Daarop leidde ze hem naar de biecht en het avondmaal. Hij deed het als

een slaapwandelaar; alle vrees voor den dood en verlangen naar het leven

was verdwenen. Hij verlangde naar den morgen, dat hij haar weer zien

zou, hij dacht alleen aan haar en aan zijn liefde voor haar. Nu week het

sterven bij hem geheel op den achtergrond bij de smart, die hij voelde,

omdat zij hem nooit zou kunnen liefhebben.

Het jonge meisje sliep niet veel dien nacht en vroeg in den morgen was

zij al op de plaats van de terechtstelling om hem op te wachten. Zij

riep onophoudelijk Maria, de moeder van Jezus en de heilige Catharina

van Egypte aan, de maagd en martelares, opdat zij zijn ziel zouden

redden. Onophoudelijk zei ze: "Ik wil, dat hij gered zal worden, ik wil

het, ik wil het." Maar ze was bang, dat haar gebeden vruchteloos zouden

zijn, want ze voelde de geestdrift niet meer, die den vorigen avond over

haar gekomen was. Zij voelde alleen een grenzenloos medelijden met hem,

die sterven moest. Niets dan smart en rouw was in haar hart.

De markt liep langzamerhand vol menschen. De gevangenisknechten kwamen

aanmarcheeren, de beulen waren reeds gekomen. Om haar heen was een

verward geruisch van stemmen, maar ze zag of hoorde niets. Het was haar

alsof ze alleen was.

En toen hij kwam, ging het hem evenzoo. Hij had geen gedachte over voor

alle anderen. Hij zag haar alleen. Maar toen hij bij den eersten blik

reeds zag, hoe diep bedroefd de uitdrukking van haar gezicht was,

helderde het zijne op en hij was bijna blij.

Hij riep haar luid toe: "Ge hebt van nacht niet geslapen, jonkvrouw."

"Neen," zei ze, "ik heb gewaakt en voor u gebeden, maar nu ben ik

wanhopig, want mijn gebeden hebben geen kracht."

Hij ging liggen bij het blok en zij lag op de knieën er voor, om zijn

hoofd tusschen haar handen te kunnen houden.

"Nu zal ik uw bruidegom ontmoeten, Catharina."

Ze snikte steeds meer. "Ik kan u zoo slecht troosten," sprak ze.

Hij zag haar aan met een wonderlijken glimlach. "Uw tranen zijn voor mij

de beste troost."

De beul stond naast hen met getrokken zwaard, maar ze wenkte hem, dat ze

nog een paar woorden met den veroordeelde wilde spreken.

"Voor ge hier kwaamt," zei ze, "heb ik mijn hoofd op dit blok gelegd om

te beproeven, of ik het zou kunnen verdragen. En toen voelde ik, dat ik

nog angst voor den dood had, dat ik Jezus niet genoeg liefhad om op dit

oogenblik te willen sterven. En ik wil ook niet, dat gij zult sterven,

en mijn gebeden hebben geen kracht."

Toen zij dat zei, dacht hij: "Als ik leven bleef zou ik haar toch kunnen

winnen." En hij was blij, dat hij sterven moest, eer hij de stralende

hemelbruid naar de aarde neergetrokken had. Maar toen hij het hoofd in

haar handen gelegd had, kwam er een groote troost over hen beiden.

"Nicola Tungo," zei ze. "Ik zie den hemel open. De engelen dalen neer om

uw ziel te ontvangen."

Een verwonderde glimlach gleed over zijn gezicht. Zou hij om harentwil

den hemel waard zijn?--Hij hief de oogen op om te zien wat zij zag--op

dat oogenblik viel de bijl. Maar zij zag de engelen al lager en lager

neerzweven, zag hoe ze zijn ziel ophieven, zag hoe zij die ten hemel

voerden.

* * * * *

Het komt ons zoo natuurlijk voor, dat ze al deze vijfhonderd jaar

geleefd heeft. Hoe zou men de kleine, zachte jonkvrouw, met dat groote,

liefdevolle hart kunnen vergeten. Het kon niet anders of men moest

liederen zingen ter harer eere, zooals men nu in de kleine kapellen

doet.

