de boot werd niet in den grond geboord. Toen Cecco opkeek was het schip
op de vlucht op zee, en een luid gejammer klonk door den nacht.
Hij stond bevend op om verder te roeien, hoewel hij zoo moe was, dat
hij nauwlijks de riemen kon vasthouden. Maar plotseling was alle gevaar
voorbij. De storm nam snel af en de golven werden in een oogenblik
rustig.
"Breng ons nu terug naar Venetië," zei de vreemdeling tot den visscher.
Cecco bracht nu de boot naar Lido, waar de bisschop aan land ging,
en toen naar San Giorgio, waar de ridder hen verliet. De eerste
indrukwekkende vreemdeling bleef bij hem tot Rialto.
Toen ze aan land gegaan waren bij Riva Degli Schiavoni, sprak hij tot
den visscher: "Zoodra het dag wordt, moet ge naar den doge gaan en hem
zeggen wat ge van nacht hebt gezien. Zeg hem, dat San Marco, San Giorgio
en San Nicola van nacht met de demonen gestreden hebben, die Venetië
wilden verwoesten, en ze hebben verdreven."
"Ja, Heer," zei de visscher, "ik zal alles vertellen. Maar hoe zal ik
zoo kunnen spreken, dat de doge mij gelooft."
Toen reikte San Marco hem een ring met een wonderbaar stralenden
edelsteen.
"Laat den doge dien zien," zei hij. "Dan begrijpt hij, dat ik u
gezonden heb. Hij kent mijn ring."
De visscher nam den ring en kuste die eerbiedig.
"En verder moet ge den doge zeggen," zei de heilige, "dat ik dezen ring
geef als een onderpand, dat ik Venetië nooit zal verlaten. Zelfs als de
laatste doge uit het hertogelijk paleis is getrokken, zal ik Venetië
bewaren. Zelfs al verloor Venetië de eilanden in 't oosten en de
heerschappij over de zee, en al trok niemand meer uit op den Bucentaur,
zal ik de stad bewaren in al haar schitterende schoonheid. Altijd zal
zij rijk en bemind zijn, altijd door de dichters bezongen en geprezen,
altijd heerlijk voor menschen om te bewonen. Zeg dat, Cecco, en de doge
zal u op uw ouden dag niet verlaten."
Toen verdween de apostel en kort daarna steeg de zon op boven de
zeepoort bij Torcelli. Haar eerste, heerlijke stralen wierpen een
rozigen glans over Venetië en de veelkleurige zee. Rood straalden
de kerken van San Giorgio en San Marco en 't geheele, met paleizen
versierde strand. En in het heerlijke morgenlicht kwamen de bekoorlijke
Venetiaanschen op de loggia's en glimlachten tegen den komenden dag.
Weer was Venetië de schoone godin, die op de golven troont in de
rooskleurige, schitterende schelp. Schoon als nooit te voren bond ze
haar gouden haar op en legde den purperen mantel om de schouders, om
een van haar schoonste dagen te vieren. Want ze was als in een roes van
geluk, toen de visscher den ring aan den doge bracht en zij vernam, dat
de heilige nu en in alle eeuwigheid zijn beschermende hand over haar zou
uitstrekken.
SANTA CATHARINA VAN SIËNA.
Het is in het oude huis van Santa Catharina in Siëna, op een dag in het
eind van April, in de week, dat haar feest gevierd wordt. Het is in het
oude huis in de Verwersstraat, dat huis met het mooie balkon en met de
vele kleine kamers, die nu tot kapel en bidkamers zijn ingericht; en
daarheen stroomen nu de menschen met bouquetten witte lelies en daar
geuren wierook en viooltjes.
En als men daar rondloopt, denkt men: 't Is precies alsof de kleine
Catharina pas gestorven is, en alsof allen, die nu haar huis uit en
ingaan, haar gezien en gekend hebben.
Maar eigenlijk zou men niet gelooven, dat ze dood is, want dan zou er
meer rouw en geween zijn, en niet alleen dat stille gevoel van gemis,
dat er nu is. 't Is meer, alsof een geliefde dochter kort geleden
getrouwd is, en heengegaan uit het ouderlijk huis.
