"Ja maar hoor eens hoe het was, Beppo. Zie je, we lagen eens--mijn

jongens en ik, toen ze nog kindren waren,--daar buiten op zee, en om den

tijd te korten vertelde ik hen hoe San Marco naar Venetië kwam. "San

Marco, de evangelist," zei ik tegen hen, "lag eerst begraven in een

mooie domkerk in Alexandrië, in Egypte. Maar de stad viel in handen van

de ongeloovigen, en eens beval hun Kalif, dat men een prachtig paleis

in Alexandrië zou bouwen en de pilaren uit de christen-kerken halen om

dat te versieren. Maar juist toen lagen twee Venetiaansche kooplieden

met tien welgeladen schepen in de haven van Alexandrië. Toen de

bemanning in de kerk kwam, waar San Marco begraven was, en over het

bevel van den Kalif hoorden spreken, zeiden ze tot de bedroefde

priesters: "Het dierbare lijk, dat ge hier in uw kerk hebt, loopt gevaar

door de Saracenen ontheiligd te worden. Geef het ons. Wij zullen het

eeren, want San Marco was de eerste, die het Evangelie predikte op de

eilandjes bij de Lagunen. De doge zal u zeker beloonen." Toen gaven de

priesters hun toestemming en om te voorkomen, dat de Christenen in

Alexandrië de zaak zouden tegenwerken, legde men het lijk van een ander

heilig man in de kist van den evangelist. Maar opdat de Saracenen 't

niet zouden merken, dat het lijk weggevoerd werd, legde men het op den

bodem van een groote kist en bedekte het met ham en gerookt vleesch, dat

de Saracenen niet kunnen verdragen, zoodat, toen de tolbeambten de

deksel van de kist opendeden, ze zoo hard mogelijk wegliepen. Maar de

twee kooplieden brachten San Marco onbeschadigd naar Venetië." Je weet

immers wel, dat zoo het verhaal is, Beppo?"

"Ja zeker, Cecco."

"Ja, maar nu moet je hooren,"--en Cecco richtte zich half op en sprak

met doffe stem in zijn angst. "Zie je, dat is verschrikkelijk! Toen ik

vertelde, dat de heilige verborgen gelegen had onder ham, begonnen de

jongens te schateren van het lachen. Ik wilde ze stilhouden, maar toen

lachten ze nog harder. Giacomo lag op zijn buik in den voorsteven en

Pietro zat met de beenen over de verschansing en ze schaterden zóó, dat

je 't ver over zee kon hooren."

"Ja maar Cecco, twee kinderen mogen toch wel lachen!"

"Maar begrijp je dan niet, dat ze juist daar vandaag zijn gestorven. Op

dezelfde plaats. Kun je anders begrijpen, waarom ze juist dáár moesten

sterven?"

Maar nu begonnen ze allen te spreken en hem te troosten. Zijn groot

verdriet bracht hem in de war. Zóó was San Marco niet. 't Was immers

natuurlijk, dat als een boot omslaat door den storm, dit op de open zee

gebeurt en niet in de haven.

En zijn zonen hadden ook niet in vijandschap met San Marco geleefd! Men

had ze hooren roepen: "Evviva San Marco!"--even hard als ieder ander.

En hij had hen immers tot vandaag toe beschermd. Hij had ze nooit zijn

toorn getoond in alle jaren, die voorbijgegaan waren.

"Maar jij, Cecco," zeiden ze, "jij brengt nog ongeluk over ons, door zoo

over San Marco te spreken. Jij, die oud en wijs zijt, moest beter weten

en hem niet tegen de Venetiërs opzetten. Wat zijn wij zonder hem?"

Cecco zat hen verward en onrustig aan te kijken. "Jelui gelooft het dus

niet," zei hij.

"Geen verstandig mensch gelooft zoo iets."

't Scheen alsof ze hem tot rust gebracht hadden.

"Ik zal probeeren 't ook niet meer te gelooven," zei hij. Hij stond op

en ging naar de deur. "'t Zou ook al te wreed zijn, niet waar?" zei hij.

"Ze waren te mooi en te flink, dan dat iemand ze zou kunnen haten. Ik

wil het niet gelooven." Hij ging heen en in de straat voor zijn deur

ontmoette hij een buurvrouw.