DE ZEVEN DOODZONDEN.

De Booze wilde den spot drijven met een wijzen monnik. Hij wikkelde zich

daarom in een wijden mantel en zette een grooten slappen hoed op, zoodat

niemand hem kon herkennen en begaf zich naar den grijsaard, die in den

biechtstoel zat in den dom en op zijn biechtelingen wachtte.

"Eerwaarde Vader," zei de Booze, "ik ben een landman. Ik sta met de

zon op en vergeet nooit mijn morgengebed. Daarna werk ik den heelen dag

buiten op het veld. Mijn voedsel is brood en melk en als ik mij met mijn

vrienden vermaken wil, onthaal ik hen op honing en vruchten. Ik ben de

eenigste steun van mijn bejaarde ouders. Ik heb geen vrouw en verlang

ook niet naar vrouwen. Ik ga vlijtig ter kerk en geef een tiende van al

wat ik bezit. Eerwaarde vader, ge hebt mijn biecht gehoord. Wilt ge mij

nu absolutie geven?"

"Mijn zoon," zei de monnik. "Gij zijt de vroomste man, dien ik ooit

gekend heb. Ik wil u gaarne absolutie geven. Maar laat mij u eerst

vertellen, wat kort geleden hier in deze streken gebeurde. Dat zal uw

hart verheugen, want ge zult van vele uitstekende daden hooren en toch

zult ge voelen, dat zij, die deze daden volbrachten, nog maar arme

zondaars waren in vergelijking met u."

"Vader, ge verleidt me tot hoogmoed," zei de man.

"God beware mij voor zulk een groote zonde," antwoordde de monnik, "als

ge mijn verhaal gehoord hebt, zult ge wel anders denken."

En hij vertelde:

"De fiere ridder, die het groote kasteel op den berg, aan den overkant

van de rivier, bezit, besloot op zekeren dag zijn dochter uit te

huwelijken aan een rijk en machtig man, die haar zeer lief had. Maar het

meisje had hier veel op tegen, want zij had reeds aan een ander haar

trouw beloofd.

Toen schreef de maagd een brief aan hem dien ze liefhad en vertelde hem

hoe ze door haar vader gedwongen werd een ander toe te behooren. "Daarom

zeg ik u duizend keer vaarwel," schreef zij hem, "en smeek u, uzelf geen

kwaad te doen om mijnentwil, want ik ben u trouw in mijn hart."

Maar de ridder, haar vader, nam den bode den brief af en verbrandde hem

in stilte.

Toen kwam de trouwdag van het meisje en zij begroette dien met bittere

tranen. Maar in de kerk schreide zij niet:--de smart zette zich vast op

haar gelaat en versteende dat. En alle menschen in de kerk schreiden om

haar.

De ridder, haar vader, zag ook hoe de smart haar gezicht versteende.

Toen schrikte hij van wat hij gedaan had. En toen ze thuis kwamen uit de

kerk, riep hij zijn dochter bij zich in zijn kamer en zei: "Lieve, ik

heb verkeerd jegens u gehandeld." En hoewel hij trotsch was, viel hij op

de knieën voor haar en bekende, dat hij een slechte daad begaan had en

haar brief vernietigd. Want hij was bang geweest, dat haar geliefde met

zijn mannen zou zijn komen aanrijden om de bruid met geweld weg te

voeren, als hij van de bruiloft geweten had.

Zij zei alleen: "Uw verontschuldiging, vader, is, dat u niet weet, wat

een ellende u over ons gebracht hebt."

En toen ging ze naar het balkon.

Daar kwam haar bruidegom bij haar.

"Lieve, hoe sta je hier zoo, met zulk een droefheid op je gezicht?"

vroeg hij.

Toen antwoordde de bruid; "Omdat ik een ander lief heb en gezworen hem

nooit te verlaten."

Maar hij sprak: "Wees niet bedroefd, omdat je mijn vrouw zijt geworden.

Ik heb je zóó lief, dat ik niet geloof, dat iemand je zoo gelukkig kan

maken, als ik doen zal."

"Dat denken alle menschen, die liefhebben," antwoordde zij.

"Zeg me maar, wat ik doen kan, om die droefheid van je gezicht weg te

nemen," zei hij, "en ik zal je toonen, dat ik de waarheid spreek."

Toen vatte de bruid moed en dacht: "Ik zal het zeggen. Het is mogelijk,

dat God zijn hart beweegt."

En zij vertelde hem, dat zij en de man, dien ze liefhad, elkaar

gezworen hadden, dat degeen, die door den ander verlaten werd, zich op

diens bruiloftsdag om het leven zou brengen. "Dus vandaag sterft mijn

geliefde," zei de bruid. En in haar ellende zonk zij ineen en lag als

een bedelares aan de voeten van haar bruidegom.

"Laat mij naar hem toe gaan eer het te laat is!"

Er was zulk een macht in de droefheid van die vrouw, dat haar man,

hoewel hij dacht: "Als ik haar laat gaan naar hem, dien ze liefheeft,

dan zie ik haar nooit weer,"--zichzelf overwon en sprak: "Ge moogt doen

zooals ge wilt."

Toen stond zij op en dankte hem met tranen. En zij ging in de zaal en

kwam bij de bruiloftsgasten, die bij hun plaatsen aan de gedekte tafel

stonden en met verlangen op den maaltijd wachtten, want zij waren zeer

hongerig na den langen rit en de lange mis.

"Lieve vrienden," zei de bruid tot hen, "ik moet u zeggen, dat ik met

toestemming van mijn man van avond naar hem, dien ik lief heb, ga. Want

hij is voornemens zich vandaag van het leven te berooven, omdat ik

hem ontrouw ben. Nu wil ik hem gaan zeggen, dat ik tot dit huwelijk

gedwongen ben. Wees niet verwonderd, dat ik dit zelf ga zeggen, want

voor zulk een boodschap is geen brief of bode voldoende. Maar ik verzoek

u: eet en drink en wees vroolijk, terwijl ik weg ben, want ik kom terug,

als ik het leven van mijn geliefde gered heb."

Maar alle gasten schreiden, toen zij sprak van het verdriet, dat haar

dreigde en antwoordden: "Geenszins willen we eten en drinken, terwijl

gij zulk een verdriet hebt. Ga en als ge terug komt, zullen wij den

maaltijd beginnen."--En zij gingen van de tafel weg.

Toen de bruid over de slotplaats kwam, hoorde zij roepen en schreeuwen

in de keuken. Want een kleine jongen was naar den kok gegaan om te

zeggen, dat de maaltijd eenige uren was uitgesteld. En de kok was

bedroefd geworden bij de gedachte aan zijn gebraad en de heerlijke

gerechten, die nu bederven moesten. Een pond boter wierp hij in 't vuur

en een mand eieren sloeg hij stuk op den steenen vloer, en daarop gooide

hij den jongen de keuken uit en op den grond en stond klaar om hem met

een grooten bezem te slaan.

Maar toen de bruid op de plaats kwam, verzocht zij hem den jongen los te

laten. En hij werd door haar smeeken bewogen en liet hem dadelijk los.

En hij riep uit: "Geloofd zij God, die u zoo lief en mooi gemaakt heeft.

Ik wil u niet nog meer verdriet doen dan ge al hebt." En hij bewaarde

het eten vele uren lang, zonder tegen iemand een onvriendelijk woord te

zeggen.

En de bruid ging alleen door het groote bosch, want zij wilde te voet

en zonder gevolg naar den geliefde gaan, zooals men in de kerk naar de

Moeder Godskapel gaat, als men in nood verkeert.

Maar in het bosch woonde een vogelvrije, een roover. Terwijl hij op de

loer lag, zag hij de bruid aankomen. Zij had ringen aan den vinger, een

gouden kroon op het hoofd, een zwaren zilveren gordel om het middel en

paarlen om den hals. Toen zei de roover in zich zelf. "Dat is maar een

zwakke vrouw--haar zal ik vangen. Dan ben ik rijk genoeg en later kan ik

naar een ander land gaan, met dit ellendige leven in 't bosch ophouden

en een geacht en eerlijk man worden."

Maar toen de bruid dichterbij kwam en hij haar gezicht zag, voelde hij

zich machteloos. Want God had haar wonderbaar schoon gemaakt. Hij dacht:

"Ik kan haar geen kwaad doen. Zij is een bruid en ik kan die schoone

maagd toch niet uitgeplunderd naar het bruidsfeest laten gaan." En hij

eerde God, die haar zoo mooi gemaakt had en liet haar ongehinderd

voortgaan.

In hetzelfde bosch woonde een oude hermiet, die zijn lichaam tuchtigde

door zes etmalen te waken en alleen het zevende te slapen. Hij had

zichzelf tot wet gesteld, dat hij als hij het zevende etmaal niet sliep,

nog zes andere etmalen waken moest. Want hij meende, dat God het zoo

wilde. Nu was zijn zevende etmaal al weer bijna voorbij, zonder dat hij

geslapen had, want vele zieken en bedroefden waren tot hem gekomen. Maar

toen hij ze allen afgewezen had, en wilde gaan slapen, zag hij de bruid

door het dichte bosch aankomen. En hij dacht bij zichzelf. "Hoe zal die

vrouw over de woeste beek komen, die van nacht gezwollen is en de brug

heeft stuk geslagen."

En hij stond van zijn leger op en ging met haar mee naar de beek en

droeg er haar op zijn schouders over.

Maar toen hij in zijn grot terugkwam, was zijn tijd om en hij moest nog

zes etmalen waken, terwille van deze vreemde vrouw. Maar hij had er geen

spijt van, want zij was zóó bekoorlijk, dat allen, die haar zagen, blij

waren iets voor haar te mogen opofferen.

Zoo kwam de bruid aan het huis van haar geliefde. Maar hij was in een

der zalen gegaan en had de deur met zware grendels afgesloten. En toen

zij aan de deur klopte, wilde hij niet open doen; want hij had het

zwaard getrokken en wilde zich van het leven berooven.

De jonkvrouw kon niet roepen of spreken, want de angst had haar de keel

toegesnoerd. Maar haar tranen vielen op den steenen vloer en hij hoorde

haar snikken achter de eikenhouten deur. En hij kon zich niet dooden,

maar luisterde er naar en deed open.

Daar stond ze voor hem met gevouwen handen en zei hem, dat zij tot

dit huwelijk gedwongen was. En toen hij zag, dat zij hem nog liefhad,

beloofde hij zich niet te dooden. Toen ging ze naar hem toe en legde

haar hoofd aan zijn borst. En hij kuste haar en ze voelden op dat

oogenblik alle vreugde en alle droefheid, die een hart maar voelen kan.

Hij sprak het eerst: "Nu moet je gaan, want je behoort een ander toe."

En zij antwoordde: "Hoe kan ik dat?"

Maar de ridder, die haar liefhad, maakte zich uit haar armen los en

sprak. "Ik wil hem, die u naar mij toe heeft laten gaan, geen onrecht

aandoen." En hij liet twee paarden zadelen en reed met haar naar het

huis van haar vader."

Dit alles vertelde de monnik aan den Booze en hij wist nog niet, met

wien hij sprak. En toen vroeg hij hem, wie van alle menschen, van wie

hij verteld had, nu het grootste offer gebracht had. Want de monnik was

een wijs man en wist wel, dat niemand zóó vrij van zonde is, als deze

man beweerde te zijn. En door dit verhaal wilde hij te weten komen,

welke zijn lievelingszonde was. Want naarmate hij antwoordde, dat de

vader, of de bruidegom, of de bruiloftsgasten, de kok of de roover, de

hermiet of de minnaar het meest geofferd had, kon de monnik weten of

hoogmoed, afgunst of onmatigheid, toorn, gierigheid, luiheid of wellust

de zonde was, die zijn ziel beheerschte. Want de vrome man wist, dat de

deugd, die hij bij anderen het meest bewonderde, degeen was, die hij

zelf het moeilijkst te betrachten vond.

Maar de Booze was zóó verdiept in zijn eigen spel, dat hij de list van

den monnik niet merkte. "In waarheid," zei hij, "dat is niet gemakkelijk

te beantwoorden. Het komt mij voor, dat de bruidegom geen grooter offer

bracht dan de minnaar, en de tafelgasten geen grooter dan de roover. Zij

verdienen allen den grootsten lof." En hij meende te antwoorden zooals

de monnik het liefste wilde, dat hij doen zou.