Zie nu maar eens naar de dichtstbij zijnde huizen. De oude muren zijn
feestelijk versierd. En aan haar eigen huis hangen bloemenguirlandes
onder de portiek en aan het balcon; daar ligt groen op de stoep en op
den drempel en in de kamer geuren groote bouquetten.
En men kan in 't geheel niet gelooven, dat zij al vijfhonderd jaar dood
geweest is. 't Is eer alsof ze haar bruiloft gevierd heeft en naar een
ander land is getrokken, waarvan ze eerst na langen tijd of nooit terug
kan komen. Zijn het niet enkel roode kleeden en draperieën en rood
zijden banieren, die 't huis versieren? Zijn niet de grootste, meest
vuurroode papieren rozen in de donkere guirlande van eikenbladen
gestoken, en zijn de versierselen boven de deuren en vensters niet rood
met gouden franjes? Kan men zich wel iets vroolijkers voorstellen?
En let nu eens op hoe oude vrouwen in haar huis rondloopen en alle
kleinigheden bekijken, die zij bezeten heeft. Het is alsof ze haar juist
die sluier en dat boetekleed hebben zien dragen. Zij bekijken de kamer,
waar zij woonde en wijzen naar haar bed en haar brieven. En ze vertellen
elkaar hoe ze eerst in het geheel niet kon leeren schrijven, en hoe het
toen plotseling over haar kwam en zij het kon, zonder het te leeren. En
zie maar hoe goed die brieven geschreven zijn, en wat een vloeienden
stijl!--Ze wijzen op het kleine fleschje, dat zij aan den gordel droeg
om altijd droppels bij de hand te hebben, als ze een zieke tegenkwam. En
zij bidden zegen af over het oude nachtlampje, dat zij in de hand droeg,
als ze des nachts naar de zieken en bedroefden kwam zien. Is het niet,
alsof ze zeggen willen: "Ach God, dat ze nu weg is, die lieve Catharina
Benincasa, dat ze nooit meer naar ons oudjes zal komen zien."
En zij kussen haar portret en nemen een bloem meê uit de bouquetten, als
een herinnering aan haar.
Het is alsof de achterblijvenden in 't huis zich reeds lang op de
scheiding hebben voorbereid en al het mogelijke beproefd hebben om de
herinnering van haar, die heenging, recht levendig te houden. Zie, daar
aan den wand is een schilderij van haar en haar geheele geschiedenis,
trek voor trek. Daar ziet ge haar, terwijl ze haar lang mooi haar
afknipt, opdat geen man haar liefhebben zal, want zij wil in 't geheel
niet trouwen. Ach, ach! hoe werd zij daarom gesmaad. Het is vreeselijk
om er aan te denken, hoe haar moeder haar plaagde en haar als een
dienstbode behandelde, en haar op den steenen vloer in het voorhuis liet
slapen, en haar geen eten wilde geven, alleen omdat zij zoo koppig met
dat haar geweest was. Maar wat moest ze beginnen, zij, die geen anderen
bruidegom dan Christus wilde hebben, terwijl men haar voortdurend tot
een huwelijk wilde dwingen. En daar ziet ge, hoe ze op de knieën lag en
bad, en haar vader in de kamer kwam, zonder dat zij het merkte en hoe
hij een mooie witte duif boven haar hoofd zag zweven, zoolang het gebed
duurde. En hier ziet ge haar in den Kerstnacht, toen ze naar het altaar
van de Madonna geslopen was om zich recht te verheugen over de geboorte
van Gods Zoon. En toen de mooie Madonna zich neerboog van de schilderij
en haar het kindje toereikte, opdat zij 't een oogenblik in de armen zou
houden. Ach! welk een zaligheid kwam toen over haar.
Ach ja! men behoeft van Catharina Benincasa niet te zeggen, dat zij dood
is. Men kan gerust zeggen, dat zij met haar bruidegom is heengegaan.
