De man gaat ook meê naar de kerk. Hij heeft voor alles gezorgd, de

gasten genoodigd, de kist besteld en bepaald wie de dragers zullen

zijn. Hij is tevreden en vriendelijk, nu hij zijn zin gekregen heeft.

Het is Zondag, en na afloop van de godsdienstoefening stelt zich de

lijkstoet op buiten de consistoriekamer. De dragers leggen de witte

doeken over de schouders, alle notabelen uit de stad gaan meê in den

stoet, en een groot gedeelte van de kerkgangers volgen.

Terwijl de stoet geordend wordt, denkt zij, dat zij zich nu opstellen om

een misdadiger naar de gerechtsplaats te volgen.

Hoe zullen ze haar aanzien, als ze terugkomen? Zij is gekomen om hen

voor te bereiden; maar ze heeft geen woord over de lippen kunnen

krijgen. Ze kan niet kalm en verstandig spreken. Wat ze wèl zou kunnen

is luid jammeren en het uitschreeuwen, zoodat het over 't heele

kerkplein klonk. Ze durft de lippen niet te verroeren, om niet in een

luiden schreeuw van ontzetting uit te barsten.

De klokken in den toren beginnen te luiden en de stoet zet zich in

beweging. En nu zullen ze het allen zien, zonder voorbereiding. Waarom

heeft toch zij niet kunnen spreken. Ze moet zich geweld aandoen, om den

dragers niet toe te roepen, dat ze niet met den doode naar het kerkhof

moeten gaan. Een doode is immers niets waard.

Waarom moet zij in 't verderf gestort worden ter wille van een doode. Ze

mogen den doode leggen, waar ze willen,--alleen niet op het kerkhof. Er

gaan verwarde gedachten door haar hoofd: of zij ze niet bang kan maken,

zoodat ze niet op 't kerkhof durven komen. Daar is 't gevaarlijk. Dat is

door de pest besmet. Men heeft er wolvensporen ontdekt. Ze wil ze bang

maken als kinderen.

Ze weet niet waar 't graf van het kind gegraven is. Ze zal het altijd

vroeg genoeg zien, denkt ze. Toen nu de tocht het kerkhof opkomt, ziet

ze uit over het sneeuwveld om een pas gegraven graf te vinden. Maar ze

ziet geen weg en geen graf. Daar is niets dan een effen sneeuwveld. En

de stoet gaat naar het barenhuisje. Zoovelen, als er in kunnen, dringen

naar binnen en daar heeft de begrafenisplechtigheid plaats. Er is niet

eens sprake van het familiegraf van de Sanders. Niemand kan merken, dat

de kleine, die nu voor de laatste rust wordt voorbereid, nooit in het

familiegraf rusten zal.

Als Ebba Sander hier nu maar aan gedacht had, als ze in haar angst niet

alles had vergeten, had ze geen oogenblik bang behoeven te zijn.

"En het voorjaar," denkt ze, "als de kist begraven wordt, is zeker

niemand anders dan de doodgraver er bij. Niemand zal iets anders

vermoeden, dan dat het kind in het graf van de Sanders ligt."

En nu begrijpt ze, dat ze gered is.

Ze barst in heftig schreien uit. De menschen zien haar medelijdend aan.

"'t Is vreeselijk, zoo bedroefd als ze is," zeggen ze. Maar zelf weet

ze best, dat ze schreit uit verlichting, als iemand, die uit nood en

levensgevaar is gered.

Een paar dagen na de begrafenis zit ze in de schemering op haar gewone

plaats in de eetkamer. En terwijl het duister valt, betrapt ze er zich

op, dat ze zit te wachten en te verlangen. Ze zit naar het kind te

luisteren. Nu is het immers de tijd, dat het binnenkomen zal om te

spelen. Zal het vandaag niet komen? Plotseling gaat haar een schok door

de leden. "Het is immers dood? Dood!"--

Den volgenden dag zit ze weer te verlangen in de schemering. En den

eenen avond na den anderen komt dat verlangen weer en wordt al sterker.

Het verbreidt zich, zooals het licht in de lente, tot het eindelijk

regeert over alle uren van den dag en van den nacht.

