En haar tranen hielden op. Ze stond stil en zwijgend, zoolang Nino

wilde. Hij had de macht in handen.

Luitenant Ugo werd opgenomen en weggedragen.

De politie begon te zoeken naar de vrouw, die hem gekwetst had. Nino en

Teresa hoorden hen aan de menschen vragen: "Waarheen is ze gevlucht?

Heeft iemand haar gezien?"

't Was een lange signora!--neen een kleine?--had men haar gezien,--neen,

daar;--ze was naar 't station gevlucht;--neen, naar Santa Lucia.--En de

politieagenten verspreidden zich rechts en links.

Na een poos bracht Nino Teresa naar het station. En ze gingen rustig

naar huis. Nino vertrouwde er op, dat luitenant Ugo Teresa niet zou

aangeven.

Hij las ook in de courant den volgenden dag, dat de luitenant verklaard

had, dat hij de vrouw, die hem gewond had, nooit had gezien.

De wonde was niet gevaarlijk. En in de week daarna kwam er een brief van

hem aan Teresa.

Sedert die reis naar Napels had zij zich in alles door Nino laten

leiden. Nu kwam ze ook met den brief bij hem.

"Lees dien, Nino," vroeg ze.

Hij maakte den brief open en bleef bevend staan.

"Heb je hem uit, Nino?" vroeg ze.

Nino antwoordde: "Ja," met een angst in zijn stem als had hij haar

doodvonnis in handen.

"Laat me dan hooren," zei ze en richtte zich op.

En Nino las voor, dat luitenant Ugo haar niet meer liefhad. "Al mijn

liefde is in mij gestorven. Mijn arme liefde is dood!" schreef hij.

Ze trok verachtelijk de schouders op.

"Kan dan de liefde van een signor geen bloed zien?" vroeg ze.

"Ach Teresa," schreef luitenant Ugo, "je waart voor mij de trots van het

vaderland, je waart het herboren Rome, de sterke vrouw uit de oudheid,

je waart een vrouw, die eenmaal de Romeinen tot helden zou maken, je

zou zielskracht genoeg hebben om ons uit te zenden om de wereld te

veroveren. Vergeef me, dat ik mij vergiste. Ik weet nu, dat de oude

Romeinsche vrouwen dood zijn. De dochters van het nieuwe Rome zenden

geen man uit om eer te behalen, zij hebben alleen moed om hem te

beletten zijn plicht te doen."

Teresa legde haar hand op die van Nino. "Ik wil niet meer hooren," zei

ze.

Nino zweeg.

"Als ik dat niet gedaan had, Nino," zei ze, "zou hij nu dood zijn. Ik

begrijp niet, wat hij bedoelt. Ik zag hem dood in een bergpas liggen.

Hij zou daar nu liggen, als ik er niet geweest was. Hoe kon ik hem nu

laten gaan!"

"Vindt je ook, dat ik laf ben, Nino?" vroeg ze. "Ben ik ontaard? Heb ik

geen droppel Romeinsch bloed in mijn aderen?"

Nino zag haar aan, zooals ze daar voor hem stond, zoo fier, zoo mooi

en zoo koppig. Hij had haar lief, zooals hij haar altijd had liefgehad

en hij zag zijn toekomst duidelijk voor zich. Zij zou nooit trouwen,

hij zou haar nooit verlaten, en zij zouden samen zijn heel hun leven

lang;--zij als meesteres, hij als knecht. De tijd, die nu voorbij was,

dat hij bijna de meester was, zou nooit weerkomen. Zij zou spoedig de

heerschappij hernemen.

"Zeg me Nino," vroeg ze, "waren de oude Romeinsche vrouwen dan wilde

dieren? Stonden zij toe, dat men haar ontroofde wat ze liefhadden?"

Nooit te voren had Nino zoo goed als juist op dat oogenblik gevoeld hoe

weinig het nieuwe Italië op het oude leek. Maar hij sloot de oogen voor

alle getuigenissen der geschiedenis, want hij was opnieuw Teresa's slaaf

geworden, en antwoordde, wat zij wenschte te hooren: dat in haar aderen

Romeinsch bloed vlood, het onvervalschte Romeinsche bloed.

DE OUDE AGNETA.

Een oude vrouw ging met korte, trippelende stapjes het bergpad op. Ze

was klein en mager. Haar gezicht was verbleekt en verwelkt, maar niet

hard en gerimpeld. Zij droeg een langen mantel en geplooide muts. 't

Gebedenboek had zij in de hand en een tak lavendel in den zakdoek.

Zij had een hutje hoog op de rotsen, daar waar geen boomen meer groeien.

Het lag vlak aan den rand van den breeden gletscher, die langzaam zijn

ijsstroom van den met sneeuw bedekten bergtop naar 't diepe dal

voortstuwde. Daar woonde de oude vrouw heel alleen. Al de haren waren

overleden.

Het was Zondag, en zij was in de kerk geweest. Maar hoe dat nu kwam, zij

was niet blijmoedig, maar droevig gestemd geworden door dezen kerkgang.

De predikant had van de dooden gesproken en van hen, die niet zalig

konden worden en dat had haar sterk ontroerd. Plotseling had zij zich

herinnerd, dat ze in haar kindsheid had hooren vertellen, dat velen der

onzaligen hun zonden moesten boeten in de eeuwige koude op den bergtop

boven haar woning. Zij herinnerde zich de eene sage na de andere van die

zwervers op den gletscher, die onvermoeide schaduwen, die door den

ijskouden bergwind werden voortgejaagd.

Zij voelde plotseling een diepen afschuw voor dien berg en vond, dat

haar hut daar vreeselijk hoog lag. Als nu zij, die daar onzichtbaar

rondzwierven op den hoogen top, eens buiten den gletscher kwamen. En zij

woonde daar zoo heel alleen!

Bij dat woord "alleen" namen haar gedachten een noch somberder tint aan.

Zij werd weer overweldigd door het verdriet, dat haar alle dagen drukte.

Zij voelde hoe hard het was, zóó ver van de menschen te zijn.

"Oude Agneta," zei ze tot zichzelf, zooals zij zich had aangewend in

haar eenzaamheid, "je zit daar maar boven in je kamer te spinnen. Je

moet den heelen langen dag sloven en zwoegen om niet van honger te

sterven. Maar is er nu iemand, die er blij om is, dat je leeft? Iemand

in de wereld, oude Agneta?

Als er nu nog maar iemand van je familie leefde, dan kon 't nog wel zoo

zijn.--Als je wat dichter bij 't dorp woonde, kon je nog wel eens iemand

plezier doen. Zoo arm, als je ben, kun je niet eens een hond of een kat

houden, maar je zou toch nog wel eens een bedelaar voor een nacht kunnen

opnemen. Je moest toch niet zoover van den weg af wonen, oude Agneta.

Als je nog maar een enkele keer een dorstigen wandelaar een dronk water

kon geven, dan wist je ten minste, dat je nog iemand tot nut was."

Zij zuchtte en zei in zichzelf, dat niet eens de boerinnen, die haar

garen te spinnen gaven, haar dood zouden betreuren. Wel had ze altijd

eerlijk werk gezocht, maar er waren zeker velen, die 't beter konden

doen. En ze begon te schreien, toen ze er aan dacht, dat het den

predikant, die haar al die jaren op dezelfde plaats in de kerk had zien

zitten, misschien volkomen 't zelfde was of zij er zat of niet. "Ik ben

als een doode," zei ze. "Niemand vraagt naar mij. Ik kon even goed

sterven. Ik ben al half bevroren door de eenzaamheid en de kou. Mijn

hart is bevroren--dat is het!

Ach ja, ach ja," zei ze, want nu was ze echt op dreef geraakt, "als er

maar iemand was, die me noodig had, dan zou er nog wel warmte in de

oude Agneta te vinden zijn. Maar kan ik soms kousen voor de steenbokken

breien of een bed spreiden voor de marmotten? Dat zeg ik je," zei ze en

balde de vuist tegen den hemel, "je moet me iemand geven, die me noodig

heeft! of anders wil ik sterven."

Op datzelfde oogenblik kwam een lange, ernstige monnik haar op het

bergpad tegemoet. Hij ging met haar meê, omdat hij zag, dat ze bedroefd

was en zij vertelde hem van haar verdriet. Zij zei, dat haar hart in

haar bevroor en dat ze nog als die zwervers op den gletscher zou

worden, als God haar niet iets gaf om voor te leven.

"Dat kan God wel doen," zei de monnik.

"Maar ziet ge dan niet, dat God hier boven machteloos is?" zei de oude

Agneta. "Hier is immers niets dan de koude, kale velden."

Zij kwamen al hooger op den berg. Het mos lag zacht op de rotsen,

bergplantjes met ruige blaadjes omzoomden het pad; hooge rotsen met

kloven en steile hellingen met ijsvelden en sneeuwmassa's lagen boven

hun hoofden, zóó steil en zwaar, dat haar de keel toesnoerde. Toen zag

de monnik Agneta's hutje vlak bij den gletscher.

"Ach!" zei hij, "woon je hier? Dan ben je niet alleen. Hier heb je

gezelschap genoeg. Zie maar!" De monnik legde den wijsvinger tegen den

pink, hield ze voor 't linker oog van 't oude vrouwtje en verzocht haar

tusschen de vingers door naar den berg te zien. Maar de oude Agneta

beefde en sloot de oogen.

"Als er daar boven wat is, wil ik het volstrekt niet zien," zei ze. "De

hemel beware me! 't Is hier al akelig genoeg."

"Nu--goedendag dan," zei de monnik. "Het zal je niet meer aangeboden

worden zoo iets te zien."

De oude vrouw werd nieuwsgierig. Zij sloeg de oogen op en zag naar het

sneeuwveld. Eerst zag ze niets bizonders, maar toen merkte ze, dat zich

daarboven iets bewoog. Zij zag op het witte veld iets wits bewegen. Wat

zij eerst voor nevel en damp en blauwachtig witte plekken op het ijs

gehouden had, waren massa's onzaligen, door de eeuwige kou gepijnigd.

Het oude vrouwtje stond te trillen als een blad. 't Was juist zooals 't

in de oude sagen verteld werd. De dooden zwierven daar boven rond in

eeuwige pijn en angst. De meesten waren in iets langs en wits gewikkeld,

maar allen hadden de voeten en hoofden bloot. En zij waren ontelbaar!

Hoe langer ze keek, hoe meer er te voorschijn kwamen. Sommigen liepen

fier, met opgeheven hoofd, anderen kwamen aanzweven, alsof ze dansten

over 't veld, maar ze zag hoe ze allen zich de voeten kwetsten tot

bloedens toe aan rotspunten en ijskanten. 't Was precies als in de oude

sagen. Zij zag hoe ze onophoudelijk zich tegen elkaar aandrongen om wat

warmer te worden en hoe ze oogenblikkelijk daarna weer uiteenstoven,

verschrikt door de doodskou, die van hun lichamen uitging. Het was alsof

de koude op den berg van hen kwam, alsof ze de sneeuw ongesmolten

hielden en de nevel vinnig koud. Niet allen bewogen zich. Enkelen

stonden stil als versteend en schenen zoo jaren lang gestaan te hebben,

want sneeuw en ijs had zich om hen heen opgehoopt en alleen hun

bovenlichaam was nog maar zichtbaar. Hoe langer het oude vrouwtje naar

dit alles keek, hoe rustiger zij werd. De ontzetting week van haar en ze

werd van harte bedroefd over 't lot van deze gepijnigden. Er was geen

eind aan de ellende, geen rustplaats voor de gewonde voeten, die over

het ijs snelden,--dat ijs, dat scherper was dan geslepen staal. En wat

rilden en beefden en trilden ze van de kou! Zij die versteend waren en

zij die zich bewogen, leden onder die bijtende, snijdende, onduldbare

kou.

Er waren vele jonge menschen, meisjes en jongens, maar er was geen jeugd

in hun blauwe, bevroren gezichten; het was alsof ze speelden, maar al

hun vreugde was dood. Ze trilden van kou en kropen klappertandend ineen,

als oude menschen, terwijl hun bloote voeten de scherpste ijsstukken

schenen uit te zoeken om op te stijgen. 't Meest werd zij bewogen door

te zien hoe sommigen in 't harde gletscherijs lagen en anderen als

groote ijspegels aan de rotsen hingen.

Toen nam de monnik zijn hand weg en de oude Agneta zag niets dan de

leege, naakte sneeuwvlakte. Enkele zware ijsmassa's lagen hier en daar

verspreid, maar ze omringden geen versteende spoken. De blauwe glans op

de gletschers kwam niet van vastgevroren lichamen. De wind joeg wat

lichte sneeuwvlokken op, anders niet.

Maar ze wist toch zeker, dat ze goed gezien had, en ze vroeg den monnik:

"Is het geoorloofd iets voor die armzaligen te doen?"

Hij antwoordde: "Wanneer heeft God verboden goed te doen, barmhartigheid

te bewijzen of te troosten?"

Toen ging hij heen, en de oude Agneta haastte zich naar haar hutje en

zat daar lang te denken. Den heelen avond peinsde zij er over, hoe zij

die arme zielen zou kunnen helpen, die daar rondzwierven op de

gletschers. Zij had geen tijd om aan haar eenzaamheid te denken.

Den volgenden morgen ging zij weer naar het dorp. Zij lachte en was

opgewekt. De ouderdom viel haar zoo zwaar niet meer.

"De dooden," zei ze tot zich zelf, "vragen niet naar roode wangen en

lichte voeten. Zij begeeren enkel, dat men aan hen denkt en hun wat

warmte geeft. Maar aan zooiets kunnen de jongen niet denken. Nu ja--maar

hoe zouden de afgestorvenen beschut worden tegen de ontzettende koude

van den dood, als de ouden hun hart niet voor ze openden?"

Toen ze bij den winkelier kwam, kocht ze daar een groot pak kaarsen en

bij een boer bestelde ze een groote lading brandhout. Maar om dat te

betalen moest ze dubbel zooveel spinwerk aannemen als gewoonlijk. Tegen

den avond, toen ze weer thuis was, las ze vele gebeden en probeerde haar

moed op te houden door veel vrome liederen te zingen. Maar meer en meer

zonk haar de moed in de schoenen. Toch deed ze wat ze zich had

voorgenomen.

Ze spreidde haar bed in de binnenste kamer van de hut. In de buitenste

stapelde ze een grooten hoop hout op den haard en stak die aan. In 't

venster zette ze twee brandende kaarsen; de deur van de hut zette ze

wijd open en toen begaf zij zich te bed.

Ze lag in het donker te luisteren.

Ja, dat waren zeker en stellig voetstappen. 't Was alsof iets den

gletscher af kwam rijden. Er sloop iets om de hut heen, alsof het niet

binnen durfde gaan. Er stond iets te klappertanden aan de deur. De oude

Agneta kon dit niet uithouden. Ze vloog het bed uit, de groote kamer

in, rukte de deur dicht en sloot die af. Dat was te veel! Vleesch en

bloed kon dit niet verdragen.

Buiten de hut hoorde ze zwaar zuchten en slepende stappen, als van

pijnlijke, gewonde voeten. Zij sleepten zich al verder het gletscherijs

op. Nu en dan hoorde ze snikken, maar spoedig was alles weer stil.

Toen werd de oude Agneta buiten zich zelven van angst. "Je bent laf,

oude ziel," zei ze. "'t Vuur brandt uit en de dure kaarsen ook. Moet dat

alles nu vergeefs weggaan om je ellendige lafheid?"

En toen ze dat gezegd had, stond ze weer op, schreiend van angst, met

klapperende tanden en rillend van 't hoofd tot de voeten. Maar ze kwam

toch in de kamer en de deur kreeg ze open.

Weer lag ze te wachten. Nu was ze er niet meer bang voor, dat ze zouden

komen. Ze lag maar met angst te wachten of zij ze ook zóó verschrikt

had, dat ze niet meer durfden te komen.

Toen begon ze te roepen, zooals ze in haar jonge dagen gedaan had, als

ze met de kudde uitging.

"Mijn lieve witte lammetjes op de bergen! kom dan toch! Kom naar beneden

uit de kloven en van de hellingen, mijn lieve witte lammetjes?"

Toen was 't alsof een sterke wind van de rotsen de kamer binnenkwam. Ze

hoorde geen voetstappen of zuchten, alleen windstooten, die om den hoek

en de kamer binnen woeien. En 't klonk alsof iemand onophoudelijk

waarschuwde: "Sst! sst! maak haar niet verschrikt, maak haar niet

verschrikt."

Ze had een gevoel, alsof de groote kamer zóó propvol was, dat men zich

tegen de muren aandrong tot dat ze bijna barstten. Soms was het alsof

zij, die daar binnen waren, het dak oplichtten om meer ruimte te

krijgen. Maar altijd door was er iemand, die fluisterde: "Sst! sst! maak

haar niet verschrikt."

Toen voelde de oude Agneta zich gelukkig en rustig. Zij vouwde de handen

en sliep in.

Den volgenden morgen was 't alsof alles een droom geweest was. Alles was

nog hetzelfde in de groote kamer. 't Vuur was uitgebrand en de kaarsen

ook. Er was zelfs geen droppel talk meer in den kandelaar.

* * * * *

Zoolang de oude Agneta leefde, ging ze voort op deze wijze voor de

dooden te zorgen. Ze spon en werkte, zoo dat ze alle nachten haar vuur

kon ontsteken. En ze was gelukkig, omdat ze wist, dat iemand haar noodig

had.

Toen kwam er een Zondag, dat men haar niet op haar plaats in de kerk

zag. Een paar boeren gingen naar haar hut om te zien of ze ook wat

noodig had. Toen was ze al dood en zij droegen het lijk naar beneden om

het te begraven.

Toen de oude Agneta den volgenden Zondag in het graf werd gezet, kort

voor de mis, waren er maar weinig menschen, die haar volgden. Ook zag

men geen droefheid op iemands gezicht.

Maar plotseling, juist toen de kist zou worden neergelaten, kwam een

lange, ernstige monnik op het kerkhof en hij wees naar boven, naar den

met sneeuw bedekten bergtop. Toen zagen zij, die bij het graf stonden,

dat de heele berg zich getooid had in 't heerlijkste rood en dat daar

dwars over heen een optocht zich slingerde van kleine gele vlammen, als

van brandende kaarsen. En daar waren evenveel lichten als de doode

kaarsen gebrand had voor de onzaligen.

Toen zeiden de menschen bij het graf: "Geloofd zij God. Zij, die door

niemand hier beneden betreurd wordt, heeft toch vrienden kunnen vinden

daar boven in de groote eenzaamheid."

DE RING VAN DEN VISSCHER.

Onder de regeering van den doge Gradenigo leefde er in Venetië een

oude visscher, Cecco genaamd. Hij was bizonder sterk geweest en was

nog kras voor zijn leeftijd, maar op het laatst had hij toch met werken

opgehouden en zich door zijn beide zonen laten verzorgen. Hij was zeer

trotsch op zijn zonen en hij had ze lief. O Signora! hij had ze zoo

lief.

Maar hij had ze dan ook bijna alleen opgevoed. Hun moeder was vroeg

gestorven en Cecco had alle zorg voor hen gehad. Hij had ze eten en

kleeren bezorgd en had met naald en draad in de boot zitten naaien en

verstellen. Hij had er in 't geheel niet naar gevraagd of men hem daarom

ook uitlachte. Hij had ze ook alleen alles geleerd, wat ze noodig hadden

te weten. Hij had een paar flinke visschers van hen gemaakt en hun

geleerd God en den heiligen Marcus te eeren.

"Denk er aan," zei hij tot hen, "dat Venetië nooit door eigen kracht zou

zijn staande gebleven. Zie nu eens--is het niet op de golven gebouwd?

Zie naar de lage eilandjes aan de landzij, waar 't water op en neer

wiegt tusschen 't zeegras. Jelui wilt er niet eens den voet op zetten

en toch rust de heele stad op zulk een grond. En weet je niet, dat een

storm uit het noorden macht heeft kerken en paleizen in zee te gooien?

En weet je niet, dat we zulke machtige vijanden hebben, dat alle

christen-vorsten hen niet kunnen overwinnen? Daarom moet jelui altijd

tot San Marco bidden, want hij is 't, die met zijn sterke hand de ketens

houdt, die Venetië zwevend houden boven de diepte der zeeën."

En 's avonds als het maanlicht, dat over Venetië scheen, blauwgroen

was door zeedamp en zij zacht over het groote kanaal gleden;--als de

gondels, die zij tegenkwamen, vol zangers waren, als de paleizen witter

werden en er duizende lichtstrepen over het donkere water lagen, dan

herinnerde hij er hen altijd aan, dat ze San Marco moesten danken voor

hun leven en hun geluk.

Maar hij vergat hem ook overdag niet. Als zij thuiskwamen van een

visschersreis en over 't water der lagunen dreven, dat lichtblauw en

goudglanzend voor hen lag; als zij de stad zagen, die op de golven

scheen te drijven, als de groote schepen de haven in en uit gleden, en

't paleis van den doge schitterde als een groote, gesloten juweelkist,

waarin alle schatten der wereld bewaard werden, dan vergat hij nooit hun

te vertellen, dat dit alles gaven van San Marco waren en dat dit alles

zou vergaan, als maar een enkele Venetiër ondankbaar genoeg zou zijn hem

niet meer te vereeren en te aanbidden.

Nu gebeurde het, dat de zonen op een dag uittrokken op de groote

visscherij op de open zee bij Lido. Zij gingen met vele anderen samen,

hadden een prachtige sloep en waren voornemens verscheidene dagen uit te

blijven. Het was mooi weer en zij hoopten op een goeden vangst.

Vroeg op een morgen zeilden ze uit van Rialto, het groote eiland, waar

de stad zelf op ligt; en naarmate zij voortgleden over de lagunen, zagen

zij al de eilanden, die als gespen Venetië met de zee verbinden, uit den

morgennevel opstijgen. Daar lag La Giudecca en San Giorgio ter rechter-

en San Michele, Murano en San Lazarro ter linkerzij. En dan volgde het

eene eiland na het andere in een breeden kring, tot aan het langwerpige

Lido, dat in 't midden lag als het slot aan een parelsnoer. Maar om Lido

heen was de groote, onbegrensde zee.

Toen ze daar gekomen waren, gingen eenige van de visschers in een boot

en roeiden van de sloep weg om de netten uit te zetten. 't Was nog

altijd goed weer, hoewel de golven hier hooger gingen dan tusschen de

eilanden. 't Sprak van zelf, dat niemand aan gevaar dacht. Ze hadden een

goede boot en waren goed thuis op zee.

Na een poos merkten zij toch, die op de sloep achtergebleven waren, dat

de zee en de hemel haastig donker werden in het noorden. Zij begrepen,

dat de noordenwind in aantocht was en begonnen de kameraden te roepen,

maar die waren reeds te ver weg om de waarschuwing te hooren.

De wind bereikte de boot het eerst. Toen de visschers plotseling de

golven om hen heen zagen verrijzen, als kudden, die des nachts op een

groote weide hebben gerust en des morgens opstaan, ging een van hen

overeind staan in de boot en wenkte de andere kameraden, maar op 't

zelfde oogenblik viel hij achterover in zee. Onmiddellijk daarna

kwam een golf, die de heele boot overeind zette en men zag hoe het

scheepsvolk als van de banken geschud en door de zee verzwolgen werd.

Allen waren in een oogenblik weg. Toen kwam de boot weer te voorschijn

met de kiel naar boven. De bemanning van de sloep zocht nu deze van de

plaats te krijgen, maar zij konden niet tegen den wind op.

't Was een verschrikkelijke storm, die aan kwam stuiven over zee, en de

mannen op de sloep hadden spoedig de handen vol met zich zelf te bergen.

Zij kwamen toch behouden thuis en vertelden het ongeluk. Cecco's beide

zonen en nog drie anderen waren omgekomen.

Ach ja, hoe kan toch alles samenloopen. Cecco was dienzelfden morgen

naar de Rialtobrug gegaan om naar den vischhandel te zien. Hij liep

tusschen de kleine visscherstafeltjes door en stak het hoofd omhoog als

een heer, omdat hij niet behoefde te werken. Hij nam nu en dan een paar

oude visschers uit Lido mee in een osteria en bood ze een beker wijn

aan.

Hij zette de borst vooruit, terwijl hij daar op de bank zat en pochte op

zichzelf en zijn zonen. Hij raakte nu en dan in zulk een goed humeur,

dat hij de zechine, die hij van den doge gekregen had, te voorschijn

haalde. Hij had die gekregen, omdat hij een kind gered had uit het

groote kanaal. Hij was zeer gesteld op die groote goudmunt, droeg ze

altijd bij zich en liet haar zien zoo vaak hij er gelegenheid toe had.

Toen kwam een man binnen en begon van het ongeluk te vertellen, zonder

er op te letten, dat Cecco daar zat. Maar hij had nog niet lang

gesproken of de oude visscher wierp zich op hem en greep hem bij de

keel.

"Je wilt toch niet zeggen, dat ze dood zijn," schreeuwde hij hem toe,

"mijn zonen niet, hoor je, mijn zonen niet!"

De man rukte zich los, maar Cecco gedroeg zich lang, alsof hij zijn

verstand verloren had. De voorbijgangers hoorden hem roepen en jammeren.

Zij stroomden de osteria binnen, zooveel er maar in konden komen en

stonden in een kring om hem heen, als om een goochelaar.

Cecco lag op den grond en klaagde luid. Hij sloeg met de hand op de

harde steenen, en zei telkens: "Dat is San Marco, San Marco."

"Je bent buiten je zelf van verdriet, Cecco," zeiden ze tot hem.

"Ik wist, dat het daar buiten in zee zou gebeuren," zei Cecco, "buiten

Lido en Malamocco, dáár wist ik, dat het gebeuren zou. Daar zou San

Marco ze grijpen. Hij voedde wrok tegen hen. Ik ben er al lang bang voor

geweest. Ja," ging hij voort, zonder te luisteren naar wat men zei om

hem te kalmeeren, "zij hebben eens om hem gelachen, toen we daar bij

Lido lagen. Dat heeft hij niet vergeten. Hij kan 't niet verdragen, dat

men hem uitlacht."

Cecco liet zijn verwarde blikken over de omstanders gaan, alsof hij hulp

zocht. "Luister eens, Beppo van Malamocco," zei hij en strekte de hand

uit naar een grooten visscher, "geloof jij niet, dat het San Marco was?"

"Denk nu niet aan zoo iets, Cecco."

Oud en nieuw · 第 6 / 10 段