"Nu lezen ze een zielmis in den dom," zei ze tot Cecco en snelde weg. Ze

was bang voor hem, zóó zag hij er uit.

Toen nam Cecco de boot en bracht die door het kanaal naar Riva Degli

Schiavoni. Daar waar men het verste uit kan zien bleef hij zitten staren

naar Lido en de zee. Ach, 't was een sterke wind, maar in 't geheel geen

storm. 't Water verhief zich nauwelijks tot groote golven. En in zulk

weer moesten zijn zonen vergaan. 't Was niet te begrijpen.

Hij maakte de boot vast en ging over de Piazzetta en de markt in de Kerk

van San Marco. Er waren veel menschen, die allen op de knieën lagen te

bidden in grooten angst. Want het is immers voor de Venetiërs veel erger

dan voor anderen, als er een ongeluk op zee gebeurt. Zij hebben geen

wijngaarden en akkers, maar zijn geheel afhankelijk van de zee. Daarom

haastten ze zich naar San Marco om hem om bescherming te bidden, zoodra

de zee een van allen aanviel.

Cecco viel niet op de knieën, maar bleef staan. Hij herinnerde zich

hoe hij hierheen gekomen was met zijn zoontjes en hen had leeren bidden

tot San Marco. "Hij is het, die ons leidde over de zee, die de poorten

van Byzantië voor ons opende en ons macht gaf over de eilanden in

het oosten," had hij tot hen gezegd. "En tot dank daarvoor hebben de

Venetiërs voor San Marco den mooisten tempel in de wereld gebouwd, en

nooit komt een schip thuis uit een buitenlandsche haven, zonder dat het

een geschenk voor die kerk meêbrengt."

Toen hadden zij alle drie de roode marmeren wanden van den dom bewonderd

en het vergulde met mozaïek bedekte dak. En hij had er met hen over

gesproken, dat geen onheil een stad kon treffen, die zulk een burcht

voor zijn beschermheilige bouwde.

Cecco viel plotseling op de knieën en begon het eene paternoster na het

andere te bidden.

Het kwam weer terug--hij voelde het. Hij wilde het wegbidden, hij wilde

geen kwaad van San Marco gelooven.

Maar het was immers in het geheel geen storm geweest dien morgen. En

dit was ten minste zeker, dat, al had de heilige niet zelf het ongeluk

veroorzaakt, hij toch ook niets gedaan had om zijn zonen te helpen, maar

ze als voor de grap had laten omkomen.

Zoodra die gedachte bij hem opkwam, ging hij nog meer bidden, maar zij

wilde hem niet loslaten.

En dan te denken, dat San Marco een schatkamer in den dom had, gevuld

met schatten als uit het wonderland; te denken, dat hij zelf levenslang

den heilige aangebeden had en zelden voorbij de Piazzetta geroeid was,

zonder binnen te gaan en hem aan te roepen.

't Was zeker niet voor niet, dat zijn zonen juist daar moesten vergaan.

Ach! 't was toch ellendig voor de Venetiërs, niets beters te hebben om

op te vertrouwen. Denk eens aan, een heilige, die wraak op twee kinderen

kon nemen!--een beschermheer, die iemand niet kon redden bij een

valwind!

Hij was opgestaan en haalde de schouders op en stak afwerend de handen

uit, terwijl hij naar het graf van den heilige in 't koor zag.

Een kerkelijke bediende ging rond met een groote vergulde schaal van

gedreven zilver en zamelde giften voor San Marco in.

Hij ging van den een na den andere en kwam ook bij Cecco.

Cecco week achteruit, als stond de duivel in eigen persoon voor hem.

Verlangde San Marco gaven van _hem!_ Meende hij, dat hij die verdiend

had?

Plotseling greep hij de groote, gouden zechine, die hij in den gordel

droeg en wierp die zóó hard in de schaal, dat men den klank in de

geheele kerk hoorde. De biddenden werden in hun gebed gestoord en

wendden het hoofd om. En zij, die Cecco's gezicht zagen, werden door

ontzetting aangegrepen. Hij zag er uit, als hadden de demonen macht over

hem gekregen.

Onmiddellijk daarna ging Cecco de kerk uit en eerst was het hem een

groote verlichting, dat hij zich op den heilige gewroken had. Hij had

hem behandeld als een woekeraar, die meer verlangt dan hem toekomt.