"Om Godswil," riep de vrome monnik uit, die zeer verschrikt werd, "zeg

toch, dat ge de eene daad boven de andere kiest of zeg, dat ge geen van

allen veel waard vindt."

"Dat kan ik niet, eerwaarde Vader," antwoordde Satan. "Niets van al wat

deze menschen deden komt mij gemakkelijk voor. Ik kan 't een niet boven

het andere stellen."

Maar de monnik bracht de lippen aan zijn oor en sprak met snijdende

stem:

"Ik bezweer u, dat ge zegt, dat een van hen de beste is."

Maar de Booze ontkende dat en vroeg om absolutie.

"Dan zijt ge schuldig aan alle zeven doodzonden," barstte de monnik uit,

"en ge moet de duivel zelf zijn en geen mensch." Toen hij dit gezegd

had, vloog hij uit den biechtstoel en vluchtte naar het altaar. En hij

begon de duivelbezwering te lezen:

"Vade retro Satanas...."

Maar toen de Booze zag, dat hij zich verraden had, liet hij zijn mantel

uitwapperen als een paar vleugels en vloog op in 't donkere gewelf van

de kerk als een groote, zwarte vleermuis.

En het was niet genoeg, dat hij zijn boos opzet gemist had, maar door

Gods genade werd dit in een zegen verkeerd. Want het verhaal van den

monnik is lange jaren gebruikt om te ontdekken, wat er in de menschen

woont. Als men dat goed gebruikt, is het als het net in de hand van den

visscher. Zooals dat in zee geworpen wordt en visschen ophaalt, zoo

werpt men dit verhaal in de zielen der menschen en brengt daarmeê zonden

aan het licht, opdat ze bestreden en onderdrukt kunnen worden.

DE SCHATKIST VAN DE KEIZERIN.

De bisschop had pater Verneau ontboden.--Dat was een heel lastig en

onaangenaam geval.

Pater Verneau was uitgezonden om te prediken in een fabrieksdistrikt in

den omtrek van Charleroi, maar was midden in een groote werkstaking

aangekomen, op een oogenblik, dat de arbeiders bizonder woest en

teugelloos waren. Hij vertelde den bisschop, dat hij dadelijk bij zijn

aankomst in het "zwarte land" een brief gekregen had van een van de

leiders der arbeiders, waarin hem werd aangekondigd, dat het hem vrij

stond te spreken, maar dat als hij het waagde Gods naam in zijn preek te

noemen,--direct of indirect--er spektakel in de kerk zou gemaakt worden.

"En toen ik op de preekstoel kwam en de gemeente zag," zei de pater,

"twijfelde ik er niet aan of ze zouden gevolg aan hun bedreiging geven."

Pater Verneau was een kleine, uitgedroogde monnik. De bisschop zag op

hem neer, als op een wezen van lager orde. Zulk een ongeschoren, kleine,

vuile monnik met het onbeduidenste gezicht van de wereld kon niet

anders dan laf zijn. Hij was zelfs bang voor hem, den bisschop.

"Men heeft mij ook bericht," zei de bisschop, "dat gij den wensch van de

arbeiders hebt vervuld, maar ik behoef u toch zeker niet te zeggen...."

"Monseigneur," viel hem pater Verneau in allen ootmoed in de rede. "Ik

meende, dat de kerk zoo mogelijk storende tooneelen vermijden moest."

"Maar een kerk, waarin Gods naam niet genoemd mag worden...."

"Heeft Monseigneur mijn preek gehoord?"

De bisschop liep heen en weer in de kamer om weer kalm te worden.

"U kent hem natuurlijk!" zei hij.

"Natuurlijk, Monseigneur."

"Laat mij hem dan hooren, zooals hij uitgesproken is, pater Verneau,

woord voor woord, precies zooals hij uitgesproken is."

De bisschop ging in zijn leunstoel zitten. Pater Verneau bleef staan.

"Medeburgers en medeburgeressen," begon hij, oogenblikkelijk in zijn

voordrachtstoon vervallend.

De bisschop sprong op.

"Zoo worden ze graag genoemd, Monseigneur."

"Dat doet er niet toe, pater Verneau," zei de bisschop, "ga voort." Een

lichte rilling liep den bisschop door de leden; deze twee woorden hadden

hem op wonderbare wijze den heelen toestand doen begrijpen. Hij zag ze

voor zich, de kinderen van "het zwarte land" tot wie pater Verneau

gesproken had. Hij zag veel ruwe gezichten, veel lompen, veel woeste

uitgelatenheid. Hij zag die menschen waar niets voor gedaan werd.

"Medeburgers en medeburgeressen," begon pater Verneau opnieuw. "Hier in

het land is een uitstekende vorstin, zij is de wijste en

voortreffelijkste, die ooit België regeerde.

Andere regenten, medeburgers, andere regenten krijgen opvolgers na hun

dood en verliezen allen invloed over hun volk. Niet aldus de groote

keizerin Maria Theresia.

Misschien heeft zij den troon van Oostenijk en Hongarije verloren,

misschien zijn Brabant en Limburg in andre handen overgegaan, maar niet

haar goed graafschap West-Vlaandren.

In West-Vlaanderen, waar ik deze laatste jaren gewoond heb, kent men

nog heden ten dage geen anderen regent dan Maria Theresia. Wij weten,

dat koning Leopold in Brussel woont, maar hij gaat ons niet aan.

Maria Theresia regeert nog altoos daar ginds bij de zee. Vooral in

visschersdorpen. Hoe dichter men bij de zee komt, hoe machtiger Maria

Theresia is.

Noch de groote revolutie, noch het keizerrijk, noch de Hollanders hebben

macht genoeg gehad om haar te onttroonen. Hoe zouden ze ook? Ze hebben

niets voor de kinderen der zee gedaan, wat met haar werkzaamheid te

vergelijken is.

Want wat heeft zij niet aan de menschen op de duinen gegeven! Dat is

niet genoeg te waardeeren, medeburgers.

Voor ongeveer honderdvijftig jaar, onder haar eerste regeeringstijd,

deed zij een reis naar België. Toen kwam zij te Brussel en te Brugge;

ze kwam naar Luik en Leuven en toen ze eindelijk genoeg van de groote

steden gezien had en van de met schilderijen versierde stadhuizen, kwam

ze ook naar de kust om de zee en de duinen te zien.

Dat was niet vroolijk voor haar om te zien. Zij zag de zee, te groot en

te machtig, dan dat een mensch haar kan bestrijden. Zij zag de kust,

hulpeloos en onbeschermd. Daar waren duinen, maar de zee was vroeger

over hen heen gespoeld en kon het weer doen. Er waren ook enkele dijken,

maar zij waren vervallen en ingestort.

Daar zag ze verzande havens, daar zag ze moerassen, zóó doorweekt, dat

enkel riet en biezen er groeien wilden; daar zag ze visschershutten door

den storm vernield, beneden aan de duinen gebouwd, als in zee geworpen,

en daar zag ze armoedige, oude kerkjes, die steeds meer door de zee

omringd werden en ver weg op drijfzand en in onbereikbare eenzaamheid

lagen.

De groote keizerin zat een heelen dag aan de zee. Zij liet zich

vertellen van overstroomingen en weggespoelde dorpen. Zij liet zich de

plaats aanwijzen, waar een geheele landstreek in zee gezonken was. Zij

liet er zich heen roeien, daar stond een oude kerk op den bodem van de

zee. En ze liet berekenen, hoeveel menschen er al verdronken waren, en

al het vee, dat verloren gegaan was, toen de zee de laatste keer tot

binnen de duinen was doorgedrongen.

En dien heelen dag dacht de keizerin in zichzelf: hoe moet ik dit

arme volk op de duinen toch helpen? Ik kan de zee toch niet verbieden

te stijgen en te dalen, ik kan haar niet verbieden het strand te

ondermijnen. Evenmin kan ik den wind aan banden leggen of hem beletten

de booten van de visschers stuk te slaan. En allerminst kan ik de

visschen in hun netten zenden of de biezen door voedende boekweit

vervangen. Er is geen monarch in de wereld, die zoo sterk is, dat hij

dit arme volk uit zijn ongeluk kan helpen.

De volgende dag was een Zondag en de keizerin ging naar de mis in

Blankenberghe. Daar waren alle kustbewoners, zelfs van Duinkerken tot

Sluis om haar te zien. Maar vóór de mis ging de keizerin rond en sprak

met het volk.

De eerste, die ze ontmoette was de havenmeester van Nieuwpoort.

"Wat nieuws is er in uw stad?" vroeg de keizerin.

"Niets," antwoordde de havenmeester, "niets anders, dan dat Cornelis

Aertsen's boot gisteren nacht als door een valwind is omslagen en dat

hij van morgen bij de kust gevonden is, zittend op de kiel van zijn

boot."

"Gelukkig, dat hij het leven redde," zei de keizerin.

"Dat is nog niet zeker," zei de havenmeester, "want hij was krankzinnig,

toen men hem aan land bracht."

"Was dat van schrik?" vroeg de keizerin.

"Ja," zei de havenmeester, "'t was omdat we hier in Nieuwpoort niets

hebben om op te vertrouwen in tijd van nood. Cornelis wist, dat zijn

vrouw en kindertjes doodhongeren zouden, als hij omkwam, en die gedachte

maakte hem zeker krankzinnig."

"Dus, dat, wat u hier in de duinen eigenlijk noodig hebt," zei de

keizerin, "is iets om op te vertrouwen."

"Ja, dat is het," zei de havenmeester. "De zee is onzeker, de visscherij

en alle verdienste zijn onzeker. We moeten iets hebben, waar we op

rekenen kunnen."

De keizerin ging verder tot ze bij den predikant van Heyst kwam.

"Is er iets nieuws in Heyst?" vroeg zij hem.

"Niets nieuws," antwoordde hij, "alleen heeft Jacob van Ravestein

opgehouden met het aanleggen van dijken, met het uitgraven van de haven,

met het bouwen van den vuurtoren en met alle andere nuttige werken,

waarmee hij begonnen was."

"Hoe komt dat?" zei de keizerin.

"Hij heeft een erfenis gekregen," zei de predikant, "en die vindt hij

kleiner, dan hij verwachtte."

"Maar nu heeft hij toch iets vast," zei de keizerin.

"Ja zeker," antwoordde de predikant, "maar nu hij het geld in handen

heeft, durft hij geen groot werk meer aan, uit angst, dat het niet

toereikend zal zijn."

"Dus het moet iets onmetelijk groots zijn, dat u hier in Heyst noodig

heeft, om de menschen te helpen," zei de keizerin.

"Ja, zoo is het," zei de predikant, "er is oneindig veel te doen en

niets kan gedaan worden eer we iets onmetelijk groots hebben om op te

steunen."

De keizerin ging verder, tot ze bij den loods in Middelkerke kwam en

vroeg ook hem naar nieuws van zijn stad.

"Niets nieuws weet ik te vertellen," zei de loods, "dan dat Jan van der

Meer ongenoegen heeft met Lucas Neerwinden."

"Werkelijk?"

"Ja, zij hebben nu die plaats in zee gevonden, waar zoo'n massa

kabeljauw is, en waar ze levenslang naar gezocht hebben. Ze hadden er

van oudsher van hooren vertellen en hebben op zee rondgezworven om die

te vinden. En ze waren de beste vrienden, tot ze die plek gevonden

hebben, en daarna hebben ze twist gekregen."

"Dan was het maar beter, dat ze die nooit gevonden hadden," zei de

keizerin.

"Ja," zei de loods, "dat was zeker beter geweest."

"Dus wat u hier in Middelkerke zou kunnen helpen," zei de keizerin, "zou

iets moeten zijn, dat zóó verborgen was, dat niemand het vinden kon."

"Juist," zei de loods, "goed verborgen moest het zijn, want als iemand

het vinden kon, zou er niets dan gekibbel en vijandschap van komen en

't zou gauw opgebruikt zijn en dan kon 't geen nut meer doen."

Oud en nieuw · 第 9 / 10 段