Toen zag de abt, dat de sneeuw van het veld verdween, alsof

Produced by The Online Distributed Proofreading Team at

http://www.pgdp.net

+---------------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |

| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |

| moderniseren. |

| |

| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |

| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |

| |

| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |

| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |

| |

| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |

| _cursief_. Vette tekst is weergegeven als =vet=. |

| |

| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |

| aangebrachte correcties. |

| |

+---------------------------------------------------------------+

VAN DE WERELDBEROEMDE ZWEEDSCHE SCHRIJFSTER

SELMA LAGERLÖF

VERSCHEEN BIJ DEN UITGEVER VAN DIT BOEK:

=GÖSTA BERLING=, VIERDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 1.50; IN PRACHTBAND

F 1.90 EN EEN PRACHTUITGAVE, GEÏLLUSTREERD MET 37 PLATEN NAAR

TEEKENINGEN VAN GEORG PAULI, PRIJS IN PRACHTBAND VERGULD OP SNEE

F 3.90.

=INGRID=, VIERDE, GEÏLLUSTREERDE UITGAVE, PRIJS INGENAAID F 0.75; IN

PRACHTBAND F 1.--.

=DE KONINGINNEN VAN KUNGAHÄLLA=, DERDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 0.75;

IN PRACHTBAND F 1.--.

=DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST=, TWEEDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 2.90;

IN PRACHTBAND F 3.50.

=JERUZALEM= 2 DEELEN, TWEEDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 4.50; IN

PRACHTBANDEN F 5.50.

=ONZICHTBARE KETENEN=, PRIJS INGENAAID F 3.50; IN PRACHTBAND F 3.90.

=CHRISTUSLEGENDEN=, PRIJS INGENAAID F 2.90; IN PRACHTBAND F 3.50.

=ELSA=, PRIJS INGENAAID F 1.50; IN PRACHTBAND F 1.90.

=LEVENSGEHEIMEN=, PRIJS INGENAAID F 1.50; IN PRACHTBAND F 1.90.

=OUD EN NIEUW=, PRIJS INGENAAID F 1.90; IN PRACHTBAND F 2.50.

GOEDKOOPE UITGAAF

VAN

GÖSTA BERLING

Het beroemde boek van SELMA LAGERLÖF

Vertaald uit het Zweedsch door MARGARETHA MEIJBOOM

Prijs ingenaaid F =1.50=, in prachtband F =1.90=

* * * * *

=Het Algemeen Handelsblad:=

Het is zoo spannend, zoo vol mooie en goede dingen, dit boek van sagen

en wonderlijke verhalen. Het is een boek van een heerlijke, schitterende

phantasie, waarin verteld wordt van veel slechts maar van meer goeds,

van veel hardheid maar van meer teederheid, van veel misdadigs maar van

meer berouw, van veel ongeluk, maar van meer, zij het ook duur gekocht,

geluk. Het is een boek van echte poëzie, verteld op de manier die velen

Scandinaviërs tegenwoordig eigen is, zonder beschouwingen over en

beschrijvingen van hun personen, maar met korte, treffende aangeving

van saillante trekken, pittig en prikkelend tegelijk.

=Wie aan dit boek begint, zal er niet mee willen uitscheiden, vóór hij

het geheel genoten heeft.=

=Het Vaderland:=

Deze royaal uitgegeven en goed vertaalde roman is een bijzondere

mengeling van het werkelijke en het fantastische, van waarheid en

verdichting. Het is een vreemd boek, maar een dat den lezer niet loslaat

en veel te denken geeft. De ons onbekende schrijfster is een bijzonder

en oorspronkelijk talent; men zou zeggen, dat er in haar iets van

Cervantes is gevaren. Daarmee is veel, niet te veel gezegd. ="Gösta

Berling" is een boek om tweemaal te lezen.=

=De Kerkelijke Courant:=

Zelden kwam ons zonderlinger en daarbij echt mooier boek ter hand

dan "Gösta Berling". Zonderling. De geschiedenis van een afgezetten

predikant en daarin oude sagen, legenden, allervreemdste toestanden

en gewone menschen, alles met een moed door elkander gemengd, of

men dat alles dagelijks ontmoet. Maar mooi! De Zweedsche schrijfster

Selma Lagerlöf, die in Margaretha Meijboom een uitstekende vertaalster

vond, is geen gewone vrouw. Er zit een talent van meedeelen in, zóó

aantrekkelijk, dat men menige bladzijde om haar fijne opmerkingen en

haar diepen ernst tweemalen overleest om te meer te genieten. Is dit,

wat wij niet weten, haar eerste werk, dan bewonderen wij haar met

vreeze. Het zal moeilijk zijn een tweede te schrijven, dat niet in

de schaduw staat.

OUD EN NIEUW

OUD EN NIEUW

NAAR HET ZWEEDSCH

VAN

SELMA LAGERLÖF

DOOR

MARGARETHA MEIJBOOM

AMSTERDAM

H. J. W. BECHT

1907

BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN.

INHOUD.

Bladz.

De Kerstroos 1

In de Gerechtszaal 26

Hoe Grootvader Grootmoeder kreeg 37

De Kerstvrede 47

Het Grafschrift 65

De beide Broeders 80

Romeinsch Bloed 89

De oude Agneta 113

De Ring van den Visscher 123

Santa Catharina van Siëna 151

De zeven Doodzonden 170

De Schatkist van de Keizerin 180

DE KERSTROOS.

De rooversvrouw, die in 't roovershol boven in 't Göingebosch woonde,

was op een dag gaan bedelen in 't dorp op de vlakte. De roover zelf was

een vogelvrije en mocht niet uit het bosch komen. Hij lag maar op de

loer om de reizigers op te vangen, die zich binnen den zoom van 't woud

waagden. En in dien tijd, toen de roover en zijn vrouw in 't Göingebosch

woonden, kwamen er niet veel reizigers in Noord-Skaane. Als het eens

gebeurde, dat de roover weken aaneen geen beste vangst had, ging zijn

vrouw op weg. Ze nam vijf kinderen mee, en allen hadden ze lompen van

pelzen en schoenen van berkenbast aan, en droegen op den rug een zak,

zoo groot als ze zelf waren. Als de rooversvrouw een deur binnenkwam,

durfde niemand haar weigeren waar ze om vroeg, want ze was niet te goed

om den volgenden nacht terug te komen en 't huis in brand te steken als

ze niet goed ontvangen werd. De rooversvrouw en haar kinderen waren

erger dan de wolven, en menigeen had lust gehad ze aan zijn speer te

rijgen, maar dat gebeurde nooit, want men wist, dat de man daar in

't bosch zat en hij zou zich wel weten te wreken, als zijn vrouw of

kinderen wat overkwam.

Toen nu de rooversvrouw van de eene hoeve naar de andere ging om te

bedelen, kwam ze op een schoonen dag te Oved, dat in dien tijd een

klooster was. Ze belde aan de kloosterpoort en vroeg om eten, en de

portier deed een luikje in de poort open en reikte haar zes ronde

brooden toe, één voor haar en één voor elk van de kinderen.

Maar terwijl de rooversvrouw aan de poort stond te wachten, liepen de

kinderen rond. En nu kwam één van hen en trok haar aan den rok, ten

teeken dat hij iets gevonden had, dat ze moest komen kijken. En de

rooversvrouw ging snel met hem meê.

't Heele klooster was omgeven door een hoogen, sterken muur, maar 't

kind had een kleine achterdeur ontdekt, die op een kier stond. Toen de

rooversvrouw daar kwam, stootte ze dadelijk de deur open en ging binnen

zonder verlof te vragen, zooals ze gewoonlijk deed.

Maar het klooster te Oved werd toen bestuurd door den abt Hans, die een

plantkundige was. Hij had binnen den kloostermuur een kleinen

plantentuin aangelegd, en daar was nu de rooversvrouw binnengedrongen.

In 't eerst was zij zoo verbaasd, dat ze onbeweeglijk staan bleef. 't

Was midden in den zomer, en de tuin van den abt stond zóó vol bloemen,

dat het voor de oogen schemerde van blauw en rood en geel, als men er

in keek. Maar al gauw speelde een vergenoegd lachen over 't gezicht van

de rooversvrouw en ze begon een smal pad op te loopen, dat door veel

kleine bloembedjes liep.

In den tuin liep een leekebroeder, de tuinjongen, bezig met wieden.

Hij had de deur in den muur opengelaten om melde en kweekgras op den

mesthoop daar buiten te kunnen gooien. Toen hij de rooversvrouw met alle

vijf haar kinderen den tuin in zag komen, liep hij dadelijk op hen toe

en gebood hun heen te gaan. Maar de bedelaarster bleef doorloopen. Ze

liet haar oogen over alles gaan, keek nu naar de stijve witte leliën,

die zich over een bed uitspreidden, dan naar het muur, dat hoog tegen

den kloosterwal op groeide en stoorde zich in het minst niet aan den

leekebroeder. Hij meende, dat ze hem niet verstaan had. Hij wilde haar

bij den arm grijpen om haar naar den uitgang te keeren, maar toen de

rooversvrouw dat merkte, zag ze hem aan met een paar oogen, die hem

achteruit deden deinzen. Ze had geloopen met den rug gebogen onder haar

bedelzak, maar nu richtte zij zich in haar volle lengte op.

"Ik ben de rooversvrouw uit het Göingebosch," zei ze, "en raak me nu

eens aan als je durft." En toen ze dat gezegd had scheen ze er even

zeker van te zijn, dat ze rustig voort kon gaan, alsof ze gezegd had,

dat ze Koningin van Denemarken was. Maar de leekebroeder waagde opnieuw

haar te storen, hoewel hij, nu hij wist wie ze was, haar beleefd

toesprak.

"Je moet weten, vrouw," zei hij, "dat dit een monnikenklooster is en

dat geen vrouw in 't land binnen deze muren komen mag. Als je nu niet

weggaat, worden de monniken boos op mij, omdat ik vergeten heb de deur

te sluiten en ze jagen me misschien uit het klooster en uit den tuin

weg."

Maar zulke woorden hadden geen vat op de rooversvrouw. Ze ging door naar

't rozenbed en keek naar de hysop, die met licht violette bloemen

bloeide, en naar de kamperfoelie, die vol geelroode bloemtrossen stond.

Toen wist de leekebroeder niet beter te doen dan naar 't klooster te

loopen om hulp te halen.

Hij kwam terug met twee stevige monniken, en de vrouw van den roover zag

nu, dat het ernst werd. Ze ging met de voeten ver van elkaar in 't pad

staan en begon met schelle stem uit te schreeuwen hoe vreeselijk zij

zich op het klooster wreken zou, als ze niet in den tuin blijven mocht,

zoolang ze wilde. Maar de monniken meenden, dat ze niet bang voor haar

hoefden te wezen en dachten er alleen aan hoe ze haar weg zouden

krijgen. Toen hief de rooversvrouw een schel geschreeuw aan, en ze

wierp zich op hen en sloeg en beet; en dat deden de kinderen ook.

De drie mannen merkten gauw, dat ze haar niet aankonden. Ze konden niet

anders doen dan naar het klooster gaan en versterking halen.

Toen ze door de gang stormden, die naar het klooster leidde, ontmoetten

zij den abt Hans, die toe kwam loopen om te hooren, wat er toch voor een

geraas in den tuin was. Toen moesten zij bekennen, dat de rooversvrouw

van het Göingebosch in het klooster gekomen was en dat ze haar niet weg

konden krijgen, maar hulp moesten gaan halen.

Maar de abt verweet hun, dat ze geweld gebruikt hadden en verbood hun

hulp te halen. Hij zond de beide monniken terug naar hun werk, en schoon

hij een oud, gebrekkig man was, nam hij alleen den leekebroeder meê naar

den tuin.

Toen de abt daar kwam, liep de rooversvrouw als te voren rond tusschen

de bloembedden. En hij was een en al verbazing over haar: hij wist

zeker, dat de rooversvrouw nooit in haar leven een tuin had gezien. Maar

ze liep heen en weer tusschen al die bedden, die elk met hun eigen soort

vreemde en zeldzame bloemen beplant waren en bekeek ze, alsof ze oude

kennissen waren. 't Was alsof ze hulst en salie en rozemarijn al meer

gezien had. Soms glimlachte zij en soms schudde zij het hoofd.

De abt had zijn tuin meer lief dan alle andere aardsche en vergankelijke

dingen. Hoe woest en vreeselijk de rooversvrouw er ook uitzag, hij kon

niet anders dan waardeeren, dat ze met drie monniken gevochten had, om

dien rustig te kunnen bekijken. Hij ging naar haar toe en vroeg haar

zachtmoedig of zij den tuin mooi vond.

De rooversvrouw wendde zich heftig naar hem om, want ze verwachtte niet

anders dan een hinderlaag of een aanval; maar toen zij zijn witte haren

en gebogen rug zag, antwoordde ze heel rustig:

"Eerst toen ik hem zag, dacht ik, dat ik nooit een mooier tuin gezien

had, maar nu weet ik, dat hij niet kan opwegen tegen een anderen, dien

ik ken."

De abt had stellig een ander antwoord verwacht. Toen hij hoorde, dat de

rooversvrouw een lusthof kende, die mooier was dan de zijne, verspreidde

een zwakke blos zich over zijn verschrompelde wangen.

De tuinjongen, die er bij stond, begon ook dadelijk de rooversvrouw te

berispen.

"Dit is de abt Hans," zeide hij, "die zelf met groote vlijt en moeite

de bloemen voor zijn tuin van verre en nabij bijeengebracht heeft. Wij

weten allemaal, dat er geen rijker lusthof is in 't heele land van

Skaane, en het past jou niet, jij, die 't heele jaar door in 't woeste

bosch leeft, om over zijn werk te oordeelen."

"Ik wil zijn of jouw werk niet beoordeelen," antwoordde de rooversvrouw,

"ik zeg alleen maar, dat als jelui den lusthof zien kondt, waar ik aan

denk, dan zou jelui elke bloem, die hier staat, uitrukken en als onkruid

weggooien."

Maar de tuinjongen was vooral niet minder trotsch op de bloemen, dan de

abt zelf, en toen hij die woorden hoorde, begon hij hoonend te lachen.

"Ik begrijp wel, vrouw," zei hij, "dat je zoo mooi praat om ons te

plagen. Dat zal wel een mooie lusthof zijn, dien je hebt aangelegd,

tusschen dennen en jeneverbesstruiken in 't Göingebosch. Ik zou er mijn

ziel wel om durven verwedden, dat je vroeger nooit binnen de muren van

een tuin geweest ben."

De rooversvrouw werd rood van ergernis, omdat ze zoo gewantrouwd werd,

en ze riep uit: "Dat kan wel zijn, dat ik nooit te voren binnen een

tuinmuur geweest ben, maar jelui monniken, die heilige menschen zijt,

moest toch weten, dat het groote Göingebosch zich iederen Kerstnacht

in een lusthof verandert om het geboorteuur van onzen lieven Heer te

vieren. Wij, die in 't bosch leven, hebben dat nu ieder jaar bijgewoond,

en in dien lusthof heb ik zulke heerlijke bloemen gezien, dat ik 't niet

gewaagd heb mijn hand op te heffen om ze te plukken."

Nu lachte de leekebroeder nog harder: "Je kunt hier nu wel staan pochen

op iets wat geen mensch ooit zien kan. Maar ik geloof, dat 't niet

anders dan leugens zijn, dat 't bosch het geboorteuur van Christus

vieren zou op een plaats, waar zulke goddelooze menschen wonen als jij

en je man."

"En toch is dat even waar," zei de rooversvrouw, "als dat jij niet in

den Kerstnacht naar 't bosch durft te komen om het te zien."

De leekebroeder wilde haar weer antwoorden, maar de abt gaf hem een wenk

te zwijgen. Want abt Hans had er al in zijn jeugd over hooren praten,

dat het bosch zich in feestgewaad tooit in den Kerstnacht. Hij had er

vaak naar verlangd het te zien, maar dat was hem nooit gelukt. Hij

begon nu levendig en dringend aan de rooversvrouw te vragen, of hij met

Kerstnacht naar het roovershol zou mogen komen. Als zij maar een van

haar kinderen zou willen sturen om hem den weg te wijzen, dan zou hij

daar alleen heenrijden en hij zou hen nooit verraden, maar integendeel

hen beloonen zooveel maar in zijn macht was.

Eerst weigerde de rooversvrouw, want zij dacht aan haar man en het

gevaar, dat hij liep, als zij Hans naar zijn hol reizen liet. Maar toen

werd toch het verlangen hem te toonen, dat de lusthof, dien zij kende,

schooner was dan de zijne, haar te machtig, zoodat ze toegaf.

"Maar meer dan één metgezel mag u niet meebrengen," zei ze. "En u mag

ons geen hinderlaag leggen of ons overvallen, zoo waarachtig als u een

heilig man is."

Dat beloofde de abt, en toen ging de rooversvrouw heen. Maar de abt

gebood den leekebroeder, dat hij aan niemand zou verraden, wat ze

overeengekomen waren. Hij vreesde, dat zijn monniken niet zouden

toestaan, dat een oud man als hij naar het roovershol zou gaan, als

zij iets van zijn plan ontdekten.

Zelf was hij ook niet voornemens zijn plan met iemand te bespreken.

Maar toen gebeurde het, dat de aartsbisschop Absalom van Lund op zijn

reis in die buurt kwam en een nacht te Oved overbleef.

Toen de abt Hans hem zijn huis liet zien, dacht hij weer aan het bezoek

van de rooversvrouw, en de leekebroeder, die daar aan 't werk was,

hoorde hoe de abt aan den aartsbisschop van den roover vertelde, die

veel jaren daar vogelvrij in 't bosch geleefd had en om een vrijbrief

voor hem vroeg, zoodat hij weer een eerlijk leven onder de menschen

kon leiden.

"Zooals het nu gaat," zei de abt, "groeien zijn kinderen tot erger

misdadigers op dan hij zelf is, en u zult gauw met een heele

rooversfamilie daar in 't bosch te doen krijgen."

Maar de aartsbisschop Absalom antwoordde, dat hij dien boozen roover

niet wilde loslaten onder de eerlijke menschen op de vlakte. 't Was voor

allen het beste, dat hij maar in zijn bosch bleef.

De abt kwam toen in vuur en begon aan den aartsbisschop te vertellen,

dat het Göingebosch elk jaar zich in Kerstgewaad tooide om het

roovershol heen.

"Als deze roovers niet erger zijn, dan dat Gods heerlijkheid zich voor

hen wil vertoonen," zeide hij, "dan kunnen ze toch niet te slecht zijn

om bij de menschen genade te vinden."

Maar de aartsbisschop had wel een antwoord klaar voor den abt. "Zooveel

wil ik wel beloven, abt Hans," zei hij en glimlachte, "dat ik, op den

dag, dat u mij een bloem zendt uit dien Kersttuin in 't Göingebosch, u

een vrijbrief geef voor alle vogelvrijen, waarvoor u me dat vragen

wilt."

De leekebroeder begreep wel, dat bisschop Absalom evenmin als hij het

verhaal van de rooversvrouw geloofde; maar de abt merkte er niets van.

Hij dankte Absalom voor zijn goede belofte en zei, dat hij hem die bloem

zeker zou zenden.

* * * * *

De abt zag zijn wensch vervuld en den volgenden Kerstavond zat hij niet

thuis op Oved, maar hij was op weg naar het Göingebosch. Een van de

woeste kinderen van den roover sprong voor hem uit en als metgezel had

hij den jongen, die met de rooversvrouw in den tuin gesproken had.

De abt had den heelen herfst door zeer naar deze reis verlangd en was nu

heel blij, dat het er toe gekomen was. Maar met den leekebroeder was het

heel anders gesteld. Hij hield bizonder veel van den abt en hij zou niet

graag aan een ander hebben overgelaten met hem meê te gaan en hem te

beschermen; maar hij geloofde volstrekt niet, dat zij een Kersttuin te

zien zouden krijgen. Hij dacht niet anders, dan dat dit alles een strik

was, dien de rooversvrouw met groote sluwheid gespannen had voor den

abt, opdat hij in de handen van haar man vallen zou.

Terwijl de abt naar 't noorden door de woudstreek reed, zag hij, dat

er overal toebereidselen voor het Kerstfeest gemaakt werden. In ieder

boerenplaatsje werd er vuur in de badkamer aangemaakt, opdat die warm

zou zijn voor het baden tegen den middag. Uit de voorraadschuur werden

massa's vleesch en brood naar de kamers gedragen en van den dorschvloer

kwamen de knechts met groote bossen stroo, die over den vloer gestrooid

moesten worden.

Toen hij voorbij de dorpskerkjes reed, zag hij hoe de predikant en de

koster bezig waren die te versieren met de mooiste altaarkleeden, die

zij maar konden krijgen; en toen hij op den zijweg kwam, die naar het

klooster van Bosjö leidde, zag hij, dat de armen van het klooster met

stapels groote brooden en lange kaarsen aankwamen, die zij aan de

kloosterpoort gekregen hadden.

Toen de abt al die toebereidselen voor het feest zag, kreeg hij nog meer

haast. Hij dacht eraan, dat hem een nog grootere hoogtij wachtte, dan

een van de anderen zou mogen vieren.

Maar de jongen jammerde en klaagde, toen hij zag hoe men zich ook op de

kleinste hoeve voorbereidde voor het feest. Hij werd steeds angstiger en

smeekte en bezwoer den abt terug te keeren en zich niet vrijwillig aan

de handen van den roover over te geven.

Maar de abt zette den tocht voort, zonder zich aan zijn gejammer te

storen. Hij liet al spoedig de bebouwde vlakte achter zich en kwam in

de eenzame, woeste woudstreken. Hier werd de weg slechter. Die werd

steenachtig en met dennennaalden bezaaid en brug noch vonder hielp hen

over stroomen of beken. Hoe verder ze kwamen, hoe kouder het werd, en

diep in het bosch kwamen ze aan een veld, met sneeuw bedekt.

't Was een lange en moeilijke reis door het bosch. Ze sloegen steile

en glibberige zijpaden in en trokken voort over moerassen en drassige

velden, drongen door hoopen afgewaaid hout en kreupelbosch heen. Juist

toen het donker begon te worden, leidde het rooverknaapje hen over

een wei met hooge boomen omgeven, waaronder kale loofboomen en groene

naaldboomen waren. Achter dat veld verhief zich een bergwand, en daarin

zagen zij een deur van dikke planken.

Nu begreep de abt Hans, dat zij aan 't eind van hun tocht gekomen waren

en steeg van zijn paard.

't Kind deed de zware deur voor hem open en hij keek in een schamele

berggrot, met kale steenen wanden. De rooversvrouw zat bij een houtvuur,

dat midden op den vloer brandde. Tegen den wand waren bedden van

dennetakjes en mos gespreid en op een daarvan lag de roover te slapen.

"Kom binnen, jelui daarbuiten," riep de rooversvrouw, zonder op te

staan, "en neem de paarden meê in de kamer, zoodat ze niet doodgaan van

de nachtkou."

De abt ging moedig de grot binnen, en de leekebroeder volgde hem. 't

Was er armoedig en er was niets gedaan om 't Kerstfeest te vieren. De

rooversvrouw had gebakken noch gebrouwen, ze had geveegd noch geschuurd.

Haar kinderen lagen op den grond om een ketel, waar ze uit aten, en er

was niets in dan een waterachtige soep.

Maar de rooversvrouw was even trotsch en waardig als een gezeten

boerenvrouw. "Ga nu hier zitten, abt Hans, en warm u," zei ze. "En als

u eten bij u hebt, eet dan wat. Want het eten, dat we hier in 't bosch

klaarmaken, denk ik niet, dat u smaken zal. En als u moe is na de reis,

moet u later op een van die bedden daar gaan slapen. U hoeft niet bang

te zijn, dat u zich verslapen zult, want ik blijf hier bij 't vuur

zitten waken, en ik zal u roepen, zoodat u alles zien zult, waarvoor u

gekomen is."

De abt gehoorzaamde de rooversvrouw en nam zijn knapzak. Maar hij was

zoo moe na de reis, dat hij nauwelijks kon eten en zoodra hij zich op

het bed had uitgestrekt, sliep hij in. Den leekebroeder werd ook een bed

aangewezen om op te rusten, maar hij durfde niet slapen. Hij meende, dat

hij den roover in het oog moest houden, zoodat hij niet opstond en den

abt gevangennam. Maar langzamerhand overmande zelfs hem de vermoeidheid,

zoodat hij insliep.

Toen hij wakker werd zag hij, dat de abt van het bed was opgestaan en

nu bij het vuur met de rooversvrouw zat te praten. De roover zat bij

hen.--'t Was een lange magere man--hij zag er moe en zwaarmoedig uit.

Hij zat met den rug naar den abt gekeerd en het was alsof hij niet weten

wilde, dat hij naar het gesprek luisterde.

De abt vertelde aan de rooversvrouw van alle toebereidselen voor het

Kerstfeest, die hij onderweg gezien had en herinnerde haar aan 't

Kerstmaal en de vroolijke Kerstspelen, waar ze zeker in haar jeugd aan

had meêgedaan, toen ze in vrede onder de menschen leefde.

"'t Is jammer voor uw kinderen, dat ze nooit meê mogen doen, als de

anderen verkleed op straat spelen en in 't Kerststroo rollen," zei de

abt.

De rooversvrouw had eerst kort en stug geantwoord; maar langzamerhand

sprak ze zachter en luisterde met meer aandacht.

Opeens keerde de roover zich naar den abt, en hield hem de gebalde vuist

voor het gezicht.

"Jou ellendige monnik! ben jij hier gekomen om mijn vrouw en kinderen

van mij weg te lokken? Weet je niet, dat ik vogelvrij ben en het bosch

niet uit mag komen?"

De abt zag hem rustig vlak in de oogen. "Mijn plan is u een vrijbrief te

bezorgen van den aartsbisschop," zei hij.

Nauwelijks had hij dat gezegd, of de roover en zijn vrouw begonnen luid

te lachen. Zij wisten wel wat voor genade een boschroover te wachten had

van bisschop Absalom!--"Ja, als ik een vrijbrief van Absalom krijg," zei

de roover, "dan beloof ik je, dat ik nooit weer stelen zal,--zelfs geen

gans."

De tuinjongen was verontwaardigd, dat de roovers durfden te lachen om

den abt; maar deze zelf scheen heel vergenoegd.

De jongen had hem bijna niet zoo vriendelijk en tevreden gezien bij de

monniken te Oved, als hij nu bij de woeste roovers was.

Maar opeens stond de rooversmoeder op.--"U zit hier zoo te praten, abt

Hans," zei ze, "dat we vergeten op het bosch te letten. Nu hoor ik zelfs

hier in de grot hoe de Kerstklokken luiden."

Nauwelijks had ze dat gezegd of allen sprongen op en vlogen naar buiten.

Maar in 't bosch vonden ze nog duistren nacht en kouden winter. Het

eenige wat ze hoorden was een ver-verwijderd klokgelui, dat werd

aangedragen door een zachten zuidenwind.

"Hoe zal nu dat klokgelui dat doode bosch kunnen wekken?" dacht de abt.

Want nu hij midden in de duisternis van den winter stond, geloofde hij,

nog vaster dan vroeger, dat het onmogelijk was, dat hier een lusthof zou

opbloeien.

Maar toen de klokken een poosje geluid hadden, ging er plotseling een

lichtschijn door het bosch. Onmiddellijk daarna werd het weer even

duister,--maar toen kwam het licht terug. 't Worstelde zich voort als

een lichtende nevel tusschen de donkere boomen. En zooveel werkte het

uit, dat de duisternis een zwak morgengloren werd.

Toen zag de abt, dat de sneeuw van het veld verdween, alsof iemand een

mat wegtrok en dat de grond groen begon te worden;--massa's slangen

kwamen te voorschijn, in elkaar gerold, als groote krakelingen. De

erica, die op de steenhoopen groeide en de wilde rozemarijn, die in

't mos wortelde, kleedden zich snel met nieuw groen. De mosheuveltjes

zwollen op en werden hooger, en lentebloemen schoten op met zwellende

knoppen, die al een zweempje kleur hadden.

't Hart van den abt sloeg hevig toen hij de eerste teekenen van 't

ontwaken van 't bosch zag. "Zal ik, oude man, zulk een wonder mogen

zien?" dacht hij en zijn oogen schoten vol tranen.

Toen werd het weer zoo donker, dat hij vreesde, dat de nachtelijke

duisternis opnieuw de overmacht zou krijgen.

Maar dadelijk kwam weer een golf van licht doorbreken. Die bracht een

bruisen van beken en ontdooide watervallen mee. Toen ontloken de bladen

aan de loofboomen zoo snel, alsof 't groene vlinders waren, die waren

komen aanvliegen en zich op de takken hadden neergezet. En niet alleen

de boomen en planten werden wakker. De kruissnavel begon in de takken

heen en weer te huppelen; de specht hamerde op de stammen, dat de

splinters er af vlogen. Een vlucht spreeuwen, die 't land in moesten,

streken op den top van een denneboom neer om te rusten. 't Waren

prachtige spreeuwen, 't puntje van elke veer was helder rood, en als

de vogels zich bewogen, schitterden ze als edelsteenen.

Alles bleef een poos stil, maar toen begon het opnieuw. Een sterke,

warme zuidenwind kwam aan en zaaide over het veld in het bosch al die

arme zaden uit het zuiden, die door vogels en schepen en stormen aan

land gebracht waren, en doordat de grond zoo hard was, er nergens zouden

kunnen bloeien; en ze schoten wortel en maakten, zoodra ze den grond

raakten, takken en loten.

Toen de volgende lichtgolf aankwam, bloeiden blauwbes en erica. Grauwe

ganzen en kraanvogels riepen hoog in de lucht, de bergvinken bouwden hun

nest, en de jonge eekhorens begonnen in de boomtakken te spelen.

Alles begon nu zoo gauw te gaan, dat de abt geen tijd had er over te

denken wat een wonder er gebeurde. Hij had enkel tijd om zijn ooren

en oogen te gebruiken. De volgende lichtgolf, die aankwam, bracht

den geur van pas-geploegde akkers meê. Heel in de verte hoorde men de

veehoedsters de koeien lokken en 't gebengel van de schapenklokjes. Den

en spar werden zoo dicht met roodgoude appels bezaaid, dat de boomen

glansden als zijde. De jeneverstruik kreeg bessen, die elk oogenblik

van kleur veranderden. En woudbloemen bedekten het veld, zoodat het

heelemaal wit en blauw en goud werd.

De abt bukte en plukte een aardbeibloesem, en terwijl hij zich weer

oprichtte rijpte de aardbei. De vossenmoeder kwam uit haar schuilplaats

met een heelen stoet zwartpootige jongen, ging naar de rooversvrouw,

krabde aan haar kleed en de rooversvrouw boog zich neer en prees haar

jongen. De nachtuil, die juist aan zijn nachtjacht begonnen was, keerde

naar huis terug, verbaasd over het licht, zocht zijn spleet weer op en

ging zitten slapen. De koekoek riep en zijn wijfje sloop om de nesten

van de kleine vogels heen met haar ei in den bek.

De kinderen van de rooversvrouw jubelden luid van vreugd. Zij

verzadigden zich aan de boschbessen, die aan struiken hingen, zoo groot

als dennenappels. Een van hen speelde met een troep jonge haasjes, een

ander liep om het hardst met jonge kraaien, die uit het nest gesprongen

waren, eer ze volwassen waren, de derde nam een adder op van 't veld en

slingerde die om hals en armen. De roover stond op het mos en at bramen.

Toen hij opkeek stond er een groot zwart dier naast hem. De roover brak

een wilgetakje af, en tikte er den beer mee op den neus. "Houd jij je

aan jouw kant," zei hij, "dit is mijn struikje." Toen ging de beer

achteruit en liep een anderen kant uit.

Voortdurend kwamen er nieuwe golven warmte en licht aan, en nu brachten

zij eendengesnater uit den woudplas mee. Geel stuifmeel van 't roggeveld

stoof door de lucht. Vlinders kwamen aan, zoo groot, alsof ze vliegende

lelies waren. 't Bijennest in een hollen eik was al zoo vol van honig,

dat die langs den stam neerdroop. Nu gingen ook de bloemen open, waarvan

het zaad uit vreemde landen gekomen was. Rozestruiken klommen langs den

bergwand op naast de bramen. En uit het veld schoten bloemen op, zoo

groot als menschengezichten. De abt dacht aan de bloem, die hij voor

bisschop Absalom moest plukken, maar de een groeide nog heerlijker op

dan de ander en hij wilde de allerschoonste voor hem kiezen.

De eene lichtgolf na de ander kwam aan, en nu was de lucht zóó vol

licht, dat ze schitterde. En al de lust en de glans en de vreugde van

den zomer lachte den abt toe. Hij meende, dat de aarde geen grooter

vreugde geven kon dan die hem 't hart deed zwellen over het snelle

aankomen van dit schoone jaargetij. En hij zei in zich zelf: "Nu weet ik

niet wat de volgende lichtgolf nog meer aan heerlijkheid brengen kan."

Maar het licht bleef toestroomen en nu scheen het den abt toe, dat het

iets uit een oneindige verte meebracht. Hij voelde, dat bovenaardsche

lucht hem omgaf en hij begon, bevend van aandoening, te verwachten, dat

nu eerst de aardsche vreugde gekomen was, de vreugde des hemels in

aantocht was.

De abt merkte op, dat alles stil werd: de vogels zwegen, de jonge vossen

speelden niet meer, en de bloemen hielden met groeien op.

De zaligheid, die naderde, was zoo groot, dat het hart wilde stilstaan,

de oogen schreiden, zonder dat men het wist,--de ziel verlangde weg te

mogen vliegen, de eeuwigheid in. Heel, héél van verre klonken harptonen,

en bovenaardsch gezang naderde als een suizend fluistren.

De abt vouwde de handen en zonk op de knieën. Zijn gelaat straalde van

zaligheid. Nooit had hij gedacht, dat het hem zou vergund worden reeds

in dit leven, de vreugde des hemels te genieten en de engelen

Kerstliederen te hooren zingen.

Maar achter den abt stond de tuinjongen, die met hem meê gekomen was.

Hij zag het rooverbosch vol groen en bloemen en hij werd inwendig boos,

omdat hij zag, dat hij nooit zoo'n lusthof zou kunnen maken, al werkte

hij nog zoo hard met schoffel en spa. En hij kon niet begrijpen, dat God

zulke visioenen aan dat rooversvolk verspilde, die zijn gebod niet in

eere hielden.

Duistere gedachten woelden in zijn hoofd. "Dat kan geen echt wonder

zijn," dacht hij, "dat zich hier voor die misdadigers vertoont. Dat

kan niet van God komen, maar moet uit tooverij ontstaan. Dit is hier

gezonden door de list des duivels. 't Is de macht van den Booze, die ons

behekst en ons dwingt te zien wat niet bestaat."

In de verte klonken de engelen-liederen, maar de leekebroeder meende,

dat het de booze duivelsmachten waren, die naderden. "Ze willen ons

verlokken en verleiden," zuchtte hij. "Nooit komen we heelhuids hier van

daan. We worden betooverd en aan den Booze verkocht."

Nu waren de engelenscharen zoo nabij, dat de abt hun lichte gestalten

zag schemeren tusschen de stammen in 't woud. En de leekebroeder zag

hetzelfde als hij; maar hij dacht er alleen aan hoe afschuwelijk het

toch was, dat de booze geesten zich met die kunsten bezighielden in den

nacht, dat de Verlosser geboren was. Dat was immers alleen om des te

beter de christenen te kunnen bedriegen.

Al dien tijd hadden vogels om 't hoofd van den abt gevlogen en hij

had ze in de hand kunnen nemen. Maar de dieren waren bang voor den

leekebroeder: geen vogel had zich op zijn schouder gezet en geen slang

speelde aan zijn voeten. Maar nu was er een boschduifje, dat merkte, dat

de engelen nabij waren; ze vatte moed, vloog op den schouder van den

leekebroeder en vlijde haar kopje tegen zijn wang. Toen meende hij, dat

het toovergedoe hem zoo nabij kwam om hem te verzoeken en te verleiden.

Hij sloeg met de hand naar het duifje en riep zóó hard, dat het door 't

bosch weerklonk: "Ga jij terug naar de hel, waar je vandaan gekomen

bent!"

Juist toen waren de engelen zoo nabij, dat de abt hun groote vleugels

hoorde ruischen, en hij had zich ter aarde gebogen om hen te begroeten.

Maar toen de woorden van den leekebroeder weerklonken, werd hun gezang

plotseling afgebroken en de hooge gasten keerden zich om en vluchtten.

En evenzoo vluchtten het licht en de zachte warmte in onuitsprekelijken

schrik voor de koude en de duisternis in een menschenhart. 't Duister

zonk als een dekkleed over de aarde, de koude kwam terug, de planten

op het veld krompen ineen, de dieren snelden weg, 't geruisch der

watervallen verstomde, 't loof viel van de boomen, ritselend als regen.

De abt voelde hoe zijn hart, dat zooeven nog van zaligheid overvloeide,

zich nu krampachtig samentrok in onlijdelijke smart. "Nooit zal ik dit

kunnen overleven," dacht hij, "dat de engelen mij zóó nabij waren en

verdreven werden, dat zij Kerstliederen voor mij wilden zingen en op de

vlucht werden gejaagd."

Opeens dacht hij aan de bloem, die hij bisschop Absalom beloofd had, en

hij boog zich naar den grond en tastte tusschen 't mos en 't loof om nog

iets te vinden op 't laatste oogenblik. Maar hij voelde hoe de aarde

bevroor onder zijn vingers en hij zag hoe de witte sneeuw kwam

aanglijden over het veld.

Toen deed zijn hart nog meer pijn. Hij kon zich niet oprichten, maar

bleef op het veld liggen.

Maar toen de rooversfamilie en de leekebroeder al tastend in de diepe

duisternis naar de grot teruggekomen waren, misten zij abt Hans. Zij

namen brandend hout uit het vuur en gingen hem zoeken. En zij vonden hem

dood in de sneeuw liggen.

En de leekebroeder begon te jammeren en te schreien, want hij begreep,

dat hìj den abt gedood had, doordat hij hem den beker der vreugde van de

lippen gerukt had, waarnaar hij zoozeer had gedorst.

* * * * *

Maar toen de abt naar Oved gebracht was, zagen zij, die zorg droegen

voor den doode, dat hij de rechterhand stijf gesloten hield om iets,

dat hij in zijn stervensuur moest gegrepen hebben. Toen zij de hand

eindelijk open kregen zagen zij, dat wat hij met zulk een kracht had

vastgegrepen, een paar witte bolletjes waren, die hij uit het mos en 't

loof gerukt had. En toen de leekebroeder, die den abt vergezeld had, de

bolletjes zag, nam hij ze en zette ze in den grond, in den tuin van abt

Hans.

Hij verzorgde ze en wachtte 't heele jaar of er ook bloemen uit zouden

opkomen, maar hij wachtte te vergeefs lente, zomer en herfst. Toen

eindelijk de winter gekomen was en alle bladen en bloemen dood waren,

wachtte hij niet langer.

Maar toen de Kerstavond kwam, herinnerde alles zóó sterk aan abt Hans,

dat hij naar den tuin ging om daar aan hem te denken. En zie, toen hij

nu voorbij de plaats kwam, waar hij de kale bolletjes in den grond

gelegd had, zag hij, dat daar welige groene stengels uit waren

opgekomen, die fraaie bloemen met zilverwitte bladeren droegen.

Hij riep alle monniken van Oved bijeen, en toen zij zagen, dat dit

plantje op Kerstavond bloeide, als alle andere bloemen dood zijn,

begrepen zij, dat het werkelijk door abt Hans uit den Kerstlusthof in

het Göingebosch was gehaald. Maar de leekebroeder zei tot de monniken,

dat nu er zulk een groot wonder was gebeurd, ze een paar van de bloemen

aan bisschop Absalom moesten zenden.

Toen de leekebroeder voor bisschop Absalom verscheen, reikte hij hem de

bloemen toe en zeide: "Dit zendt abt Hans u. Dit zijn de bloemen, die

hij beloofde voor u te plukken in den Kerstlusthof in het Göingebosch."

Toen bisschop Absalom de bloemen zag, die in den winter uit de aarde

waren opgekomen, en die woorden hoorde, werd hij zoo bleek, alsof hij

een doode ontmoet had. Hij bleef een poos zwijgend zitten en toen sprak

hij: "Abt Hans heeft trouw zijn woord gehouden. Nu zal ik ook het mijne

houden."

En hij liet een vrijbrief schrijven voor den wilden roover, die van zijn

jeugd af vogelvrij door het bosch gezworven had. Hij gaf den brief aan

den leekebroeder en deze trok naar 't bosch en vond zijn weg naar het

roovershol. Toen hij daar op Kerstdag binnenkwam, ging de roover hem met

opgeheven bijl te gemoet: "Ik zal jelui monniken neêrhouwen, zoo veel ik

er maar krijgen kan," zei hij. "Zeker is het om jelui, dat het

Göingebosch zich vannacht niet met Kerstpracht heeft bekleed."

"Dat is alleen mijn schuld," antwoordde de leekebroeder, "en ik wil

graag sterven, maar eerst moet ik u een boodschap van abt Hans brengen."

En hij haalde den brief van den bisschop te voorschijn en sprak er met

hem over, dat hij vrij was en toonde hem het zegel van Absalom, dat aan

het perkament hing.

"Van nu af aan zult gij en uw kinderen in het Kerststroo spelen en

Kerstfeest vieren onder de menschen, zooals abt Hans dat wenschte,"

zeide hij.

Toen bleef de roover bleek en stom staan. Maar de rooversvrouw zeide uit

zijn naam: "Abt Hans heeft trouw zijn woord gehouden, nu zal mijn man

ook zijn woord houden."

Maar toen de roover en zijn vrouw het roovershol verlieten, trok de

leekebroeder daarin en woonde daar verder alleen in het bosch. En hij

bad dagelijks, dat zijn hardheid hem vergeven mocht worden. En niemand

mag een hard woord zeggen van een mensch, die berouw had en zich

bekeerde, maar wel mag men wenschen, dat die booze woorden niet

gesproken waren; want het Göingebosch heeft nooit meer het geboorteuur

van den Verlosser gevierd, en van al die heerlijkheid bleef enkel het

plantje over, dat abt Hans geplukt heeft. Dat werd "Kerstroos" genoemd

en elk jaar zendt het zijn witte bloemen en groene stengels op uit de

aarde tegen Kersttijd, alsof het nooit vergeten kan, dat het eens

gegroeid is in den grooten Kerst-lusthof.

IN DE GERECHTSZAAL.

We zijn in de gerechtszaal van een klein stadje. Aan de groene tafel

achter in de kamer zit een oude rechter, een lang en krachtig gebouwd

man met een breed en grof gezicht. Verscheidene uren reeds is hij bezig

geweest met de eene zaak na de andere, en eindelijk is het, alsof een

sombere tegenzin in zijn werk over hem gekomen is. Het is moeilijk uit

te maken, of het de hitte en de benauwdheid in de zaal is, die hem

kwellen, of dat hij ontstemd is door al die kleingeestige twisten, die

alleen schijnen ontstaan te zijn om er van te getuigen, hoe twistziek en

onbarmhartig en geldzuchtig de menschen zijn.

Hij is nu juist begonnen met een van de laatste zaken, die vandaag

behandeld moeten worden. Het betreft een eisch van bijdrage voor het

onderhoud van een onecht kind.

Deze zaak is al behandeld in de vorige zitting en de notulen daarvan

worden voorgelezen. Daaruit verneemt men ten eerste, dat de eischeresse

een arm dienstmeisje, en de beklaagde een getrouwd man is.

Verder blijkt het uit de notulen, dat de beklaagde verklaard heeft,

dat de eischeresse ten onrechte en alleen uit geldzucht hem heeft

aangewezen als de vader van haar kind. Hij erkent, dat de eischeresse

eenigen tijd op zijn hoeve heeft gediend, maar hij heeft in dien tijd

geen liefdesbetrekking met haar aangeknoopt, en zij heeft geen recht,

hulp van hem te verlangen. De eischeresse heeft toch haar verklaring

volgehouden, en nadat eenige getuigen gehoord zijn, is het den beklaagde

opgelegd, zich te zuiveren door een eed, wanneer hij niet veroordeeld

wil worden, de eischeresse ondersteuning te geven.

Beide partijen zijn verschenen en staan naast elkaar voor de groene

tafel. De eischeresse is heel jong en ziet er verschrikt en ontdaan uit.

Zij schreit van verlegenheid, en veegt met moeite haar tranen af met een

opgerolden zakdoek, dien zij niet schijnt te kunnen losvouwen. Zij heeft

zwarte kleeren aan, die er tamelijk nieuw en frisch uitzien, maar ze

zitten zoo slecht, dat men er toe komt te vermoeden, dat zij ze geleend

heeft om fatsoenlijk voor den rechter te kunnen verschijnen.

Wat den beklaagde betreft, men ziet dadelijk aan hem, dat hij een man

in goeden doen is. Hij is zoowat veertig jaar oud en ziet er flink en

vrijmoedig uit. Zooals hij daar voor den rechter staat, houdt hij zich

heel goed, hij schijnt het nu juist geen bizonder genoegen te vinden,

daar te staan, maar hij ziet er ook niet uit, of het hem ook maar in het

minst bezwaart.

Zoodra de notulen gelezen zijn, wendt zich de rechter tot den beklaagde,

en vraagt hem, of hij bij zijn ontkenning blijft en bereid is, den eed

af te leggen.

Op die vragen antwoordt de beklaagde met een vrijmoedig "ja". Hij begint

te zoeken in zijn vestjeszakje en haalt een bewijs van den predikant

voor den dag, dat hij de beteekenis en het gewicht van den eed kent, en

niets hem verhindert om dien af te leggen.

Onder dit alles schreit de eischeresse voortdurend. Zij schijnt

onoverkomelijk verlegen, en houdt voortdurend de oogen naar den grond

gericht. Ze heeft ze nog niet zoover opgeslagen, dat zij den beklaagde

in het aangezicht heeft kunnen zien.

Nu hij "ja" zegt, gaat haar een schok door de leden. Zij doet een paar

stappen naar de tafel, alsof ze iets zeggen wilde, maar blijft dan weer

staan. Het is toch niet mogelijk, schijnt ze in zichzelf te zeggen, hij

kan niet: "ja" gezegd hebben, ik moet het verkeerd gehoord hebben.

Intusschen heeft de rechter het stuk aangenomen, en geeft een van de

gerechtsdienaren een wenk. Deze gaat naar de tafel om den Bijbel te

krijgen, en dien voor den beklaagde neer te leggen.

De eischeresse hoort, dat iemand haar voorbijgaat en wordt onrustig.

Zij dwingt zichzelf, zoover op te zien, dat ze over de tafel kan kijken,

en nu ontdekt ze, dat de gerechtsdienaar den Bijbel verschuift.

Weer schijnt het alsof ze iets zeggen wil, maar ze bedwingt zich

opnieuw. Het is immers niet mogelijk, dat hij den eed afleggen mag; de

rechter moet het hem immers beletten.

De rechter is zoo'n verstandig man en hij wist wel, wat de menschen

denken en vinden in die streken. Hij weet wel, hoe streng alle menschen

waren, zoodra er iets voorkwam, wat op het huwelijk betrekking had; ze

wisten geen erger zonde, dan die zij begaan had. Zou zij nu ooit zoo

iets van zichzelf bekend hebben, als het niet waar geweest was, de

rechter wist toch wel wat een vreeselijke verachting ze daardoor over

zich had gebracht. En niet alleen verachting, maar alle mogelijke

ellende. Niemand wil haar in dienst nemen, niemand wil haar in het werk

hebben. Haar eigen ouders dulden haar nauwelijks in hun hut, en spreken

er elken dag over haar de deur uit te zetten. Neen, de rechter kon wel

begrijpen, dat zij geen ondersteuning van een getrouwd man zou begeerd

hebben, als zij daar geen recht toe had.

De rechter kon toch niet denken, dat ze in zulk een zaak liegen zou, dat

ze zulk een vreeselijk ongeluk over zichzelf zou brengen, als ze iemand

anders had gehad om aan te klagen, dan een getrouwd man.

Zij ziet hoe de rechter daar zit, en de verklaring van den predikant

een paar keer overleest. Daarom begint ze te gelooven, dat hij van plan

is in te grijpen.

Het is ook waar, dat de rechter er bedenkelijk uitziet. Hij kijkt een

paar maal naar de eischeresse, maar daardoor wordt de uitdrukking van

ontstemdheid en tegenzin, die op zijn gezicht ligt, nog meer merkbaar.

Het schijnt alsof hij onvriendelijk tegen haar gestemd is. Zelfs al

spreekt de eischeresse de waarheid, is ze toch een slecht mensch en de

rechter kan geen belangstelling voor haar voelen.

Het gebeurt soms, dat de rechter in een rechtszaak ingrijpt als een goed

en verstandig raadgever, en beide partijen helpt, door hun te beletten

zich zelf geheel te gronde te richten. Maar dezen keer is hij moe en

ontstemd, en hij denkt aan niets anders, dan dat het recht zijn loop

moet hebben.

Hij legt het stuk neer, en zegt enkele woorden tegen den beklaagde: dat

hij hoopt, dat deze nauwkeurig het gewicht der beteekenis van een

valschen eed heeft overwogen.

De beklaagde hoort hem aan met dezelfde kalmte, die hij steeds door

getoond heeft, en hij antwoordt eerbiedig en niet zonder waardigheid.

De eischeresse luistert naar dit alles met den grootsten schrik. Ze

maakt een paar heftige gebaren en klemt de handen samen.

Nu wil ze voor de rechtbank spreken. Ze voert een vreeselijken strijd

met haar verlegenheid en met de snikken, die haar de keel samensnoeren,

maar het eind is toch, dat ze geen hoorbaar woord kan uitbrengen.

Nu zal het dan toch tot den eed komen. Hij zal dien mogen afleggen,

niemand kan hem verhinderen zijn ziel te verliezen.

Tot op dit oogenblik heeft ze niet kunnen gelooven dat het gebeuren zou,

maar nu grijpt haar de zekerheid aan, dat het binnenkort--dat het in

het volgend oogenblik gebeuren zal. Een schrik, meer overweldigend dan

ze ooit te voren gevoeld heeft, komt over haar. Ze is als volkomen

versteend, ze kan niet eens meer schreien, de oogen verstijven haar in

het hoofd.

Hij is dus van plan de eeuwige verdoemenis over zich te brengen.

Ze begrijpt wel, dat hij zich door dien eed schoon wil wasschen terwille

van zijn vrouw. Maar zelfs al zou hij het moeilijk met haar krijgen, dan

moest hij daarom toch niet zijn eeuwige zaligheid verspelen.

Er was geen vreeselijker zonde dan een meineed, er was iets

geheimzinnigs en vreeselijks aan die zonde, daarvoor was geen genade en

geen vergiffenis. De poorten van den afgrond openden zich vanzelf als de

naam van een meineedige genoemd werd. Ze vreesde, dat als ze nu haar

oogen naar zijn aangezicht ophief, ze het reeds gestempeld zou vinden

met een teeken van verdoemenis, daar door Gods toorn op gedrukt.

Terwijl ze zich daar staat op te winden tot steeds grooter schrik,

heeft de rechter den beklaagde gewezen hoe hij de vingers op den Bijbel

moest leggen, en dan bladert de rechter in het wetboek, om het

eedsformulier te vinden.

Nu ze hem de handen aan het boek ziet brengen, doet ze weer een stap

naar de tafel, en het schijnt of ze zich voorover wil buigen en zijn

hand wegstooten.

Maar nog wordt ze teruggehouden door een laatste hoop. Ze denkt, dat hij

nu nog op het laatste oogenblik terug zal treden.

De rechter heeft in het wetboek de pagina gevonden die hij gezocht

heeft, en nu begint hij den eed luid en duidelijk voor te zeggen. Dan

houdt hij op, om den beklaagde gelegenheid te geven zijn woorden na te

spreken. En de beklaagde begint ze werkelijk te herhalen, maar hij

vergist zich en de rechter moet weer van voren af aan beginnen.

Maar nu heeft ze ook geen spoor van hoop meer, nu weet ze, dat hij van

plan is een valschen eed te doen, dat hij Gods toorn op zich laden zal

voor heel zijn volgend leven. Daar staat ze en wringt de handen in haar

hulpeloosheid, het is alles haar schuld, omdat zij hem heeft

aangeklaagd.

Maar ze was ook zonder werk, ze leed honger en kou, er was gevaar, dat

haar kind sterven zou. Tot wien kon ze zich anders wenden om hulp te

krijgen?

Nooit had ze ook geloofd, dat hij zoo'n vreeselijke zonde zou begaan.

Nu heeft de rechter opnieuw den eed voorgezegd. In een oogenblik zal de

daad bedreven zijn, een daad, die nooit meer ongedaan te maken is, nooit

meer goed te maken, nooit meer uit te wisschen.

Nu de aangeklaagde opnieuw den eed begint te herhalen, vliegt zij naar

voren, slaat de hand, die hij heeft uitgestrekt, op zij en rukt den

Bijbel naar zich toe. Het is haar vreeselijke angst, die haar eindelijk

moed gegeven heeft. Hij zal zijn ziel niet verliezen door een valschen

eed, dat zal hij niet.

De gerechtsdienaar loopt dadelijk op haar toe, om haar den Bijbel af te

nemen en haar tot de orde te roepen. Zij heeft een onuitsprekelijken

angst voor alles, wat met de rechtbank in verband staat, en ze is in

haar ziel overtuigd, dat wat ze nu gedaan heeft, haar in de gevangenis

zal brengen. Maar ze laat den Bijbel niet los. Wat het ook kosten moge,

hij zal den eed niet afleggen. Hij, die zijn onschuld bezweren wil,

springt ook naar voren, om haar het boek af te nemen, maar zij verzet

zich ook tegen hem.

"Je zult den eed niet doen," roept ze, "je zult het niet."

Wat er gebeurt, wekt natuurlijk de grootste verwondering! Het publiek

dringt naar voren, naar de groene tafel, de advocaten beginnen op te

staan, de griffier springt op met den inktkoker in de hand, om te

voorkomen, dat hij omgegooid wordt.

Daar roept de rechter luid en toornig: "Stilte", en allen blijven

onbeweeglijk staan.

"Wat bezielt je? Wat heb je met dien Bijbel te maken?" vraagt de

rechter met dezelfde harde en strenge stem.

Sinds ze haar angst lucht heeft gegeven door een wanhopige daad, is haar

verlegenheid verminderd, zoodat ze antwoorden kan.

"Hij zal den eed niet doen."

"Zwijg stil, en leg dat boek op zijn plaats," beveelt de rechter.

Maar zij gehoorzaamt niet, ze houdt het boek met beide handen vast. "Hij

zal den eed niet doen," roept ze met onbeteugelde heftigheid.

"Wil je dan met alle geweld de zaak winnen?" vraagt de rechter met

steeds scherper stem.

Oud en nieuw · 第 1 / 10 段