begreep, dat hij nu eindelijk op een weg gekomen was. Dien probeerde hij
te volgen, want een weg moest ten minste ergens naar toe leiden. Maar
die weg liep uit op een open plek in 't bosch en daar had het onweer
vrij spel; daar was geen pad meer te zien, maar enkel sneeuwhoopen en
diepe, mulle sneeuw. Toen zonk den ouden man de moed in de schoenen en
hij voelde zich als een arme stumper, die in de wildernis sterven moest.
Hij begon moe te worden van het loopen in de sneeuw en telkens ging hij
op een steen zitten om te rusten. Maar zoodra hij zat, kreeg hij lust om
te slapen en hij wist, dat hij doodvriezen zou, als hij insliep. Daarom
probeerde hij voort te gaan. Dat was het eenige, wat hem redden kon.
Maar eindelijk kon hij den lust om te zitten niet meer weerstaan. Hij
meende, dat als hij maar mocht rusten, het hem niet zoo veel schelen kon
al moest het zijn leven kosten.
Hij genoot er zóó van stil te blijven zitten, dat het vooruitzicht van
den dood hem in 't geheel niet drukte. Hij voelde een soort vreugde, bij
de gedachte, dat, als hij dood was er een lange lijkrede over hem in de
kerk zou gehouden worden. Hij herinnerde zich hoe mooi de oude proost
over zijn vader gesproken had, en zeer zeker zou er nu ook wat moois van
hem gezegd worden. Men zou er over spreken hoe hij de oudste hoeve in
't dorp bezeten had en men zou spreken van de eer te behooren tot een
aanzienlijk geslacht. En dan zou men van de verantwoordelijkheid
spreken.
Ach ja, dat er verantwoordelijkheid aan verbonden was, had hij altijd
wel geweten. Men moest volhouden tot het laatste, wilde men een echte
Ingmarson zijn.
En er ging een schok door zijn leden bij de gedachte, dat het nu juist
geen eer voor hem zou zijn hier doodgevroren gevonden te worden in 't
woeste bosch hierboven. Dat wilde hij niet aan zijn nagedachtenis
verbinden. En hij stond weer op en begon te loopen. Hij had zoo lang
stil gezeten, dat heele klompen sneeuw van zijn pels vielen, toen hij
zich begon te bewegen.
Maar een poos later zat hij weer te droomen. En de gedachte aan den dood
kwam in nog liefelijker gestalte. Hij doorleefde de heele begrafenis en
al de eer, die men zijn lijk zou bewijzen.
Hij zag de groote tafel gedekt in de mooie kamer op de tweede
verdieping, den proost en zijn vrouw aan 't hoofd van de tafel, den
burgemeester met zijn witte das over de smalle borst, de vrouw van den
majoor in het zwart zij en met den gouden ketting met veel snoeren om
den hals.
Hij zag alle gastenkamers met wit overtrokken. Witte lakens voor de
vensters, wit over de meubels. Dennetakken op den weg van het voorhuis
tot aan de kerk.
Bakken en slachten en brouwen en braden veertien dagen lang voor de
begrafenis. Twintig vaam hout in veertien dagen verstookt.
Het lijk op de baar in de binnenkamer, rook in de pasgestookte kamers.
Gezang bij het lijk, als het deksel op de kist geschroefd wordt,
zilveren platen op de kist. De heele hoeve wemelend van gasten.
't Heele dorp in beweging om te regelen, wie de dragers zouden zijn,
alle hoeden voor de kerk opgeborsteld, alle brandewijn voor den oogst
opgedronken aan het grafmaal, alle wegen vol menschen als op een
marktdag.
Weer vloog de oude man op. Hij had de menschen over hem hooren praten
aan het grafmaal. "Maar hoe kon hij toch zoo doodvriezen?" vroeg de
burgemeester. "Wat had hij toch in het groote bosch te maken?"
En toen antwoordde de kapitein, dat het Kerstbier en de brandewijn daar
zeker wel schuld aan gehad zouden hebben.
En dàt schudde hem weer wakker. De Ingmarsons waren nuchtere menschen.
