de mis en onder de geheele godsdienstoefening lag zij op de knieën en
smeekte, dat zij 't volk toch mocht kunnen helpen. En, met uw verlof,
medeburgers, aan 't eind van de mis was het haar duidelijk geworden, dat
het beter was weinig dan niets te doen. Toen het volk uit de mis kwam,
ging ze op de stoep van de kerk staan om tot hen te spreken.
Geen mensch uit West-Vlaanderen zal ooit vergeten, hoe zij er uitzag.
Mooi als een keizerin was ze en gekleed als een keizerin.
Zij had zich de kroon en den mantel laten brengen en de staf in de hand
genomen. Zij had hoog opgestoken, wit gepoederd haar en een snoer groote
echte paarlen door de golvende lokken gevlochten. Ze was in schitterende
roode zijde gekleed, en heel haar gewaad was overtrokken met echte
vlaamsche kant. Ze had roode schoenen met hooge hakken en juweelen
gespen op de wreef. Zoo ziet ze er nog uit en regeert over
West-Vlaanderen tot op dezen dag toe.
Nu sprak ze tot de kustbewoners en maakte hun haar wil bekend.
Zij zei hun hoe ze gepeinsd had, om middelen te vinden om hen te helpen.
Zij zei, dat ze wel wisten, dat zij de zee niet tot kalmte kon dwingen
of den wind vastbinden, dat ze de visschen niet naar de kust kon voeren
of de biezen in boekweit veranderen. Maar wat zij, armzalig mensch, voor
hen doen kon, zou ze doen.
Allen lagen geknield, terwijl ze sprak. Nooit te voren hadden ze zóó het
kloppen van een zacht moederlijk hart gevoeld. De keizerin sprak met hen
over hun moeilijk leven, zoodat ze schreiden uit dankbaarheid voor haar
medelijden.
Maar nu, zei de keizerin, was ze besloten hun haar schatkist te laten
met alle schatten, die er in waren. Die zou een geschenk zijn voor
allen, die op de duinen woonden. Het was de eenige hulp, die ze geven
kon en ze vroeg hun haar te vergeven, dat die zoo klein was. En ze had
tranen in de oogen toen ze dat zei.
Ze vroeg hun nu of ze beloven wilden en zweren dien schat niet aan te
spreken, voor de nood zóó hoog was, dat hij niet hooger stijgen kon. En
verder, of ze wilden zweren, dat ze dien aan hun erfgenamen na zouden
laten, als ze dien zelf niet noodig hadden. En eindelijk smeekte ze
ieder afzonderlijk, dat hij niet voor zichzelf den schat zou gebruiken,
zonder eerst de geheele visschersbevolking te hooren.
Of ze dat zweren wilden? Ja, dat wilden ze allen. En zij zegenden de
keizerin en schreiden van dankbaarheid. En zij schreide ook en zei, dat
ze wel wist, dat ze een steun noodig hadden, die hun nooit begaf, en
oneindige schatten en een onbereikbaar geluk, maar dat kon ze hun niet
geven. Ze had zich nooit zoo machteloos gevoeld, als hier buiten in de
duinen.
Medeburgers, zonder dat zij 't wist, door de hooge regentenwijsheid, die
in deze groote vrouw was, is het haar toch gelukt nog meer goed te doen
dan ze bedoelde, en daarom kan men zeggen, dat ze nog heden in
West-Vlaanderen regeert.
Ge zult er van genieten, als ge van al den zegen hoort, die het geschenk
van de keizerin over West-Vlaanderen heeft gebracht. Nu hebben de
menschen daar iets, waar ze op vertrouwen kunnen, wat ze zoo noodig
hadden,--wat wij allen zoo noodig hebben. Hoe groot de nood ook wezen
kan, dáár wanhoopt men niet.
Men heeft mij gezegd hoe de schatkist van de keizerin er uitziet.
Zooals het kistje van de heilige Ursula in Brugge, zei men, en zelfs
nog mooier. Het is een reproductie van de domkerk in Weenen en van
het zuiverste goud; maar op de zijwanden ziet men het leven van de
keizerin in het helderste albast afgebeeld. Op de vier kleine zijtorens
schitteren de vier diamanten, die de keizerin uit de kroon van den
Sultan van Turkije gerukt heeft en op den gevel is haar naam ingelegd
met robijnen. Maar toen ik hun vroeg of ze het kistje gezien hadden,
zeiden ze, dat de schipbreukelingen, die in levensgevaar zijn, het
altijd vóór zich zien op de golven, als een teeken, dat ze niet moeten
wanhopen voor vrouw en kinderen, als ze die moeten verlaten.
Maar dit zijn de eenigen, die het kistje gezien hebben; anders is
niemand het zóó nabij gekomen, dat hij het kon onderscheiden. En ge
weet, medeburgers, dat de keizerin niet gezegd heeft, hoeveel het
bevatte. Maar als ge er soms aan twijfelen mocht of het nuttig was en
nog is, dan zou ik u willen aanraden naar de zee te reizen en zelf te
zien. Sinds dien tijd is er steeds gegraven en gebouwd, en de zee is nu
bedwongen door golfbrekers en dijken en doet geen schade meer, en er
zijn groene velden binnen de duinrijen en badplaatsen en steeds in
bloei toenemende steden aan den zeekant. Maar bij iederen vuurtoren,
die gebouwd is, bij iedere haven, die werd uitgediept, bij ieder schip,
waarvan de bouw begonnen werd, en iederen dijk, die werd opgeworpen,
heeft men gedacht: "Als ons geld niet toereikend is, helpt ons de
genadige keizerin Maria Theresia. Maar dat was maar een aanmoediging;
het eigen geld was altijd voldoende.
