en een bleef met man en kinderen bij de ouders inwonen. Maar Teresa
wilde niet trouwen, en Nino wist wel waarom. Hij wist wel, dat ze noch
hem, noch een van de andere landlieden zou nemen. Teresa was trotsch, ze
zou nooit trouwen dan met een signor.
Ja, ja! Teresa was heel trotsch. Men kon het zien aan de manier, waarop
ze 't haar opmaakte, hoog op het hoofd, precies als een signorina,--en
aan haar kleeding in de kerk. In de osteria droeg ze een groen schort en
een rooden doek om den hals, maar als ze Rome inging, was ze altijd in
het zwart. En ze had een grooten hoed met gebogen rand en een kraag van
veeren om den hals, zóó lang, dat hij tot op de plooien van haar kleed
neerhing.
Natuurlijk zou Nino het heel gepast vinden als Teresa een signora werd.
Het eenige vreemde was, dat ze niet begreep, dat ze het al was.
Eigenlijk was Nino er best meê tevreden, dat Teresa niet met een
Campagna-bewoner wilde trouwen. Hij zelf had geen hoop haar ooit te
veroveren. Hij was rond en dik als een meelzak en had zulk een grauwe
tint, juist als een molenaar. En maar een paar kleine streepjes als
oogen. Nino wist wel, dat hij veel te leelijk was voor Teresa. Maar nu
het zoo lang duurde, eer zij haar signor kreeg, en niemand anders haar
durfde vragen, kon Nino jaar in jaar uit haar kameraad blijven. En dat
was waarlijk geen klein geluk.
De dagen daar buiten op de kleine hoeve waren voor Nino vol zaligheid.
's Morgens als Teresa met haar vogels bezig was, droeg Nino een bak met
maïs voor haar. In den voormiddag hielp hij haar wieden en de groente
voor de markt in orde maken. En 's avonds als de arbeiders, die naar
huis gingen, in de osteria een glas goudgele castello romano kwamen
drinken, stond zij bij het vat en vulde de maatjes, en hij nam ze van
haar aan. Maar als het een bizondere dag was, als er feest- of marktdag
was, en de menschen kwamen aanstroomen en alle zitplaatsen waren
ingenomen, als de heele plaats wemelde van goochelaars en verkoopers van
gepiepte appelen en kastanjes, en hij en zij ademloos door de tafeltjes
snelden met hun flesschen en glazen, dan knikten ze elkaar toe, als ze
elkaar tegenkwamen. Zij voelden zich zoo kameraadschappelijk als
soldaten, die samen ten strijde trekken.
Maar op de avonden, dat er geen klanten kwamen, zat Nino Teresa te
vertellen van wat hij in zijn boeken gelezen had. Zij liet hem de
geheele geschiedenis van het oude Rome vertellen, en vooral wilde ze
graag hooren, hoe de plebejers tot patriciërs werden verheven en van
de machtige romeinsche matronen. Nino wist wel waarom. Zij voelde zich
van 't zelfde bloed. En den volgenden dag stak ze 't hoofd nog fierder
omhoog. En Nino zei tegen zichzelf, dat hij wel dwaas leek. Want iedere
keer, dat hij haar vertelde van Cornelia, de moeder der Gracchen,
verwijderde hij haar verder van zich. Waarom kon hij toch niet laten
haar te vertellen? Waarom had hij haar toch 't meeste lief, als zij den
hals zoo fier verhief en haar oogen vlamden.
Toen zij vier en twintig jaar oud was, hoorde Nino de menschen zeggen,
dat zij nu bijna te oud werd om nog een man te krijgen. Ze was niet mooi
meer. Nino begreep niet, wat ze bedoelden. Was zij niet mooi?
Op een dag merkte hij toch, dat ze gelijk hadden. Ze werd werkelijk
bleek, ze was op weg om oud te worden. Hij had het vroeger niet gemerkt,
maar nu zag hij het, doordat ze weer begon op te leven. Al haar jeugdige
schoonheid straalde weer op haar gezicht. Wat was dat voor een wonder?
Nino werd bijna bang, toen hij het zag.
Iederen avond kwam er nu een kleine luitenant in de osteria. Ach! ach!
