen van een slechts schemerig vermoed
wezen, dat zoovele vormen aannam om mij gezelschap te houden".
Elders heet het: "Het was mij, alsof de natuur haar handen gesloten
hield en mij vroeg "Zeg mij eens, wat ik in mijn handen heb", en
ik durfde nooit te antwoorden, want al wat denkbaar is, was daar
te vinden".
In dien tijd was de toekomstige dichter pas zes of zeven jaren oud. Zoo
aandachtig keek hij naar de dingen in de natuur en zoozeer verheugde
hij zich daarover, dat hij de muren van het schoolvertrek haatte,
die hem van zijne geliefden gescheiden hielden. Zij werden hem nog
ondragelijker, doordat de onderwijzer in de Bengaalsche litteratuur,
een man van middelmatige ontwikkeling en met grove manieren hem
grooten afkeer inboezemde. De koppige leerling wilde nimmer een woord
spreken en had het heele jaar door de monopolie op het laagste cijfer
in de klasse. Maar aan het einde van het jaar werd het schriftelijk
werk nagekeken door Srijut Madhusudan Bachaspati en zie, de jonge
Tagore kreeg den hoogsten graad van al de leerlingen. De onderwijzer
was woedend en gaf den autoriteiten zijn vermoeden te kennen, dat
er partijdigheid jegens den domkop in het spel was geweest. Onder
direct toezicht van den superintendant der school werd hij voor de
tweede keer geëxamineerd en ook ditmaal sloeg hij het record. Maar
het bleef sukkelen met den jongen droomer en verhuizing van de eene
naar de andere school volgde.
Op een dag--toen was Rabindranath nog pas zeven jaren oud--nam hem
zijn oudere neef Jyotiprokash plotseling bij den arm en zeide "Je
moet verzen schrijven".
"Hoe kan ik dat doen? Ik weet niet hoe", antwoordde de toekomstige
schrijver van Gan, Gitanjali en The Gardener.
"Ik zal het je leeren. Ik heb Shakespeare's Hamlet gelezen, en ofschoon
ik geen dichter ben, meen ik toch uit je neigingen te kunnen opmaken,
dat je door oefening eens een groot en oorspronkelijk dichter zult
worden". Inderdaad een treffende voorspelling!
In dezelfde school, waar de gehate onderwijzer les gaf, won de poëet in
den dop de vriendschap van een anderen onderwijzer, Srijut Satkowri
Datta. Deze had dichterlijke neigingen en toen hij den verborgen
aanleg van Rabindranath had ontdekt, gaf hij hem dikwijls lessen in
versificatie. De onderwijzer schreef b.v. de eerste twee versregels
en vroeg den jongen van 10 jaar de strofe te beëindigen. B.v. schreef
de onderwijzer:
"Rabi Karay jalatan achilaw sabai
Barasha varasha dilaw ar vai nai."
De ontluikende poëet voegde hieraan toe:
"Mingan din haway chilaw saroboray
Ekhan tahara sukhay jalawkrira kawray."
Met andere woorden schreef de onderwijzer:
"Een ieder was afgemat door de schroeiende stralen der zomerzon,
maar nu worden zij gerust gesteld door den komst van den regentijd."
De vlugge leerling voltooide de gedachte op deze wijze:
"De vermagerde visschen hebben een ellendig bestaan in den vijver
geleid, maar nu voelen zij zich gelukkig en vroolijk in het water."
Omstreeks dien tijd kwam de vader thuis van een langdurige
afwezigheid in andere streken van Indië. De Maharshi vernam van
de poëtische neigingen zijns zoons en nadat hij den aanleg van den
jongen grondig had waargenomen, nam hij hem uit school en deed zich
door hem vergezellen op een reis over het Himalaya-gebergte, teneinde
hem op te voeden in de school der natuur: De jonge Tagore was buiten
zichzelven van blijdschap, dat hij nu de school kon verlaten en onder
de hoede kwam van zijn eigen vader. Zijn hart klopte onstuimig, nu
hij op het punt stond de bergen van nabij te kennen. Toen de knaap den
eersten avond, dien hij buiten Calcutta doorbracht, in een palankijn
gedragen werd naar Bolpur Shanti-Niketan (het "vredes-oord" in Bolpur,
het landhuis zijns vaders, waarin deze zich na maatschappelijken
arbeid terugtrok voor zijn meditatie's en voor zijn geestelijk werk),
sloot hij langs den heelen weg tot aan de bangalo zijn oogen, alleen
om de schoonheid der natuur niet in het matte licht der vallende
duisternis te zien en opdat hij des te grooter vreugde zou beleven
bij het aanschouwen van het landschap in den glans van het morgenlicht.