Ze zouden niet van hem zeggen, dat hij in zijn laatste uren onbekwaam
geweest was. Hij begon weer te loopen. Maar hij was zóó moe, dat hij
nauwelijks staan kon.
Hij was hoog op in 't bosch gekomen, dat merkte hij wel, want hij was nu
op een ellendig veld, vol groote steenen, zooals er lager niet waren.
Hij raakte vast met den voet tusschen een paar steenen, zoodat hij maar
met moeite los kon komen en kermde van pijn. 't Was allerakeligst!--
En nu viel hij nog over een grooten hoop takken. Hij viel zacht op
sneeuw en kleine takjes en hij bezeerde zich niet, maar nu had hij ook
geen lust meer op te staan. Hij had in niets ter wereld lust dan in
slapen. Hij lichtte het rijs wat op en kroop er onder, alsof 't een
deken was. Maar toen hij onder de takken kwam, voelde hij, dat daar iets
warms en zachts lag. "Hier ligt zeker een beer te slapen," dacht hij.
Hij voelde hoe het dier zich verroerde en hoorde beweging om zich heen.
Maar hij bleef stil liggen. Hij dacht niets anders dan dat de beer hem
gerust mocht opeten. Hij kon geen stap meer doen om hem te ontvluchten.
Maar de beer vond zeker, dat hij iemand, die in zulk een onweer een
schuilplaats onder zijn dak zocht, niets mocht doen. Hij ging wat op zij
in zijn hol, als om voor den gast plaats te maken en onmiddellijk daarna
sliep hij in en hoorde Ingmar zijn gelijkmatig snuivend ademhalen.
* * * * *
Ondertusschen was er niet veel Kerstvreugde op de oude Ingmarshoeve. Men
had er den heelen avond naar Ingmar Ingmarson gezocht.
Eerst waren zij 't heele huis en alle bijgebouwen rond geweest. Ze
hadden van den zolder tot den kelder gezocht. Toen waren ze naar de
naburige hoeven gegaan en hadden naar Ingmar Ingmarson gevraagd.
Toen ze hem niet gevonden hadden, waren de zonen en schoonzonen buiten
de hoeve gaan zoeken. De fakkels, die de kerkgangers op hun tocht naar
de mis zouden hebben bijgelicht, werden nu aangestoken en in het woedend
onweer op wegen en paden rondgedragen. Maar de wind had alle sporen
uitgewischt en zijn gehuil doofde het geluid der stemmen als ze riepen.
Ze bleven op en liepen buiten rond tot lang na middernacht, maar toen
zagen ze duidelijk in, dat ze moesten wachten tot het licht werd, als ze
den vermiste wilden vinden.
Bij het eerste bleeke daglicht waren allen op de Ingmarshoeve weer op,
en de knechts stonden op de plaats, klaar om weer het bosch in te gaan.
Maar eer ze weg konden komen, kwam de oude huismoeder en riep ze in de
groote kamer. Zij vroeg hun te gaan zitten op de lange banken, zelf ging
ze aan de Kersttafel zitten met den bijbel voor zich en begon te lezen.
En toen ze in haar eenvoud naar iets gezocht had, dat in een uur als
dit toepasselijk was, had ze de geschiedenis van den man gevonden, die
op weg van Jerusalem naar Jericho in de handen van roovers viel.
Ze las langzaam en zingende over den in nood verkeerende, die door den
barmhartigen Samaritaan geholpen werd. Zonen en schoonzonen, dochters en
kleindochters zaten om haar heen op de banken. Zij geleken allen op haar
en op elkander; groot en zwaar, met leelijke, oudachtige gezichten, want
allen behoorden tot het oude geslacht van de Ingmaren. Allen hadden
roodachtig haar, sproeten en lichtblauwe oogen met witte wenkbrauwen. Ze
konden zich anders wel ongelijk genoeg gedragen, maar allen hadden een
strakken trek om den mond, slaperige oogen en langzame bewegingen, alsof
alles hun zwaar viel. Maar aan elk van hen kon men toch zien, dat ze tot
de voornaamsten van het dorp hoorden en dat ze wisten, dat ze meer waard
waren dan anderen.