Het is immers bijna wel vooruit te zeggen, dat een kind als het hare

meer liefde na zijn dood dan bij zijn leven zal ontvangen. Zoolang het

leefde heeft de moeder aan niet anders gedacht, dan om haar man terug te

winnen. En hem kon het kind niet aangenaam zijn; het moest weggehouden

worden. Het moest dikwijls voelen, dat het tot last was.

De vrouw, die haar plichten ontrouw werd, heeft den man willen toonen,

dat ze toch nog wat waard was. Ze had altijd werk in de keuken en in de

weefkamer. Hoe kon ze tijd vinden voor den kleinen jongen onder dit

alles.

En nu, achterna, herinnert ze zich hoe zijn oogen plachten te smeeken

en te bedelen. 's Avonds wilde hij, dat zij bij zijn bed zou zitten. Hij

zei, dat hij bang in 't donker was, maar nu denkt ze, dat het misschien

niet waar was. Hij heeft dat maar gezegd, opdat ze bij hem blijven zou.

Ze denkt er aan hoe hij zijn best deed _niet_ in te slapen. Nu begrijpt

ze, dat hij zich wakker hield om lang haar hand in de zijne te voelen.

Hij was een listig ventje, zoo klein als hij was. Hij had al zijn

verstand gebruikt om ook iets van haar liefde te krijgen.

't Is wonderlijk, dat kinderen zoo kunnen liefhebben. Zij heeft dat

nooit begrepen, terwijl hij leefde.

Eigenlijk begon ze nu pas het kind lief te hebben. Nu pas voelt ze zich

door zijn schoonheid bekoord. Ze kan zitten droomen van zijn groote,

geheimzinnige oogen. Het was nooit een kindje met roode, ronde wangetjes

geweest, hij was bleek en tenger. Maar hij was wonderlijk mooi.

En ze denkt aan hem als aan iets heerlijks, dat bij den dag heerlijker

wordt--kinderen zijn immers het beste, wat er op aarde is.--Denk eens

aan, zulke kleine menschjes, die ieder de hand toesteken en van ieder

het goede gelooven! Kleine menschjes, die niet vragen of een gezicht

mooi en heerlijk is, maar even graag het eene als het andere kussen, die

ouden en jongen, armen en rijken kunnen liefhebben. En toch zijn het

wezenlijke kleine menschjes.

En elken dag komt het kind haar nader en nader. Ze zou wel willen, dat

het nog leefde, maar toch vraagt ze zich af, of ze het dan ooit zóó

dicht genaderd zou zijn als nu.

Soms is ze er wanhopend over, dat ze haar jongen niet gelukkiger gemaakt

heeft, terwijl hij leefde. "Daarom is hij mij zeker afgenomen," denkt

ze. Maar toch treurt ze niet dikwijls op deze wijze. Ze is vroeger bang

geweest voor rouw, maar nu vindt ze, dat het anders is dan ze gedacht

heeft. Rouwen is immers telkens in het verleden leven. Haar rouw is zich

geheel in het wezen van haar jongen in te leven, hem nu eindelijk te

begrijpen. Deze rouw maakt haar leven veel rijker.

Waar ze nu het meeste bang voor wordt, is, dat de tijd hem haar af zal

nemen. Ze heeft geen portret van hem. Misschien zullen zijn trekken uit

haar herinnering verdwijnen. En iederen dag probeert ze: "zie ik hem

nog? Kan ik hem nog wel goed zien?" zegt ze.

En de winter gaat voorbij, de eene week na de andere, en ze merkt met

verbazing, dat ze naar de lente verlangt, wanneer ze hem uit het

barenhuisje zal halen en in de aarde doen rusten, zoodat ze bij zijn

graf komen en met hem spreken kan.

Hij moet in 't Westen liggen. Daar is het 't mooiste. Zij zal zijn graf

met rozen versieren. Zij wil er ook een bank op hebben. Ze wil er lang,

lang kunnen zitten.

Maar dan zullen de menschen wel verbaasd zijn. De menschen weten immers

niet anders, dan dat haar kind in het familiegraf ligt. Wat zullen ze

verwonderd zijn, als ze haar een vreemd graf zien versieren en daar uren

zitten. Wat zal ze hun zeggen?