Nino kon niet ontkennen, dat hij er alleraardigst uitzag. Hij had een
zwarte uniform met zilver aan, en een zacht, kinderlijk gezicht. Hij was
al den eersten avond, dat hij haar zag, verliefd op Teresa geworden. En
zij had zij ter wille van hem haar schoonheid teruggekregen? Hield zij
van dat luitenantje? Was de signor nu eindelijk gekomen?
De arme Nino begon op eens den oorlog en de militairen te haten. Italië
voerde oorlog met Abyssinië, en hij vond, dat het al ellende genoeg was,
dat de Italiaansche soldaten over de zee moesten trekken om het een
vreemd volk lastig te maken, dat geen kwaad gedaan had. Het was al
ellende genoeg, die ze daar aanrichtten. Hier thuis konden ze toch wel
laten de menschen ongelukkig te maken.
Nino zocht gelijkgezinden op en kwam in vredegenootschappen. Hier trad
hij als spreker op en pleitte voor het afschaffen van het leger. Italië
moest niet groot worden als oorlogvoerende mogendheid maar als een land
des vredes. "Laat ons dien Afrikaanschen oorlog doen ophouden. Laat
onze soldaten terugkomen en naar de landbouwschool gaan." Dat waren
Nino's woorden.
Op deze vergaderingen voelde Nino zich een machtig man. Hij stelde
adressen aan den minister en aan den koning op. Hij werd spoedig een der
leiders. Hij werd een van de meest geliefde sprekers. De arme! Als hij
thuis kwam van zulk een vergadering, waar hij den oorlog en het leger
afgeschaft had, kwam hem Teresa tegemoet. Zij bleven bij den put
stilstaan, waar ze altijd plachten te zitten praten en Teresa wilde
over den oorlog hooren. De tegenwoordige oorlog boezemde haar geen
belangstelling in, maar ze wilde weten, wat de Romeinen in vroeger dagen
gedaan hadden. Nu wilde ze van Scipio hooren. Was het Scipio niet, die
naar Afrika getrokken was en de zwarten overwonnen had! En Nino moest
den halven nacht van niets anders dan van den oorlog vertellen.
Terwijl Nino vertelde, werd Teresa stralend mooi. Bij het schijnsel van
de lantaarn zag Nino haar zoo: wonderlijk mooi, met een geheimzinnigen
glimlach op de lippen. Nino begreep, dat ze alleen een held kon
liefhebben. Maar hij, die haar niet kon weigeren haar van zulk een
afschuwelijk bloedblad te vertellen, wat was hij? Hij was laf. Als ze
een Nero had liefgehad, zou Nino zich hebben laten dwingen de tyrannen
te prijzen. Nino was laf! Een ellendeling. Hij was wezenlijk geen held.
Eindelijk was zij verloofd met luitenant Ugo en Nino dacht er ernstig
over zich vrij te maken en een anderen dienst te zoeken. Maar hij kon
niet, zij was juist toen zoo vriendelijk voor hem. Hij zou maar wachten
tot na de bruiloft.
Teresa vergat Nino geen oogenblik. Zijn verjaardag viel op den dag na
haar verloving en Nino was somber dien morgen. Hij meende, dat deze dag
de treurigste in zijn leven zou zijn. Maar hij was nooit in zijn leven
zoo gevierd geworden. Teresa had zakdoeken voor hem genaaid met een
monogram, dat de helft van den doek bedekte. Zij had ook een taart voor
hem gebakken en ze ging naar de kerk van St. Antonio in Padua om voor
Nino tot zijn beschermheilige te bidden. Den heelen dag bediende zij
hem en liet hem geen enkele flesch wijn dragen. Zij schertste met hem
en dwong hem vroolijk te kijken. Hij moest wel lachen, of hij wilde of
niet, omdat zij het wilde. Nu moesten allen gelukkig zijn.
's Nachts kon Nino niet laten te schreien. Hij had gemerkt, dat ze in
die dagen de vogels dubbel rantsoen gaf, de ezel had versch stroo
gekregen, en de kat mocht op haar schouder zitten, zoo lang ze wilde.
Nino had zich nooit zóó met de kat, den ezel en de vogels gelijkgesteld
gevoeld.