Toen hij na eenigen tijd het Himalaya-gebergte bereikt had, kwam hij
tot het inzicht, dat hij hier vond, waarnaar zijn hart zoo hevig had
verlangd: een rijkdom aan natuurschoon, stralend door de weelderigheid
van heerlijke kleuren en majestueuse vormen. Hier maakte zijn vader
hem bekend met de godheden, die op hun beurt den knaap wezen op de
duizenderlei geheimenissen en op de majesteit dezer wonderen. Onderwijl
gaf hem zijn vader les in Engelsch en Sanskrit en in de Bengaalsche
taal, in botanie en astronomie.
Destijds had de elfjarige Rabindranath reeds de voornaamste boeken
uit de Bengaalsche letterkunde gelezen en was hij juist begonnen met
"in verzen te stamelen". In het volgende jaar stierf zijn moeder en
de groote droefheid om haren dood versterkte in den knaap de liefde
voor de natuur.
Na den dood zijner moeder woonde hij te Chandranagore, in een huis
met uitgestrekten tuin nabij de Ganges. De tegenstelling tusschen
de majestueuse grootschheid der Himalaya-bergen en de zachte
melodie van de Ganges, vermeerderde zijn fantasie en scherpte zijn
verstand. Uren achtereen staarde hij naar den geheimvollen stroom
of placht hij toe te zien, hoe de maan den heiligen stroom kuste op
zijn gouden rimpelingen. Nacht op nacht bracht hij op het platte dak
door en verloor zich in bespiegelingen over het geheimenis van den
sterrenhemel. Zoo hield hij zich verscheidene jaren bezig met zijn
droomerijen en met de studie der Engelsche en Bengaalsche litteratuur,
met het maken van gedichten en opstellen voor verschillende
tijdschriften, in het bijzonder voor zijn familietijdschrift Bharati,
dat nu door zijn geleerde zuster Sreemati Swarna Koomari Devi wordt
uitgegeven.
Op den leeftijd van veertien jaren schreef hij reeds zijn eerste
gedichten; als zestienjarige jongeling ging hij naar Europa en bezocht
University College te Londen om in de rechten te studeeren, maar
spoedig keerde hij weer naar zijn vaderland terug, daar de rechtsstudie
in het geheel niet met zijn aanleg en zijn liefde overeenkwam. Zijne
geleerde brieven toonen zijn beheersching der Bengaalsche taal, zijn
breedte van blik en de scherpte van zijn opmerkingsgave ten opzichte
van sociale problemen. In Engeland vervolmaakte hij zijn kennis der
Engelsche taal en maakte zich een vloeiende proza-stijl eigen, die
slechts weinigen in Indië bezitten.
Na zijn terugkeer in het vaderland schreef hij het meerendeel zijner
romans, b.v. Gora en Nouka Dubi en van zijn drama's, b.v. Raja o
Rani en Chitra. Tusschen zijn vijf en twintigste en vijf en dertigste
levensjaar vervaardigde hij zijn liefdesgedichten en gaf o.a. uit de
verzameling Sonar Tari.
Nog eenmaal treffen wij hem in Engeland aan, waar hij een moeilijken
tijd vol droefheid en smart moet doorgemaakt hebben; het waarom is
onbekend. Hij keerde naar Indië terug en leefde als een kluizenaar
aan den oever van de Padma.
Na deze periode van wereld-verloochening brak tegen zijn 40e jaar zijn
sterkste tijd in al zijn pracht en rijkdom aan. Het was ook toen,
dat hij in Bolpur een school oprichtte, waar hij de Indische jeugd
wilde groot brengen in een wereld- en levensbeschouwing, waartoe
hij zelf had moeten doordringen, teneinde persoonlijkheden op te
kweeken voor den dienst van het vaderland. In deze openlucht-school
zitten de kinderen op hun matjes onder de boomen en krijgen er
les in litteratuur, geschiedenis, aardrijkskunde en alle andere
vakken op een wijze, die in doelmatigheid niet onder doet voor de
methoden op gewone scholen. "Shanti Niketan" of "het oord van Vrede"
bij Bolpur ligt op den Weg van Delhi naar Calcutta. Zij ligt in een
groote vlakte te midden van rijstvelden, waar, tusschen palmboomen,
het hooge huis verrijst. Op die eenzame plaats trok een halve eeuw
geleden des dichters vader, de Maharshi Debendranath, zich soms terug,
telkens als hij ontdekte dat onafgebroken aandacht voor wereldsche
zaken niet goed voor de ziel is, die soms eenzaamheid en tijd voor
overdenking noodig heeft. Daar bouwde hij een ashram of kluizenarij,
waar men rust voor het hart, vrede voor den geest en vreugde voor de
ziel herwinnen kan. In een soort van kapel zijn daar veertig jaren lang
dagelijks gebeden gezegd. Na den dood des Maharshi's wilde de zoon,
dat er grooter invloed zou uitgaan van het rustoord van zijn vader.
