„Zij zal mij natuurlijk dadelijk wegzenden! Wat er ook gebeure, laat

haar niet gaan, voor ik weder binnentreed, zoogenaamd om je er aan te

herinneren, dat je elders verwacht wordt!”

Het moet gezegd worden, dat Marja Ivy alle zeilen had bijgezet, om een

zoo gunstig mogelijken indruk op den man te maken, dien zij in haar

netten wilde vangen.

Zij zag er uit als de zonde zelve, in haar laag uitgesneden vuurroode

japon, de armen geheel naakt, een donkerroode roos in het weelderige

haar, thans à la page opgemaakt.

Haar oogen schitterden als van strijdlust, en het was als of zij de

zegepraal reeds bij voorbaat genoot.

Zij was ook volstrekt niet verlegen, maar zich blijkbaar zeer goed

bewust van haar verleidelijkheid.

Met een paar luchtige stappen was zij bij den prins, en stak hem een

klein, wit handje toe, dat volstrekt niet meer herinnerde aan het

voormalige beroep van de schoone vrouw.

Charly bracht dat handje galant aan zijn lippen, en drukte er een kus

op.

Maar de adjudant was dadelijk ter plaatse, om voor het decorum te

zorgen.

„Sta mij toe, Uwe Hoogheid, u voor te stellen aan mademoiselle Marja

Ivy, de even schoone als befaamde Variété-diva!”

Maar Marja duwde hem eenvoudig op zijde en riep lachend uit:

„Houdt op met die dwaasheid, graaf! Alsof de prins mij niet zou kennen!

Gij komt toch zeker ook wel eens in het Hypodrome-Theater, niet waar,

prins?”

„Men zegt: Uwe Hoogheid, madame!” kwam de adjudant deftig

tusschenbeide.

„Het kan mij niet schelen, wat „men” zegt,” kwam de diva humeurig. „Ik

zeg „prins” en dat zal ook wel goed zijn!”

„Het is uitstekend, madame!” kwam Charly met een glimlach. „Ik zou het

u bepaald kwalijk nemen, wanneer gij mij anders aanspraakt! Wellicht

komt er wel een tijd, dat ik u ook met een anderen titel mag

aanspreken, dan met het stijve „Madame!””

Een por van Raffles in zijn zijde was hem een waarschuwing, dat hij

niet te hard van stal moest loopen, en daarop namen allen plaats.

Het kamerkatje bracht thee binnen en een karaf cognac, en toen dat

gedaan was, wierp Marja den gewaanden graaf een blik toe, die aan

duidelijkheid niets te wenschen overliet.

Raffles las daar in de zwarte oogen zoo duidelijk als in een boek:

„Uw tegenwoordigheid is hier niet meer gewenscht, gij zijt te veel!”

Maar hij scheen niet van zins te zijn, den prins alleen in gezelschap

met de schoone artiste te laten, en daarom zeide Marja eenigzins

ongeduldig:

„Graaf Colebrooke, in mijn kamer hiernaast heb ik zeer amusante

tijdschriften, die u zeker wel zullen interesseeren. Zij handelen over

sport, paarden, honden, en zoo meer! Laat ik u vooral niet ophouden,

als gij soms kennis zoudt willen nemen van den inhoud!”

Dat was niet mis te verstaan, al was het dan niet zeer ladylike!

Hij werd dus eenvoudig weggestuurd!

De adjudant keek den prins even met een schuwen blik aan, maar daar

deze niets zeide, en alleen oogen voor de mooie artiste scheen te

hebben, stond hij zuchtend op, en zeide op zachten toon:

„Mag ik er Uwe Hoogheid aan herinneren, dat hij over een uur een zeer

belangrijke vergadering moet presideeren?”

„Ik zal het niet vergeten, graaf, tenminste dat hoop ik!” antwoordde de

prins ongeduldig. „Gij herinnert mij op de meest ongelegen tijdstippen

aan onaangename dingen!”

„Ik doe slechts mijn plicht, Uwe Hoogheid,” hernam de adjudant, in zijn

wiek geschoten.

„Het is goed, ik dank u!” kwam de prins kortaf.

En met die woorden van ongenade in zijn ooren kon de arme adjudant zich

verwijderen.

Hij ging het naast gelegen vertrek binnen, het boudoir van de

variété-diva.

„Het verwondert mij, dat zij hem maar niet dadelijk hier heeft

ontvangen!” bromde Raffles voor zich heen. „Ik moet zeggen, dat de

jonge dame zeer voortvarend is, en niet bepaald terughoudend! Ik

voorzie een tijd voor dien besten Charly waarop hij later niet dan met

genoegen zal terug zien! Maar laat ons niet onzen eigen tijd gaan

verknoeien en eens zien, hoe het hier staat met de fondsen van onze

dame! Maar eerst de deuren! Het zou niet aangenaam zijn, wanneer dat

jolige kamerkatje eensklaps binnentrad en mij verraste bij mijn

belangwekkende onderzoekingen!”

Raffles ging op zijn teenen naar de gangdeur en sloot die.

Nu was er nog een deur, die met de slaapkamer in verbinding stond, aan

de andere zijde van het boudoir, en welke Raffles eveneens afsloot, en

vervolgens de deur naar de ontvangkamer, waar zich nu Marja met haar

hoogen gast bevond.

Raffles bleef even luisterend staan, en begon toen met een vlugheid,

slechts te verkrijgen door een langdurige oefening, alle laden en

kasten, alle kistjes en doozen te onderzoeken.

En daarbij bleek het hem al spoedig, dat Madame Marja er een

eigenaardige manier op na hield, om haar eigendommen op te bergen!

Hij vond een paarlencollier in een ledige bonbondoos, een diamanten

oorknop in een sigarettendoosje, een armband in een zijden muiltje, dat

op de kaptafel stond, een paar kostbare ringen in een sierlijk

naaidoosje.

Maar het geld bleek beter verborgen te zijn.

Raffles had tenminste vol tien minuten noodig, voor hij op den bodem

van een kast vol kostbare kleedingstukken een ijzeren kistje vond, met

een heel gewoon slot, dat hij in een ommezien had opengebroken.

Boven in lag het contract van de schoone diva met de directie van het

Hypodrome-Theater.

Raffles vouwde het open en wierp er een nieuwsgierigen blik in.

Hij floot zachtjes even tusschen de lippen en bromde voor zich heen:

„Madame Marja kan zich niet beklagen over de vrekkigheid van de

Londensche directie! Duizend pond voor veertien dagen leelijk zingen,

het is de moeite waard! Nu, de directie weet ook wel wat zij doet, zij

weet, dat het publiek zeer waarschijnlijk niet komt om de stem, maar

wel om de mooie oogen en de fraaie beenen van onze Lithauensche! En nu

eens verder zien!”

Het kistje bleek, behalve een massa bankbiljetten, ook nog een aantal

losse diamanten te bevatten en eenige groote paarlen van hooge waarde,

waarschijnlijk geschenken van schatrijke aanbidders.

Zonder zich een oogenblik te bedenken liet Raffles den geheelen inhoud

van het kistje in zijn zak glijden, op het contract na.

Daarop sloot hij het kistje weder en zette het op zijn vorige plaats,

waarna hij ook de kleerenkast dichtdeed, en den sleutel verborg.

Alle andere juweelen gingen denzelfden weg op, dat wil zeggen, dat zij

met verwonderlijke snelheid in de zakken van den gewaanden adjudant van

Zijne Hoogheid verdwenen.

Dit alles had ternauwernood een kwartier geduurd.

Raffles kuchte eens een paar malen, hetgeen blijkbaar een waarschuwing

moest verbeelden, en sloop toen naar de verbindingsdeur.

Hij luisterde ingespannen en zijn gelaat had een ironische uitdrukking,

toen hij voor zich heen fluisterde:

„Als ik er ook nog maar een grein verstand van heb, dan zijn de

jongelui op dit oogenblik bezig, elkander te kussen! Die goede Charly!

Ik gun hem dit avontuurtje van harte, maar ik betwijfel, of het wel van

langen duur zal zijn!”

Eensklaps bukte hij zich neder en bracht zijn oor tegen het sleutelgat.

Hij had gemeend een vreemde stem te hooren.

Of liever gezegd de stem was hem niet vreemd, want hij had haar al eens

vroeger onder andere omstandigheden gehoord, hoewel in hetzelfde

vertrek, maar het was in ieder geval niet de stem van Charly Brand.

Neen, het was de nasale stem van graaf Douglas Carwood!

En nu klonk ook de hooge stem van Marja Ivy, die blijkbaar zeer uit

haar humeur was.

„Ik geloof, dat het oogenblik is aangekomen, om hier even tusschen

beide te komen, anders kon het wel eens niet goed afloopen!” bromde

Raffles voor zich heen.

Hij legde dus resoluut de hand op de kruk van de deur, en bemerkte dat

zij aan den anderen kant was afgesloten!

„Die vrouw boezemt mij hoe langer hoe meer belang in!” mompelde Raffles

bij zich zelf. „Zij neemt haar maatregelen goed, men kan het niet

loochenen!”

Maar daar binnen scheen men het draaien aan den knop te hebben gemerkt.

De deur ging tenminste open, Charly stond op den drempel.

Zijn gelaat vertoonde alle mogelijke uitdrukkingen, schrik,

vroolijkheid, ongeduld, en... teleurstelling!

Dicht bij de deur stond graaf Carwood met een reusachtigen ruiker in de

hand, als de ridder van de droevige figuur.

Zijn gelaat was vertrokken van nijd en afgunst, maar hij stond daar in

een volmaakt correcte houding, zijn medeminnaar was niet de eerste de

beste.

Maar nauwelijks had hij den adjudant gezien, of hij maakte een

verstolen gebaar van woede.

„Wat is er eigenlijk, graaf?” vroeg Charly. „Waarom draait gij aan den

deurknop. Waarom komt gij niet behoorlijk binnen?”

„Ik, hm, de zaak is....” stamelde de adjudant. „Ik meende dat de deur

op slot was, maar ik zal mij natuurlijk vergist hebben! Ik wilde er Uwe

Hoogheid slechts even aan herinneren, dat het bijna negen uur is!”

„Welnu, wat zou dat?” vroeg de prins toornig. „Is dat een reden om mij

te storen in een hoogst belangwekkend onderhoud met Madame Marja?”

„De vergadering....” stotterde de adjudant.

„De vergadering kan naar den duivel loopen!” viel de prins ruw uit.

„Bravo!” riep Marja met schitterende oogen.

Zij had blijkbaar een beslissende overwinning op den prins

bevochten....

Deze nam haar met een galante buiging terzijde, en van dit oogenblik

maakte graaf Carwood gebruik, om snel op Raffles toe te treden, en hem

toe te bijten:

„Dat is uw werk, graaf!”

„Mijn werk? Wat bedoelt gij?”

„Houdt u niet van de domme! Gij zijt als koppelaar opgetreden! Gij hebt

deze samenkomst geënsceneerd!”

„Welnu, en als het zoo was, wat gaat het u dan nog aan?”

„Wat het mij aangaat? Wist gij soms niet, dat Marja Ivy mij

toebehoort?”

„Wat? Gij verbaast mij! Ik dacht, dat het tijdperk der slavernij reeds

lang achter den rug was! En voor het overige, ik zou u aanraden, een

toontje lager te zingen! Ik duld niet, dat gij zoo tegen mij spreekt!”

„Ik zal spreken zoo als ik verkies! En als u dat niet bevalt, dan hebt

gij het maar te zeggen!”

„Dan zeg ik het op deze klinkende wijze, graaf!”

En op hetzelfde oogenblik daalde een schallende oorveeg neder op de

wang van den graaf, het was de wang, die nog gaaf was.

Marja, die met den prins was blijven praten, uitte een kreet van

schrik, en riep uit:

„Wat is dat nu? Maar heeren, schaamt gij u niet? In mijn

tegenwoordigheid!”

„Vergeef het mij, madame, hm!” zeide Raffles. „Die oorveeg duldde

werkelijk geen uitstel!”

„Gij zult mij rekenschap geven, graaf,” brulde de beklagenswaardige

afgewezen minnaar, terwijl hij zijn opgezette wang wreef.

„Waar en wanneer gij maar verkiest, graaf!” gaf de adjudant koeltjes te

kennen. „Ik zal zoo vrij zijn, u nog hedenavond mijn getuigen te

zenden, gij zult wel zoo goed zijn, voor hen thuis te blijven!”

HOOFDSTUK VI.

RUMOR IN CASA.

Graaf Carwood, ziedend van drift, en nauwelijks beseffend, dat hij zich

in tegenwoordigheid van den prins bevond, had het vertrek verlaten, na

met geweld zijn ruiker tegen den grond te hebben gekwakt.

De prins, die van het geheele tooneeltje getuige was geweest, kwam nu

op zijn adjudant toe en zeide op koelen toon:

„Ik hoop, graaf, dat dergelijke voorvallen mij voortaan bespaard zullen

blijven! Als gij twist zoekt met andere heeren, mij wel, maar wacht

daar dan mede, tot gij alleen met hem zijt! Wat uw duel betreft, ik

behoef u zeker niet te zeggen, dat ik dat in geen geval zal toelaten!”

„Maar Uwe Hoogheid, de graaf heeft mij diep beleedigd!” riep de

adjudant op klagenden toon.

„Dat is wel mogelijk, maar wij zijn hier niet in Frankrijk!”

Maar Marja dacht hier heel anders over!

In een duel zag zij een reclame, zooals zij er geen betere kon

wenschen!

Wat zou er niet over haar gepraat worden, als het bekend werd, dat twee

graven met elkander geduelleerd hadden, die in haar vertrek twist

hadden gekregen, en nog wel in bijzijn van den prins!

Dat was bijna nog beter, dan de erkende minnares van prins George te

zijn!

En daarom trad zij vleiend op den prins toe, legde aanhalig haar arm om

zijn hals en zeide: „Kom prinsje, zoo erg zal het toch wel niet zijn!

Die tweegevechten hebben hier toch immers ook niets te beteekenen!”

„Ik mag het niet toelaten, madame!” zeide de prins.

„Ook niet om mijnentwille? Kom, de heeren zouden elkander zoo graag een

klein prikje geven, waarom zoudt gij hun dat genoegen niet gunnen? Dan

doet gij maar net, of gij van niets weet! Mijnheer de graaf zal ook wel

weten te zwijgen, nietwaar?” zoo wendde zij zich tot Raffles, die

bedremmeld bij de deur was blijven staan.

„Wat mij betreft, madame, graaf Carwood heeft mij bloedig beleedigd en

desnoods zou ik met hem naar Frankrijk trekken, om daar voldoening van

hem te eischen! Maar natuurlijk zou ik zwijgen, de zaak behoeft niet

ruchtbaar te worden!”

Dat was nu weder in het geheel niet naar den zin van de

Variété-danseres, want juist in de ruchtbaarheid lag voor haar de

reclame!

Maar zij overwoog, dat zij volstrekt niet de verplichting op zich had

genomen, te zwijgen, en als het duel eenmaal had plaats gehad, zou zij

wel zorgen, dat alle bladen er den volgenden dag van onderricht werden!

De prins had reeds zijn hoogen hoed gegrepen, en wendde zich nu tot

Marja met de woorden:

„Het spijt mij meer, dan ik u zeggen kan, madame, dat ik u nu reeds

moet verlaten! Maar een dringende vergadering vraagt mijn aandacht, en

gij zult u ook wel naar den schouwburg moeten begeven!”

„Ik wil u niet langer terug houden, prins, maar ik hoop toch, dat dit

niet ons laatste onderhoud zal zijn geweest!” zeide Marja, terwijl zij

den prins een vurigen blik uit haar violet-zwarte oogen toewierp.

„Wees verzekerd, dat ik niets liever verlang, dan u herhaaldelijk te

bezoeken,” antwoordde Charly galant.

Hij kuste het kleine handje, dat hem werd toegestoken, en wendde zich

toen tot zijn adjudant:

„Mijn auto, graaf!”

„Aanstonds Uwe Hoogheid!” zeide Raffles volijverig.

Hij maakte een diepe buiging voor de schoone vrouw, en verliet haastig

het vertrek, na Charly een vluggen wenk te hebben gegeven.

Zijn scherp oor had buiten de luchtige schreden opgevangen van de

kamenier, en om velerlei redenen was het gewenscht, dat de beiden het

hotel zouden hebben verlaten, alvorens het lieve kind binnentrad.

Charly treuzelde dan ook niet, maar haastte zich, op zijn beurt

afscheid te nemen, met de belofte, dat hij zoo spoedig mogelijk terug

zou komen.

En Marja bleef achter, met een gevoel van volkomen zegepraal.

Zij had niet durven hopen, dat de prins zoo spoedig bezweken zou zijn

voor haar bekoorlijkheden, en vol trots bekeek zij zich in den grooten

spiegel, een vroolijk wijsje neuriënd.

Maar toen bedacht zij met schrik, dat het hoog tijd was, om zich naar

den schouwburg te begeven.

Juist ging de gangdeur open, en het kamermeisje trad binnen.

„Mirza, snel mijn mantel en hoed!” beval de schoone jongevrouw. „En

mijn auto. Het is al laat! Breng meteen mijn ringen mee, ik weet niet

waar zij zijn, ik geloof in mijn handschoenendoos!”

Het meisje verdween in de zijkamer.

Maar zij was er nog geen volle minuut of Marja werd opgeschrikt door

een luiden gil.

Zij ijlde naar het boudoir en vroeg toornig:

„Ben je gek geworden, Mirza? Waarom schreeuw je zoo? Je maakt mij aan

het schrikken!”

„U zoudt ook zijn geschrokken, madame!” riep Mirza, die met bleek

gelaat en een doos in de handen bij de tafel stond. „Al uw juweelen

zijn weg!”

Nu slaakte de diva zelve een gil, die in niets onderdeed voor den kreet

van het kamermeisje en met koortsachtige haast begon zij alle doozen en

kistjes te doorzoeken, terwijl zij ondertusschen afgebroken zinnen liet

hooren.

„In dit doosje, ik weet het zeker, mijn ringen, en in dat kistje, ik

wil er wel een eed op doen, mijn armband! En die doos, ook leeg, en die

lade, ook niets meer in! Bestolen, bedrogen, en mijn geldkistje....”

Zij snelde naar de kleerenkast en nam er het ijzeren kistje uit.

Zij kon het deksel open klappen zonder den sleutel noodig te hebben.

In het kistje lag niets meer dan haar contract....

De jonge vrouw gaf een schreeuw als een gewonde leeuwin, en snelde naar

de electrische schel.

Zij drukte er op, alsof zij den knop wilde verbrijzelen en liet zich

toen met bleek gelaat in een stoel vallen.

Maar eensklaps sprong zij weder op, en krijschte schor van drift:

„Dat moet die graaf geweest zijn, het kan niet anders, vijf minuten

voor hij en de prins kwamen, was alles er nog, daarop durf ik zweren.

En hij is ruim een kwartier hier alleen in de kamer geweest! O, die

schelm, die bandiet! En dat is een Engelsche graaf! Maar dat gaat zoo

niet! Wacht maar, ik zal je wel vinden, graaf Colebrooke!”

Er werd op de deur geklopt en een etagekellner trad binnen.

„U heeft gebeld, madame?” vroeg hij.

„Ja, haal de politie!”

„De politie, madame?” herhaalde de kellner verbluft.

„Versta je geen Engelsch? Ja, de politie! En dadelijk! Ik ben bestolen!

Voor een waarde van minstens zevenduizend pond sterling aan geld en

juweelen! En misschien wel tienduizend!”

De kellner trok een ontsteld gelaat en zeide:

„Ik zal dadelijk den gerant waarschuwen, madame!”

„De gerant kan mij niet schelen!” schreeuwde Marja Ivy. „Ik wil de

politie! Ik weet wie de dief is geweest! Graaf Colebrooke is het

geweest! Sta mij niet als een idioot aan te staren, man, maar loop,

loop!”

De kellner vloog weg, en een oogenblik later was de gerant van het feit

in kennis gesteld.

Hij snelde de trappen op, en trad buiten adem het vertrek van de

variété-danseres binnen.

„Is het waar, madame, wat de kellner mij daar vertelt?” vroeg hij

opgewonden. „Ik denk toch wel, dat gij u vergist! Graaf Colebrooke! Het

is immers onmogelijk!”

„Hij en niemand anders, zeg ik u!” snerpte de jonge vrouw. „Hij is in

die kamer geweest terwijl ik bezoek ontving van prins George, een

kwartier lang, en hij moet mijn geld en mijn juweelen hebben gestolen!

Alles was er nog, toen hij binnentrad, dat wil ik voor alle rechtbanken

van Londen bezweren!”

„Onze naam! Onze goede naam!” kermde de gerant. „Ik bezweer u, madame!

Zwijg over dit alles, tot wij volkomen zekerheid hebben!”

„Zwijgen?” herhaalde Marja Ivy met krijschende stem. „Zwijgen? Van de

daken zal ik het schreeuwen! Ik zal het aan de groote klok hangen!

Politie! Dadelijk!”

Marja Ivy was een practische vrouw.

Zij had een zeer groot verlies geleden, maar zij begreep ook aanstonds,

dat hierin weder een kostbaar element van de beste reclame school,

welke zij zich maar kon wenschen.

Dat was nog iets anders dan de gefingeerde diefstallen, waarvan de

beroemdheden als Emma Nevada, Sigrid Arnoldson, Sarah Bernard, en

anderen het slachtoffer heetten te zijn geworden!

Neen, zwijgen zou zij zeker niet, dat nam zij zich stellig voor!

Een echte graaf, die een dief bleek te zijn, en die haar had bestolen,

zulk een gelegenheid bood zich zeker nooit weer aan!

En daarom herhaalde zij stampvoetend, telkens opnieuw:

„De politie! De politie! De politie!”

De gerant maakte een wanhopend gebaar.

Er stond een schandaal voor de deur, zooals men er in Londen in langen

tijd geen had bijgewoond.

Dat prins George bij een variété-ster op bezoek kwam, dat kon er

desnoods nog mee door, ofschoon hij het stellig niet wereldkundig zou

hebben gemaakt, maar dat zijn adjudant, een graaf, zich aan een

diefstal schuldig maakt, tijdens dat bezoek, dat was ongehoord, dat zou

maanden lang stof tot praatjes geven!

Er moest hier vlug en doortastend gehandeld worden!

Hij wendde zich weder tot Marja Ivy en vroeg op gedempten toon:

„Hoe groot taxeert gij de waarde van de u ontstolen juweelen en het

geld?”

„Op minstens twaalf duizend pond sterling!” antwoordde de jonge vrouw,

die van oordeel was, dat zij de gestolen kostbaarheden eer te hoog dan

te laag kon aanslaan.

Dat was een heele som, en de gerant verschrok dan ook merkbaar.

Hij beet zich op de lippen, en scheen een oogenblik in beraad te staan.

Toen hernam hij:

„Luister eens, madame, misschien kunnen wij het wel op een accoordje

gooien. Ik ben er bijna zeker van, dat de directie u het geleden

verlies wel zal willen vergoeden, als gij zwijgt! Men zou het ook aan

den prins kunnen mededeelen, en daar hij er, neem mij niet kwalijk, dat

ik u het zeg, daar hij zelf belang heeft dat er zoo weinig mogelijk

over het bezoek ten uwent gesproken wordt, zoo zal hij ook wel in den

zak willen tasten!”

Maar dat strookte alweder niet met de belangen van de egoïstische

artiste!

Wat! Men zou het bezoek van den prins in den doofpot willen stoppen,

even als den diefstal. Neen, dat zou niet gaan! Zij was nu eenmaal

bestolen en zij zou er alle reclame uitslaan, die er in zat, dat nam

zij zich vast voor.

En dus hernam zij op koelen toon:

„De diamanten en paarlen zijn niet met geld alleen te vergoeden,

mijnheer! Ik wil ze terug hebben en daarom verzoek ik u voor de laatste

maal, of gij de politie wilt halen, anders ga ik er zelf heen, of

telefoneer!”

De gerant zag wel in, dat de artiste niet tot andere gedachten was te

brengen.

Hij maakte dus een wanhopig gebaar, hij gaf den strijd op.

Alleen bleef hem nu nog de hoop, dat madame zich toch nog zou blijken

vergist te hebben en dat de graaf niets met de geheele zaak uitstaande

had.

Met deze gedachte bezield, verliet hij met gebogen hoofd het vertrek,

en telefoneerde om een detective naar Scotland Yard.

Er verliep een half uur, en toen trad er een vierkant gebouwd man met

groote doordringende grijze oogen en een energiek geteekend gelaat het

vertrek van de diva binnen, vergezeld van een jong meisje, met een

bevallig maar krachtig gelaat.

De man was James Sullivan, een der beste speurneuzen van Scotland Yard,

en het jonge meisje was Dorrit Evans, een zijner meest belovende

leerlingen.

Beiden werden aangediend door den etagekellner, die zich vervolgens

terug trok.

Marja Ivy, die al dien tijd vruchteloos al haar kistjes en kastjes had

onderzocht, trad Sullivan haastig tegemoet, en vroeg:

„Gij zijt van de politie?”

„Ja, Madame! Mijn naam is Sullivan, deze jongedame is een collega, Miss

Evans.”

Marja knikte eenige malen zenuwachtig met het zwartgelokte hoofd, en

zeide toen:

„Ik ben blij, dat gij gekomen zijt, mijnheer! Ik moet u zeggen, dat de

gerant getracht heeft, de zaak te sussen, maar daarvoor ben ik niet te

vinden! Ik wil mijn juweelen terug!”

„Zoudt gij ons de zaak niet eens in het kort en zonder noodeloozen

omhaal willen mededeelen, madame?” vroeg Sullivan bedaard. „Ik heb

immers het genoegen, te spreken met madame Marja Ivy, de bekende

variété-artiste?”

„Die ben ik, mijnheer!” antwoordde Marja. „Die zaak heeft zich als

volgt toegedragen. Ik ontving hedenavond bezoek van prins George. Hij

was in gezelschap van zijn adjudant, graaf Colebrooke. Een paar minuten

voor de heeren kwamen, dat was om negen uur, waren mijn juweelen er

nog, en ook het geld was nog in het ijzeren kistje. Wat ik zoo goed

weet, omdat ik juist iets had moeten betalen, en het dus had geopend.

Toen de prins en de graaf er waren, verzocht ik den laatste, in mijn

boudoir te wachten, ik had met den prins zaken te bespreken, waarbij

hij volkomen overbodig was. Ik was ongeveer een kwartier, hoogstens

twintig minuten met den prins samengeweest, toen graaf Carwood

binnentrad. Ik behoef er geen geheim van te maken, dat er tusschen den

graaf en mij zekere vriendschapsbanden bestaan. Hij had dus een zeker

recht, bij mij binnen te treden. Maar de aanwezigheid van den prins

scheen hem onaangenaam te treffen, en hij maakte nogal brutaal een

opmerking daar over. Toen trad graaf Colebrooke op zijn beurt weder

binnen, komende uit het boudoir, en achtereenvolgens gingen graaf

Carwood, graaf Colebrooke, en de prins heen. En toen mijn kamermeisje

nauwelijks een minuut later het boudoir binnentrad, waren al mijn

juweelen en mijn geld verdwenen.”

Sullivan had met gespannen aandacht toegeluisterd en zeide nu:

„Uwe uiteenzetting is even kort als duidelijk, madame! Nu een paar

vragen. Gij kendet den prins niet voor hedenavond?”

„Neen, ik kende hem alleen van gezicht.”

„Hoe kwam hij zoo eensklaps hier?”

„Het was niet eensklaps! Zijn adjudant had het bezoek voorbereid.”

„Gij kendet dus graaf Colebrooke?”

„Hij is gisteren hier geweest, voor de eerste maal. Hij deed mij toen

het voorstel, mij met den prins in kennis te stellen.”

Sullivan keek verrast op, en wisselde toen een blik met Dorrit Evans.

Toen vroeg hij deze op zachten toon:

„Wat zegt gij daar wel van?”

„Ik vind het zeer merkwaardig!” antwoordde het jonge meisje. „Ik heb

zoo iets nooit achter den prins gezocht!”

„En ik niet achter den graaf, dien ik toevallig persoonlijk ken!” zeide

Sullivan hoofdschuddend.

Hij dacht even na en vervolgde toen:

Lord Lister No. 0348: De variété-ster · 第 3 / 4 段