Hoe gelukkig was ze er meê, dat haar vriend officier was. Behalve dat
hij een signor was, vond ze 't heerlijk, dat hij millitair was. Nino
hoorde eens, dat ze antwoordde, toen iemand haar vroeg of ze niet bang
was, dat hij naar Afrika gezonden zou worden: "Ja werd hij dat maar, dan
zou het er wel anders gaan."
Nu, dit gebeurde juist in den winter van '96 toen men meende, dat het
daar in Afrika eindelijk in orde zou komen. Men zond het eene schip met
troepen na het andere, maar men hoorde nooit, dat zij keizer Menelik
en zijn Shoanen ontmoetten. De troepen legerden zich bij Adua, dat was
alles wat men wist. Het was als wanneer de bijen uit den korf kruipen
en buiten den ingang in een grooten klomp blijven hangen, en men gaat
er iederen dag naar kijken en ergert er zich over, dat ze niet gaan
zwermen.
Teresa hield zich prachtig, toen ze tegen het eind van Februari hoorde,
dat luitenant Ugo naar Afrika moest. Nino zag geen traan in haar oogen.
Zij dacht er alleen aan, dat het nu wel tot een gevecht en tot
overwinningen zou komen. Nu zou haar arm Italië geholpen worden.
Zij hield een afscheidsfeest voor haar verloofde en zijn kameraden. 't
Was een heerlijk feest. De Castello-romano wijn vloeide bij stroomen.
Zij had haar vetste kalkoenen geslacht en de eerste kroon-artisjokken
geplukt. En zij had massa's taarten en zoetigheid tot dessert. Ze had
een vlaggestok op het dak van den put gezet en daar Italië's vlag
geheschen. Ze had ook transparanten gemaakt, waarop te lezen stond:
"Leve het leger! Heil zij onze dappere soldaten. Alles voor Italië!" en
andere groote woorden. Ja, 't was Nino die de gekleurde lantarens aan
het stroodak gehangen en voor de zangers gezorgd had, die de nieuwe
krijgsliederen zouden zingen. Maar hij had in zichzelf gezworen, dat
Teresa hem niet zou bewegen een toast te slaan. Arme Nino, het werd hem
niet gevraagd. Zij durfde hem zoo iets gewichtigs niet toe te
vertrouwen.
Maar 's avonds, toen de kleine bommen voor de voeten der gasten
ontploften, toen niet alleen het stroodak boven de banken, maar ook
de kippenhokken, de put en het woonhuis van groene, roode en witte
lantaarns straalden en toen Nino de bengaalsche vuren tusschen de
kroon-artisjokken aanstak, zag hij wel wat zij bedoelde, al zagen de
anderen dat niet. Het was, alsof ze met ieder glas wijn, dat ze den
soldaten reikte, wilde zeggen: "Ga en maak nu ernst met de zaak. Rome's
vrouwen willen een nieuwe triumftocht naar de Campidoglio zien."
Niemand wist beter dan Nino, hoe lief Teresa dien kleinen, aardigen man
had, die tegen de barbaren zou uittrekken. En toen hij zag hoe ze hem
liet heengaan zonder klagen, zonder zich een oogenblik zwak te toonen,
moest hij haar zijns ondanks bewonderen. Zij had een van de matronen in
't oude Rome kunnen zijn, dacht Nino. Er is echt romeinsch bloed in haar
aderen.
Toen luitenant Ugo met zijn troepen naar Napels vertrok, waar ze naar
Afrika zouden ingescheept worden, ging Nino met Teresa meê naar het
station.
Het was laat in den avond. De soldaten kwamen in den pas aanmarcheeren.
Om hem heen wemelde het van straatjongens, familieleden en
enthousiasten. Bij het station werden ze opgewacht door Romes sindaco en
verscheiden generalen. Er werden toespraken gehouden, er werd geroepen:
"Leve Italië!"--er werden kussen gewisseld en er werd met bloemen
gestrooid.
Teresa stond daar bleek van geestdrift. Ze liet geen woord van klacht
hooren. Er waren aristocratische dames, die bloemen uitdeelden aan
de soldaten en zij volgde hun voorbeeld. En ze smeekte de jonge
krijgslieden, dat ze niet terug zouden komen, eer ze de hoofdstad van
Menelik ingenomen hadden. Luitenant Ugo omhelsde haar en beloofde haar
terug te komen met de kroon van de abyssinische keizerin. En zoo
scheidden zij.
Maar luitenant Ugo was nog geen twee dagen weg geweest, hij had nog
niet eens naar Afrika kunnen afreizen, voor het bericht kwam, dat de
groote zwerm, die bij Adua gelegerd was, in beweging was gekomen. Die
was opgetrokken tegen de Abyssiniërs en was verslagen en verstrooid
geworden.
Dat was juist op een oogenblik, dat niemand aan iets anders dacht, dan
aan de overwinningen, die daar gewonnen moesten worden, nu er zooveel
volk heengezonden werd. De koning zelf was naar Napels gereisd om de
laatste troepen te zien vertrekken. Den eenen dag sprak hij tot hen
over de eer, die zij zouden verwerven voor hun geliefd Italië. En
den volgenden dag kwam een telegram, die berichtte, dat een veldslag
verloren, het leger verstrooid was; die sprak van vlucht en paniek.
Eigenaardig was het hoe die telegrammen de menschen in die dagen
troffen. Meneliks kogels hadden maar een zevenduizend man kunnen vellen,
maar de telegrammen namen het werk van de kogels over. Ze kwamen van de
hoogvlakte van Adua, over de Middellandsche zee en troffen doel. Ach!
geen enkel Italiaansch hart bleef ongedeerd.
Teresa kwam geheel verslagen bij Nino.
"Wat is er toch gebeurd, Nino?" vroeg ze, "hoe kon dat nu zoo slecht
gaan?"
En Nino vertelde haar, dat de Italianen verslagen waren, niet zoozeer
door de menschelijke vijanden, als wel door de overmachtige natuur.
Daarbuiten moest men bergen opklauteren, waarvan de laagste waren als
de Sabiner en Albanerberg boven op elkaar. Daar waren geen wegen, maar
men marcheerde over velden met distels begroeid, zoo stijf en met zulke
scherpe punten, dat een ezel ze niet zou kunnen eten. Daar was zoo
weinig eten te krijgen, dat de soldaten zich op de muilezels wierpen,
die op den weg neervielen en de stukken vleesch naar zich toe rukten.
Maar dat was immers geen land om menschen heen te zenden! een land waar
men muilezels moest eten!
Neen, dat vond Nino ook.
En nu kon Nino zijn hart luchten. Nu kon hij Teresa vertellen hoe
vreeselijk de oorlog was.
Ze lazen samen de couranten. Zij lazen, dat men vreesde, dat de troepen,
die nu uitkwamen, Menelik en de Shoanen op de havenkade van Massana al
zouden ontmoeten. Zij, die nu uittrokken, gingen een wissen dood
tegemoet. Teresa las ook, dat de barbaren vooral op de officieren
schoten. Zij mikten op hun blauwe insignes en troffen ze uit
hinderlagen, als ze met hun soldaten voortrukten.
Ze las van alle wreedheden en gruwelen, die de zwarte menschen bedreven.
Zij las van de verschrikkelijke oude vrouwen, die het leger volgden en
na een slag op het slagveld rondliepen, om de dooden te plunderen en te
verscheuren.
Toen was Teresa ten einde raad. Ze was bang. Ze durfde niet verder
lezen.
Nino schoof zijn muts achteruit en vroeg haar wat ze dan gedacht had,
dat de menschen in den oorlog deden. Had ze dan niet gedacht, dat men
daar gedood werd? Neen, ze wist niet recht, wat ze gedacht had, maar dit
in het geheel niet! Ze dacht er alleen aan, dat de zwarten verslagen
zouden worden en de Italianen een groote overwinning behalen.
Toen kwam een brief van luitenant Ugo, waarin hij haar nog eens vaarwel
zei. De stoomboot, die hem naar Afrika zou brengen, zou den avond van
den volgenden dag vertrekken.
Dien nacht gingen Teresa en Nino op weg naar Napels. Wat moest ze daar
doen? Nino meende, dat ze haar verloofde nog eens zien wilde voor zijn
vertrek. Maar zelf wist ze in 't geheel niet waarom ze ging. Ze kon het
niet laten. En niemand dan Nino had ze meê willen hebben.
Dien morgen, zoodra ze in Napels aankwamen, zocht zij den luitenant
in de kazerne op. Hij kwam haar tegemoet, verward en gehaast, maar
zichtbaar aangedaan en gevleid door dat ze hem nog eens vaarwel kwam
zeggen. Maar Teresa werd doodsbleek toen ze hem zag. Hij droeg nu een
lichte uniform van geelachtig grijs linnen met een breeden lichtblauwen
band over de borst. Die blauwe band was het mikpunt, waar de zwarten op
schoten.
Hij moest gauw weer naar binnen, naar zijn soldaten. Kon ze hem dan
den heelen dag niet meer spreken? Ja, zij konden om één uur samen
koffiedrinken. Dan had hij twee uur vrij. Dat spraken ze af en hij
snelde weg. Ja, dat was een dag! Nino en zij zetten zich neer op een
bank bij de "villa" en wachtten daar. Ze deed niet anders dan vragen hoe
laat het was.
Zoodra ze met Nino alleen was, werd haar gezicht strak en bleek als dat
van de beelden, die om hen heen stonden en haar oogen schenen niet meer
te zien dan de hunnen. Nino vroeg haar, waarom ze zoo wonderlijk voor
zich uit staarde. Zij antwoordde, dat ze _zijn_ lijk voor zich zag.
Den heelen nacht had ze hem dood zien liggen in een bergpas. Zij had
ook de zwarte oude vrouwen gezien, die toesnelden om hem te plunderen
en te verscheuren. Nino had immers verteld, dat ze daar de lijken
verscheurden.
Nino zocht naar iets, wat haar troosten kon en haar weer wat hoop geven.
Hij herinnerde er haar aan, dat luitenant Ugo dapper was. Hij zou zich
wel weren tegen de barbaren.
Wat hielp het hem, dat hij dapper was, zei ze, als de vijand verborgen
lag in 't kreupelhout en op den blauwen band mikte. Had Nino wel op dien
blauwen band gelet? Waarom was die doodsband blauw? Waarom was die niet
rood als bloed!
Het grootste gedeelte van den morgen zaten ze zwijgend naast elkaar.
Teresa kon niet meer met Nino praten, maar ze wilde, dat hij naast haar
zou blijven zitten. Zij liet hem beloven, dat hij haar niet verlaten
zou, den heelen dag niet.
"Neen, zeker niet, Teresa."
En Nino zat er aan te denken hoe wonderlijk het was, dat Teresa hem
naast zich wilde hebben als een steun in haar groot verdriet; dat ze hem
haar heele vertrouwen gaf, en dat hij, Nino, haar eigenlijk nader was
dan de andere.
Hij vroeg zich af of het wel zoo heel anders zijn zou als ze hem
liefhad. Nu en dan, dacht hij, dat ze meer van hem hield, dan ze zelf
wist. En het wonderlijkste was, dat hij er juist vandaag aan dacht, nu
hij zag, dat ze bijna waanzinnig van angst was, dat den ander iets
kwaads zou overkomen.
Nino was ook bij den maaltijd. Luitenant Ugo bestelde een kamer apart en
daar aten zij met hun drieën.
In den beginne was Teresa vroolijk; zij scheen even zorgeloos als thuis
in de osteria en Nino meende, dat ze alle onrust en angst op zij wilde
zetten in deze uren om enkel gelukkig te zijn. Zij was zelfs nu en dan
veel vroolijker dan gewoonlijk; zij koketteerde met luitenant Ugo,
zoodat hem het hoofd omliep. En ze stond toe, dat hij haar kuste. Nino
zag wel neer op zijn bord, maar hij merkte het toch. Nino zag haar nu
en dan aan en zijn kleine, grijze oogen smeekten haar hem heen te laten
gaan. Maar dan kwam haar hand, ijskoud en bevend, stil naar hem toe
onder de tafel, legde zich op de zijne en hield die vast. De luitenant
vond hem klaarblijkelijk meer dan overcompleet, maar Teresa wilde hem
bepaald bij zich houden.
Er werd Asti Spumanti en Lacrymae Christi geschonken en Nino dronk,
zooals hij nog nooit gedronken had. Maar het gelukte hem niet zich doof
of blind te maken.
Ten slotte, toen Nino meende, dat luitenant Ugo ongeveer buiten zichzelf
moest zijn door haar blikken en kussen, boog zij zich naar hem toe en
vroeg hem schijnbaar half schertsend, of hij niet thuis kon blijven.
Zou hij 't onmogelijk zoo kunnen schikken, dat hij niet naar Afrika
hoefde?
Hij lachte haar uit. Neen, daar zag hij geen kans toe.
Kon hij niet ziek worden, of zich ziek houden? Neen, neen, dat ging
niet.
Maar had hij er wel aan gedacht hoe lang het nu duren zou, eer ze zouden
kunnen trouwen?
De luitenant begreep nauwlijks, dat het haar ernst was. Ja zeker had hij
daaraan gedacht, maar er was immers niets aan te doen.
Teresa lachte niet meer, maar sprak met een stem, die beefde van
ontroering. Zij bekende hem hoe zij naar hem verlangd had, sinds hij op
reis gegaan was. Zij kon geen dag zonder hem leven. Kon hij nu geen
voorwendsel vinden om te kunnen blijven?
"Teresa," zei hij, "dan zou ik immers eerloos zijn. Vraag mij dat niet."
"Eerloos," zei ze vleiend, "hoe kan je dat nu zeggen. Je zoudt immers
niet uit lafheid thuis blijven, maar omdat ik je zóó liefheb, dat ik je
niet kan laten gaan."
De luitenant kuste haar, maar hij scheen in haar smeekingen niet anders
dan een plotselingen inval te zien.
Toen begon ze over wat anders.
Als het nu tot een veldslag kwam, en als de zwarten begonnen te
schieten, wilde hij haar dan beloven dien blauwen band af te leggen.
Neen, dat kon niet, dat mocht hij niet doen. Maar nog altijd geloofde
de luitenant, dat het maar scherts was. Nino zag hoe Teresa als uitgeput
het hoofd liet zinken. Toen ze opzag, was ieder spoor van vroolijkheid
uit haar gezicht verdwenen. Zij was weer zooals ze dien morgen geweest
was.
Nu begon ze hem met een heftigen woordenstroom te vertellen, al wat ze
van het vreemde land en van de wijze van oorlogvoeren van de zwarten
gehoord had. Ze vertelde van den berg en de scherpe distels en den
hongersnood. Toen ze van de muilezels vertelde, lachte hij en zei, dat
het niet waar was.
Zij sprak van luitenant Petrini, die door de vrouwen van de Shoanen
verbrand was. Wist hij dat, of niet? En wat was er nu voor eer te winnen
in een oorlog tegen de barbaren. En ze schoten alle officieren dood.
Wist hij dat? Zij mikten op den blauwen band, en schoten 't eerst op de
officieren.
"Ach Teresa," zei hij, "wil je me bang maken? Zijn dat woorden voor een
Romeinsche?"
Ja, ja! juist voor een Romeinsche. De vrouwen van Rome hadden nooit
toegestaan, dat men haar beroofde van wat zij het liefst hadden. En nu
moest hij weten, dat ze alleen gekomen was om hem te zeggen, dat ze
zeker wist, dat hij vallen zou, als hij nu heenging. Zij zag hem al dood
voor zich! Dood en verscheurd!
Toen ze dit gezegd had, hield zij zich niet meer in, maar toonde hem al
haar wanhoop. Ze wierp zich voor hem op de knieën, schreide, smeekte,
bad.
Hij werd heel bedroefd, maar ook wat bezwaard. Een oogenblik zag hij
Nino aan, alsof hij hem afvroeg wat hij doen moest. Nino keek op zijn
horloge. Ja zeker. Dat was het eenigste wat hij doen kon. Zeggen dat de
tijd om was en heengaan.
"Wat zou je nu willen, dat ik deed?" zei de luitenant. "Ik kan niet
anders dan heengaan."
"Doe alsof je ziek ben. Er gaan nu genoeg menschen naar Afrika. Het is
slecht om daarheen te gaan. Die menschen daar vechten voor hun thuis en
hun familie. Je kunt toch niet tegen hen willen vechten."
