snijdende stem. "Ik wil hem niet dwingen om te antwoorden."
"Waarom schreeuw je zoo?" vraagt de rechter. "Heb je je verstand
verloren?"
Ze snakt naar adem, en tracht zich te bezinnen. Ze hoort zelf hoe ze
schreeuwt. De rechter moet wel denken, dat ze gek geworden is, als ze
niet kalm kan zeggen wat ze wil. Ze spant nog eens al haar krachten in
om haar stem meester te worden, en dezen keer gelukt het haar.
Ze zegt langzaam, ernstig, luid, terwijl ze den rechter strak aanziet:
"Ik wil de zaak niet verder vervolgen. Hij is de vader van mijn kind,
maar ik houd nog van hem. Ik wil niet, dat hij een valschen eed zal
doen."
Zij staat rechtop en vast besloten midden voor de groene tafel, en
blijft den rechter vlak in het strenge gezicht zien. Hij zit met beide
handen op de tafel gesteund, en wendt een tijdlang de oogen niet van
haar af.
Terwijl de rechter haar aanziet, verandert hij geheel en al.
Al het slappe en ontevredene, dat op zijn gezicht lag, verdwijnt, en
zijn groot, grof gezicht wordt mooi, doordat hij zoo bewogen wordt.
Zie eens, denkt de rechter, zie eens, zoo is mijn volk. Ik zal er mij
niet meer aan ergeren, nu er zooveel liefde en godsvrucht bij een van de
geringsten te vinden is.
Opeens voelt de rechter, dat hem de oogen vol tranen schieten, en dan
slaat hij ze bijna beschaamd neer. Hij werpt een snellen blik om zich
heen. Nu ziet hij, dat de griffier en de leensman en heel de lange rij
van advocaten zich voorover hebben gebogen, om het meisje aan te zien,
dat daar voor de groene tafel staat met den Bijbel tegen zich aangedrukt
En hij ziet, dat er een glans op al die gezichten ligt, alsof ze iets
heel moois gezien hebben, dat hen blij heeft gemaakt tot diep in hun
ziel.
En dan ziet de rechter naar het publiek, en het komt hem voor, dat alle
menschen stil zitten, en diep ademhalen, alsof ze zoo juist gehoord
hebben, waar ze het allermeest naar verlangden.
Het allerlaatst ziet de rechter naar den beklaagde. Nu staat _hij_ met
gebogen hoofd en neergeslagen oogen.
De rechter wendt zich opnieuw naar het arme meisje.
"We zullen doen wat je wilt," zegt hij. "De zaak moet afgevoerd worden,"
zegt hij tegen den griffier.
De beklaagde maakt een beweging, alsof hij er tegen op wil komen.
"Wat is dat nu?" roept de rechter hem toe. "Heb je er iets tegen?"
De beklaagde buigt het hoofd nog dieper, en zegt nauwelijks hoorbaar:
"Ach neen, het is maar het beste, dat het zoo blijft."
De rechter blijft nog een oogenblik zitten. Dan schuift hij langzaam
zijn stoel achteruit, staat op en gaat om de tafel naar de eischeresse
toe.
"Ik dank je, kind," zegt hij, en reikt haar de hand.
Zij heeft den Bijbel neergelegd, en staat te schreien, en ze droogt haar
tranen met den opgerolden zakdoek.
"Ik dank je, kind," zegt de rechter nog eens, en hij neemt haar hand zoo
zacht en voorzichtig, alsof die iets heel teers en kostbaars was.
HOE GROOTVADER GROOTMOEDER KREEG.
Is dat niet wonderlijk? Toen Grootvader Grootmoeder vroeg, wilde ze hem
volstrekt niet hebben.
Grootmoeder was toen jong: 's nachts zette ze papillotten in 't haar en
overdag droeg ze groote, dikke krullen. Grootmoeder droeg lange, witte
paarlen als oorbellen en Grootmoeder was heel mooi.