Alle Ingmars-zonen en dochteren zuchtten diep onder het voorlezen. Zij
vroegen zich af of ook een of andere Samaritaan den heer des huizes
gevonden zou hebben en verzorgd. Want voor alle Ingmaren was het, alsof
ze iets van hun eigen ziel verloren hadden, als iemand, die tot het
geslacht behoorde, een ongeluk trof.
De oude vrouw las voort en kwam tot de vraag:
"Wie was nu de naaste van dezen man?" Maar eer ze het antwoord had
kunnen lezen, ging de deur open en de oude Ingmar kwam de kamer binnen.
"Moeder, daar is vader," zei een van de dochters, en zoo werd nooit
voorgelezen, dat de naaste van den man hij was, die hem barmhartigheid
bewezen had.
* * * * *
Iets later op den dag zat de huismoeder weer op dezelfde plaats en las
in den bijbel. Zij was alleen. De vrouwen waren naar de kerk gegaan,
en de mannen waren op de berenjacht in 't groote bosch. Zoodra Ingmar
Ingmarson iets gegeten en gedronken had, was hij met zijn zonen naar het
bosch getrokken op de berenjacht. Want het is nu eenmaal zoo, dat het de
plicht van een man is een beer te vellen, waar en wanneer hij hem ook
vindt. Het gaat niet aan hem te sparen, want vroeger of later krijgt hij
toch smaak in vleesch en spaart dan mensch noch dier.
Maar zoodra ze op de jacht waren uitgetrokken, was er een groote angst
over de oude huismoeder gekomen en ze was gaan zitten lezen. Nu begon
ze te lezen in het hoofdstuk, waar dezer dagen in de kerk over gepreekt
werd, maar ze kwam niet verder dan: "Vrede op aarde, in de menschen een
welbehagen."
Zij bleef op die woorden staren met haar doffe oogen en ze zuchtte diep.
Ze las niet verder, maar herhaalde keer op keer, langzaam en slepend:
"Vrede op aarde, in de menschen een welbehagen."
De oudste zoon kwam de kamer in, juist toen ze opnieuw die woorden
langzaam uitsprak.
"Moeder," zei hij heel zacht.
Ze hoorde hem, maar zag niet van het boek op, toen ze vroeg: "Ben je
niet meê naar 't bosch gegaan?"
"Ja," zei hij, nog zachter, "ik ben meê geweest."
"Kom hier bij de tafel," zei ze, "zoo dat ik je zien kan."
Hij kwam dichterbij, maar toen ze hem aanzag, zag ze hoe hij beefde. Hij
moest den rand van de tafel vastgrijpen om de handen stil te kunnen
houden.
"Heb jelui den beer geveld?" vroeg ze weer.
Nu kon hij niet meer antwoorden, maar schudde het hoofd.
De oude vrouw stond op en deed, wat ze niet meer gedaan had, sinds haar
zoon een kind was. Ze ging naar hem toe, legde liefkoozend haar hand op
zijn arm, streelde zijn wang en trok hem neer op de bank. Toen ging ze
naast hem zitten en nam zijn hand in de hare. "Zeg mij nu, wat er
gebeurd is, mijn jongen."
De man herkende de liefkoozingen, die hem als kind getroost hadden, als
hij ongelukkig en hopeloos was en hij werd zoo aangedaan, dat hij begon
te schreien.
"Ik begrijp wel, dat het iets met vader is," zei ze.
"Ja, maar het is erger dan dat!" snikte de zoon.
"Is het erger dan dat?"
De man schreide steeds heftiger, hij kon zijn stem niet meer in zijn
macht krijgen. Eindelijk hief hij zijn grove hand op en wees met zijn
breede vingers op wat zij pas gelezen had: "Vrede op aarde."
"Heeft dit er iets meê te maken?" vroeg ze.
"Ja," antwoordde hij.
"De Kerstvrede?"
"Ja."
"Wilden jelui iets kwaads doen van morgen?"
"Ja."
"En God heeft ons gestraft?"
"God heeft ons gestraft."