In haar vaderstad zal men nooit haar vrome levenswijs en gewoonten
vergeten. Alle armen van Siëna komen daar aan de poort kloppen, want
ze weten, dat het de bruiloftsdag der jonkvrouw is. En daar vinden ze
hooge stapels brood gereed, alsof ze nog thuis was. Ze krijgen manden en
zakken vol. Zij zelf zou ze niet zwaarder beladen kunnen wegzenden, als
ze nog thuis was.
Zij liet zulk een leegte achter, en men miste haar zóó, dat men haast
niet begrijpen kan hoe haar bruidegom het hart had haar weg te voeren.
In de kleine kapellen, die in iederen hoek van het huis zijn ingericht,
wordt den heelen dag de mis gelezen en men roept de bruid aan en zendt
liederen tot haar op. "Heilige Catharina," zeggen de menschen, "bid voor
ons op uw sterfdag, die tevens uw hemelsche bruiloftsdag is.
Heilige Catharina, gij die geen andere liefde gekend hebt dan die voor
Christus, gij die reeds in dit leven zijn bruid waart en in den dood
door Hem in het Paradijs ontvangen zijt, bid voor ons!
Heilige Catharina, stralende hemelbruid, gij gelukzalige jonkvrouw, gij
die als Moeder Gods aan de zijde van den Zoon zijt verheven, gij die op
dezen dag door de engelen wordt ingedragen tot de heerlijkheid des
hemels, bid voor ons."
* * * * *
Het is wonderlijk hoe lief men haar krijgt, hoe haar huis, en de
schilderijen, en de liefde van de ouden en armen haar voor ons doen
leven. En men gaat over haar peinzen, hoe ze in werkelijkheid wel was,
of ze niets dan een heilige, een hemelbruid was, of het waar was, dat
ze niet in staat was iemand anders lief te hebben dan Christus. En daar
duikt een oud verhaal, dat lang geleden ons hart verwarmde, uit onze
herinnering op. Eerst is het heel vaag en vormeloos, maar als men
eindelijk alleen overblijft op het balkon van het feestelijk versierde
huis en de armen ziet weggaan, met hun gevulde korven en het doffe
mompelen in de kapellen hoort, wordt het al duidelijker en staat dan
helder voor onzen geest.
Nicola Tungo was een jong edelman uit Perugia, die dikwijls naar Siëna
kwam om de wedrennen. Hij merkte spoedig hoe slecht Siëna bestuurd werd
en zei vaak in een gesprek met de notabelen en ook als hij in de herberg
zat te drinken, dat Siëna moest opstaan tegen de Signoria en zich een
ander bestuur veroveren.
De toen regeerende Signoria waren nog geen half jaar aan de regeering
geweest. Zij waren nog niet heel zeker van hun macht en het beviel hun
niet, dat de Perugiër het volk opruide. Om aan die zaak snel een einde
te maken, lieten ze hem gevangen zetten en na een kort verhoor werd hij
ter dood veroordeeld.
Hij werd naar de gevangenis in Palazzo publico gebracht, terwijl alles
voor de onthoofding, die den volgenden dag op de markt zou plaats
hebben, in orde gemaakt werd.
Dat kwam den jongen man eerst zoo wonderlijk voor. Morgen zou hij dus
zijn groen fluweelen mantel niet meer dragen, noch zijn mooie wapens;
hij zou niet meer op straat loopen met zijn baret met struisveeren en
de oogen der jonge meisjes tot zich trekken. En hij voelde het als een
smartelijke leegte, dat hij zijn nieuw paard niet zou berijden, dat hij
eerst gisteren gekocht en nog maar ééns beproefd had.
Plotseling riep hij den gevangenbewaarder en verzocht hem de heeren van
de Signoria te zeggen, dat hij zich niet kon laten onthoofden. Hij had
er geen tijd voor. Hij had te veel te doen. Het leven kon hem niet
missen. Zijn vader was oud. Hij was de eenige zoon en moest dus het
geslacht in stand houden. Hij moest zijn zusters uithuwelijken, hij
moest een nieuw paleis bouwen en een nieuwen wijngaard planten.
Hij was een krachtige jonge man; hij wist niet wat ziekte was en in zijn
aderen stroomde de levenslust. Zijn haar was donker en zijn wangen rood.