Grootmoeder had veel aanbidders om uit te kiezen. Ze liep er over te
denken of ze met een jongen baron zou trouwen, die juist het bestuur
over zijn vaderlijk landgoed had gekregen, of dat het misschien wijzer
wezen zou haar neef te nemen, die op 't punt was in den gemeenteraad van
Malmö benoemd te worden. Die twee waren knappe mannen, maar Grootvader
was leelijk. Vooral zijn handen waren zoo leelijk als 't maar kon. In
zijn kindsheid had hij als bedelaar langs de wegen gezworven. Hij had
den heelen winter in de kou buiten geloopen, en het is vrij zeker, dat
hij nooit wanten gebruikt had.
Grootvader werd knapper, toen hij ouder werd en grijs haar kreeg. Toen
hij jong was zag hij er te wild en te somber uit met zijn dikken,
zwarten haarbos. 't Was nooit zoo goed gegaan met Grootvader, als hij
niet heel vroeg grijs haar en grijze wenkbrauwen gekregen had. Vroeger
zag hij er uit als een roover en dat ging toch niet aan voor een
predikant.
Grootmoeder vertelde dikwijls, dat toen Grootvader in de pastorie was
aangesteld als kapelaan bij haar vader, den proost, en daar aan kwam
zetten met bloote voeten en de schoenen over zijn rug hangend aan een
stok, dien hij over den schouder droeg, scheelde het niet veel of haar
moeder had hem voor een landlooper aangezien en hem weggejaagd, en
ze was altijd een beetje bang voor haar zilver geweest, zoo dikwijls
Grootvader in de eetzaal kwam. En de oude proost bleef zelf preeken de
eerste Zondagen, omdat hij 't niet over zich verkrijgen kon, dien wilden
roover op den preekstoel te laten.
Maar 't eerste wat Grootvader deed, toen hij in de pastorie kwam, was
verliefd op Grootmoeder worden. Dat deed hij al zoodra hij aan tafel
kwam. En wonderlijk was dat ook niet, want Grootmoeders haar was zacht
en glanzend, haar oogen waren diep en zacht, en haar tint was blank en
roze. De vorm van haar gezicht was buitengewoon mooi en in de wang had
ze een kuiltje, dat nu nog te zien is, als ze lacht.
Grootmoeder schrikte geducht toen ze voor 't eerst merkte, dat
Grootvader van haar hield. Ze durfde haast niet alleen in den tuin of
op den weg te loopen. Iemand, die zulke oogen als Grootvader had, kon ze
niet laten te verdenken van achter struiken en boomen op de loer te
liggen om haar te schaken.
Grootmoeders vader schreef in stilte aan den bisschop en het consistorie
om een anderen kapelaan. Die hem gezonden was, kon hij heelemaal niet
gebruiken.
Hij kon 't niet verdragen Grootvader in zijn pastorie te hebben. Hij
was een echte wilde. Hij zat aan tafel als een boer en lag met beide
ellebogen op het tafellaken. Hij spuwde op den grond en liep op grove
vetleeren laarzen, die haar sporen op 't tapijt achterlieten.
Vier heele weken liep Grootvader in de pastorie rond, zonder dat hij
iets te doen had. De oude proost wilde hem evenmin in 't kerkeboek laten
schrijven, als hij hem naar den preekstoel wilde zenden. Grootvader
zweeg en beklaagde zich niet.
't Scheen wel of hij genoeg te doen had met Grootmoeder te volgen op al
haar wegen. Grootmoeder zat gewoonlijk te weven op een klein kamertje in
den gevel van 't huis. Grootvader ontdekte, dat hij, als hij een zolder
opging en over den hooizolder klauterde en door een schuurzoldertje
kroop, waar de grond uit losse latten bestond, aan een luik kwam, dat op
het venster van het weefkamertje uitzag. En voor dat luik zat Grootvader
in elkaar gehurkt uur aan uur, en zag naar Grootmoeder, die met bloote
armen en de rozen op de wangen aan den weefstoel werkte.
't Duurde niet lang of Grootvader had ontdekt waar 't lievelingsplekje
van Grootmoeder in den tuin was. De heele tuin was namelijk zóó met
hagen omringd, dat men er even ingesloten zat, als in een kamer; maar
er was een hekje, dat naar de akkers leidde en daar stond Grootmoeder
graag. En terwijl zij daar stond met de ellebogen op het hekje geleund
en ver over 't wijde veld keek, lag Grootvader daar verscholen in 't
hooge koren en had de oogen niet van haar af.
Toen Grootvader vier weken in de pastorie geweest was, kreeg de oude
proost een brief van den bisschop, dat zijn verzoek was toegestaan en
dat hij Grootvader maar wegzenden moest. En hij was er zoo blij om, dat
hij er geen oogenblik meê wilde wachten. Hij stak den brief van den
bisschop in den zak en ging zelf naar de kamer van Grootvader om hem den
inhoud van den brief meê te deelen.
Grootvader zat te schrijven toen de oude proost binnenkwam.
Hij schreef een preek, maar hij werd zoo verlegen, alsof hij een brief
aan zijn meisje schreef. Hij kon nauwelijks spreken over wat hij deed,
toen de proost hem vroeg wat hij daar in de la van zijn schrijftafel
wegsloot.
De proost wist immers, dat hij nu van Grootvader afkomen zou, en daarom
was hij vriendelijker tegenover hem gestemd dan vroeger. En voor 't
eerst vroeg hij zich verwonderd af, hoe 't toch kwam, dat Grootvader
was zooals hij was, en waarom zoo'n man predikant had willen worden.
Hij begon Grootvader uit te vragen en die vertelde hem alles. Hij had
altijd zoo'n lust gehad om te preeken. Hij had voor de boomen langs den
weg gepreekt, als hij met zijn moeder liep te bedelen. Hij wist niet hoe
hij op de gedachte gekomen was, maar hij had altijd gewenscht predikant
te worden om te mogen preeken naar hartelust.
De oude proost verbaasde er zich over, dat hij, die zoo arm geweest was,
de school had kunnen doorloopen en Grootvader vertelde hoe dat gegaan
was. En 't was alsof hij zijn heelen leertijd lang honger en kou geleden
had. Maar onder alle moeilijkheden door had Grootvader zich getroost met
aan dat uur te denken, wanneer hij zijn stem zou mogen verheffen en
spreken in Gods huis.
Keer op keer stak de proost de hand in den zak om den brief van den
bisschop er uit te halen, maar hij had er het hart niet toe. In plaats
daarvan vroeg hij de preek te mogen lezen, die Grootvader bezig was te
schrijven. Hij las die, schudde het hoofd en ging heen zonder een woord
te zeggen. Maar den volgenden Zondag preekte Grootvader en deed dat lang
niet slecht!
En van dat oogenblik af probeerde de oude proost Grootvader op te
voeden. Hij leerde hem preeken en de kerkeboeken houden.
Maar hij zei dikwijls, dat hij geen grooter offer gebracht had, dan
toen hij besloot Grootvader niet weg te zenden.
Maar als nu een oud, verstandig man zooveel moeite had zich met
Grootvader te verzoenen, moest dat nog veel moeilijker wezen voor
Grootmoeder, die nog maar even twintig jaar was.
Het was op een mooien Zondagmiddag midden in den zomer. De pastorie
was vol gasten en ze waren allen uit rijden in 't groote bosch van 't
naburige buiten. Grootmoeder was de eenige, die thuis was. Ze moest
zeker op het huis passen, want de dienstboden hadden vrijaf, zoodat er
geen knecht of meisje in de heele pastorie was.
Grootmoeder wist wel, dat Grootvader thuis was, maar ze wist ook, dat
hij naar een naburige gemeente moest om te preeken. Zij had zeker niet
alleen thuis durven blijven, als ze niet geweten had, dat hij
genoodzaakt zou zijn heen te gaan.
Maar vóór Grootvader naar de kerk ging, wilde hij zich verfrisschen door
een teug uit den zilveren beker, die altijd op de dientafel in de
eetzaal stond. En toen hij in de kamer kwam en Grootmoeder daar alleen
vond, vroeg hij haar ten huwelijk.
Grootmoeder zei gauw: "neen", en Grootvader ging dadelijk heen zonder te
smeeken of aan te dringen.
En Grootmoeder was heel blij, dat die verklaring achter den rug was.
Grootmoeder ging naar den grooten spiegel in de voorkamer en maakte een
pirouette er voor. Toen ze zag hoe mooi en blond ze was, lachte ze om
den zwarten kapelaan, die dacht dat hij haar krijgen zou.
Op 'tzelfde oogenblik kromp ze ineen van schrik. Ze meende, dat ze wat
hoorde. Ze luisterde ademloos en gespannen. Daar was stellig iemand, die
schreide in de aangrenzende kamer.
Ze dacht, dat een van de gasten was thuisgekomen en ze ging de eetzaal
binnen om te zien, wie het wezen kon. Daarbinnen hoorde ze het schreien
heel duidelijk, maar er was geen levend wezen in de kamer. De eetzaal
was groot, maar er was geen plaats om zich te verstoppen. Toch zocht
Grootmoeder onder de tafel en achter de bamboestoelen. Ze keek in 't
hoekje van den haard, in de kast en achter de deuren. Neen, er was geen
mensch in de kamer. Maar aldoor, terwijl Grootmoeder zocht, hoorde ze
duidelijk, dat er iemand schreide. En 't schreien kwam van een plaats
bij 't venster, ongeveer daar waar Grootvader gestaan had, toen hij haar
gevraagd had.
Grootmoeder probeerde met zichzelf te beredeneeren, dat het louter
verbeelding was. Ze zette de tanden vast op elkaar en naderde moedig de
plaats, waar het schreien vandaan kwam, en dacht, dat het dan wel zou
ophouden, maar het hield niet op; het zuchten en snikken hield aan.
't Was duidelijk, dat er iemand schreide op twee passen afstand van
haar. Maar ze zag niemand.
't Was een schreien, alsof een mensch 't gezicht in de handen verborg
en zich op den grond wierp en schreide, alsof zijn hart breken zou.
Ten slotte werd Grootmoeder zóó bang, dat ze moest gaan zitten om niet
neer te vallen. En zoo zat ze stil, een heel kwartier lang, terwijl de
onzichtbare maar aldoor schreide. Grootmoeder kon geen vinger verroeren.
Ze kon niet wegloopen en ook niet roepen. Ze zat daar doodsbleek, met
krampachtig saamgevouwen handen en bij iederen snik rilde ze van
ontzetting.
Maar éénmaal in al dien tijd verroerde ze zich. Opeens kwam ze op de
gedachte, dat 't schreien van iemand kon komen, die buiten voor het
venster zat. "Misschien zit daar iemand buiten het venster te schreien,"
zei ze in zichzelf, "en ben ik hier bang voor niets." En toen dwong ze
zichzelf tot opstaan, 't venster open te doen en er uit te zien. Maar er
was niemand, en opnieuw zonk ze neer in haar stoel.
Grootmoeder dacht, dat iemand, die zóó schreide, een verdriet moest
hebben zóó groot, als ze niet wist, dat er in de wereld bestaan kon.
't Moest een ziel zijn, die in zoo'n angst verkeerde, dat de dood een
verlichting wezen moest. 't Was alsof niets ter wereld hem zou kunnen
troosten, die zóó schreide.
Voor 't eerst in haar leven begreep Grootmoeder wat lijden beteekende.
Want die onzichtbare schreide zóó, dat Grootmoeder meê had moeten
schreien, als ze niet zoo totaal van schrik verlamd was geweest.
Ze vond, dat dit een schreien was, alsof 't kwam van een verdoemde ziel,
die uit den hemel verbannen werd.
En dat duurde een kwartier; toen hoorde Grootmoeder, dat de klokken van
de kerk in de naburige gemeente begonnen te luiden. Ze dacht aan den
kapelaan. Nu had de koster hem zien aankomen op den weg door het veld
tusschen de akkers en nu begon hij te luiden. En ze dacht, dat ze nu
blij geweest zou zijn, als hij thuis was. Ze zou zoo dankbaar geweest
zijn, als ze iemand had kunnen roepen.
Maar ongeveer op 'tzelfde oogenblik, dat het luiden begon, hield het
geheimzinnig schreien op. Maar nu was het Grootmoeder zelf, die begon
te schreien en ze zat te schreien tot haar huisgenooten thuiskwamen.
Toen sprong Grootmoeder op den wagen toe en wilde natuurlijk dadelijk
vertellen wat er gebeurd was. Maar toen was het alsof haar de mond
gesnoerd werd en ze kon niets zeggen.
"Dat was voor jou," zei er iets in haar. "Jij en niemand anders moest
het hooren."
Maar hoe kon dat schreien iets met haar te maken hebben?
Dien heelen middag liep Grootmoeder rond, alsof ze in een andere wereld
verkeerde. Alles waar de anderen over spraken kwam haar zoo wonderlijk
vreemd voor.
Maar opeens was 't alsof ze wakker schrikte. Ze stond in de keuken en
hoorde de dienstmeisjes spreken over de namiddagpreek. De kapelaan had
zoo mooi gepreekt. Alle menschen in de kerk hadden geschreid.
"Waarover sprak hij dan?"
"Hij had gesproken over de wanhoop van de zondaars, die buiten het
paradijs gesloten werden."
Toen werd Grootmoeder steeds meer verschrikt. 't Kwam haar voor, alsof
ze een groote zonde gedaan had, die ze weer goed moest maken.
Na het avondeten, toen Grootvader goedennacht gezegd had, ging ze met
hem mee in de vestibule.
"Wilt u me niet om Godswil de waarheid zeggen?" vroeg Grootmoeder.
"Schreide u vanmiddag, toen u naar de kerk ging?"
"Ja, dat deed ik," antwoordde hij. "Ik kon het niet laten."
Toen wist Grootmoeder, dat ze _hem_ gehoord had en ze werd zoo
wonderlijk te moede, toen ze er aan dacht, dat zijn liefde zóó groot
was, dat hij zóó geleden had door haar te verliezen. Grootmoeder vond
het zóó heerlijk, dat iemand haar zoo innig liefhad, dat ze haar andere
aanbidders vergat, en er niet meer aan dacht hoe leelijk en arm
Grootvader was.
"Ik wil niet, dat u zoo'n bitter verdriet nog één oogenblik langer
dragen zult," zei ze. "Ik wil probeeren of ik niet leeren kan van u te
houden."
DE KERSTVREDE.
Er was eens een oude boerderij, en het was een Kerstavond met donkeren,
grijzen hemel, alsof een zware sneeuwstorm dreigde, en er woei een
scherpe wind uit het noorden.
Het was juist tegen den tijd van den namiddag, dat de menschen het druk
hadden met hun werk af te maken, omdat men nog naar de badkamer moest.
Daar had men zoo fel gestookt, dat de vlam uit den schoorsteen sloeg, en
massa's vonken en roetvezels vlogen met den wind mee en vielen op de
door de sneeuw bedekte daken van de kleine gebouwtjes van de hoeve.
Toen de vlam boven den schoorsteen van de badkamer uitsloeg en zich als
een vuurzuil boven de hoeve verhief, begonnen allen te voelen, dat het
Kerstfeest naderde. Het dienstmeisje, dat in het voorhuis den vloer lag
te schuren, begon te neuriën, hoewel het water tot ijs stolde in den
emmer naast haar. De jongens, die op de deel hout hakten voor het
Kerstvuur, begonnen twee stukken tegelijk te kloven en zwaaiden de
bijlen zoo lustig, alsof het werk een spel was.
Uit de schuur kwam een oude vrouw met een grooten stapel gekruide
Kerstbrooden op den arm. Zij ging langzaam over de plaats naar het
groote, roodgeschilderde woonhuis, en kwam voorzichtig in de groote
kamer, waar ze het brood op de lange bank neerzette. Toen dekte ze de
tafel en legde het brood rond op hoopjes, een groot en een klein op
elkaar. Zij was een wonderlijk, leelijk oud menschje met roodachtig
haar, zware neerhangende oogleden en een eigenaardigen, strakken trek om
den mond bij de kin, alsof de halsspieren te kort waren. Maar nu, op
Kerstavond, was er zulk een vrede en blijdschap over haar, dat men niet
zien kon hoe leelijk ze was.
Maar er was er een op de hoeve, die niet blij was, en dat was zij,
die bezig was de bosjes van berketakjes te binden, die bij het baden
gebruikt moesten worden. Zij zat bij den haard en had een heel pak fijne
berketakjes voor zich op den grond liggen, maar ze had geen geschikte
twijgen om de takken mee samen te binden. De groote kamer had een
lang, laag venster met kleine ruitjes, en daardoor viel het licht
uit de badkamer in het vertrek, speelde op den vloer en verguldde de
berketakken. Maar hoe helderder het vuur brandde, hoe ongelukkiger het
meisje werd. Ze wist, dat de bosjes uit elkaar zouden vallen, zoodra men
ze aanraakte en dat ze er meê geplaagd zou worden, minstens tot er 't
ander jaar weer een Kerstvuur in den schoorsteen vlamde.
Juist terwijl ze daar zat en zich ongelukkig voelde, kwam daar de man
binnen, waar ze het allermeeste bang voor was. Het was Ingmar Ingmarson,
de boer in hoogst eigen persoon. Zeker was hij in de badkamer geweest om
te zien of het vuur wel hard genoeg brandde en nu wilde hij zien hoe het
met de bosjes ging. Ingmar Ingmarson was oud en hij hield van wat oud
was. En juist omdat de menschen zich gingen afwennen te baden in de
badkamer en zich met berketakjes te laten slaan na 't baden, was hij er
zeer op gesteld, dat het op zijn hoeve gebeuren zou, en _goed_ gebeuren.
Ingmar Ingmarson was gekleed in een ouden schapenpels en droeg een
leeren broek en schoenen met pikdraad genaaid. Hij was vuil en slordig,
zachtmoedig in zijn optreden en kwam zoo zacht binnen, dat men hem voor
een bedelaar had kunnen houden. Hij leek op zijn vrouw en was ongeveer
even leelijk, want ze waren familie van elkaar en het meisje had van
oudsher geleerd eerbied te hebben voor ieder, die er zoo uit zag. Want
dat wilde wat zeggen:--tot het oude geslacht der Ingmaren te behooren.
Ze waren altijd de voornaamsten in het dorp geweest; maar 't beste was
toch Ingmar Ingmarson zelf te zijn en de rijkste, de wijste, de
machtigste van een geheele gemeente te wezen.
Ingmar Ingmarson ging naar het meisje toe, boog zich over de
berketakjes, nam een van de bosjes en zwaaide dit door de lucht. En
dadelijk vlogen de takjes uit elkaar; één kwam terecht op de Kersttafel
en een ander op 't groote bed.
"Och meid!" zei de oude Ingmar en lachte, "meen je, dat men zulke bosjes
gebruikt, als men baadt bij de Ingmaren? Of ben je erg bang voor je
velletje?"
Nu de boer het zóó opnam werd het meisje moedig en antwoordde, dat ze
wel goede, vaste bosjes zou maken, als ze maar twijgen had om ze vast te
binden.
"Dan zal ik je wel twijgen moeten bezorgen, kind," zei de oude Ingmar,
want hij was echt in Kersthumeur.
Hij ging uit de kamer, stapte met een tobbe in de hand over haar heen
en ging naar buiten om te zien of er iemand was, die hij uit kon sturen
om twijgen. De jongens waren nog bezig met het brandhout voor het
Kerstvuur, zijn zoon kwam uit de dorschschuur met stroo, zijn beide
schoonzonen waren bezig den werkwagen binnen te halen, opdat ook de
plaats er feestelijk uit zou zien. Niemand had tijd om van de hoeve weg
te gaan.
Toen besloot de zachtmoedige oude het zelf te doen. Hij ging de plaats
over, alsof hij naar den stal wilde gaan, toen zag hij om, of ook iemand
op hem lette en sloop toen langs de schuur, waar een tamelijk gebaande
weg was, die naar het bosch liep. De oude man vond het niet noodig
iemand te zeggen, waar hij heen ging, want dan zouden misschien zijn
zoon of zijn schoonzoon hem gevraagd hebben thuis te blijven, en oude
menschen willen 't liefst hun eigen zin doen.
Hij volgde den weg boven de hoeven door het kleine dennenboschje naar
het berkenhout. Hij week van den weg af en waadde in de sneeuw om een
paar berketakken van een jaar oud te vinden.
Maar langzamerhand was de wind klaargekomen met het werk, waar hij den
heelen dag meê bezig was geweest. Hij had de sneeuw uit de wolken
losgemaakt en nu kwam hij naar het bosch opzetten met een langen sleep
sneeuwvlokken achter zich aan.
Ingmar Ingmarson had zich juist naar den grond gebogen en een twijgje
afgesneden, toen de wind met een flinke lading sneeuw aankwam. Op
hetzelfde oogenblik, dat de oude man zich oprichtte, blies hem de wind
een heelen hoop sneeuwvlokken in het gezicht. Hij kreeg de oogen vol
sneeuw en de wind wervelde zóó sterk om hem heen, dat hij een paar keer
ronddraaide als een tol.
Het heele ongeluk was eigenlijk, dat Ingmar Ingmarson oud werd. In zijn
jonge jaren zou hij zeker niet duizelig geworden zijn van een
sneeuwstorm. Maar nu draaide alles om hem heen, alsof hij een Kerstpolka
gedanst had. En toen hij naar huis wilde gaan, liep hij precies den
verkeerden kant uit.
Hij ging recht het groote dennenbosch in, dat ver achter het
berkenboschje om liep, in plaats van den weg naar 't zuiden, in de
richting van de hoeve in te slaan.
De duisternis viel snel, en onder de jonge boomen aan den boschkant
bleef de stormwind gieren en omwervelen. De oude man zag wel, dat hij
tusschen dennen liep, maar hij begreep niet dat dit verkeerd was, want
er groeiden ook dennen aan den kant van 't berkenboschje, dat naar de
hoeve leidde.
Maar toen kwam hij zoo diep het bosch in, dat het stil om hem heen werd,
de storm niet meer te hooren was en de boomen hoog en zwaar van stam
werden. Toen zag hij, dat hij verdwaald was en wilde omkeeren.
Hij was in de war gekomen en opgewonden geraakt, bij de gedachte, dat
hij had kunnen verdwalen, en toen hij midden in 't bosch stond, waar
geen spoor was te vinden, was hij niet in staat te bepalen, welke
richting hij nemen moest. Eerst ging hij den eenen kant uit, toen den
anderen. Eindelijk viel het hem in, dat hij in zijn eigen voetstappen
weer terug moest gaan, maar toen werd het donker en hij kon ze niet meer
zien. En om hem heen werden de boomen al zwaarder. Hoe hij ook liep, hij
merkte wel, dat hij hoe langer hoe dieper het bosch in raakte. Het was
toch een ellendige hekserij, dat hij nu hier in 't bosch den heelen
avond moest rondloopen en te laat voor het baden thuiskomen. Hij draaide
zijn muts eens om en bond zijn kousebanden wat vaster, maar hij bleef
even verward in 't hoofd als te voren.
Hij leunde tegen een dennestam en stond stil om zijn gedachten te
verzamelen. Dit bosch hier kende hij wel; hij had hier zooveel geloopen,
dat hij elken boom moest kennen. Hij had hier als jongen de schapen
gehoed. Hij had hier strikken voor de vogels gespannen. In zijn jeugd
had hij hier meê hout gehakt. Hij had het hout gekapt zien liggen op het
veld en hij had het weer zien opgroeien.
Eindelijk meende hij te weten, waar hij was en hij meende, als hij nu
maar zoo en zoo liep, dan zou hij wel terecht komen. Maar hoe hij ook
liep, steeds kwam hij dieper het bosch in.