Op de plek, waar zijn vader overdacht en bad stichtte Rabindranath
zijn school. Sinds 1905 hoort men kinderstemmen waar eens volkomen
stilte heerschte. Slaaphutten met gras overdekt verrezen voor de
kinderen bij huizen voor de meesters, met roode klimplanten overgroeid.
Deze instelling heeft niets te maken met de regeering, haar staf
is niet officieel, geen stelselmatige routine wordt opgedrongen
aan meesters en jongens. Zij is één met land en landaard, gelijk de
boomen die de school omringen. In deze school steunt Indië op zich
zelf en uit het zich ongedwongen. Geen poging wordt gedaan om iets
vreemds op te leggen, om iets Indisch te ontwortelen of te dwingen,
en om vreemde methodes door vreemde leeraars te laten toepassen. De
onderwijzers zijn Indisch. Ze zijn Indisch in hun gedachten, in hun
gewoonten, in hun sympathieën, in hun kleeding. De regeering heeft
geweigerd subsidie aan de school te geven, omdat de voorwaarden,
waaronder ze die alleen wilde geven, niet werden aangenomen.
"Ze wilden mijn jongens onder anderen dwingen den geheelen dag stijf
op banken in de school te zitten", zeide Tagore, "terwijl ik het veel
beter acht dat ze op matten zitten onder de boomen. Daarom en omdat een
jong patriottisch dichter als onderwijzer aan mijn school verbonden is,
staat de school geplaatst op de zwarte lijst der politie. Pogingen zijn
aangewend om haar te onderdrukken, dreigende officieele circulaires
zijn aan de ouders gezonden."
Maar die vervolging maakte de school enkel dierbaarder aan den dichter,
die diep overtuigd is een goed werk voor de bevolking en toekomst van
zijn land te verrichten. De jongens doen al het huiswerk in de gebouwen
en moeten hun eigen kleederen wasschen. Zij kiezen uit hun midden
een commissie, die het werk heeft overgenomen van den "huishouder",
dien ze weleer hadden. En een van de resultaten hiervan was, dat al
reeds dadelijk bleek, hoe bij den aankoop van rijst honderd roepijen
per maand bespaard werden. En dit stelsel van zelfregeering wordt
in alles doorgevoerd. De meesters der verschillende klassen kiezen
zelven uit hun midden een hoofd, dat voor een jaar benoemd wordt,
doch herkiesbaar is. Tucht wordt gehandhaafd en straffen worden
uitgesproken door school-kapiteins en schoolrechters, die elke maand
door de jongens gekozen worden. Ze hebben een hof van appèl gevormd,
dat, zoo noodig, de eindbeslissing geeft, eens per veertien dagen,
betreffende elke overtreding of oneenigheid tusschen de jongens zoo
op school als in de speelvelden. Er is een avondschool opgericht voor
de dorpsbewoners, waarin Tagore's jongens onderwijs geven. Tagore zelf
geeft in zijn school geen les; maar de dagen, dat "Gurudev" de jongens
bezoekt, zijn ware feestdagen voor de discipelen. De grootere jongens,
geïnspireerd door het voorbeeld van den grooten meester, snellen in
de speeluren naar het naburige dorp om den armen goed te doen, hen
te helpen bij het bouwen hunner woningen en om op bescheiden wijze
de onwetenden te onderrichten. De hoofdgedachte in deze school is de
kinderen op te voeden in den zin van wereldbroederschap.
De volgende anecdote is zeer kenschetsend voor den geest, die er
heerscht in de verhouding tusschen leerlingen en leermeesters.
Eens speelde een jongen van zes zomers met Tagore's baard, terwijl
hij op den schoot van den dichter zich had neergevlijd. Plotseling
zeide het kind: "Gurudev, ge schrijft zooveel gedichten; waarom leert
ge me niet, hoe ik gedichten moet schrijven?"