Nu en dan denkt ze, dat ze zóó zal doen. Eerst naar het groote

familiegraf gaan en daar een groote bouquet brengen en daar een poos

zitten. Later zal ze dan wel naar dat kleine grafje kunnen sluipen. Hij

zal wel tevreden zijn met een enkel bloempje, dat ze voor hem sparen

zal.

Ja, hij zal er wel tevreden meê zijn, als zij het zijn kan. Maar het is

toch, alsof ze niet recht met hem kan samenleven op die manier. En hij

zal dan weten, dat ze zich over hem schaamde. Hij zal begrijpen welk een

brandende schande het voor haar was, dat hij geboren werd. Ze wil hem

daarvoor bewaren. Hij moet denken, dat het geluk hem te bezitten alles

te boven ging.

* * * * *

Eindelijk wijkt de winter. Men kan al zien dat het lente wordt. Het

sneeuwdek smelt, de aarde komt voor den dag. Nog duurt het misschien

een paar weken, eer de kou uit den grond gaat, maar toch is er hoop, dat

de dooden uit het barenhuisje zullen komen. En zij verlangt, o! zij

verlangt zoo!

Kan ze hem nog zien? Zij probeert het iederen dag, maar het ging 's

winters beter; nu het lente is wil hij zich niet voor haar vertoonen.

Ze wordt wanhopend. Ze moet op het graf kunnen zitten om hem weer nabij

te komen, hem te kunnen zien, hem lief te kunnen hebben. Zou hij dan

nooit onder de aarde komen?

Ze heeft niets meer om lief te hebben. Ze moet hem kunnen zien, haar

heele leven lang.

En eindelijk verdwijnt alle twijfel, en alle kleinmoedigheid voor haar

sterk verlangen. Ze heeft hem lief, zoo innig lief. Ze kan zonder den

doode niet leven. Ze voelt, dat ze zich naar niemand schikken kan dan

naar hem. En nu eindelijk de lente werkelijk gekomen is, nu de hoogten

en graven weer te voorschijn komen op het kerkhof, nu de ijzeren hartjes

weer beginnen te klinken en de kralen bloemen schitteren in hun glazen

kastjes, nu de aarde zich eindelijk opent voor dat kleine kistje, heeft

ze een zwart kruis laten maken, dat ze op het graf zetten zal.

Dwars over het kruis op de beide armen staat met duidelijk witte

letters:

_Hier rust mijn kind._

En dan beneden op het kruis haar naam. Zij geeft er in 't minst niet om

of de heele wereld zal weten wat ze gedaan heeft. Alles is ijdelheid,

het eenige gewichtige is, dat ze zonder te huichelen zal kunnen bidden

op het graf van haar kind.

DE BEIDE BROEDERS.

Ach! wat is het toch jammer van de dooden, die in de steden gestorven

zijn, dat ze op de stadskerkhoven begraven moeten worden. Als ze op den

lijkwagen gezet en door de straten gereden worden, is het alsof ze

moeten knorren en klagen in de kist. Sommigen jammeren er over, dat ze

geen pluimen op den lijkwagen hebben. Anderen tellen de kransen na en

zijn niet tevreden. En dan zijn er ook, die maar door twee of drie

rijtuigen gevolgd worden en daardoor gekwetst zijn.

Zooiets moesten de dooden nooit kunnen voelen en ondervinden. Maar de

menschen in de steden weten niet hoe ze hen moeten eeren, die naar de

lange rust in de aarde gebracht worden.

Daar hebben ze in dorpen beter slag van, en nergens kunnen ze het zoo

goed als in Svartsjö in Wermeland.

Als ge in Svartsjö sterft, weet ge zeker, dat ge een kist zult krijgen

precies zooals alle anderen, een echte zwarte kist, van 't zelfde soort,

als die waarin de rechter en de leenman dit jaar begraven zijn. Want

dezelfde timmerman maakt alle kisten en hij heeft maar één model. Geen

een wordt beter of minder dan de andere. En ge weet ook--want dat hebt

ge immers als zoo dikwijls gezien,--dat ge naar de kerk wordt gereden

op een boerenwagen, die voor die gelegenheid zwart geschilderd is. Ge

behoeft in 't geheel niet aan pluimen te denken, want die heeft men daar

niet. En ge weet, dat de paarden witte doeken aan de teugels hebben en

dat men even langzaam en plechtig met u rijdt als met een grondeigenaar.

Maar ge behoeft niet bang te zijn, dat ge geen kransen genoeg zult

krijgen, want er wordt geen enkele bloem op de kist gelegd. Die behoort

zwart en glimmend te zijn; niets moet haar bedekken.

En ge behoeft er niet aan te denken, dat uw lijkstoet niet groot genoeg

zal zijn, want allen die in het dorp wonen, zullen meêgaan. En ook zult

ge niet naar geween of geklaag om uw baar behoeven te luisteren. Er

wordt nooit over de dooden geweend, als ze op den heuvel buiten de kerk

van Svartsjö staan.

Neen, men schreit evenmin over een jongen, bloeienden man, die door den

dood geveld werd, juist toen hij voor zijn oude arme ouders begon te

zorgen, als er over u geschreid wordt. Ge wordt op een paar zwarte

schragen buiten de deur van de consistoriekamer gezet, en een massa

menschen verzamelen zich langzamerhand om u heen, en alle vrouwen hebben

den zakdoek in de hand. Maar niemand zal schreien, alle zakdoeken

zullen stijf opgerold blijven, geen enkele wordt aan de oogen gebracht.

Ge behoeft er niet bang voor te zijn, dat de menschen over u niet

zooveel tranen zullen schreien als over andere dooden. Zij zouden

schreien als het paste, maar het past niet. Ge kunt toch wel begrijpen,

dat als er veel rouw bij één graf was, het er leelijk uit zou zien voor

hen, die door niemand betreurd worden. Zij weten wel wat ze doen in

Svartsjö. Zij gedragen zich zooals het nu al sinds vele honderd jaren de

gewoonte daar is.

Maar terwijl ge daar op den kerkheuvel staat, zijt ge een groot en

machtig wezen, hoewel ge geen bloemen of tranen krijgt. Niemand komt in

de kerk zonder te vragen wie ge zijt. En dan gaan ze zwijgend naar uw

kist, blijven daar staan en bekijken die. En het komt niemand in den zin

den doode pijn te doen door hem te beklagen. Niemand zegt iets anders,

dan dat het voor hen, die heengingen goed is, dat het uit is.

Het is daar in 't geheel niet zooals in een stad, dat ge begraven kunt

worden op elken dag van de week. In Svartsjö moet ge op een Zondag

begraven worden, zoodat ge de geheele gemeente om u heen kunt hebben.

Daar naast uw kist staat het meisje, waar ge op het laatste zomerfeest

mee gedanst hebt en de man, met wien ge op de laatste markt paarden

geruild hebt. Ge hebt uw schoolmeester bij u, die u opvoedde als kleine

jongen, en die u vergeten heeft, hoewel ge u hem zoo goed herinnert,

en daar komt ook het oude lid van den rijksdag, die u vroeger nooit

groeten wou. Het is hier in 't geheel niet zooals in een stad. Daar

zouden de menschen nauwelijks naar u kijken, als ge hun voorbij gereden

werdt.

Als men met de lange draagkleeden komt en die onder de kist legt, is er

niemand, die er niet op toeziet.

Ge kunt niet begrijpen wat voor een kerkknecht ze in Svartsjö hebben.

Hij is een oud soldaat en ziet er uit als een veldmaarschalk. Hij heeft

kort geknipt wit haar, en gedraaide knevels en een spitse sik, hij is

tenger en lang, en loopt rechtop met lichte, vaste stappen. Zondags

heeft hij een schoongeborstelde jas van fijn laken aan. Hij ziet er

werkelijk uit als de deftigste oude heer, dien men zich voorstellen kan.

En hij gaat voor den stoet uit. Achter hem aan loopt de man met den

rouwstaf.

't Is niet zeker, dat die man wel goed uitkomt naast den kerkknecht.

Misschien is zijn hoed wat groot of ouderwetsch. Hij is ook zeker wat

verlegen, maar wanneer is de man met den rouwstaf niet verlegen?

Dan komt ge zelf in uw kist met de zes dragers, en dan komt de predikant

en de klokkeluider en 't gemeentebestuur en de geheele gemeente. Alle

kerkgangers gaan met u mee tot op het kerkhof, daar kunt ge zeker van

zijn.

Maar nu moet ge hier wel op letten. Zij, die met u meegaan, zien er zoo

eenvoudig en armoedig uit. Het zijn immers geen deftige stadsbewoners.

Het zijn maar gewone, eenvoudige menschen uit Svartsjö. Het is alsof er

maar één groot en eerbiedwaardig is, en dat zijt gij in uw kist, gij,

die dood zijt.

De anderen zullen den volgenden dag opstaan en weer aan zwaar, grof werk

gaan, ze zullen in hun oude, armoedige hutten zitten en oude, verstelde

kleeren dragen. Die anderen zullen weer gekweld en geplaagd en gedrukt

en verootmoedigd worden door hun armoede.

Als een vreemde met u meê naar het graf ging, zou hij veel weemoediger

worden bij het zien van de menschen en den lijkstoet, dan bij de

gedachte aan u, die dood zijt. Ge behoeft nooit meer de fluweelen

kraag op uw rok na te zien, om te kijken of hij ook kaal wordt op de

kanten, ge behoeft geen aparte plooi in uw zijden doek te leggen, om te

verbergen, dat hij op 't punt staat te kerven. Ge zult den landkoopman

nooit meer behoeven te vragen u waren op crediet te geven, ge zult niet

voelen hoe uw werkkracht vermindert, ge behoeft niet te loopen wachten

op den dag, dat ge de gemeente tot last zult komen.

Terwijl ze u naar het graf brengen, loopt ieder te denken, dat het maar

het beste is dood te zijn; beter naar den hemel op te varen, door de

witte morgenwolken gedragen, dan aldoor het moeilijke leven te dragen.

Als men bij den kerkhofmuur komt, waar het graf gegraven is, worden de

draagkleeden tegen sterke touwen verwisseld en de dragers klimmen op de

losse aardhoopen en laten u zakken.

En als dat gebeurd is, komt de koster bij den rand van het graf en

begint te zingen:

"Ik ga den dood te gemoet."

Hij zingt den psalm geheel alleen, de predikant noch iemand van de

omstanders helpt hem. Maar de koster moet zingen, en hoe hard de

noordenwind, en hoe scherp de zon is, die hem in 't gezicht staat, hij

zingt.

De koster is heel oud en hij heeft niet veel stem meer. Hij weet wel,

dat het nu zoo mooi niet meer klinkt, als toen hij in zijn jonge dagen

zong voor de menschen, die begraven werden, maar hij doet het toch,

omdat het bij zijn werk hoort.

Want begrijpt ge, op den dag, dat zijn stem hem geheel begeeft, moest

hij zijn betrekking neerleggen en dat wil zeggen; in groote armoede

vervallen.

Daarom zijn alle omstanders bang, terwijl de oude koster zingt, en

luisteren angstig of zijn stem het wel het heele vers door uithouden

zal. Maar niemand zingt mee, niet één, want dat gaat niet, dat doet men

niet. Men zingt nooit bij een graf in Svartsjö. Ook in de kerk zingt men

nooit meer dan den eersten psalm op Kerstmorgen.

Maar als iemand goed luisterde, zou hij merken, dat de koster niet

alleen zingt. Er is werkelijk een stem, die meê zingt, maar die klinkt

zóó precies eender, dat de twee stemmen zich vermengen, alsof zij één

waren.

De andere stem, die meê zingt, is die van een kleinen ouden man, in een

langen grijzen pelsrok. Hij is nog ouder dan de koster, maar hij zingt

wat hij kan, om hem te helpen.

En de stem is, zooals ik al zei, van hetzelfde soort als die van den

koster; zij zijn zóó eender, dat men niet laten kan er zich over te

verbazen. Maar als men goed toeziet, lijkt ook de kleine, grijze oude

man precies op den koster, hij heeft dezelfde kin en mond, alleen wat

ouder en nog meer door het leven geteekend. En dan begrijpt men, dat de

kleine arme, de broer van den koster is. En dan weet men meteen, waarom

hij hem helpt. Want ziet ge, hem is het nooit goed gegaan hier in de

wereld, en hij heeft altijd tegenspoed gehad. En eens is hij failliet

gegaan en heeft den koster in zijn ongeluk meegesleept. Hij weet, dat

het zijn schuld is, dat zijn broeder het altijd moeilijk gehad heeft.

En de koster heeft geprobeerd hem weer op de been te helpen, maar dat

lukte niet. Want hij was niet zóó, dat men hem kon helpen. Hij had nooit

voorspoed en dan was er ook de rechte kracht niet in hem.

Maar de koster was het stralende licht in de familie, en de andere heeft

altijd door maar moeten aannemen, en heeft nooit iets terug kunnen

geven.

Goede hemel! er was geen sprake van iets terug te geven. Hij, die zoo

arm is! Ge moest de hut van plaggen eens zien, waar hij woont.

Hij weet, dat hij altijd somber en bedroefd geweest is, en een last,

niets dan een last voor zijn broer en voor andere menschen. Maar zie!

nu in den laatsten tijd is hij een machtig man geworden. Nu staat hij

daar en geeft iets terug. Ja, dat doet hij. Nu helpt hij zijn broer, de

koster, die het licht en 't leven en de vreugd was van al zijn dagen. Nu

helpt hij hem zingen, opdat hij zijn post behouden kan.

Hij gaat niet naar de kerk, want hij meent, dat allen hem aankijken,

omdat hij geen zwarte zondagsche kleeren heeft. Maar iederen Zondag gaat

hij naar den kerkheuvel om te zien of er een kist op de zwarte bokken

buiten de consistoriekamer staat. En als dat zoo is, gaat hij meê naar

het graf en daar vertoont hij zich in zijn ouden grijzen rok en helpt

zijn broer met zijn ellendige stem.

De kleine oude hoort heel goed hoe leelijk hij zingt. Hij gaat achter de

anderen staan en dringt niet vooruit tot bij het graf. Maar zingen doet

hij. Het zou zoo veel niet hinderen, als de stem den koster begaf bij

een of anderen toon. Zijn broer is er om hem te steunen. Op het kerkhof

lacht niemand om het gezang, maar als de menschen thuis zijn en wat uit

de ernstige stemming gekomen, dan spreekt men over den kerkgang en lacht

om 't gezang van den koster, om zijn stem en die van zijn broer. De

koster geeft er niet om, daar is hij de man niet naar; maar zijn broer

lijdt er onder en denkt er over. Hij beeft de heele week door voor den

Zondag, maar hij komt toch stipt op den kerkheuvel en doet zijn plicht.

Maar gij, daar binnen in uw kist, gij vindt dat zingen zoo leelijk

niet. Ge vindt, dat het goede muziek is. Is het niet waar, dat men in

Svartsjö begraven zou willen worden, alleen om dat gezang?

Er staat in den psalm, dat het leven een reis naar den dood is; en als

nu die twee ouden dat zingen, die twee, die levenslang voor elkaar

geleden hebben, dan voelt men als nooit te voren, hoe moeilijk het leven

is en dan is men er volkomen tevreden meê dood te zijn. En dan eindigt

het lied en de predikant werpt de aarde op de kist en houdt zijn

toespraak.

Daarop zingen de twee oude stemmen: "Ik ga naar den hemel." En zij

zingen dit vers niet beter dan het vorige. Hun stemmen worden zwakker en

klagender, hoe langer ze zingen.

Maar voor u uit breidt zich een groote, wijde ruimte en ge zweeft daarop

in angstig geluk en al het aardsche verdwijnt en verbleekt.

Maar het laatste, wat ge van het aardsche hoort, is toch iets van trouw

en liefde, en midden onder uw bevende vlucht naar den hooge, zal dat

armoedig gezang de herinnering wekken aan al wat ge aan liefde en trouw

hier beneden hebt ondervonden, en dat zal u omhoog dragen. Dat zal uw

ziel met lichtglans vullen en u schoon en heerlijk maken als een engel.

ROMEINSCH BLOED.

Als ge in Rome geweest zijt, hebt ge zeker wel de kleine landmuren

buiten de stadsmuren gezien. Daar is een stuk land, waar men

kroonartisjokken, erwten en bloemkool verbouwt, al naar gelang van het

jaargetij. Een paar lage, met stroo gedekte huizen, een kleine ezelstal,

een groote gemetselde put met een schuin dak en een paar kippenhokken;

en natuurlijk een massa pluimgedierte en niet alleen kippen, kalkoenen

en tamme eenden, maar ook fasanten en pauwen.

En dan om wat te verdienen,--want groente en kippen brengen geen

schitterend inkomen op--koopt men een paar groote vaten romeinsche

slotswijn en bewaart die in een van de kleine schuurtjes, die niet meer

dan een kamer elk hebben. Daar zet men ook een toonbank en een plank met

literflesschen en glazen, maar buiten op de plaats tusschen den put en

de kippenhokken zet men lange banken en flinke tafels.

Hier buiten den stadsmuur gieren de winden uit de Campagna scherp en

onbelemmerd, daarom zet men daken boven de banken en omringt die met

wanden van riet, waar de zonneschijn goudgeel komt doorsiepelen. En

eindelijk laat men een uithangbord schilderen en hangt het uit boven de

kleine gemetselde poort, die naar de straat en de stad voert. En dan is

de osteria klaar.

Nino Beppone was nu al tien jaar lang kellner in zulk een kleine osteria

geweest. Maar nu moet men niet denken, dat hij daar zoo lang bleef

om het loon en de fooien, of omdat hij nergens anders voor deugde.

Integendeel. Nino was een flinke, ja zelfs een ontwikkelde jonge man, en

dat hij zich tevreden stelde met kellner te zijn in een osteria buiten

den stadsmuur, was alleen omdat hij Teresa, de oudste dochter in 't

huis, liefhad.

Ach! hoe lief had Nino haar. Ze was zoo mooi! En mooi, zooals Nino het

graag had, met groote krachtige trekken en sterke, heldere kleuren.

Haar gang was fier en licht als die van een koningin. Ze sprak met een

heldere, klankvolle stem en zoo duidelijk, dat geen lettergreep van een

woord wegviel. Ze lachte, zooals zilvren klokjes bengelen. Haar handen

waren mooi, wit en vast, en haar handdruk sterkte als een zegenbede.

Allen, die in de osteria kwamen, wilden bij haar bestellen, en

verlangden, dat zij altijd achter de toonbank zou staan. "Waar is

Teresa?" vroegen ze onwillekeurig als ze haar niet zagen. En dat kon

Nino zich zoo goed begrijpen. Hij wist immers zelf hoeveel beter de

soep smaakte, als zij die opdeed uit de pan, dan wanneer haar zusters

die voorgediend hadden.

Het was waarlijk geen wonder, dat ieder graag met haar te doen had. Wat

was 't niet vredig en veilig alleen maar in de kamer te zijn waar zij

was?

Hij was er overtuigd van, dat de menschen veel minder in de osteria

kwamen om wijn te drinken, dan wel om Teresa al hun zorgen toe te

vertrouwen. Als de ezel dood was, als men verloren had bij het

balspelen, of als die gekke Pietro iemand met het mes gestoken had, dan

was het een verlichting het haar te vertellen. En nu en dan gebeurde het

zelfs, dat jonge, flinke mannen, die geen zorgen hadden, lange treurige

histories zaten te verzinnen, alleen om te maken, dat ze stil stond bij

hun tafeltje en hen een beetje troostte. Ach neen, ze waren niet op haar

verliefd; maar ze wilden toch graag, dat zij hun wijn in zou schenken,

dat zij hun een mandarijn zou toestoppen, als ze heen gingen, en hun

beloven, dat ze in haar gebeden aan hen zou denken.

Oud en nieuw · 第 4 / 10 段