"Als ik hier blijf, ben ik een verloren man."
"Je zult daar sterven, en sterven voor niets. Wat hebben de zwarten ons
gedaan? Laat ze met rust. Zij willen ons land niet nemen, waarom moeten
wij het hunne hebben?"
"Teresa," zei luitenant Ugo. "Neem nu moedig afscheid van me, zooals
laatst in Rome. Nu moet ik weg."
"_Moet_ je?"
"Ja."
"Ga dan maar."
"Teresa."
"Ga maar. Ik zal probeeren niet meer aan je te denken. Je ben dood voor
me."
Ze stond niet op; maar bleef op den grond liggen. Ze zag hem niet eens
aan. Hij streek haar over het blauwzwarte haar. Ze bewoog zich niet.
Hij zuchtte diep, wist niet, wat hij zeggen of doen moest, en ging
werkelijk heen.
Hij drukte angstig en vast Nino's hand. Het was alsof hij hem Teresa
toevertrouwde.
Tegen den avond stonden Nino en Teresa bij de haven. Een paar groote
stoomschepen lagen op de reede, gereed om te vertrekken, en een massa
booten lagen bij de steigers om er de troepen heen te brengen. Eenige
duizende menschen verdrongen zich op de kade om hen te zien afreizen.
Maar er was een groot verschil in het vertrek der troepen nu en in den
afgeloopen winter. Toen had men niet genoeg kunnen jubelen bij het aan
boord gaan der soldaten. Nu, na de nederlaag, waren zij, die heengingen,
en zij, die afscheid namen, somber gestemd. Nu zou men liefst de booten
hebben doorgeboord, zoodat ze geen van Italië's zonen naar dat
vervloekte barbarenland konden voeren.
De soldaten kwamen aanmarcheeren naar de haven, zoo stil, alsof ze weg
wilden sluipen. Geen muziek, geen schoten, geen hoera!--Uit de menigte
van toeschouwers ging een dof gemompel van toorn en droefheid op, en men
bespoedigde het inschepen zooveel mogelijk. Men was er niet heel zeker
van, dat het volk de afreis niet zou verhinderen.
Teresa scheen op zooiets te hopen. "Zij zullen het niet toelaten, Nino,"
zei ze. "Al die mannen zullen niet toelaten, dat hun zonen worden
weggevoerd en door de barbaren geslacht."
Maar de eene boot na de andere gleed weg naar de stoomschepen en de
menigte liet het toe. Een enkele drong door in den troep, maar alleen
om een laatsten afscheidskus, een laatsten groet te brengen. Nino
zag luitenant Ugo op de kade staan en het inschepen in de sloepen
dirigeeren.
Maar waar was nu Teresa? Daareven hing ze aan Nino's arm, maar nu zag
hij haar bij den steiger. Zij sloeg de armen om luitenant Ugo. Hij kuste
haar en wilde zich uit haar armen losmaken. 't Was zijn beurt om in te
stappen.
Zij scheen zich ook terug te trekken, maar toen zag Nino iets in haar
hand glinsteren. Het was alsof ze haar verloofde nog eenmaal wilde
omhelzen. Op 't zelfde oogenblik wankelde hij en gaf een gil.
Nino was in een oogenblik bij hen. Hij rukte Teresa naar zich toe en
trok haar midden tusschen de menschen.
"Blijf hier stil staan."
Ze lachte met een bijna waanzinnigen lach. "Nu zal hij niet op reis
gaan, Nino," zei ze.
Nino greep haar bij den pols. "Zwijg," zei hij en hield haar zoo vast,
dat het pijn deed.
"De politie mag anders gerust...."
Nino drukte zijn ijzeren vuist nog dichter en ze zweeg.
't Was een geweldig gedrang; de menschenmassa golfde heen en weer. Nino
hield zich hardnekkig midden in het gedrang. Hij deed geen poging tot
vluchten.
"Goed zoo," fluisterde een Napolitaner hem toe.
"Blijf maar stil staan, dat de politie geen argwaan krijgt. Geen
Napolitaner zal jelui verraden."
Op eens begon Teresa te snikken.
"Schei uit," zei Nino, "dat moog je niet doen."