"Mijn kind," antwoordde Tagore, "de last der poëzie is buitengewoon
zwaar te dragen; soms voel ik, of ik daaronder zal bezwijken. Ik
wensch je niet daarmede te belasten."
"Goed", zeide het kind ernstig, "dan zal ik mezelven leeren gedichten
te schrijven. Zij schijnen alle van uw gedichten te houden, ofschoon
gij daaronder een beetje gebukt gaat."
Toen die jongen ongeveer 10 jaar oud was geworden, heeft hij eenige
mooie gedichten in het Bengali geschreven en werd een trouw medewerker
aan een der schoolcouranten.
De liefde, welke de studenten te Bolpur den grooten meester toedragen,
grenst aan adoratie. De atmosfeer in deze school ademt dan ook geheel
den geest van den stichter. Geen wonder, dat het instituut, dat
gegrondvest is op de meditatieplaats van den maharshi, het middelpunt
vormt van Tagore's werkdadig leven, daar hier gerealiseerd worden de
heerlijke denkbeelden, welke zijn geschriften tot kostbare schatten
der menschheid hebben gemaakt. Aan deze school heeft de dichter
de som van den Nobel-prijs en de opbrengst van al zijn boeken ten
geschenke gegeven.
Daarna heeft de dichter weer een jaar lang in Amerika en Engeland
vertoefd, waar hij zich bezig hield met de uitgave zijner eigen werken
en van de autobiographie van zijn in 1904 gestorven vader. In beide
landen zijn hem een bewondering en belangstelling ten deel gevallen,
die van dag tot dag stegen.
Met de politiek heeft Tagore zich nimmer willen bemoeien. Integendeel,
hij sloeg iedere uitnoodiging af om aan politiek mee te doen. Slechts
éénmaal, toen in 1908 in het provinciaal congres de partijen niet tot
overeenstemming konden komen, gaf hij aan de uitnoodiging gehoor om
de leiding der vergadering op zich te nemen en het gelukte hem dan
ook heel gauw de partijen tot een compromis te brengen.
Tagore's veelzijdigheid is verbazingwekkend. Hij is een diepzinnig
filosoof en geestelijke leider; in deze laatste hoedanigheid is hij een
der oprichters van de Indische Nationale Universiteit in Calcutta en
de stichter en directeur der stedelijke kunstacademie in die stad. In
zijn handen berust de uitgave der tijdschriften Sadhana, Bangardasan,
Bharati en Tattvabodhini. Hij is paedagoog en een goede bestuurder
van zijn zamindary; geschiedvorscher, zanger en componist. Hij dicht
n.l. op zijn eigen compositie's en zingt zelf zijn liederen voor
degenen, die ze hooren willen. Zoo heeft hij ongeveer 500 liederen
vervaardigd en op muziek gezet. Hier volge een gedeelte van wat ik
over Tagore als zanger schreef in "De Amsterdammer", Weekblad voor
Nederland.
Volgens Henri Borel geeft de Oostersche philosoof C. Jinarajadasa,
de schrijver van het mooie boekje Bloemen en Tuinen, als zijn meening
te kennen, dat de kunst van zingen een mystieken grond heeft, en
dat alles voor een zanger hierop neerkomt, dat hij, hetgeen hij
noemt zijn "grondtoon" heeft gevonden, die van goddelijk-kosmischen
aard is. Iedere waarlijk goddelijke zanger zal dàn eerst zijn stem
ontwikkeld hebben, door inzicht in zichzelf, en door oefening verkregen
kennis van de verborgen geestelijke krachten in zich, zijn "grondtoon"
heeft gevonden, en alzoo zijn geestelijk inwezen heeft "gestemd"
in harmonie met de groote, rythmische, muzikale Wet van den Kosmos.
Mij is nimmer een dergelijk voorrecht te beurt gevallen als den heer
Borel, die in een Thibetaansch Lama-klooster, in het noorden van China,
door priesters heeft hooren zingen, zóó als hij in zijn geheele leven
niet heeft gehoord. Hij zegt: "Ik kan dezen zang niet beschrijven,
maar het was mij, of de diepste levensmysteriën er mij door geopenbaard
werden, en het gaf mij eene ontroering van mijn gansche wezen, zooals
ik er nooit meer een gehad heb."
Ofschoon dus bij ervaring niet wetende de waarheid der betooverende
macht van den zang, wanneer deze aangolft uit het innerlijk van den
gods-vreugdigen zanger, meen ik toch, behalve dan in de mededeeling
van den heer Borel zelve, aan wijzigingen daaromtrent te vinden. En
ik wil als iemand, die zichzelven een toon gevoelt in de harmonie
van het Al, noemen den landgenoot van Jinarajadasa, den dichter
Rabindranath Tagore.