"Neem dit dan ook maar," zegt men en gooit hem zijn laatste goudstuk

naar 't hoofd, zoodat het bloed hem over de oogen vloeit. En de

woekeraar slaat niet terug, maar bukt zich en raapt het goudstuk op.

Zoo had San Marco ook gedaan.

Hij had Cecco's zechine aangenomen, na hem eerst van zijn zonen te

hebben beroofd. Hij had een gift aangenomen, die met zulk een haat

gegeven was. Zou een man van eer dat ooit gedaan hebben? Maar San Marco

was een stumper, even laf als wraakzuchtig.

Maar op Cecco zou hij zich niet wreken. Hij was zeker blij en dankbaar,

omdat hij de zechine gekregen had. Hij nam die aan en hield zich, alsof

hem die in alle vroomheid gegeven was.

Toen Cecco in de voorhal van San Marco stond kwamen twee kerkknechten

haastig voorbij. "Het stijgt, het stijgt angstwekkend," zei de een.

"Wat?" vroeg Cecco.

"Het water in de kapel onder het koor. Het is in de laatste minuten een

voet gestegen."

Toen Cecco buiten op de trappen van de kerk kwam, zag hij een waterplas

op het plein vlak bij de benedenste trede. 't Was zeewater, dat van de

Piazzetta was opgespat.

Het verwonderde hem, dat die zee zoo hoog steeg en hij haastte zich

naar het strand, waar zijn boot lag. Maar daar was alles als te voren,

alleen was het water aanmerkelijk gestegen. Het kwam in breede

golvenrijen aanrollen door de vijf zeepoorten, maar de wind was kalm.

Aan de oevers vulden zich hier en daar al geulen met zeewater en de

kanalen stegen, zoodat de waterpoorten der huizen gesloten moesten

worden. De hemel was effen grijs als de zee.

Het kwam geen oogenblik in Cecco op, dat dit een ernstig onweer zou

kunnen worden. Hij wilde dat niet gelooven. San Marco had zijn zonen

zonder reden laten omkomen; dit was toch geen echte storm. Hij zou wel

eens willen zien, wat dit nu worden zou. En hij ging aan het strand

zitten en wachtte.

Daar begon het effen wolkendak, dat den hemel dekte, te scheuren en

groote onweerswolken kwamen aanvliegen, zwart als oorlogsschepen, die

slagregens en hagelbuien uitstortten over de stad.

Nu kwam er ook iets, dat op een nieuwe zee geleek, aanstormen van den

kant van Lido.

O Signora! dat waren geen golven als zwanen, die ge daarbuiten gezien

hebt, die hun gebogen, doorschijnende halzen naar 't land uitstrekken,

en als ze onbarmhartig teruggestooten worden, stil vervloeien, met de

witte schuimharen uitgespreid over de zee. 't Waren donkere golven, die

elkaar in razernij voortjoegen en over wier toppen 't bitterzoute schuim

als damp wordt voortgezweept.

De wind was nu zóó sterk, dat de meeuwen hun rustig vliegen in kringen

niet meer konden voortzetten, maar krijschend uit hun banen geworpen

werden. Spoedig zag Cecco hoe ze zich met moeite voortwerkten naar zee,

om niet door den storm gegrepen en tegen de huizen aangeslingerd te

worden. De honderde duiven op het plein van San Marco vlogen op,

klapwiekende, zoodat het klonk als een nieuwe storm en verborgen zich in

de hoekjes en gaatjes onder het dak van de kerk.

Maar niet alleen de vogels werden door het onweer opgeschrikt. Een paar

gondels waren al losgerukt en tegen 't strand geslingerd, zoodat ze

bijna gebroken waren. En nu kwamen alle gondelroeiers aanrennen om de

booten in het bootenhuis te bergen of ze weg te voeren in de kleine

kanalen. De zeelieden op de schepen, die in de haven lagen, waren met

het ankertouw bezig om de schuiten vast te leggen, zoodat ze niet op het

land konden drijven. Ze namen het waschgoed in, dat op de verschansing

te drogen hing, trokken de groote muts over 't voorhoofd en droegen al

het losse goed naar beneden onder het dek. Buiten het groote kanaal kwam

een heele visschersvloot aanzetten. Alle schepen van Lido en Malamocco,

die hun waren op Rialto verkocht hadden, vluchtten naar huis om daar te

zijn eer de storm al te geweldig zou worden.