Hij kon maar niet begrijpen, dat hij sterven moest.
Als hij er aan dacht, dat men hem wegnam van zijn spel en dans,
van karnaval en van de wedrennen op den volgenden Zondag, en van de
Serenade, die hij aan de schoone Giulietta Lombardi brengen wilde, werd
hij woedend op de raadsheeren, zooals men het op dieven en roovers
wordt. Die schurken, die schurken! Zij wilden hem het leven afnemen.
Maar hoe meer de tijd voorbijging, hoe meer ontberingen hij voelde. Hij
miste de frissche lucht, en water, en hemel en aarde. Hij dacht hoe
hij een bedelaar langs den weg zou willen zijn, ziekte, honger en kou
verdragen, als hij maar leven mocht. Hij wenschte, dat alles met hem
sterven zou, dat er niets meer zou zijn na hem. Dat zou een groote
troost geweest zijn.
Maar dat den volgenden dag, en alle dagen daarna, de menschen naar de
markt zouden gaan en handel drijven, dat de vrouwen water uit de bron
zouden halen en de kindren op straat loopen--en hij het niet zou
zien--dát kon hij niet verdragen. Hij benijdde niet alleen hen, die
't goed hadden en feestvieren konden en gelukkig waren. Hij benijdde
evengoed de ellendigste gebrekkige. Wat hij wilde was alleen _leven_!
Toen kwamen de priesters en de monniken bij hem. Hij was er bijna blij
om, want nu had hij ten minste iemand om zijn woede aan te luchten. Hij
liet ze eerst een poosje praten; het vermaakte hem te hooren wat ze
zouden zeggen tegen iemand, die zóó verongelijkt was als hij. Maar toen
ze hem zeiden, dat hij zich moest verheugen, omdat hij in zijn bloeiende
jeugd dit leven verlaten mocht, stoof hij op en liet zijn woede over
hen losbarsten. Hij hoonde God en de vreugden van den hemel. Hij had ze
niet noodig. Hij wilde het leven hebben en de aarde en de ijdelheid en
de lust. Hij had berouw over iederen dag, dien hij niet in aardsche
genoegens verbrast had. Hij had spijt van iedere verzoeking, die hij
weerstaan had. Wat had God zich om hem te bekommeren! Hij had niet naar
Zijn hemel verlangd. Toen de priesters voortgingen met spreken, greep
hij een van hen bij de keel en zou hem vermoord hebben, als niet de
gevangenbewaarder zich tusschen hen geworpen had. Nu lieten zij hem
binden en zijn mond dichtstoppen en preekten voor hem, maar zoodra hij
weer spreken mocht, raasde hij juist als te voren. Zij waren uren met
hem bezig, maar zij zagen wel, dat het niet hielp.
Nu wisten ze geen raad meer, en toen stelde een van hen voor, dat men de
jonge Catharina Benincasa zou halen, die getoond had groote macht over
onbuigzame zielen te bezitten.
Toen de Perugiër dat hoorde hield hij plotseling op, midden in zijn
woordenvloed. Waarlijk, dit stond hem wel aan. 't Was heel iets anders
met een schoone, jonge maagd te doen te hebben. "Zend mij de jonkvrouw,"
zei hij.
Hij wist, dat zij de jonge dochter van een verwer was en alleen in
straten en stegen rondliep om te preeken. Sommigen zeiden, dat ze
krankzinnig was, anderen dat ze visioenen had. Voor hem was ze altijd
beter gezelschap dan de vuile monniken, die hem buiten zichzelf
brachten.
Toen gingen de monniken heen en hij bleef alleen achter. Kort daarna
ging de deur open, maar als de geroepene binnengekomen was, moest ze
al een zeer lichten tred hebben, want hij hoorde niets. Hij lag op den
vloer, zooals hij zich in zijn woede neergeworpen had, en hij was te moe
om op te staan of om een beweging te maken, of zelfs maar op te zien.
Hem waren de armen saamgebonden met touwen, die diep in zijn vleesch
sneden.
