„Hij sloeg graaf Carwood om de ooren!”
„Wat zegt gij daar?” riep Sullivan in de grootste verwondering uit.
„Deed hij dat in het bijzijn van den prins?”
„Ja! En de arme stakker had den dag te voren al een oorveeg op de
andere wang gekregen van een fotograaf, die opnamen kwam maken!”
„Dat is kras!” mompelde Sullivan half luid voor zich heen. „Dat is
bepaald niet geheel en al in den haak!”
Hij verviel in gepeins en nu vroeg Miss Evans:
„Vond Zijne Hoogheid dat maar goed, dat in zijn tegenwoordigheid de
eene graaf den ander oorveegde?”
„O neen, graaf Colebrooke kreeg een leelijken uitbrander!” antwoordde
Marja Ivy.
„Hoe kwam het eigenlijk?”
„Graaf Carwood had graaf Colebrooke beleedigd!”
„Waardoor?”
„Hij had hem voor de voeten geworpen, dat hij deze samenkomst had
bewerkt!”
„En bleef het daarbij?”
„Neen, de geslagene daagde graaf Colebrooke uit!”
„En nam die het aan?”
„Op slag!”
„Kras!” mompelde nu ook Miss Evans. „De oude man kan ternauwernood zijn
wandelstok vasthouden!”
„Nu, ik verzeker u, dat de slag aankwam!” riep Marja uit. „De vloer
dreunde er van! Als die oude heer even goed schermt als hij muilperen
uitdeelt, dan staan graaf Carwood eenige onaangename oogenblikken te
wachten!”
„Nu, het schijnt hier eigenaardig te zijn toegegaan, dat is zeker,”
hernam Sullivan, die uit zijn gepeins ontwaakt was. „En ik zeg u nog
eens, hier is iets niet in den haak!”
HOOFDSTUK VII.
LIEFDE EN RECLAME.
De detective was het boudoir binnengetreden en bekeek nu zorgvuldig
alle deuren achtereenvolgens na.
„Waren de deuren dicht, toen het hooge bezoek kwam?” vroeg hij.
„Neen, ik weet heel zeker van niet!” antwoordde Mirza, het kamermeisje.
„Dan heeft de graaf ze dus op slot gedaan,” zeide Sullivan. „Dat is van
belang, Miss Dorrit.”
„Ja, er blijkt in ieder geval duidelijk uit, dat de deuren van binnen
gesloten zijn door iemand, die de vertrekken door de ontvangkamer van
madame Ivy weder heeft verlaten, op de gewone manier. Dat zou er dus
voor pleiten, dat de graaf inderdaad de dief is geweest!”
„Goed geredeneerd!” riep Sullivan uit. „Zoo is het! De sleutels zitten
alle aan de binnenzijde. Alleen de deur naar het ontvangvertrek is
open.”
De detective liep langzaam door het vertrek, en bekeek nauwkeurig de
verschillende doozen.
„Hield gij er geen bepaald juweelenkistje op na, madame?” zoo wendde
hij zich opnieuw tot de diva, die zenuwachtig zijn gangen volgde.
„Ik heb er wel een, maar ik ben wat slordig uitgevallen, ik leg altijd
alles door elkaar! De juweelen lagen hier en daar, overal!”
„En het geldkistje?”
„Dat was goed gesloten en stond in die kast, op den grond, ik vond het
geopend terug. En nu wilde ik u wel vragen, of gij het zonder mij kunt
stellen, mijnheer, ik ben over mijn tijd vrees ik, en de directie zal
misschien niet als verontschuldiging laten gelden, dat ik bestolen ben,
en een hooge boete eischen!”
„Nog slechts en enkele vraag, madame, en dan zal ik de rest wel met uw
kamermeisje bespreken.
„Welke taal sprak de prins met u?”
„Wel Fransch! En hij sprak het uitstekend!”
„Dan heeft hij het in enkele dagen geleerd, madame!” zeide Sullivan
ironisch, „want tot op eergisteren verstond hij geen woord Fransch zoo
groot als een huis!”
„Wat, wat wilt gij zeggen,” stamelde de diva, terwijl zij verbleekte en
zich aan een tafel moest vasthouden.
„Ik wil zeggen, dat ik sterk vermoed, dat uw prins een heel gewone, of
liever een buitengewone bedrieger is geweest, evenals zijn zoogenaamde
adjudant. Prins George kent geen Fransch, hoogstens een paar
beleefdheidsformules! Maar wij kunnen ons spoedig genoeg overtuigen!”
Hij ging het ontvangvertrek weder binnen, nam de telefoon van den haak,
en stelde zich in verbinding met het koninklijk paleis.
Deze verbinding werd, zooals bij alle groote hotels bewerkstelligd door
de Hotel Centrale, die door een zestal jonge meisjes werd bediend.
Aan het andere einde van de lijn stond een kamerbediende van den prins
hem te woord.
De detective sprak gedurende eenige minuten, en hing toen met een
uitdrukking van de grootste verbazing het toestel weder op.
„Dat is het merkwaardigste, wat ik nog ooit beleefd heb, madame!” zeide
hij, terwijl hij het boudoir weder binnentrad. „De kamerdienaar van den
prins zegt mij zooeven, dat Zijne Hoogheid inderdaad is uitgegaan tegen
negen uur, om hier een bezoek aan u te brengen! En die man is in alle
intieme geheimen van zijn meester! Ik sta hier voor een raadsel,
tenzij....”
Hij voltooide den zin niet, maar hernam:
„Ik wil u niet langer van uw werk afhouden, madame! Het overige verneem
ik wel van het personeel. Ik hoop echter, dat gij dadelijk nadat uw
nummer afgeloopen is, hier weder terug keert!”
„Daar kunt gij op rekenen, mijnheer!” zeide Marja, die reeds haar
mantel had aangetrokken en haar hoed had opgezet. „Al zou ik er den
geheelen nacht voor moeten opblijven, mijn juweelen moeten en zullen
mij teruggegeven worden!”
En met die woorden ruischte zij het vertrek uit.
Sullivan keek haar met een half spottend, half medelijdend lachje op
zijn schrander gezicht na, en wendde zich toen tot Dorrit Evans met de
opmerking:
„Ik geloof dat madame Ivy zich dat een weinig al te gemakkelijk
voorstelt! Wij hebben hier blijkbaar met een uiterst handigen bedrieger
te doen, of zij en het kamermeisje moeten zich vergissen, en graaf
Colebrooke had niets met het geval te doen. Maar dan blijft het raadsel
van de Fransche taal! De prins is echter hier geweest, dat staat nu wel
vast! Hij schijnt dus binnen korten tijd de Fransche taal machtig te
zijn geworden, of hij heeft zijn kennis van de taal van Voltaire altijd
geheim gehouden! Hoe het ook zij, zijn aanwezigheid hier staat vast.
Blijft over de graaf. Is hij de authentieke graaf Colebrooke geweest?
Als hij de man was, die de juweelen stal, dan is dat zoo goed als
buiten gesloten, tenzij hij eensklaps cleptomaan is geworden, en
zooiets zullen wij nu maar niet aannemen! De graaf is schatrijk, een
der rijkste mannen van Londen, misschien wel van geheel Engeland!”
„Dat kan niet waar zijn, mijnheer!” liet nu eensklaps de stem van Mirza
zich hooren. „Pas gisteren verklaarde de graaf, dat hij op zwart zaad
zat, en dat hij er daarom werk van maakte, den prins aan een of ander
avontuurtje te helpen!”
Vol verbazing staarden Sullivan en Miss Evans elkander aan.
Toen barstte de detective uit:
„Dan is die man stellig een bedrieger geweest! Hoe hij zich bij den
prins heeft weten in te dringen, is mij een raadsel, maar ik acht in
geheel Londen maar een enkelen man in staat, zooiets te wagen! Zijn
naam behoef ik u zeker niet te noemen, Miss Dorrit!”
„Neen, die is bekend genoeg!” zeide het jonge meisje met opeengeklemde
tanden. „Dus, hij zou hier weer achter zitten, denkt gij?”
„Dat zou mij althans in het minst niet verwonderen! Het is juist iets
voor Raffles!”
„Maar telefoneer dan even naar het huis van graaf Colebrooke! Misschien
kan hij zelf of zijn kamerbediende inlichtingen geven!”
„Gij hebt gelijk, Miss Dorrit!” riep Sullivan uit.
Hij snelde het andere vertrek weder binnen, en liet zich door de
hotelcentrale verbinden met het prachtige woonhuis van graaf Colebrooke
aan de Mall gelegen.
Tien minuten later trad hij weder binnen.
Zijn gelaat stond strak en nog nimmer had zijn leerlinge er zulk een
grenzelooze verwondering op afgeteekend gezien.
„Wat is er?” vroeg zij nieuwsgierig.
„Wat er is? Wel, de graaf is hier geweest, met den prins, zegt zijn
kamerbediende mij!”
„Daar houdt alles bij op!” kreet Dorrit Evans. „Dat is toch bijna
onmogelijk! Was de graaf zelf niet thuis?”
„Neen, hij was om half negen uitgegaan. Dat klopt dus. Maar het klopt
niet, dat een man als hij bij een variété-mamsel diamanten steelt! Voor
den drommel, wat heeft dat alles te beteekenen?”
Hij stond lang in gedachten en haalde toen de schouders op.
„Wij zullen het later wel uitvinden,” zeide hij. „Misschien is de graaf
totaal onschuldig en moeten wij de daders heel ergens anders zoeken,
onder het hotelpersoneel bijvoorbeeld. Kom, laten wij maar dadelijk
eens op onderzoek uitgaan!”
En nu begon de detective met een van die stelselmatig gevoerde
onderzoekingen, waardoor hij zich zulk een grooten naam bij
Scotland-Yard had weten te verwerven.
Maar na anderhalf uur moest hij bekennen, dat hij nog even ver was als
bij het begin, het was zoo goed als ondenkbaar, dat iemand van het
personeel den diefstal had kunnen plegen, daar alle gangdeuren immers
goed gesloten werden gevonden!
Juist toen Sullivan en Miss Evans weder in het boudoir terug waren
gekeerd, trad Marja weder binnen.
Of beter gezegd, zij viel, zij struikelde de kamer in, en liet zich,
woedend met de voeten trappelend, op een sofa vallen, na haar hoed met
een woest gebaar van het hoofd te hebben gerukt!
„Bedrogen! Voor den gek gehouden door een paar ellendelingen!” kreet
zij eindelijk.
„Zoudt gij ons niet eens willen zeggen, wat er eigenlijk gebeurd is,
madame?” vroeg Sullivan, die begreep, dat er iets ernstigs moest zijn
voorgevallen.
Marja was met een ruk overeind en schreeuwde, terwijl haar zwarte oogen
vlamden:
„Prins George en graaf Colebrooke waren in het Hypodrome-Theater.”
„Wat!” riepen Sullivan en Evans tegelijk, die hun ooren niet geloofden.
„Allebei?”
„Allebei, en sedert acht uur! De Prins zat in zijn loge! Gij kunt u
begrijpen, wat er in mij omging, toen ik het hoorde! Ik weet nog niet,
hoe ik er in geslaagd ben, mijn liedjes teneinde te zingen! Ik stuurde
iemand met een beleefd briefje naar hem toe, om hem te vragen, of hij
werkelijk den geheelen avond in den schouwburg was geweest, omdat het
voor mij van groot belang was, dit te weten, en toen kwam graaf
Colebrooke zelf achter, een stijve, houten Klaas, die mij zeide, dat de
prins en hij inderdaad den geheelen avond in hun loge hadden gezeten!
Dus, die beide mannen zijn bedriegers geweest! O, ik zal mij wreken!”
„Maar dan.... de telefoon!” schreeuwde Sullivan woedend.
„Zij hebben voorzien, dat er navraag zou worden gedaan,” zeide Dorrit
schouderophalend, „en op het dak van een van Raffles’ huizen, waarover
de draden van hier naar de telefooncentrale loopen, hebben zij den
draad afgetapt en u zelf antwoord gegeven!”
„Drie dubbele ezel die ik ben,” schreeuwde Sullivan, bijna stikkend van
woede, „ja, zoo moet het gegaan zijn! Ik had het moeten weten! Maar nog
is alles niet verloren!”
Hij wendde zich tot Mirza, die nog altijd bleek en bevend bij haar
meesteres stond en vervolgde haastig:
„Hebt gij mij niet gesproken over een duel, zooeven?”
„Ja, mijnheer, graaf Colebrooke wilde met graaf Carwood duelleeren!”
„Spraken de heeren niet over de plek, waar zij zouden vechten?”
„Neen, daarvan heb ik niets gehoord!”
Sullivan uitte een gesmoorden vloek, en gromde tusschen de tanden:
„Dat is dus ook al mis! Anders had ik hem op de plek der samenkomst
laten arresteeren! Hij is in staat, inderdaad den graaf een kleinen
prik te geven!”
Maar nu riep Dorrit Evans opeens uit:
„Als wij eens naar graaf Carwood gingen! Hij kan ons immers zeggen,
waar het tweegevecht zal plaats hebben?”
„Miss Dorrit, gij hebt alweder gelijk, en ik geloof, dat de woede mijn
denkvermogen benevelt!” riep Sullivan vol geestdrift. „Het is reeds
zeer laat, maar dat doet er niet toe, laten wij dadelijk naar het huis
van den graaf gaan! Gij weet zeker zijn adres?” zoo wendde hij zich tot
de variété-danseres, die er over zat na te denken, hoe zij ondanks
alles nog de reclametrom zou kunnen roeren.
„Grosvenor Road 76!” antwoordde de jonge vrouw toonloos.
„Dat is een heel eind van hier,” zeide Sullivan. „Maar wij mogen niet
aarzelen! Kom mede, Miss Dorrit! Wij hebben hier voorloopig niets meer
te doen! Wij gaan op jacht naar de dieven!”
„Als gij mijn juweelen maar terug brengt!” riep Marja uit. „De dieven
boezemen mij minder belang in!”
„Dan verschillen wij daaromtrent van meening, madame!” gaf Sullivan ten
antwoord. „Het beste zou echter zijn, wanneer wij én de juweelen én de
dieven konden vangen!”
Een haastige buiging voor de artiste en de beide detectives verlieten
snel het vertrek.
Voor het breede trottoir stond nog de politieauto te wachten, die hen
hier had gebracht.
Het was toen half een in den nacht.
Sullivan gaf den chauffeur het adres van graaf Carwood op, en de auto
stelde zich in beweging.
Na een rit van een half uur hield de auto stil voor een fraai huis, dat
geheel in duisternis gedompeld was.
Sullivan moest herhaalde malen bellen, eer de deur werd geopend door
een slaperigen bediende, die hem alles behalve vriendelijk ontving.
Sullivan maakte zijn kwaliteit bekend en gaf het verlangen te kennen,
dadelijk bij den graaf te worden toegelaten!
„Maar de graaf slaapt reeds en hij is onwel!” riep de bediende uit.
„Wij zullen hem slechts enkele minuten ophouden!” drong Dorrit aan.
„Het betreft een zaak van het grootste gewicht!”
De bediende haalde de schouders op, maar hij ging toch de bezoekers
voor, de breede trap op, en langs een groot portaal, tot hij stil stond
voor een deur, waarop hij eenige malen luid klopte.
Eindelijk klonk daarbinnen een zwakke stem, die op klagenden toon riep:
„Wat is er toch? Wat wilt gij? Ik wil met rust worden gelaten!”
„Politie!” riep Sullivan met luide stem. „Een dringende zaak! Ik
verzoek u vriendelijk, mij dadelijk even te willen ontvangen.”
„Maar wat is er dan toch aan de hand?” hernam de vragende stem. „Ik ben
werkelijk niet in een toestand om mij te vertoonen!”
„Wij zullen u niet lang ophouden, graaf!” riep nu Dorrit Evans.
„Mijn hemel, zijn er dames ook nog?” klonk de stem aan den anderen kant
van de deur verschrikt. „Die moeten dadelijk vertrekken!”
„Ik ga al, graaf!” hernam de jonge detective lachend.
Pas toen het gerucht van haar voetstappen was weggestorven, werd de
deur van de slaapkamer heel langzaam op een kier geopend en daar
verscheen graaf Carwood, in een zijden pyjama.
Dat hij het was, kon men echter slechts vermoeden, want zijn gezicht
was bijna geheel in een verband gehuld en uit den vorm daarvan bleek
duidelijk, dat allebei zijn wangen deerlijk waren opgezet.
Ondanks den toestand kon Sullivan een glimlach niet weerhouden.
De graaf zag er dan ook uit als een figuur uit een kluchtspel, zooals
hij daar stond in zijn pyjama, het tipje van zijn neus en een klein
gedeelte van zijn mond even zichtbaar, bibberend en bleek.
„Neem me niet kwalijk als ik aanstonds met de deur in het huis val,
graaf,” begon Sullivan. „Ik weet van uw tweegevecht af, ik kom u
slechts vragen, waar en wanneer het plaats heeft! De zoogenaamde prins
George, zoowel als graaf Colebrooke waren bedriegers en ik wil hen
arresteeren!”
„Dat heb ik al voor u geweten, meneer de detective!” jammerde graaf
Carwood op hartverscheurenden toon. „Dat is juist mijn ongeluk
geworden! Luister, dan zal ik het u mededeelen.”
Hij wenkte Sullivan om binnen te komen, liet zich in een gemakkelijken
stoel vallen en begon toen met haperende stem:
„Als gij van het tweegevecht afweet, dan moet gij ook weten, op welk
een schandelijke wijze ik gisteren behandeld ben door een fotograaf,
dien ik bij Marja Ivy, de danseres aantrof! Die kerel had de
onbeschaamdheid mij een muilpeer te geven, meneer! Een muilpeer aan
mij, de spruit van een geslacht, dat zijn oorsprong tot in het begin
van de veertiende eeuw kan nawijzen! Gij zoudt het niet gelooven, maar
hedenavond kreeg ik in die zelfde kamer op de andere wang een tweede
oorveeg, ditmaal van graaf Colebrooke! Ik ging heen in een toestand,
dien gij u wel kunt voorstellen, en met de verklaring, dat ik nog
hedenavond zijn getuigen zou wachten. Maar denk u in mijn toestand,
toen ik mij naar het Hypodrome-Theater liet rijden, waar ik Marja
hoopte te spreken, om vrede met haar te sluiten, en daar prins George
en graaf Colebrooke in hun loge zag zitten! Ik vertrouwde mijn oogen
niet, vervoegde mij dadelijk bij Zijne Hoogheid en vernam daar den
samenhang van het geheele treurspel. Ik moest het slachtoffer zijn
geworden van een laaghartig bedrog en ik liet mij dadelijk weder naar
huis brengen om de schuldigen te ontmaskeren! Helaas, helaas, had ik er
maar aan gedacht om een paar stevige politieagenten mede te brengen!”
De graaf wiegde eenige malen in zijn gemakkelijken stoel heen en weder
als een gewonde ijsbeer en vervolgde toen:
„Ik was nauwelijks thuis, of de getuigen kwamen opdagen, en ik wist nu
natuurlijk, dat zij de handlangers waren van een paar bedriegers! Ik
zeide hun dat er onder deze omstandigheden van dit tweegevecht niets
kon komen, want dat ik natuurlijk niet met Jan Rap en zijn maat kon
vechten, en weet gij, wat zij toen deden?”
„Ik ben er benieuwd naar, graaf!” zeide Sullivan, die zich weliswaar
zeer teleurgesteld gevoelde over de mislukking van zijn plan, maar toch
een glimlach onmogelijk kon bedwingen.
„Zij betreurden het, dat er van het duel niets kon komen, zeiden zij en
daarop gaven zij mij ieder een muilpeer, meneer, de eene op de linker,
de ander op de rechterwang! Zoodat ik van dit alles het slachtoffer
ben!”
En ineens uitte de ongelukkige graaf een jammerklacht, was in een wip
overeind, ijlde met de vlugheid van een haas op zijn bed toe, en dook
met onbegrijpelijke vlugheid onder de dekens.
En zoo eindigde voor hem het avontuur met de Poolsche Variété-diva.