Cecco lachte toen hij zag, hoe de visschers zich bogen over de riemen

en werkten, als wilden zij den dood ontkomen; zagen ze dan niet, dat

dit maar een valwind was? Zij hadden gerust kunnen blijven en al hun

inktvisschen en krabben aan de Venetiaansche vrouwen verkoopen.

Hij zou zijn boot niet bergen, al was de storm nu geweldig genoeg voor

een gewoon mensch om rekening meê te houden. De stapjes werden door de

golven opgelicht en op 't land geworpen, terwijl de waschvrouwen gillend

naar huis vluchten. Heeren, die met breedgerande hoeden rondliepen,

zagen ze in 't kanaal vliegen, en de straatjongens vonden er een groot

vermaak in ze weer op te visschen. Zeilen werden van de masten gerukt en

fladderden amechtig door de lucht, kinderen woeien om, en 't waschgoed,

dat op de lijntjes in de nauwe straten hing, vloog op en viel ver weg

weer in flarden neer.

Cecco lachte wat om den storm, die nog maar met zulke lichte voorwerpen

speelde. Een storm, die de vogels wegjaagt en in de steegjes kattenkwaad

doet als een straatjongen! Nu trok hij zeker hier en daar aan een boot

onder een brug, want niemand kon weten, wat hij nu weer zou verzinnen.

Tegen den avond kwam het Cecco voor, dat het mooi moest wezen op zee.

Hoe heerlijk zou hij voortvliegen met zulk een flinken bries. Maar aan

land werd het een beetje griezelig. Hier vielen schoorsteenen krakend

neer, daar werd het dak van een bootenhuis opgelicht en op het land

gegooid. 't Regende dakpannen in het kanaal. De wind sloeg met deuren

en vensterluiken, en vloog onder de open loggia's der paleizen en brak

er de sierlijke bogen van.

Cecco hield zich nog dapper, maar ging toch niet naar huis en naar bed.

Hij kon de boot niet naar huis krijgen en 't was dan maar beter er bij

te blijven en haar te bewaken. Maar toen hem iemand voorbijkwam en zei,

dat het toch een vreeslijk weer was, wilde hij dat niet toegeven. Hij

had wel ander weer beleefd in zijn jeugd.

"Een storm!" zei hij in zichzelf, "is dit nu een storm? En nu meent men

misschien, dat die kwam op 't zelfde oogenblik, dat ik de zechine naar

San Marco gooide. Alsof hij macht had over een echten storm."

Toen de nacht kwam, stormden de zee en de wind op Venetië af, tot de

stad trilde op haar grondvesten. De doge Gradenigo en de Heeren van den

Hoogen Raad begaven zich in den duisteren nacht naar San Marco, om voor

de stad te bidden. De fakkeldragers gingen hun voor en de vlammen

fladderden in den wind als lange wimpels. De wind rukte aan 't zware

brokaatkleed van den doge, zoodat twee man het moesten vasthouden.

Cecco vond dit het wonderlijkste, wat hij ooit gezien had. Ging de doge

Gradenigo zelf naar den dom om dit onbeduidend geblaas! Wat zouden de

menschen dan wel beginnen, als er eens een echte storm kwam?

Onophoudelijk zweepten de golven het op palen rustende strand. 't Was

nu stikdonker en 't scheen alsof ondieren met witte koppen zich aan

de palen vastklemden en probeerden ze los te rukken. Cecco meende hun

woedend gehuil te hooren, als ze weer terugvielen. Maar hij begon te

rillen, toen hij ze onophoudelijk zag terugkomen en aan de palen rukken.

De storm scheen hem nu in den nacht veel ontzettender. Hij hoorde roepen

hoog in de lucht. Dat was de wind niet! Nu en dan kwamen zwarte wolken

aandrijven als lange rijen galeien. Het was alsof ze de stad kwamen

bestormen.

Hij hoorde duidelijk stemmen in een paar van de uiteengescheurde wolken,

die over zijn hoofd heengleden.

"Nu is het spoedig uit met Venetië," zei een stem in de eene wolk,

"straks komen onze broeders de demonen, en vernielen de stad."

"Ik vrees, dat San Marco het niet toelaten zal," klonk het uit de andere

wolk.

"San Marco is door een Venetiër op het voorhoofd geslagen, zoodat hij

machteloos neerligt en niemand helpen kan," zei de eerste stem weer.

Door den storm gedragen bereikten die woorden den ouden Cecco, en van

dat oogenblik af lag hij op de knieën en bad San Marco om genade en

vergiffenis.

Want het was waar, wat de demonen zeiden. De schoone heerscheres over de

eilanden was haar ondergang nabij. Een Venetiër had San Marco gehoond en

daarom zou Venetië door de zee worden weggespoeld. Geen menschen zouden

meer varen over haar zee en kanalen, en geen barcarole zou meer klinken

uit haar zwarte gondels. De zee zou heen rollen over de goud-blonde

signora's, over de trotsche paleizen en den gulden dom. Als niemand deze

moerassige eilanden beschermde, moesten zij vergaan. Voor San Marco naar

Venetië kwam, was het ook vaak gebeurd, dat groote stukken land waren

weggeslagen.

Bij het krieken van den dag begonnen de klokken van de San Marco te

luiden. De menschen kropen naar de kerk, terwijl de kleeren hun bijna

van het lijf gerukt werden.

De priesters hadden besloten den storm tegemoet en naar de zee te

gaan. Zij openden de hoofdpoort van den dom en stroomden in een langen

optocht uit de kerk. 't Kruis werd vooruit gedragen, dan kwamen de

kaarsendragers en eindelijk San Marco's banier en de heilige hostie.

Maar de storm werd er niet door bedwongen. Integendeel! Het scheen alsof

hij niets beters wist om meê te spelen. Hij wierp den kruisdrager om,

blies de waskaarsen uit en gooide de baldakijn, die boven de hostie

gehouden werd, op het dak van 't paleis van den doge.

Ternauwernood kon men voorkomen, dat de banier van San Marco, met den

gevleugelden leeuw in de lucht opwaaide.

Cecco zag dit en sleepte zich luid jammerend naar zijn boot. Den

geheelen dag lag hij aan 't strand, dikwijls door de golven besproeid

en vaak in gevaar van in zee geslingerd te worden. Den geheelen dag lag

hij verdiept in vurig gebed tot God en San Marco. Nu voelde hij, dat van

zijn gebeden het lot van de stad afhing.

Veel menschen vertoonden zich niet op de straat dien dag, maar enkele

kwamen toch jammerend aanloopen. Allen spraken van de onmetelijke

schade, die de storm aanrichtte. Men kon zien hoe de huizen instortten

op Murano; 't was alsof heel dat lage eiland onder water stond; maar ook

op Rialto waren een paar huizen omgeworpen.

De storm hield den heelen dag met dezelfde hevigheid aan. Tegen den

avond stroomde een groote schare naar het Marcusplein en de Piazzetta,

hoewel die bijna onder water stonden. Zij durfden niet in hun huizen te

blijven, die schudden op hun grondvesten. En met het gejammer van hen,

die een ongeluk vreesden, mengde zich het geschreeuw van hen, die er

reeds door getroffen waren. Geheele eigendommen stonden onder water.

Kinderen waren in de golven omgekomen. Ouden en zieken waren met de

instortende huizen in 't water verdwenen.

Cecco lag voortdurend tot San Marco te bidden.

"Wat geef ik om mijn zonen, als het Venetië geldt. Ik zou een zoon geven

voor iedere dakpan, die in 't kanaal valt, als ik ze tot dien prijs kon

vasthouden. O San Marco, zelfs de kleinste steen van Venetië is zooveel

waard als een bloeiende zoon."

Soms zag hij vreeselijke dingen. Er was een groote galei, die losgerukt

was en naar land kwam drijven. Die ging recht op het op palen rustende

strand af en stootte er tegen met den rammenkop, die aan den voorsteven

zat, alsof die zich in een vijandelijk schip boorde. De eene stoot

volgde op den anderen, en de aanvallen waren zoo vreeselijk, dat het

schip spoedig begon te barsten. De golven spoelden er door heen, de

barsten werden wijder en het fiere vaartuig werd in stukken geslagen. En

al dien tijd zag men den kapitein en een paar van de bemanning, die het

schip niet wilden verlaten, zich aan het dek vastklemmen en den dood

tegemoet gaan, zonder eenige poging te doen om te ontsnappen.

Zoo kwam de tweede nacht, en Cecco's gebeden bleven kloppen aan de

hemelpoort; "Laat mij alleen lijden," sprak hij. "San Marco, dit is meer

dan een mensch verdragen kan, zooals hier: anderen meê te slepen in het

ongeluk. Maar zend uw leeuw uit om mij te dooden. Ik zal niet vluchten.

Wat ge wilt, dat ik voor de stad geven zal, wil ik graag offeren."

Nauwelijks had hij dat gezegd, of hij zag naar de Piazzetta, en het

scheen hem toe, dat hij den leeuw van San Marco niet meer zien kon op de

granietzuil. Had San Marco toegelaten, dat zijn leeuw weggewaaid was? De

oude Cecco schreide. Hij begon te wanhopen voor Venetië.

Terwijl hij daar lag, zag hij aldoor visioenen en hoorde stemmen. De

demonen spraken en stormden om hem heen. Hij hoorde ze razen als wilde

dieren, als ze tegen de strandpalen opvlogen. Maar hij gaf niet veel

om hen. Het ergste was de angst voor Venetië. Daar hoorde hij sterke

vleugelslagen boven zich, en het hart zonk hem in de schoenen. Daar

kwam zeker de leeuw van San Marco aanvliegen. Hier en daar bewoog zich

wat in de lucht. Hij zag het--en zag het niet. Toen was het alsof het

neerdaalde op Riva degli Schiavoni en daar rondsloop, dicht bij de

plaats, waar hij lag. Hij had wel in zee willen springen van angst, maar

hij bleef waar hij was. De leeuw zocht hem zeker. Als Venetië maar gered

werd, dan wilde hij graag de wraak van San Marco ondergaan.

Toen kwam de leeuw over 't veld aansluipen als een kat. Hij zag hoe hij

ineenkromp om te springen. Hij zag hoe hij met de vleugels sloeg en de

groote karbonkeloogen tot twee smalle glinsterende streepjes dichtkneep.

De oude Cecco dacht er nog een oogenblik aan in de boot te kruipen en

zich onder de brug in veiligheid te brengen, maar hij vermande zich en

bleef zitten.

Op dat oogenblik stond plotseling een groot en eerbiedwaardig man naast

hem.

"Goeden avond, Cecco," zei de vreemde, "neem uw boot en zet mij over

naar San Giorgio Maggiore."

"Ja, dadelijk Heer!" antwoordde de oude visscher. Hij was als uit een

droom ontwaakt. De leeuw was weg en die man hier was immers iemand, dien

hij kende. Maar Cecco kon zich niet herinneren, waar hij hem ontmoet

had. De oude was dankbaar, dat hij gezelschap had. De vreeslijke ellende

en gedruktheid, die over hem gekomen was, zoodra hij in vijandschap met

den heilige geraakt was, verdween plotseling. Maar wat het varen naar

San Giorgio betrof--hij geloofde geen oogenblik, dat dit zou gelukken.

"Wij kunnen zeker niet eens de boot in zee krijgen," dacht hij. Maar de

man naast hem maakte zulk een indruk op hem, dat hij alles doen wilde om

hem te dienen en het gelukte hem ook de boot vlot te krijgen. Hij hielp

den vreemdeling in de boot stappen en vatte de riemen op.

Cecco moest om zich zelf lachen: "Waar denk je aan? Steek ten minste

niet in zee!" zei hij. "Heb je ooit zulke golven gezien? Zeg hem toch,

dat geen mensch daar tegen op kan."

Maar hij vond, dat hij den vreemdeling niet kon zeggen, dat het

onmogelijk was. De man zat zoo kalm in de boot, alsof hij op een

zomeravond naar Lido zou varen. En Cecco begon in de richting van San

Giorgio Maggiore te roeien.

't Was ontzettend! Keer op keer sloegen de golven over hen heen. "Ach!

scheld dien kerel uit," zei Cecco halfluid tegen zichzelf. "Scheld hem

uit. Wat doet hij op zee in zulk een weer. Anders is hij immers een

verstandige, oude visscher! Roep hem terug."

Nu steeg de boot steile hoogten op en stortte neer in diepe dalen.

Schuim spatte over Cecco heen, van de woeste golven, die hem als

hollende paarden voorbijvlogen, maar hij werkte zich toch steeds dichter

naar San Giorgio voort.

"Voor wie doe je dit alles toch? Je waagt je boot en je leven," zei hij.

"Je weet niet eens of hij je betalen kan. Hij ziet er niet uit als een

heer. Hij is niet beter gekleed dan jezelf."

Maar zulke dingen zei hij maar om zijn moed vast te houden en zich niet

over zijn meêgaandheid te hoeven schamen. Hij voelde zich gedwongen

alles te doen wat de man in de boot verlangde. "Roei ten minste niet

naar San Giorgio, dwaas," zei hij. "Daar slaat de wind nog feller op dan

op Rialto."

Maar toch legde hij daar aan en hield de boot vast, terwijl de vreemde

aan land ging. Het kwam hem voor, dat het 't verstandigst zou zijn de

boot te verlaten en weg te sluipen; maar hij deed het niet. Hij zou

liever gestorven zijn, dan den vreemdeling ontrouw te worden.

Hij zag hoe deze naar de kerk van San Giorgio ging en daar binnentrad.

Spoedig daarna kwam hij terug met een geharnasten ridder.

"Roei ons nu naar San Nicolo op Lido," sprak de vreemdeling.

"Ach ja," dacht Cecco, "waarom niet naar Lido," 't was al

levensgevaarlijk geweest naar San Giorgio te roeien, waarom zouden zij

de tocht naar Lido niet wagen?

En Cecco schrikte van zichzelf. Want hij gehoorzaamde den vreemde tot in

den dood en zette werkelijk koers naar Lido.

Nu er twee in de boot waren, had hij nog zwaarder werk. Hij wist niet

hoe hij dat uithouden moest. "Je hadt toch nog menig jaar kunnen leven,"

zei hij verwijtend tot zichzelf.

Maar het wonderlijkste was, dat hij toch niet bedroefd was. Hij treurde

noch over zijn zonen, noch over iets anders. En hij was er trotsch op,

dat hij vooruit komen kon. "Hij kan zijn eer ophouden, de oude Cecco,"

zei hij tot zichzelf.

Zij legden aan bij Lido en de beide vreemdelingen gingen naar land. Ze

gingen naar San Nicolo op Lido en kwamen spoedig terug met een ouden

bisschop, in mantel en stola gekleed, met de staf in de hand en den

mijter op het hoofd.

"Roei ons nu naar de open zee," zei de eerste vreemdeling.

De oude Cecco rilde. Moest hij nu naar zee roeien, daar waar zijn zonen

vergaan waren? Nu had hij geen schertsend woord meer voor zichzelf. Hij

dacht ook niet zooveel meer aan den storm als aan de ontzetting van

naar het graf van zijn zonen te moeten roeien. Als hij daarheen roeide,

voelde hij dat hij meer dan zijn leven voor den vreemde gegeven had.

De drie mannen zaten zwijgend in de boot, alsof zij goed op hun hoede

waren. Cecco zag hoe zij zich voorover bogen en spiedend uitzagen in het

donker. Zij waren nu bij de zeepoort bij Lido gekomen en de groote, door

de storm opgezweepte zee lag voor hen.

't Was alsof er iets in Cecco zacht snikte. Hij dacht er aan, dat hier

in deze golven, de twee lijken ronddreven. Hij staarde in 't water of

hij ook twee welbekende aangezichten zou zien. Maar ondertusschen roeide

hij voort. Cecco liet zich niet bang maken.

Daar stonden plotseling de drie mannen in de boot op en Cecco viel op de

knieën, maar hij bleef de riemen stijf vasthouden. Een groot schip kwam

recht op hen aan.

Maar Cecco kon niet goed zien of het een schip was dan wel een door de

wind opgejaagde nevelmassa. De zeilen waren groot, en reikten tot de

vier hoeken van den hemel en de kiel was geweldig, maar 't scheen, dat

ze gebouwd was uit de lichtste zeedamp. Hij meende een bemanning van

demonen aan boord te zien en hun geschreeuw te hooren, maar de demonen

geleken donkere vlekken en 't geschreeuw klonk als 't bulderen van den

storm.

Maar in ieder geval was het al te vreeselijk het schip recht op zich aan

te zien komen en Cecco sloot de oogen.

Oud en nieuw · 第 7 / 10 段