Toen voelde hij, dat iemand dat touw begon los te maken; een warme hand
raakte zijn arm aan en hij zag op. Naast hem lag een klein wezentje in
witte dominikanerkleeding met hoofd en hals zóó dicht in een witten
sluier gewikkeld, dat er van haar gezicht niet veel meer zichtbaar
bleef, dan van een ridder, die een helm met opgeslagen vizier draagt.
Zij zag er in 't geheel niet zoo vroom uit; zij leek eerder
verontwaardigd. Hij hoorde haar iets mompelen over den
gevangenbewaarder, die het touw zoo vast aangetrokken had. Het was,
alsof ze om niet anders dan om die knoopen gekomen was. Ze deed niet
anders, dan trachten ze los te maken, zonder hem pijn te doen. Eindelijk
moest zij ze met de tanden los trekken, en toen ging het. Ze ontknoopte
het touw met vlugge, zachte bewegingen, nam toen het kleine fleschje,
dat aan haar gordel hing en goot een paar druppels daaruit op het
afgeschaafde vel.
Hij lag haar aldoor aan te kijken, maar zij had hem nog niet in de oogen
gezien en scheen alleen te denken aan datgene waar ze meê bezig was. Het
was alsof niets verder uit haar gedachten was, dan dat ze hem op den
dood moest voorbereiden.
Hij was nu zoo moe van opgewondenheid en voelde zich ook zoo veilig in
haar nabijheid, dat hij alleen zeide:
"Ik geloof, dat ik zou willen slapen."
"Het is schande, dat ze u geen stroo gebracht hebben," zei ze.
Een oogenblik zag ze besluiteloos rond, toen ging ze achter hem op den
grond zitten en legde zijn hoofd in haar schoot. "Hebt ge het nu beter?"
vroeg zij. Nooit in zijn leven had hij zich zoo rustig gevoeld.
Maar slapen kon hij toch niet, hij lag stil naar haar gezicht te kijken,
dat geelwit en doorschijnend was. Zulke oogen had hij nooit te voren
gezien. 't Was alsof ze ver, ver weg zagen en in een andere wereld
keken, terwijl ze volkomen onbeweeglijk zat om zijn slaap niet te
storen.
"Ge slaapt niet, Nicola Tungo," zei ze en zag er onrustig uit.
"Ik kan niet slapen." antwoordde hij, "want ik lig er aldoor over te
denken, wie ge toch zijt."
"Ik ben de dochter van Luca Benincasa, de verwer, en zijn vrouw,
Lapa," zei ze. "Ons huis ligt beneden in het dal onder het
dominicanerklooster."
"Dat weet ik," zei hij, "en ik weet ook, dat ge op straat predikt. En
dat ge het nonnenkleed hebt aangenomen en de kuischheidsgelofte
afgelegd. Maar toch weet ik nog niet wie ge zijt."
Ze wendde het hoofd wat af. Toen sprak ze fluisterend, als iemand, die
zijn eerste liefde bekent:
"Ik ben de bruid van Christus."
Hij lachte niet; in plaats daarvan voelde hij een stekende pijn in het
hart, als van jaloezie. "Ach! Christus!" zei hij, alsof hij hoorde van
een mésaillance.
Zij hoorde, dat er verachting in zijn stem klonk, maar zij nam dat op,
alsof hij meende, dat zij vermetel was.
"Ik begrijp het zelf niet," sprak ze, "maar het is zoo."
"Dat is inbeelding of een droom," zei hij.
Zij keerde haar aangezicht naar hem toe. Hij zag hoe er een rozigen
schijn over lag door 't bloed, dat achter de doorschijnende huid
opsteeg. Hij vond opeens, dat ze mooi was als een bloem en hij kreeg
haar lief. Zij bewoog de lippen om te spreken, maar gaf geen geluid.
"Hoe kan ik dat nu gelooven?" zei hij koppig.
"Is het u dan nog niet genoeg, dat ik bij u in de gevangenis ben?" vroeg
zij luid. "Is het dan een genot voor een jong meisje als ik, bij u en
andere misdadigers te komen in hun donkre holen, zooals ik doe, en voor
velen een bespotting te zijn? Heb ik dan geen slaap noodig als anderen,
en toch moet ik iederen nacht opstaan en naar de zieken in het hospitaal
gaan. Ben ik niet bang, zoo goed als anderen? En toch moet ik naar
voorname heeren in hun kasteel gaan en hen terechtwijzen. Ik moet naar
de pestzieken gaan en alle kwaad en zonde onder de oogen zien. Wanneer
hebt ge dat ooit een maagd zien doen? Maar ik moet!"
"Ach, stakker," zei hij, en streelde zacht haar hand. "Stakker!"
"Want ik ben niet moediger of wijzer of sterker dan iemand anders," zei
ze. "Het is even moeilijk voor mij om dat te doen als voor ieder ander
meisje. Dat ziet ge wel. Ben ik niet hier gekomen om met u over uw ziel
te spreken? Maar ik weet niet, wat ik tegen u zeggen moet."
Het was vreemd hoe onwillig hij was zich te laten overtuigen. "Ge kunt u
toch wel vergissen," zei hij. "Hoe weet ge, dat ge u de bruid van
Christus kunt noemen?"
Haar stem begon te beven en het was alsof zij zich het hart uit de borst
moest scheuren, toen zij antwoordde:
"Dat begon al vroeg met mij, weet ge, toen ik niet ouder was dan zes
jaar. Toen liep ik een avond met mijn broer over 't veld, beneden de
kerk van de dominicaners, en juist toen ik mijn oogen naar de kerk
ophief, zag ik Christus op een troon zitten, met alle macht en
heerlijkheid omgeven. Hij was gekleed in lichtende kleuren, zooals de
Heilige Vader in Rome. Zijn hoofd was omgeven door een hemelsch licht,
en om Hem heen stonden Petrus, Paulus en Johannes, de evangelist. En
terwijl ik Hem aanzag, drong in mijn hart zulk een liefde door en zulk
een heilige zaligheid, dat ik het bijna niet kon verdragen. Hij hief de
hand op en zegende mij en ik zonk neer, en was zoo aangegrepen door mijn
geluk, dat mijn broer mij in zijn armen nam en me schudde.--Sedert dien
tijd, Nicola Tungo, heb ik Jezus als mijn bruidegom liefgehad."
Hij bracht er weer tegen in: "Ge waart toen nog een kind. Ge hebt op het
veld geslapen en gedroomd."
"Gedroomd?" herhaalde ze, "zou ik gedroomd hebben ieder keer, dat ik Hem
gezien heb? Zou dat een droom zijn, dat Hij bij mij in de kerk kwam in
de gestalte van een bedelaar en mij een aalmoes vroeg. Toen was ik toch
klaar wakker. En zou ik alleen ter wille van een droom zooveel lijden
hebben uitgestaan, als mij werd opgelegd als jong meisje, omdat ik niet
trouwen wilde?"
Nicola wilde nog niet toegeven, omdat hij het niet verdragen kon, dat
zij liefde voor een ander in haar hart droeg.
"Maar al hebt gij Christus lief, jonkvrouw, hoe weet ge, dat Hij u
liefheeft," vroeg hij.
Toen lachte ze met een blijden, stralenden lach en klapte in de handen
als een kind. "Dat zult ge hooren, dat zult ge hooren," zeide zij. "Nu
zal ik u het gewichtigste vertellen. 't Was op een nacht in de vasten.
Het was toen ik vrede met mijn ouders gesloten en hun toestemming
gekregen had om de kuischheidsgelofte af te leggen en de nonnenkleeren
te dragen, hoewel ik nog in hun huis woonde. Het was nacht, zooals ik u
zei, de laatste van het karnaval, zoodat allen een dag van den nacht
maakten. 't Was feest op alle straten, balkons hingen als kooien aan de
muren der groote paleizen. Ze waren bekleed met zijden doeken en vlaggen
en vol edelvrouwen. Ik zag al hun schoonheid bij den schijn van de roode
flakkerende fakkels, die in de bronzen houders op zij en tot boven aan
het dak zaten. Maar op de bont versierde straten kwamen ze aanrijden met
wagens en droegen vergulde torentjes, en alle goden en godinnen en alle
deugden en schoonheden trokken in een langen optocht voorbij. Maar
daartusschen speelden de maskers vroolijk heen en weer, zoodat ge nooit
iets uitgelateners gezien hebt. Ik vluchtte in mijn kamer, maar ik
hoorde toch het gelach op de straten en nooit heb ik de menschen zóó
hooren lachen; 't was zoo heerlijk om te hooren, dat de heele wereld
meê zou lachen, en er werden liedjes gezongen, die zeker boos waren,
maar die zoo onschuldig klonken, en zoo vol blijdschap waren, dat ze
't hart van vreugde deden trillen, zoodat door al mijn gebeden heen ik
me afvroeg, waarom ik ook niet daar buiten was. En het trok me aan en
lokte me, alsof ik achter aan een van die schitterende paarden was
vastgebonden. Maar nooit te voren had ik zóó innig tot Christus gebeden,
dat Hij me toonen zou wat Zijn wil was. En toen hield plotseling alle
gedruisch om mij heen op. Een wonderbare stilte daalde neer en ik zag
een groene weide, waar de Moeder Gods tusschen de bloemen zat en op haar
schoot zat het kind Jezus met leliën te spelen. Maar ik spoedde mij
voort met groote blijdschap en viel voor het kind op de knieën en was
plotseling vervuld met een grooten, diepen vrede. En toen schoof het
heilige kind een ring aan mijn vinger en zeide tot mij: "Weet dan,
Catharina! dat ik van daag mijn verlovingsfeest met u vier en u aan mij
door het sterkste geloof verbind.""
"O, Catharina!"
De jonge Perugiër had zich op den vloer omgekeerd, zoodat hij nu zijn
gezicht in haar schoot kon verbergen. Het was alsof hij niet verdragen
kon te zien, hoe ze straalde van geluk onder 't spreken, en hoe haar
oogen schitterden als sterren. Zijn lichaam schokte als van smart.
Want terwijl zij sprak, was een groot verdriet in hem ontwaakt. Die
jonge maagd, schoon en rein als geen andere, kon hij nooit winnen. Haar
liefde behoorde een ander toe, nooit zou ze hem liefhebben. Het gaf niet
of hij haar zei hoe lief hij haar had. Maar hij leed er onder. Zijn
heele ziel was vol liefdesmart. Hoe zou hij kunnen leven zonder haar. En
het was hem bijna een troost te denken, dat hij ter dood veroordeeld
was. Hij zou niet behoeven te leven en haar te missen.
Toen zuchtte de jonge vrouw daar voor hem diep, en keerde met haar
gedachten van de vreugden des hemels tot de arme menschen terug en zei:
"Ik vergeet met u over uw ziel te spreken".
Toen dacht hij: "Zie, die zorg kan ik haar ten minste afnemen."
En hij sprak: "Zuster Catharina, ik weet niet welke hemelsche troost
over mij gekomen is. In Godsnaam, ik zal mij op den dood voorbereiden.
Gij kunt de priesters en de monniken laten komen en ik zal voor hen
biechten. Maar één ding moet ge me beloven eer ge heengaat. Ge moet
morgen komen, als ik sterven moet en mijn hoofd tusschen uw handen
nemen, zooals ge nu doet."
Toen hij dat gezegd had voelde ze een vreugde zóó groot, dat ze begon te
schreien: "Nicola Tungo, hoe gelukkig zijt ge," sprak ze. "Ge zult vóór
mij in het Paradijs zijn." En ze streek hem zacht over het haar.
Toen zei hij weer: "Ge komt immers morgen bij mij op de markt? Misschien
wordt ik anders bang. Misschien kan ik anders niet met waardigheid
sterven. Maar als gij daar zijt, zal ik niets dan vreugde voelen en alle
angst zal van mij wijken."
"Ik zie u niet meer als een arm menschenkind," zei ze, "maar als een
hemelbewoner. Het is me alsof ge straalt van licht en door wierook
omringd zijt. Van u stroomt zaligheid over mij uit, van u, die zoo
spoedig mijn geliefden bruidegom zult ontmoeten. Geloof maar, dat ik
zeker komen zal en u zien sterven."