En nu hoorde ze eindelijk hoe alles gegaan was. Zij hadden het hol van
den beer gezocht, en toen zij er zoo dicht bij waren, dat ze den hoop
takken zien konden, waren zij blijven staan om hun geweren in orde te
maken. Maar eer ze nog klaar waren, kwam de beer uit zijn hol recht op
hen aanrennen. Hij zag links noch rechts. Hij ging op den ouden Ingmar
Ingmarson toe, en gaf hem een slag op den schedel, die hem neervelde,
alsof hij door den bliksem getroffen was. Hij deed geen van de anderen
iets, maar liep hen voorbij het bosch in.
* * * * *
Dien middag reden de vrouw en de zoon van Ingmar Ingmarson naar den
proost om het sterfgeval te berichten. De zoon voerde het woord. De oude
huismoeder zat het aan te hooren met een gezicht, even onbeweeglijk als
een steenen beeld.
De proost zat in zijn leuningstoel bij de schrijftafel. Hij had zijn
boeken te voorschijn gehaald en schreef het sterfgeval in. Hij deed het
wat langzaam, want hij wilde tijd hebben om te bedenken, wat hij tegen
de weduwe en den zoon zeggen zou, want dit was wel een ongewoon geval.
De zoon had heel openhartig verteld hoe alles gegaan was, maar de proost
zou wel willen weten, hoe zij zelf de zaak opnamen. 't Waren
eigenaardige menschen, die menschen op Ingmarshoeve.
Toen nu de proost het boek dichtsloeg, zei de zoon:
"Wij wilden ook Mijnheer den proost nog zeggen, dat we geen lijkrede
wilden laten houden over Vader."
De proost schoof den bril op het voorhoofd en zag de oude vrouw
tegenover hem scherp onderzoekend aan. Zij zat daar even onbeweeglijk
als te voren. Alleen wrong ze een punt van haar zakdoek tusschen de
handen.
"We zullen hem op een werkdag begraven," zei de zoon.
"Zoo, zoo," zei de proost. De kamer draaide met hem in de rondte. De
oude Ingmarson zou onder den grond gaan, zonder dat iemand het wist. De
kerkgangers zouden niet op den weg staan en den stoet zien, die hem naar
't graf volgde.
"We houden geen begrafenismaal voor hem. We hebben den buren laten
weten, dat ze daar niet op moesten rekenen."
"Zoo, zoo," zei de proost weer. Hij kon niets anders bedenken. Hij wist
wat het voor zulke menschen beteekende van een begrafenismaal afstand te
doen. Hij had gezien hoe een deftig begrafenismaal weduwen en weezen
getroost had.
"Er komt ook geen begrafenisstoet. Alleen mijn broers en ik gaan meê."
De proost zag als smeekend naar de oude vrouw. Kon zij dit wezenlijk
goedkeuren? Hij twijfelde er aan of de zoon haar wil wel uitsprak. Zij
zat daar immers en liet zich alles afnemen wat haar liever moest wezen
dan zilver en goud. "We zullen de klokken niet laten luiden en geen
zilver op de kist nemen. Moeder en ik willen het zoo, maar wij bespreken
het met u om te hooren, of u vindt, dat we Vader onrecht aandoen."
Nu sprak de vrouw ook. "Dàt is het; we willen weten of we Vader onrecht
doen."
De proost zweeg nog en toen ging de vrouw levendiger voort:
"Ik zal u zeggen, Mijnheer de proost, dat als mijn man iets had misdaan
tegen den koning of tegen het gerecht, of als ik hem van de galg had
moeten afsnijden, dan zou hij toch nog een eerlijke begrafenis gekregen
hebben, zoo als zijn vader vóór hem, want de Ingmarsons vreezen niemand
en behoeven voor niemand uit den weg te gaan. Maar op Kersttijd heeft
God vrede gemaakt tusschen menschen en dieren en het arme dier hield
Gods gebod; maar wij overtraden het en daarom lijden we nu de straffe
Gods. En daarom gaat het niet aan, dat we nu met staatsie te werk gaan
en opzien wekken."
De proost stond op en ging naar de oude vrouw toe. "'t Is waar wat
ge zegt," zei hij, "en ge moet doen zooals ge besloten zijt." En
onwillekeurig voegde hij er bij, misschien meer in zich zelf: "'t Zijn
kranige menschen, de Ingmarsons."
De oude vrouw richtte zich onmerkbaar op bij die woorden. De proost zag
in haar een oogenblik als het symbool van het geheele geslacht. Hij
begreep wat het was, dat dezen stijven, stillen menschen eeuwen lang de
macht gegeven had de geheele gemeente te leiden.
"Het komt den Ingmarsons toe den menschen een goed voorbeeld te geven,"
zei ze. "Het past ons te toonen, dat wij ootmoedig voor God zijn."
HET GRAFSCHRIFT.
Nu let zeker niemand meer op het kleine kruisje, dat in een hoek van het
kerkhof op Svartsjö staat. Nu gaan alle kerkgangers het voorbij, zonder
het met een blik te verwaardigen. En het is ook geen wonder, dat niemand
het opmerkt. Het is zoo laag, dat klaver en blauwe klokjes tot aan de
armen reiken en de tijm er over groeit. Niemand neemt ook meer de moeite
het opschrift te lezen, wat er op staat. De witte letters zijn nu ook
bijna geheel afgeregend en het schijnt niemand in te vallen te trachten
ze nog tot woorden samen te voegen.
Maar het is niet altijd zoo geweest. Dat kruisje heeft in zijn tijd heel
wat verwondering en verbazing gewekt. Een tijd lang kon niemand de
voeten zetten op het kerkhof van Svartsjö, zonder naar dat kruisje te
gaan. En als een van de oude menschen het nog heden ziet, dan ziet hij
op hetzelfde oogenblik een heele geschiedenis voor zich.
Hij ziet dan voor zich de geheele gemeente van Svartsjö, in winterslaap
verzonken en bedekt, met effen witte sneeuw, die wel anderhalf el hoog
ligt. 't Ziet er zoo uit, dat het nauwlijks mogelijk is den weg te
vinden. Men moet zich naar het kompas richten, zooals op zee. Men ziet
geen verschil tusschen het land en het meer; een stoppelland ziet
er even effen uit als een land, dat veel haver heeft gedragen. De
kolenbranders, die tusschen groote moerassen en bergvlakten wonen,
kunnen zich verbeelden, dat ze evenveel ontgonnen en bebouwd land
bezitten als de rijkste boer.
De wegen hebben hun veilige banen tusschen de grauwe schuttingen
verlaten en wagen zich over de velden en op de bevroren waterplassen.
Zelfs in de boerderijen kan men in de war komen. Op eens kan men
ontdekken, dat de weg naar de put dwars over de spireahaag om den
kleinen rozentuin loopt. Maar nergens is het zoo onmogelijk den weg te
vinden als op het kerkhof. Ten eerste is de grauwe steenen muur, die het
van de pastorieakkers scheidt, heelemaal onder de sneeuw, zoodat hij nu
één met het land is. En ten tweede is het heele kerkhof nu niet anders
dan een groot wit veld; niet de minste ongelijkheid in 't sneeuwdek
wijst de vele heuveltjes op den doodenakker aan.
Op de meeste graven staan kleine ijzeren kruisjes, waar dunne, kleine
hartjes aan hangen, die de wind in beweging moet brengen. Zij zijn allen
onder de sneeuw. Die kleine ijzeren hartjes kunnen nu hun weemoedige
liedjes van rouw en gemis niet meer doen klinken. De menschen, die in
de steden aan het werk zijn, hebben voor hun dooden rouwkransen met
bloemen van kralen en bladen van blik meegebracht, en deze worden zoo
gewaardeerd, dat ze in glazen doosjes op het graf liggen. Maar nu zijn
ze begraven onder de sneeuw. Nu is het graf met zulk een versiersel niet
voornamer dan een ander.
Een paar struiken en seringenboompjes steken boven de sneeuw uit. Maar
de meesten zijn verborgen. Die kleine, dunne takken, die boven de sneeuw
uitsteken lijken verbazend op elkaar. Zij kunnen hen, die den weg
trachten te vinden op het kerkhof, niet veel helpen. Oude vrouwen, die
gewoon zijn elken Zondag even naar de graven van hen, die ze liefhebben,
te kijken, kunnen nu door de sneeuw niet verder komen dan even binnen
den ingang. Daar blijven ze staan en probeeren te raden, waar "het
graf" ligt. Is het bij die struik of bij die daar? En ze beginnen
te verlangen, dat de sneeuw zal smelten. Het is alsof de dooden zoo
oneindig ver weg zijn, nu men de plaats niet meer kan zien, waar ze
begraven zijn.
Er zijn ook een paar groote steenen, die boven de sneeuw uitsteken. Maar
dat zijn er maar enkelen. En de sneeuw hangt over hen heen, zoodat men
ze niet van elkander kan onderscheiden.
Een enkele gebaande weg loopt maar over het kerkhof. Die gaat van den
ingang naar het barenhuisje. Als iemand begraven moet worden, wordt de
kist daarheen gebracht en daar houdt nu de predikant de lijkrede en
werpt de aarde op de kist. Er is geen sprake van, dat de kist in de
aarde kan komen, zoolang deze winter aanhoudt.
Zij moet in 't barenhuisje blijven staan, tot God den dooi zendt en
den grond weer met schoffel en spa bewerkt kan worden. En nu gebeurt
het, juist nu de winter op zijn strengst is en 't kerkhof volkomen
ontoegankelijk, dat er een kind sterft aan huis van den grondeigenaar
Sander op Lerum.
Lerum is een groot landgoed en Sander is een machtig man. Hij heeft pas
een familiegraf op het kerkhof laten maken. Dat herinnert men zich wel,
al ligt het nu onder de sneeuw verborgen. Het is omgeven met een rand
gehouwen steenen en een dikke ijzeren ketting. Midden op het graf staat
een granietblok met den naam van de familie. Daar staat alleen dit eene
woord: "Sander" met groote letters, die 't heele kerkhof over te zien
zijn. Maar nu het kind gestorven is en er over de begrafenis gesproken
wordt, zegt de grondeigenaar tot zijn vrouw:
"Ik wil niet, dat dit kind in mijn graf zal liggen."
Opeens zien we het voor ons. Het is de eetzaal op Lerum en daar zit de
grondeigenaar aan de ontbijttafel, alleen te eten, zooals hij gewend is.
Zijn vrouw, Ebba Sander, zit in een schommelstoel aan 't venster, waar
zij het uitzicht heeft over het meer en de met berken begroeide heuvels.
Zij heeft zitten schreien, maar nu de man dit zegt, worden haar oogen
opeens droog. Haar kleine gestalte krimpt ineen van schrik; ze begint te
beven, alsof ze een felle kou voelt.
"Wat zeg je?--Wat zeg je?" vraagt ze. En ze spreekt als iemand, die
klappertandt van kou.
"Het stuit mij tegen de borst," zegt de grondeigenaar. "Vader en Moeder
liggen daar en er staat Sander op den steen. Ik wil niet, dat dit kind
daar liggen zal."
"Ah zoo, heb je dat nu bedacht," zegt ze nog steeds bevend. "Ik wist
wel, dat je je eindelijk wreken zou."
Hij gooit zijn servet weg, staat van tafel op en blijft voor haar staan,
groot en breed. Het is zijn bedoeling niet met veel woorden zijn wil
door te zetten. Maar ze kan immers wel aan hem zien, nu hij daar zoo
staat, dat hij zijn meening niet veranderen kan. Hij is de solide,
onbeweeglijke koppigheid in eigen persoon.
"Ik wil me niet wreken," zegt hij, zonder zijn stem te verheffen. "Ik
kan dit alleen niet verdragen."
"Je spreekt, alsof er alleen maar sprake was van hem uit het eene bed
naar het andere over te brengen," zei ze. "En hij is nu dood, dus voor
hem is 't wel hetzelfde, waar hij ligt. Maar ik ben verloren!"
"Ja, daar heb ik ook aan gedacht," zegt hij, "maar dit kan ik niet
verdragen."
Zij, die jaren lang getrouwd geweest zijn, hebben niet veel woorden
noodig om elkaar te verstaan en ze weet al, dat het volstrekt
onmogelijk is hem te bewegen.
"Waarom heb je me dan vergeven?" zegt ze en wringt de handen. "Waarom
liet je me op Lerum blijven als je vrouw en beloofde me te vergeven."
Ze weet wel, dat hij haar geen kwaad wil doen. Hij kan het niet helpen,
dat hij nu aan de grens van zijn toegevendheid gekomen is. "Zeg aan de
buren wat je wilt," zegt hij. "Ik zal zwijgen. Zeg maar, dat er water in
het graf gekomen is, of zeg, dat er geen plaats is voor meer kisten, dan
die van Vader en Moeder en ons beiden."
"En denk je, dat ze dat gelooven?"
"Je moet je maar zoo goed mogelijk redden," zegt hij.
Hij is niet boos, dat ziet ze wel. Het is zooals hij zelf zegt. Hij kan
hierin niet toegeven. Zij gaat wat dieper in den stoel zitten, legt de
armen achter het hoofd en blijft zwijgend uit het venster zitten staren.
Vreeselijk is het toch, dat er zooveel in het leven is, dat sterker is
dan wij. Vooral is het vreeselijk, dat er machten in ons zelf op kunnen
komen, die men in 't geheel niet beheerschen kan. Voor een paar jaar,
toen ze al een gezeten, getrouwde vrouw was, kwam de liefde over haar.
Zoo'n groote liefde! Er was geen denken aan, dat ze die beheerschen kon.
En wat nu haar man beheerschte, was dat wraakzucht?
Hij was nooit boos op haar geweest. Hij had haar dadelijk vergeven,
toen ze bij hem kwam en hem alles bekende.
"Je waart niet bij je verstand," zei hij en had haar bij zich gehouden
als zijn vrouw.
Maar hoewel 't gemakkelijk is te zeggen, dat men vergeeft, kan het zwaar
genoeg vallen het werkelijk te doen.
Vooral is het zwaar voor hen, die haatdragend en zwaarmoedig zijn, die
niet vergeten en nooit uitbarsten. Wat zij ook zeggen mogen, in hun hart
blijft iets zitten, dat knaagt en hongert en er naar smacht zich te
verzadigen aan anderer lijden. Een wonderlijk gevoel heeft zijn vrouw
altijd gehad, dat het beter geweest was, dat hij toen zóó boos geworden
was, dat hij haar geslagen had. Dan had alles later weer goed kunnen
worden. Maar nu werd hij stil en knorrig en zij werd bang. Ze loopt rond
als een paard tusschen de disselboomen. Zij weet, dat er achter haar
iemand zit, die de zweep in de hand houdt, al gebruikt hij die niet. En
nu heeft hij ze gebruikt. En nu is ze verloren!
* * * * *
De menschen zeggen, dat ze nooit een verdriet als het hare gezien
hebben. Ze ziet er uit als een steenen beeld. In deze dagen vóór de
begravenis weet men bijna niet of ze werkelijk leeft. 't Is onmogelijk
te zien of ze hoort wat men zegt, of ze weet, met wie ze spreekt. Ze
schijnt geen honger te voelen, ze kan in de felle kou uitgaan, zonder
het koud te hebben. Maar de menschen vergissen zich. Niet het verdriet,
de doodsangst versteent haar.
Ze denkt er niet aan op den begrafenisdag thuis te blijven. Ze moet meê
naar het kerkhof--mee met den lijkstoet. Daar zal ze meeloopen en weten,
dat allen, die de kist volgen, zullen denken, dat het lijk naar het
groote graf van de familie Sanders gebracht zal worden. Ze meent, dat
ze onder alle verwondering en verbazing zal bezwijken, als hij, die met
de met rouwfloers omhulde staf den stoet vooraf gaat, dien naar een
onopgemerkt graf leidt. Er zal een gemompel van verwonderd vragen door
den geheelen optocht gaan, al is het ook een lijkstoet. Waarom mag dat
kind niet in 't graf van de Sanders liggen? En men zal zich de onzekere,
losse geruchten herinneren, die eens van haar liepen. Hier moet toch
een reden voor zijn, zal men zeggen. En eer de lijkstoet het kerkhof
verlaten heeft, zal ze geoordeeld en verloren zijn. Het eenige wat
helpen kan, is zelf mee te gaan. Ze moet met een heel rustig gezicht
daar staan, alsof alles in orde is. Misschien zullen ze haar dan
gelooven, als ze beproeft de zaak door een verklaring uit den weg te
ruimen.