Het is bekend, dat deze dichter ook muziek schrijft voor zijne
verzen. Van de wetenschap der muziek weet hij maar weinig; hij is geen
muziekgeleerde gelijk een ander beroemd lid van zijn geslacht, Surindra
Mohan Tagore, de stichter van de Bengaalsche hoogeschool voor muziek
en die, naar ik meen, eere-dokter is in de muziekwetenschappen. Doch
door zijne de ziel roerende stem boeit Rabindranath honderden,
wanneer hij zijn geestelijke liederen zingt in de kerk der Brahmo
Somaj, de secte door Ram Mohan Roy gesticht ter aanbidding van het
eeuwige en onveranderlijke Wezen, dat het heelal schept en onderhoudt.
Uit alle oorden van Bengalen komen de menschen derwaarts om den dichter
te hooren zingen en tot zelfs in de vensternissen van de kerk gaan
de menschen staan om naar de stem van Rabindranath te luisteren.
Dit wijst er op, dat Tagore een waarlijk goddelijke zanger is, dat
hij door de beving van zijn blijde ziel de harten zijner toehoorders
weet te ontroeren. Vele zijner gedichten uit de Gitanjali getuigen
onmiddellijk van deze innerlijke bewogenheid, van dit: dat hij "de
harp zijns levens gestemd heeft naar de nooten van altijd-duur." [2]
De verrukking zelve van den zanger, wanneer hij zit "in de gehoorzaal
bij den grondeloozen afgrond, waaruit de muziek der toonlooze snaren
opgolft", wanneer zijn inwezen zich een noot voelt in de Al-harmonie,
vormt o.a. de gedachte in Wij-zang no. II.
"Als gij mij zegt te zingen, dan is het of mijn hart zal breeken
van trots; ik zie u in 't gelaat en tranen koomen in mijn oogen.
Al wat ruw en wanluidend is in mijn leeven versmelt tot één zoete
harmonie--en mijn aanbidding spreidt vleugelen als een blijde
voogel, die vlucht neemt over de zee.
Ik weet, dat mijn zang u behaagt. Ik weet dat ik alleen als een
zanger tot uw aanweezen nader.
Met den rand van de wijd spreidende wiek mijns gezangs raak ik
uwe voeten,--tot waar ik mij nooit te reiken zou vermeeten.
Dronken van zanggeluk vergeet ik mijzelven en noem ik U Vriend,
die toch mijn Heer zijt."
Sprekende aanduidingen van Tagore's levensinzicht, dat de mensch in
't algemeen zich bewust moet worden van zijn plaats in de éénheid
der schepping, dat de menschheid zichzelve een accoord moet gevoelen
in den eeuwigen wereldzang om daardoor de hoogste wijsheid en tevens
het hoogst denkbare geluk en de hoogste vreugde deelachtig te worden
vindt men verder in de Wij-zangen I, III, XV, XXXXIX, LXV, LXIX.
Muziek schijnt een essentiëel bestanddeel te zijn in het leven van
dezen dichter, want niet alleen zelf beoefent hij de muziek en worden
de gasten in het huis Tagore onthaald op muziek, waarvan de tonen uit
de shubahar week en weemoedig stroomen gelijk het fluisteren uit een
andere wereld, maar ook in zijn klein republiekje in Shanti Niketan
bij Bolpur vormen muziek en zang het begin en het einde der dagtaak
van zijn geliefde scholieren.
J. Ramsay Mac Donald vertelt van zijn verblijf in Shanti Niketan:
"Ik bracht den nacht door in de instelling. Vroeg ontwaakte ik,
toen de dageraad nog slechts een lichtstreep was in de duisternis. Ik
hoorde een liefelijk gezang. Elken ochtend gaat het jongenskoor hymnen
zingend door de tuinen en op dezelfde wijze wordt de dag besloten. Een
kwartier uur 's ochtends on eveneens 's avonds zitten de jongens stil
neder in overpeinzing van wat ze zongen. Tweemaal in de week komen
zij bijeen in de kapel tot gemeenschappelijke aanbidding van God, en
Rabindranath spreekt hun toe en wekt hen op tot goed leven en streven,
tot godsdienst in daden."
Ik cursiveer in daden, want hierin ligt de grond van Tagore's grootheid
als dichter, musicus en filosoof, dat bij hem zijn wijsheid, zijn leer
van liefde en humaniteit niet alleen schoon-klinkende theoriën zijn
en dat zijn kunstuitingen niet slechts vormen het pronkgewaad van
vernuft en intellect, maar de vriendelijke schaduwboomen, waarlangs
het pad van zijn practische leven gaat.
Frederik van Eeden duidt dit verschil aan met "weeten" en
"gevoelsweeten".
Mij wil het voorkomen, alsof het vinden van den "grondtoon" van
des menschen zelf naar de wijsgeerige aanschouwing van Jinarajadasa
identiek is met wat Tagore noemt: "Naar waarheid vereenigd te zijn
in kennis, liefde, en dienst met alle wezens, en alzoo zijn zelf te
realiseeren in den alles-doordringenden God is de kern van goedheid;
en dit is de sleutel tot de leeringen der Upanishads: Prano virat! (Het
leven is onmetelijk)."
Dat Tagore deze uitspraak grondt op zijn eigen innerlijk, op zijn
"zijn in harmonie met het Oneindige", dat dus met "gevoelsweetenschap"
Tagore zijn wijsheid leert en zijn liederen zingt, getuigt het slot
van zijn lezing "The Realisation of Beauty", een naklank als het ware
van vers LXIX uit de Wij-zangen:
"Verleden nacht", zegt hij, "in de stilte, welke de duisternis
doordrong, stond ik alleen en ik hoorde de stem van den zanger van
eeuwige melodieën. Toen ik slapen ging, sloot ik mijn oogen met deze
laatste gedachte in mijn geest, dat zelfs, wanneer ik onbewust ben, de
dans van het leven voort zal gaan in de stille arena van mijn slapend
lichaam, gelijken tred houdende met de sterren. Het hart zal kloppen,
het bloed zal blijven stroomen in mijn aderen, en de millioenen
levende atomen van mijn lichaam zullen trillen in harmonie met den
klank van de harpsnaar, welke beeft bij de aanraking van den Meester."
Vóór alles echter is Tagore dichter, dichter der liefde. Liefde
vloeit hem uit zijn hart, uit zijn zinnen en uit zijn ziel, gelijk
een onafgebroken stroom, die in zijn windingen alle mogelijke vormen
aanneemt, van af het grove tot het geestelijke, van het bekende tot het
onbekende en van het eindige tot het oneindige. Hij verklaart de liefde
in al haar menigvuldige uitdrukkingen--die der moeder, van het kind,
van den echtgenoot, van de vrouw, van den minnaar, van de geliefde,
van den patriot, van den levens-vreugdige; de liefde voor de natuur
en de liefde voor God. Zijn verzen brengen het gemoed in verrukking,
bedaren den klop van het hart en vullen de oogen met tranen.
De uitdrukking der liefde is hem zoo natuurlijk, doordat hij evenals
vele andere dichters door alle phasen der liefde is heengegroeid--van
af de vereering der zinnen tot de rust der heiligen. Hij kent de
huivering der liefde, den romantischen hartstocht, de zwaarmoedigheid
der teleurstelling, den afgrond der vertwijfeling, de diepte der rust
en de extatische verwerkelijking van "zijn" "geest" en "zaligheid"
(sat, chit, anandam).
Toen de golvende stroom der jeugd den dichter plotseling had
overvallen, kon de jonge man slechts liefde en romantiek zien. Dezelfde
natuur, hetzelfde volk, hetzelfde leven--en toch scheen elk hem
geheel anders als toen hij als kind daarnaar placht te kijken. Waar
had de verandering plaats gevonden, in hem of in de wereld? Spoedig
kwam hij tot het inzicht, dat éérst hij en toen de wereld veranderd
was, opdat deze steeds in aanraking met hem kon blijven. Dit inzicht
heeft hij later, terugblikkende op zijn romantische levensperiode,
belichaamd in het gedichtje "Het stralend visioen der jeugd", als
vers no. XV in The Gardener opgenomen:
"Ik ren als het muskushert rent in de schaduw van het woud,
dol door zijn eigen geur.
De nacht is midden-Mei-nacht, de wind is Zuidewind.
Ik raak van mijn pad af en ik ga dwalen, ik zoek wat ik niet
krijgen kan, ik krijg wat ik niet zoek.
Het beeld van mijn eigen begeerte komt uit mijn hart en danst.
Het stralend vizioen vliedt heen.
Ik tracht het vast te grijpen, het ontwijkt me en leidt me van
mijn weg af.