Ge weet ook, dat de keizerin niet zei, waar zich de schat bevond. Was
dat niet goed bedacht, medeburgers? Iemand bewaart dien, maar niet vóór
allen hebben besloten dien te deelen, mag hij, die hem bewaart, zich
aanmelden en zeggen waar de schat is. Daardoor weet men, dat hij nu noch
later onrechtvaardig verdeeld worden zal. Hij komt aan allen toe. Ieder
weet, dat de keizerin aan hem evenveel denkt als aan zijn buurman. Daar
bij die menschen kan geen twist of afgunst ontstaan, want het beste
bezitten ze allen in gemeenschap.""
De Bisschop viel pater Verneau in de rede.
"Het is genoeg. Hoe hebt u het slot gemaakt?"
"Ik zei hun," sprak de monnik, "dat het een groot ongeluk was, dat de
goede keizerin ook niet naar Charleroi gekomen was. Ik beklaagde hen,
dat zij haar schatkist niet bezaten. Met de groote dingen, die zij
voornemens waren te doen, met de zee, die ze moesten beteugelen, en het
drijfzand, dat ze moesten regeeren, zei ik, was er zeker niets, dat ze
noodiger hadden."
"En....?" vroeg de bisschop.
"Een paar koolrapen, Monseigneur, en hier en daar fluiten, toen ik den
preekstoel al af was. Anders niets."
"Ze hadden begrepen," zei de Bisschop, "dat u van Gods voorzienigheid
tot hen gesproken hadt."
De monnik boog.
"Zij hadden begrepen, dat u hun wilde toonen, dat de macht, die ze
hoonden, omdat ze haar niet zien, zich verbergen moest. Dat ze misbruikt
zou worden, zoodra ze zich in zichtbaren vorm openbaarde. Ik maak u mijn
compliment."
De monnik trok zich buigend tot aan de deur terug.
De bisschop volgde hem stralend van welwillendheid.
"Maar de schatkist...., gelooven ze daar nog aan."
"Of ze er aan gelooven!--Ja zeker, Monseigneur."
"En de schat? Was er ooit een schat?"
"Met uw verlof, Monseigneur,--ik heb het gezworen."
"Nu ja,--maar voor mij..." zei de bisschop.
"De predikant te Blankenberge bewaart hem. Hij heeft hem mij laten zien.
Het is een klein houten kistje met ijzer beslag."
"En....?"
"Op den bodem liggen twintig blanke daalders van Maria Theresia."
De bisschop glimlachte, maar werd spoedig weer ernstig.
"Kan men nu zulk een kistje met de Voorzienigheid vergelijken?"
"Alle vergelijkingen zijn gebrekkig, Monseigneur. Alle menschelijke
voorstellingen zijn ijdel."
Pater Verneau boog nog eens en gleed uit het vertrek.
+---------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De volgende correcties zijn in de tekst |
| aangebracht: |
| |
| Bron (B:) -- Correctie (C:) |
| |
| B: Catharina van Siena 151 |
| C: Catharina van Siëna 151 |
| B: Zelfs was hij ook niet |
| C: Zelf was hij ook niet |
| B: kon lijden. |
| C: kon leiden. |
| B: en Moeder en ons beiden. |
| C: en Moeder en ons beiden." |
| B: geboren werd. Ze wïl hem |
| C: geboren werd. Ze wil hem |
| B: midden tusschen de menschen |
| C: midden tusschen de menschen. |
| B: Agnete kon dit niet uithouden. |
| C: Agneta kon dit niet uithouden. |
| B: talk meer in den kandelaar, |
| C: talk meer in den kandelaar. |
| B: onbeschadigd naar Venetië. Je weet |
| C: onbeschadigd naar Venetië." Je weet |
| B: ging over de Piazetta en de markt |
| C: ging over de Piazzetta en de markt |
| B: hagelbuien uitstortten over de stad, |
| C: hagelbuien uitstortten over de stad. |
| B: Giorgo Maggiore te roeien. |
| C: Giorgio Maggiore te roeien. |
| B: zacht snikte. Hij dach er aan, dat |
| C: zacht snikte. Hij dacht er aan, dat |
| B: de drie mannan de botsing afgeweerd |
| C: de drie mannen de botsing afgeweerd |
| B: het sterkste geloof verbind." |
| C: het sterkste geloof verbind."" |
| B: zei, dacht hij. "Als ik leven |
| C: zei, dacht hij: "Als ik leven |
| B: langen rit en de lange mis." |
| C: langen rit en de lange mis." |
| B: barstte de monik uit, |
| C: barstte de monnik uit, |
| B: En toen ik op de preekstoel |
| C: "En toen ik op de preekstoel |
| B: ze allen in gemeenschap." |
| C: ze allen in gemeenschap."" |
| |
+---------------------------------------------+
End of Project Gutenberg's Oud en nieuw, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlöf