den blik van haar groote, violetzwarte oogen bijna aanhoudend gevestigd
op de loge van prins Albert, die vol belangstelling door zijn kijker de
races volgde.
Toen brak de pauze aan, en volgens zijn gewoonte, daalde de prins de
treden af en mengde zich ongegeneerd onder het deftige publiek, maar
steeds vergezeld van zijn adjudant.
„Zij is een goede stratege,” zeide Raffles vol bewondering, toen hij
zag, dat Marja Ivy zoodanig manoeuvreerde dat zij schijnbaar onbemerkt
tot vlak in de nabijheid van prins Albert kwam.
Een paar oogenblikken later stootte zij den troonopvolger schijnbaar
bij ongeluk aan, zoodat deze zijn kijker liet vallen.
„Knap gedaan!” zeide Charly vol bewondering. „Heel handig gedaan!”
„Toegestemd, maar het resultaat is belabberd!” voegde Raffles er aan
toe.
Inderdaad, Marja Ivy had heel weinig succes van haar goed gevonden
trucje. Zij had zich snel naar den kijker gebukt om hem op te rapen, en
aan den kroonprins ter hand te stellen, maar de adjudant was haar reeds
voor geweest en had het voorwerp opgeraapt.
Toen richtte de jonge vrouw, blijkbaar om zich te excuseeren, een paar
woorden tot den kroonprins en tenslotte maakte zij een diepe buiging
waarvan zij meende te kunnen vermoeden dat de prins haar met
welgevallen zou gade slaan.
Maar toen zij zich weder uit haar diepgebogen houding oprichtte, moest
zij tot haar teleurstelling en woede ervaren, dat de prins alweder
minstens tien passen verder en op dit oogenblik al weer in gesprek was
met een verbazend zwaarlijvigen generaal, blinkend van gouden
versierselen.
Zijn adjudant scheen hem zeer haastig een paar woorden te hebben
toegefluisterd en keek nu met ijskoude blikken naar de
beklagenswaardige Variété-danseres, die zich op de lippen beet, woedend
de kleine vuisten balde, den graaf onder den arm nam en hem zoo haastig
met zich meevoerde, dat er van de correcte houding van haar
tegenwoordigen minnaar zoo goed als niets meer overbleef.
Spoedig waren zijn fladderende jaspanden en zijn hooge grijze hoed
onder het publiek verdwenen, dat het paar, voor zoover het getuige van
het kleine tooneeltje was geweest, met spottende blikken vol
leedvermaak nakeek.
HOOFDSTUK IV.
BIJ GEBREK AAN BROOD.....
Slechts weinige bladen bevatten den volgenden morgen eenige stekeligen
opmerkingen naar aanleiding van het gebeurde op de renbaan aan het
adres van de onbescheidene Variété-Diva, maar verreweg de meeste bladen
hadden het incident zelfs niet vermeld, en dat bracht de jonge vrouw
misschien nog meer in woede dan al het andere.
Veel liever had zij gehad, dat men haar de huid had volgescholden, dan
was tenminste de aandacht op haar gevestigd.
Zij begreep nu echter wel, dat zij iedere poging om indruk te maken op
prins Albert gerust kon laten varen, en zij gaf uiting aan haar
teleurstelling en gekwetste ijdelheid door den jongen kroonprins een
geheele reeks uitgezochte scheldwoorden in haar moedertaal naar het
hoofd te werpen, terwijl zij gezeten was voor haar kaptafel en het
kamermeisje met vaardige hand heur haar kapte.
„Een stokvisch, een ijsblok, een ongelikte beer, een man zonder een
grijn tactgevoel!” riep zij maar. „Een houten klaas, de dood van
Pierlala, en dat is zeven en twintig jaar! Hemeltje lief, wat beleven
wij toch een vreemden tijd!”
„Misschien trekt hij nog wel bakzeil, madam,” gaf het kamerkatje
wijsgeerig te kennen.
„Dat denk ik niet, Mirza,” zeide Marja hoofdschuddend. „Ik vergis mij
niet spoedig in de houding van de heeren der schepping. Hij behandelde
mij alsof ik lucht voor hem was, dat hij op zijn weg tegen kwam.”
Zij trappelde ongeduldig met haar hooggehakte pantoffeltjes op het
dikke vloerkleed, en wilde wederom een nieuwe reeks krachttermen aan
het adres van den troonopvolger lanceeren toen er op de deur werd
geklopt van de voorkamer.
„Ga eens zien, wie daar is, Mirza,” beval Marja humeurig. „Als het die
vervelende Carwood is, stuur je hem maar weer weg. Ik kan hem op het
oogenblik niet verdragen. Die man werkt op mijn zenuwen.”
Mirza ging door de voorkamer naar de gangdeur, opende die en vond daar
een etagekellner die haar een visitekaartje ter hand stelde.
Het meisje wierp er een vluggen blik op en las den naam van „Graaf
James Colebrooke”.
„Wat wil de graaf?” vroeg het meisje.
„Wel, je meesteres een bezoek brengen denk ik,” antwoordde de kellner.
„Om twaalf uur in den morgen? Waarom niet liever in het holste van den
nacht,” riep Mirza verontwaardigd uit.
„Hij zegt, dat hij om een zaak van belang komt.”
Het kamermeisje haalde de schouders op en ging met het visitekaartje
naar haar meesteres.
Na eenig geparlementeer kreeg de graaf toestemming om binnen te komen.
Marja dacht er evenwel niet aan haar bezigheden te staken, maar liet
haar kamermeisje doorgaan met het opmaken van haar prachtig haar.
Binnen trad nu een man in de kracht van zijn leven, maar met reeds
gebogen rug, een groote kale plek op het hoofd, een verlepte kleur en
slappe gelaatstrekken, knipperende oogen die hij steeds half dicht
kneep daar hij blijkbaar zeer bijziende was, en onberispelijk gekleed.
Met een krakende stem, terwijl hij op den drempel van de deur bleef
staan, zeide hij:
„Duidt het mij niet kwalijk, madame, als ik u nog voor de lunch een
bezoek breng. Ik weet echter wel, dat artisten het niet zoo nauw plegen
te nemen zelfs wanneer zij zoo hoog in aanzien zijn als gij.”
De diva had zich half op haar stoel omgewend, en keek nieuwsgierig naar
de dorre schrale figuur, die wel uit hout gesneden leek te zijn, het
vale gezicht en de rood omrande oogen.
Toen vroeg zij half spottend:
„Is u een graaf?”
„Een authentieke madam. Ik erken echter, dat ik misschien een weinig te
haastig geleefd heb, en misschien wel wat te veel geld heb uitgegeven,
maar dat komt meer voor in onze kringen. Wilt gij mij toestaan terzake
te komen?”
„Ga uw gang, graaf, maar maak het kort, wat ik u verzoeken mag!”
En toen de bezoeker een schuinschen blik wierp op Mirza, die nog altijd
ijverig het glanzende zwarte haar borstelde, vervolgde zij:
„Voor mijn kamermeisje heb ik geen geheimen, gij kunt vrijuit spreken.”
„Nu als dat het geval is, dan zal ik van die vrijheid gebruik maken,
madame.”
Op een uitnoodigend gebaar van de schoone jonge vrouw nam graaf
Colebrooke plaats, schraapte zijn keel eens, en begon met zijn
krakende, heesche stem:
„Ik was gisteren op de renbaan te Hendon, hm! Goede sport, mooie
vrouwen, beste paarden, enzoovoort, hm! Ik had ook het genoegen u daar
te zien, ik herkende u natuurlijk dadelijk, kon niet missen,
bekoorlijke trekken, zeer sierlijk costuumpje, enzoovoort, hm! Was ook
willekeurig getuige van het kleine intermezzo met den kijker, moest
dadelijk getuigen, kranig gevonden, zeer adrem, kolossaal handig,
enzoovoort, hm!”
De diva zat een oogenblik in beraad of zij zich driftig zou maken, maar
er was iets in de stem van den bezoeker, dat haar deed zwijgen, en met
belangstelling op de rest wachten.
Graaf Colebrooke bekeek zijn vingertoppen met een uitdrukking op zijn
gelaat alsof hij voor het eerst van zijn leven iets bijzonders
merkwaardigs onder de oogen kreeg, en vervolgde toen:
„U duidt mij mijn openhartigheid niet euvel, daarvan ben ik overtuigd,
hm! Met eerlijkheid bereikt men op deze wereld nog het meest, onder
sommige omstandigheden, hm! Eerlijkheid duurt het langst, nu en dan. Ik
kom nu ter zake. Ik meen te hebben opgemerkt, madame, dat gij, hoe zal
ik het zeggen, eenige belangstelling koestert voor den jeugdigen
troonopvolger, hm! Ik zie aan uw gelaat, dat ik goed geraden heb! Maar,
uwe pogingen zullen waarschijnlijk ijdel zijn, madame! Vreemde jongen,
onze kroonprins, hm! Koud als ijs, onverschillig, denkt alleen aan
paarden en honden, staatszaken en andere nonsens. Lijkt wel afkeerig
van het schoone geslacht te zijn, voor zoo verre het geen
gravenkroontje draagt, hm! Uiterst merkwaardige jongen, zal het
ongetwijfeld ver brengen in de wereld, bij wijze van spreken
natuurlijk, want verder dan koning, nietwaar, kan men het al haast niet
brengen.”
Graaf Colebrooke vond dit waarschijnlijk een uitstekend geslaagde grap,
want hij liet een lachje hooren, dat precies klonk als het afloopen van
een wekker, waarvan plotseling een der radertjes gebroken is.
„Vergun mij de opmerking, graaf, dat ik nog steeds niet weet, waar dit
alles op moet uitdraaien,” kwam Marja Ivy een weinig ongeduldig.
Zij was nu geheel gekapt, en Mirza was bezig met het opvouwen van
eenige kleedingstukken.
„Gij zult aanstonds tevreden worden gesteld, madame,” hernam graaf
Colebrooke. „Het spijt mij, wanneer ik u ophoud, maar ik ben gaarne zoo
duidelijk mogelijk, ik ga altijd op den man af, hm. In dit geval
natuurlijk op de vrouw, hm. Wij komen dan terug op het kleine, en zoo
voortreffelijk geënsceneerde incident op de renbaan, hm. Ik neem dus uw
belangstelling voor den kroonprins als vast staande aan, en ik
constateer, dat die niet tot het gewenschte doel heeft geleid. Maar,
men kan ook wel dansen, al is het niet met de bruid, zooals een oud en
beroemd spreekwoord in ons land luidt!”
Marja keek den bezoeker met groote oogen aan, en vroeg:
„Waar wilt u eigenlijk heen, graaf?”
„Dat zal ik u zeggen, madame, en nu ga ik een teeder punt aanroeren,
hm. Het spreekwoord dat ik zooeven noemde, zou ik als volgt willen
uitleggen:
„Bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien. Men moet roeien
met de riemen die men heeft, en ik ben vast overtuigd, dat de riemen,
welke ik u kan verschaffen, zeer wel in uw smaak zullen vallen, bij
wijze van begin, hm!”
„Wat wilt gij zeggen, graaf?”
„Ik wil zeggen, madame, dat er nog wel andere prinsen zijn te krijgen,
al zijn het geen kroonprinsen, hm! Gij zijt een vreemdelinge, en daarom
uit den aard der zaak niet geheel op de hoogte van de samenstelling van
het koninklijke gezin. Laat mij u dan mededeelen, dat Koning George
vijf zoons heeft, en een dochter. De zoons zijn Prins Edward Albert,
George, Andrew, Patrick David, geboren op 23. Juni 1894. Hij is de
kroonprins. Daarop volgt prins Albert, Frederic, Arthur, George,
geboren 14. December 1895. Daarop volgt de prinses, voor ons van geen
belang. Dan komt Prins Henry, William, Frederic, Albert, in 1900
geboren op 31. Maart. Vervolgens....”
„Maar lieve hemel, graaf. Wat kan mij die opsomming schelen!” viel
Marja hem ongeduldig in de reden. „Als gij nog langer doorgaat, zult
gij ook nog de zuigelingen opnoemen....”
„Zooals gij wilt, madame, dan zal ik u de beide manlijke telgen, die in
1905 en 1902 geboren zijn besparen, hm. Bepalen wij ons dus bij prins
Albert Frederic, den tweeden zoon, gemeenlijk prins George genoemd. Hij
is op dit oogenblik 25 jaar, hm! En ik meen te weten dat hij niet
bepaald afkeerig is van het vrouwelijk geslacht, voor zooverre het een
zekere bevalligheid ten toon spreidt.”
„Ah! Nu begin ik het te begrijpen!” riep Marja lachend uit. „Maar, dat
plan is nog niet eens zoo kwaad!” voegde zij er peinzend aan toe. „En,
nu zult gij mij zeker wel eens willen zeggen, met welk doel en in welke
hoedanigheid gij mij dit komt mededeelen?”
De graaf wierp nogmaals een schichtigen blik op Mirza, die zachtjes
neuriënd haar werk deed, en liet zijn krassende stem zooveel mogelijk
dalen, toen hij hernam:
„Ik wil er geen geheim van maken, madame, dat ik bij vroegere
gelegenheden een weinig de rol van Postillon d’Amour heb gespeeld, ten
behoeve van prins George. Ik wil voorts ook niet verzwijgen, dat ik,
min of meer, hoe zal men zeggen, op zwart zaad ben geraakt, en dat mijn
geldmiddelen niet zoo zijn, als ik wel wenschte, hm! Misschien bestaat
er eenig meeningsverschil aangaande de wijze, waarop ik tracht, die
geldmiddelen te herstellen, maar ik heb niet veel keus, en met
handenarbeid kan een graaf Colebrooke natuurlijk niet zijn stand
ophouden.”
„Wel, wel, wel, dus een koppelaar!” riep Marja Ivy uit, terwijl zij
zich zachtjes in haar stoel heen en weder wiegde.
„O, foei, wat een uitdrukking!” riep graaf Colebrooke, vol
verontwaardiging uit. „Men kan dat toch anders zeggen, men kan zeggen
dat ik mijn gewaardeerde diensten verleen als prins George den wensch
te kennen geeft, zijn warm gemoed uit te storten aan den boezem eener
sympathieke vrouw.”
„Het kan mij volstrekt niet schelen, hoe gij het noemt, graaf,” riep
Marja lachend uit. „De hoofdzaak is dat gij kans ziet, mij in kennis te
brengen met prins George en dat gij voor uw bemiddeling behoorlijk
gehonoreerd wilt worden, hetgeen ook niet meer dan billijk is. Wij
zullen niet over een paar woorden vallen! Ik heb het immers bij het
juiste eind?”
„Zoo is het, madame!”
„Welnu, ik wil ook van mijn hart geen moordkuil maken, nu mijn
kennismaking met den kroonprins zoo jammerlijk mislukt is, wil ik mij
ook wel met minder tevreden stellen, en als gij er in staagt, mij in
kennis te brengen met prins George dan zal ik mij niet ondankbaar
toonen. Maar laat mij u tenminste mogen zeggen, dat gij op zonderlinge
wijze aan den kost komt.”
„Ieder vogeltje zingt, zooals hij gebekt is, madame,” riep graaf
Colebrooke uit, terwijl hij opstond, en zich blijkbaar gereedmaakte, om
te vertrekken.
Maar Marja Ivy was een doortastende vrouw, zij was gewend, het ijzer te
smeden als het heet was.
„Wanneer zoudt gij een samenkomst tusschen mij en den prins tot stand
kunnen brengen?” vroeg zij op den man af.
„Zoo spoedig gij wilt, madame!”
„Dan morgen reeds! Ik ben verlangend mij op den kroonprins te wreken,
en dat kan ik niet beter doen, door hem te toonen, dat zijn broeder
minder afkeerig is van mij dan hij zelf. Zoudt gij kans zien, prins
George over te halen, mij morgen hier in deze vertrekken een bezoek te
brengen?”
De graaf trok een bedenkelijk gezicht, en scheen even na te denken.
Toen antwoordde hij:
„Gij vraagt heel wat, madame, maar ik zal mijn best doen, hm! Als het
gaat, dan zal ik u nog hedenavond schrijven, of u morgen een boodschap
zenden.”
Marja klapte vroolijk in de handen en riep opgewonden uit:
„Als dat lukt dan heb ik er heel wat voor over!”
„Dat hoop ik, madame, dat hoop ik!” zeide graaf Colebrooke
handenwrijvend. „Er zullen wellicht kosten aan verbonden zijn, en, het
is niet meer dan billijk, dat mij die vergoed worden, niet waar? Ik zou
u echter willen aanraden, hm, aan de zaak voorloopig zoo weinig
mogelijk ruchtbaarheid te geven, prins George houdt daar in het geheel
niet van! Later kunt gij natuurlijk uw schade dubbel en dwars inhalen,
maar in den aanvang moeten wij hem niet afschrikken!”
„Ik beloof het u, graaf!” riep Marja uit. „Gij kent den prins
natuurlijk persoonlijk zeer goed?”
„Ik ben zeer intiem met hem bevriend, madame! Om zoo te zeggen frère et
compagnon! Maar juist daarom zult gij wel begrijpen, dat dit alles
tusschen ons moet blijven. Ik zou mij zelf zeer benadeelen, als het
later bleek, hm, dat ik hier de rol van bemiddelaar had gespeeld!”
„Wees daaromtrent gerust, graaf! Gij zult er buiten blijven, dat
verzeker ik u op mijn woord! A propos, is de prins nog al vrijgevig,
dat gij weet?”
„Gij zult u niet te beklagen hebben, als gij in den smaak van zijne
hoogheid valt, dat is alles wat ik u zeggen kan, madame!” antwoordde de
graaf. „De prins staat er voor bekend, dat hij niet op eenige duizenden
ponden ziet, als het zijn vrienden betreft, en dat geldt in nog
meerdere mate voor zijn vriendinnen! Het blijft dus afgesproken, ik zal
u bijtijds waarschuwen!”
„Dat is waar ook, ik moet natuurlijk morgenavond optreden, zou de prins
daarmede rekening kunnen houden?”
„Dat spreekt vanzelf! Als ik het goed onthouden heb, treedt gij
omstreeks tien uur op, ik zal er zorg voor dragen, dat de prins hier
dadelijk na het diner komt!”
„Heerlijk, heerlijk, en, dat is waar, als hij soms naar mijn voorkeur
vraagt op het gebied van juweelen, ik ben dol op rose diamanten!”
„Ik zal niet mankeeren, madame, hm, om er zijne hoogheid opmerkzaam op
te maken,” zeide de graaf met een diepe buiging.
En daarop bracht hij de kleine hand van de Variété-diva even aan de
lippen, en trippelde heen.
Hij daalde de trappen af, de groote hal door, en stapte, buitengekomen,
in de groote auto die hem wachtte, na den chauffeur een adres te hebben
opgegeven.
De fraaie wagen reed naar de Victoria Street en stond stil voor een
hoekhuis.
De graaf stapte uit, liep de zijstraat in, en ging het huis binnen,
waarvan hij de zijdeur opende met een sleutel, dien hij bij zich droeg.
Hij liep haastig een trap op, en opende de deur van een kamer op de
eerste verdieping.
En daar vond hij Charly Brand, die zich den tijd met lezen verdreven
had, en nu haastig opsprong, om hem tegemoet te gaan.
De zoogenaamde graaf was John Raffles in eigen persoon!
HOOFDSTUK V.
DE PRINS WORDT IN GENADE AANGENOMEN.
„Is alles goedgegaan, Edward?” was de eerste vraag van den jongen man,
toen Raffles had plaats genomen.
„Zij liep er hals over kop in! Het kon niet mooier! Die jonge dame is
een ware haai, gulzig en vraatzuchtig als het op geld en juweelen
aankomt!”
„Maar slikte zij het goedmoedig, dat er des avonds, in een hotel nog
wel, een prins van den bloede bij haar op bezoek zou komen?”
„O, zij is immers in het geheel niet op de hoogte van onze toestanden
en acht dit blijkbaar heel gewoon! Zij herinnert zich, dat de Russische
grootvorsten minnaressen bij dozijnen hadden onder de dames artisten,
en zij denkt dat zooiets hier natuurlijk ook wel het geval zal zijn. En
natuurlijk neemt zij den prins maar als noodhulp! Door hem denkt zij
denkelijk den kroonprins in haar netten te lokken! Ja, onze lieve
schoone heeft bepaald eergevoel. Zij stelt haar eischen hoog, dat is
zeker!”
„En, je blijft er bij, dat ik de gevaarlijke rol van den prins zal
spelen?”
„Natuurlijk! Je bent er als het ware voor geknipt! Alleen ben je iets
minder lang dan de prins, maar je hebt zijn bruine oogen, zijn blond
haar, dat je op dezelfde wijze draagt, zijn gave, witte tanden, en de
rest kunnen wij wel genoegzaam veranderen. Vergeet ook niet, dat zij
den prins natuurlijk niet kent, of hoogstens van een paar onbeduidende
kieken in de bladen! Wanneer je nu maar wat hooghartig doet, en mij met
genadige minzaamheid aanspreekt, dan zal zij alles voor zoete koek
slikken.”
„En wien stel jij nu eigenlijk voor, of is die graaf Colebrooke louter
fantasie?”
„Om den drommel niet! De man bestaat en is inderdaad een vertrouwd
vriend van den prins! Alleen betwijfel ik, of hij zich in werkelijkheid
wel zou leenen tot de rol van „koppelaar”, zooals de schoone Marja mij
noemde!”
„En wanneer moet dat alles gebeuren?”
„Morgen reeds. Zij brandt letterlijk van ongeduld, om den armen prins
zoo gedecideerd mogelijk leeg te plunderen! Je mag tenminste wel wat
diamanten in je vestzakje steken, bij wijze van introductie!”
„Dat is nu alles goed en wel, maar je laat mij nu een rol spelen, die
mij eigenlijk maar half aanstaat! Om den teederen minnaar uit te
hangen, dat bevalt mij maar half!”
„Je behoeft bij dien eersten keer volstrekt niet zoo teeder te zijn,
tenzij Marja zelve haast achter de zaak zet! Je gedraagt je dus
aanvankelijk een weinig op een afstand, dat zou de echte prins
natuurlijk ook gedaan hebben, verondersteld, dat hij de jonge vrouw
inderdaad op deze wijze zou bezoeken!”
„Maar je blijft toch hoop ik, bij mij?” vroeg Charly op benauwden toon.
„Mijn waarde, je vraagt dat op een toon, alsof ik je noodzaak, met een
tooverkol het spel van liefde en hartstocht te spelen! Was jij zelf
niet de eerste, die mij opmerkzaam maakte op haar groote schoonheid, en
zelfs verontwaardigd was, dat ik niet dadelijk je geestdrift deelde?”
„Oho! Dat is iets anders, dan maar aanstonds in gloeiende liefde
ontbranden!”
„Dat raakt mij trouwens niet! Als je maar doet, alsof je vuur en vlam
voor haar bent! Trouwens, ik denk, dat er na de eerste zitting geen
tweede noodig zal zijn. En ga nu mede, want wij hebben nog tamelijk
veel te doen, voor alles gereed is!”
De beide mannen verlieten het huis weder, hetwelk Raffles reeds jaren
geleden gekocht het teneinde hem te dienen als plaats waar zij zich
gemakkelijk en onbespied verkleeden konden, en namen in de auto plaats,
maar niet, dan nadat Raffles snel weder zijn vermomming afgelegd had.
Het was immers niet geheel en al onmogelijk, dat men in dit gedeelte
van Londen den echten graaf Colebrooke zou tegenkomen, met zeer
onaangename gevolgen voor den nagemaakten, wanneer deze zich niet ten
snelste uit de voeten maakte.
De rest van den dag en de helft van den volgenden dag ging voorbij met
het maken van de noodige toebereidselen.
Om één uur zond Raffles een kruier naar Marja Ivy, met een zoogenaamd
door graaf Colebrooke geschreven briefje, waarin hij haar mededeelde,
dat de prins dienzelfden avond het genoegen hoopte te smaken, haar in
het hotel een visite te komen maken.
Hij zou precies om acht uur zijn intrede doen, daar hij wel wist, dat
de diva uiterlijk om negen uur het hotel zou moeten verlaten teneinde
zich naar den schouwburg te begeven.
Om zes uur begon Charly zich met groote zorg te grimeeren, daarbij
eenigen der beste portretten van prins George tot model nemend.
Ook Raffles legde opnieuw zijn voortreffelijke vermomming als graaf
Colebrooke aan.
Dit geschiedde weder in het huis aan de Victoria-Street, en daar zouden
de beide mannen ook het eenvoudige middagmaal nuttigen, door Charly
bereid, die sterk ontwikkelde cullinairische talenten bezat.
Om half acht kwam Henderson met de groote auto voorrijden, en juist om
acht uur stapten beide vrienden de groote hal van het hotel binnen.
Onmiddellijk bleek het hun, hoe voortreffelijk hun vermomming geslaagd
was, want de gerant kwam dadelijk verbluft en onderdanig toeloopen,
buigend en handen wrijvend.
Charly nam hem terstond terzijde en zeide op zachten toon, met een in
de perfectie nagebootste stem:
„Luister eens, mijn waarde gerant, geen ruchtbaarheid als ik u
verzoeken mag, ik kom eenvoudig een uwer gasten een kort bezoek
brengen, maar incognito. In streng incognito, denk er om!”
„Uwe Hoogheid natuurlijk, dat spreekt vanzelf!” stamelde de gerant.
„Alles zal geschieden zoo als Uwe Hoogheid het wenscht! Mag ik, u
begrijpt, dat het geen nieuwsgierigheid is, mag ik den naam weten van
den gast, opdat wij dien kunnen waarschuwen, en gij geen seconde
behoeft te wachten?”
„Het is geen mannelijke gast, mijn waarde!” antwoordde de gewaande
prins glimlachend, „het is een dame!”
De gerant trok dadelijk een plechtig gezicht, en keek tegelijkertijd
snel om zich heen, teneinde zich te vergewissen, dat niemand de woorden
van den prins gehoord had.
Hij liet zijn stem dalen en zeide eerbiedig:
„Wij zullen zorg dragen, dat uw bezoek onopgemerkt blijft!”
„Dat hoop ik, en dat verwacht ik ook! Wees zoo goed, mij de kamers aan
te wijzen, maar dat is waar ook, gij kent de ligging, waarde graaf!”
zoo wendde hij zich tot Raffles, die met uitgestreken gelaat op den
achtergrond was gebleven en er uitzag, alsof hij deze escapade van zijn
hoogen meester maar half goed keurde.
Nu trad hij haastig naar voren en zeide:
„Ik, hm, ben inderdaad op de hoogte, Uwe Hoogheid! Als ik u dan maar
zal voorgaan, maar ik zal de dame in kwestie toch even waarschuwen!”
„Volstrekt niet noodig, mijn waarde!” hernam de prins vroolijk. „Laat
het een verrassing blijven, dan kan ik het beste zien, welken indruk ik
maak!”
De gewaande prins knikte den buigenden gerant genadig toe, en ging
daarop met zijn adjudant de breede trappen op.
Daar het diner in de groote zaal nog niet geheel beëindigd was, waren
slechts enkele gasten getuige geweest van het korte tooneeltje, en
bovendien had niemand kunnen verstaan wat er gesproken was.
Dat de prins hier in dat deftige hotel een bezoek kwam brengen, werd op
zich zelf niets bijzonders gevonden, zoo iets kwam herhaaldelijk voor.
De Engelsche prinsen waren zoo vrij als vogeltjes in de lucht,
natuurlijk binnen zekere grenzen.
Raffles geleidde Charly naar de deur, terwijl een kellner in de
voorhoede ging, die nog snel door de gerant was vooruit gezonden.
De man klopte aan, het kamerkatje opende de deur, en verdween snel
weder, om het hooge bezoek aan te kondigen.
Een oogenblik later traden de beide mannen binnen.
Raffles had nog juist gelegenheid gehad, op zachten toon tot Charly te
zeggen: