LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 348 DE VARIÉTÉ-STER.
DE VARIÉTÉ-STER.
HOOFDSTUK I.
MARJA IVY.
Ofschoon het Londensche seizoen eigenlijk reeds teneinde was, en de
meeste bewoners der wereldstad, die het konden betalen en er
gelegenheid toe hadden, reeds de stad waren ontvlucht teneinde zich
naar een of andere badplaats of hun villa in de bergen te begeven, was
het groote Hypodrome-Theater aan het Piccadilly Circus gelegen zeer
goed bezet.
Intusschen waren er heel wat vreemdelingen onder de bezoekers, die de
duurdere rangen vulden.
De meeste heeren, tenminste voor zoover zij een dure plaats innamen,
waren in rok gekleed, de dames in avondtoilet.
In een loge van den eersten rang zaten twee heeren, naar wie reeds
menigeen den blik had gewend.
De eene had een lange, gespierde gestalte en een energiek gelaat, met
scherp geteekende trekken, en doordringende staalgrijze oogen.
Van de Londenaren, die daar zaten, zou zeker een derde deel wel hebben
kunnen zeggen wie dat was, Lord William Aberdeen, de bekende
philantroop.
Naast hem was zijn secretaris, Charly Brand gezeten, die in alles van
hem verschilde, hij was vrij wat kleiner, blond met een blozend,
opgewekt gelaat, waarin twee groote, helder blauwe oogen schitterden.
Ook was hij zeer goed bekend bij de leden van de „Upper ten”, want hij
vergezelde Lord Aberdeen bijna steeds en overal, en men wist, dat aan
den jongen man de zware taak was opgedragen, het vermogen van zijn
meester te beheeren, en de giften te regelen, welke Lord Aberdeen op
geregelde tijden aan talrijke instellingen van liefdadigheid of van
algemeen nut placht te schenken. Hij vergezelde hem steeds, als hij
door de ellendige buurten van de reusachtige wereldstad trok, om daar
onderzoek te doen naar personen die buiten hun schuld nooddruftig waren
geworden.
Ja, als Lord Aberdeen kende al deze deftig gekleede weldoorvoede rijken
den man die daar achterover leunde in zijn gemakkelijke fauteuil en met
afgetrokken blik naar het tooneel keek, waar juist twee excentrics
bezig waren, hunne ledematen op de onmogelijkste wijze te verrekken en
toch kenden zij niet de ware persoon, want onder het uiterlijk van den
onbekenden philantroop verborg zich een persoon wiens naam alleen hen
met schrik zou vervullen, John Raffles.
Inderdaad, daar zat de Gentleman-Inbreker, de langgezochte tegenstander
van Scotland-Yard, op wiens hoofd nog altijd sinds lange jaren reeds
een premie van duizend pond sterling was gesteld, zoo gerust en zoo op
zijn gemak alsof hij nog nooit iets te maken had gehad met de
speurhonden uit de Downingstreet, met den befaamden detective James
Sullivan of met den hoofdinspecteur Phileas Baxter, die reeds niet kon
slapen, als men driemaal achter elkaar den naam van den gevreesden
inbreker in zijn tegenwoordigheid uitsprak.
Lord Aberdeen schonk ontegenzeggelijk groote bedragen weg, en toch
zonken zij het in niet naast de reusachtige sommen, welke hij in het
geheel onder een geheel anderen naam besteedde aan het lenigen van
armoede en ellende, wanneer hem die slechts ter oore kwamen, aan het
herstellen van gepleegd onrecht en aan het steunen van talentvolle maar
onbemiddelde jongelieden.
Niet zonder moeite had Charly Brand dien avond zijn trouwen vriend
overgehaald hem naar het Hypodrome-Theater te vergezellen, want Raffles
bevond zich in een van die buien, waarin het hem walgde, zich onder het
publiek te moeten begeven en hij veel liever naar zijn geliefkoosde
viool greep, en aan het prachtige instrument klanken ontlokte, die diep
ontroerden.
Maar eindelijk had hij toch toegegeven, de prachtige blauwgelakte
limousine was komen voorrijden, en Henderson de chauffeur, die aan
menig avontuur van den Grooten Onbekende een levendig aandeel had
genomen, had hen naar het groote Variété-Gebouw gebracht.
Aanvankelijk had Raffles niet veel acht geslagen op hetgeen er op het
tooneel gebeurde, en pas een paar werkelijk voortreffelijke
kunststukken hadden een weinig zijn belangstelling weten te trekken.
Nu daalde het scherm, het publiek applaudiseerde, de beide excentrics
kwamen nog eens buigen, en toen stond Raffles op, en zeide op zachten
toon:
„Neem het mij niet kwalijk, Charly, maar voor van avond heb ik mijn
portie al weder beet! Ik geloof niet dat ik den moed heb ook de nummers
na de pauze nog te hooren of te zien. Er komt nog een goochelaar en ik
ben zelf niet geheel en al onbedreven in de goochelkunst, dan komt er
nog een heer, die op zijn handen loopt, hetgeen ik voor een redelijk
wezen ontoelaatbaar acht. Dan komt er een dame met een basstem, zooals
het programma aangeeft, en ik vrees dat zij daarenboven ook nog een
baard zal hebben, hetgeen niet strookt met mijn opvatting betreffende
de leer der ethica.”
„Maar wacht dan tenminste tot de pauze aanbreekt!” kwam Charly. „Er is
nog maar één nummer.”
„Wat is het?” vroeg Raffles onwillig.
„Een danseres! Men spreekt buitengewoon veel over haar fraaie juweelen
en over het legertje minnaars die elkander zonder ophouden in haar
gunst opvolgen.”
„De stem en de minnares interesseeren mij niets, maar om de juweelen
wil ik dan nog wel een kwartier blijven!” zeide Raffles zuchtend,
terwijl hij zich weder in zijn fauteuil liet vallen en een versche
sigaret opstak.
Juist zette de muziek een slepende wals in, de zaal werd donker
gemaakt, het scherm rees, en, bestraald door twee schijnwerpers, kwam
daar een nog zeer jonge vrouw op het tooneel, die allereerst de
aandacht tot zich moest trekken omdat haar kleeding zich tot het
volstrekt onmisbare beperkte.
Zij kon hoogstens twee en twintig jaar zijn, en zij had een
fijnbesneden gezichtje waarin twee groote, donkere oogen schitterden.
Zij droeg een buitensporig kapsel, dat bestond in een gouden band, die
haar hoofd omsloot, en bezet was met fraaie diamanten. Die band hield
een groot aantal krachtige en zeer lange pauwenveeren bijeen, dicht
naast elkander geplaatst.
Zij had een soort tunica aan van witte, dunne zijde, zeer diep
uitgesneden, ver boven de dijen eindigend, en die om het middel werd
bijeen gehouden door een gordel van gouden schakels.
Een prachtige paarlen collier was om den blanken hals gelegd, en de
fraai gevormde armen waren omgeven door gouden braceletten.
Dat was Marja Ivy, de nieuwe ster aan den Variété-hemel, die reeds veel
opgang had gemaakt te Parijs, te Weenen, en te Rome, en welke algemeen
beschouwd werd als de evenknie van de befaamde Gaby Deslys, de
voormalige minnares van den ex-koning van Portugal, den jeugdigen
Manuel.
Ook in dit opzicht streefde Marja Ivy de wereld vermaarde Variété-diva
blijkbaar terzijde, want men fluisterde reeds nu heel wat namen van
hooggeplaatste heeren, aan wie de pas ontdekte ster haar gunsten had
geschonken.
Met den eersten blik had Charly gezien, dat de prestatie van Marja Ivy
bijzonder weinig om het lijf had, zij trippelde wat over het tooneel
heen en weder, zwaaide met haar beenen, liet haar pauwenveeren wuiven,
en zong met een dun stemmetje een Fransch liedje, dat niemand begreep,
hetgeen er trouwens voor den auteur zeer weinig op aan kwam.
De voornaamste attractie van de jonge vrouw moest blijkbaar gevonden
worden in haar fraaie lichaamsvormen, welke zij zoo weinig verborg.
Want mooi was zij inderdaad, Marja Ivy.
Charly wierp een schuinschen blik naar Raffles, om te zien welk een
indruk de Variété-danseres op hem maakte, en zag tot zijn verwondering,
dat Raffles met ingespannen aandacht naar de jonge vrouw tuurde.
Dat was zeker niet de gewoonte van den Gentleman-Inbreker.
Maar nu liet Raffles het instrument zakken, en boog zich naar Charly
over, om hem toe te fluisteren:
„Als ik schrijver was geloof ik dat ik hier een aardig onderwerp voor
een feuilleton had gevonden.”
„Hoe zoo?”
„Wel ik herken dat lieve wezentje daarginds heel goed! Haar schoonheid
frappeerde mij destijds, het is een dienstmeisje!”
„Wat vertel je me daar?” riep Charly bijna luidkeels uit, zoodat men in
de aangrenzende loge hem verwijtende blikken toewierp.
„Die mooie jonge vrouw daar op het tooneel: met haar verblindend witte
huid en haar fijn gezichtje zou een keukenmeisje zijn?”
„Pardon, laten wij elkander niet verkeerd verstaan, mijn waarde. Van
een keukenmeisje heb ik niet gerept, ik sprak van een dienstmeisje, en
dat is iets anders.”
„Keukenmeisje of dienstmeisje, houdt het mij ten goede, Edward, maar ik
zou er een lief ding onder durven verwedden, dat je je vergist!”
„Ik vergis mij niet, Charly!” hernam Raffles kalm. „Je kunt nu toch wel
weten dat mijn geheugen voor gezichten nog al sterk ontwikkeld is, en
zeker voor gezichten als dat daar! Je zult zelf moeten toegeven, dat
men het gezicht van de jonge vrouw niet zoo gemakkelijk zal vergeten,
als men het eenmaal gezien heeft.”
„Dat erken ik, en toch......”
„Als je mij niet wilt gelooven, Charly, dan kun je het haar mijnentwege
gaan vragen, ofschoon ik betwijfel, of zij het wel zou bekennen. Zij
heet inderdaad Sonja Malakoff, zij is een Lithausche en zij was nog
geen vol jaar geleden dienstmeisje bij een Poolsche familie welke ik te
Moldau bezocht. Ik herinner mij nu zeer goed, dat er destijds ook
lachend in den familiekring gesproken werd over de plannen van het
bevallige kind, dat volstrekt het voorbeeld wilde volgen van Gaby
Deslys, die naar je zult weten tot haar zestiende jaar eveneens
dienstmeisje geweest is, en wier ouders nederige arbeiders waren.”
„Wanneer je het met zooveel stelligheid zegt, Edward, dan moet ik je
natuurlijk gelooven,” zeide Charly. „Maar dan verbaast het mij toch
sterk.”
„Waarom eigenlijk? Vergeet niet dat je niet met een Londensch
dienstmeisje te doen hebt, maar met een Lithausche, dat wil zeggen met
een zeer schoon ras. Vergeet ook niet wat schmink en poeder kunnen
bewerkstelligen!”
„Maar de bewegingen, Edward, het geheele optreden, de wijze van loopen,
kan men dat aanleeren?”
„Dat kan men zeker, maar bovendien iedere Lithausche vrouw is van
nature gracieus en sierlijk in alles wat zij doet, en ik weet nog heel
goed dat ik, alleen uit een kunstzinnig oogpunt, dat verzeker ik je,
met bepaald welgevallen de sierlijke en ongedwongen bewegingen van dat
mooie dienstmeisje heb gade geslagen.”
Charly antwoordde niet maar volgde nu met nog meer aandacht de
bewegingen van de Variété-danseres, die met luchtige stapjes, het mooie
lichaam een weinig voor overgebogen, het gelaat naar het publiek
gewend, langs het voetlicht trippelde.
Toen mompelde hij voor zich heen:
„Als jij het zegt, dan moet ik het natuurlijk wel gelooven, maar ik
blijf het een wonder vinden! Dat zal echter zijn omdat ik het begrip
„dienstmeisje” wat al te zeer vereenzelvig met het begrip van trappen
dweilen, ramen zeemen, borden wasschen, en tegen de bakkersjongens
gillen. De schoone Poolsche schijnt dus niets van dat alles te hebben
gedaan, of, wanneer zij dat deed, dan deed zij het allerbevalligst,
gracieus, en met gedistingeerde gebaren. Nu, mij is het wel, en ik moet
toegeven, dat iemand in een jaar heel wat kan veranderen.”
Raffles had nog eenigen tijd naar de mooie, jonge vrouw gekeken, en
wendde zich toen tot Charly met de vraag:
„Is dit de eerste avond van haar optreden?”
„Ja, en ik herinner mij nu ook, dat de bladen vol hebben gestaan met
reclame artikelen, waaraan ik echter weinig aandacht heb gewijd, als ik
dat wel gedaan had, dan zou ik nu weten, hoe zij bijvoorbeeld aan dien
voorraad diamanten komt, die naar allen schijn echt zijn.”
„Geschenken, denk ik!” zeide Raffles droogjes. „Ik kan mij voorstellen
dat een rijk en galant man voor een goedgunstigen blik uit die schoone
oogen gaarne een snoer diamanten geeft. Apropos, als je de bladen nog
hebt, waarin die reclameberichtjes hebben gestaan, zoek ze dan nog eens
op, ik wil ze wel eens lezen.”
„Ik ben tot je dienst, Edward!” antwoordde Charly, en hij begreep, dat
er reeds een of ander plan door het hoofd van zijn vriend spookte met
betrekking tot het voormalige Lithauensche dienstmeisje.
Juist op dit oogenblik beëindigde Marja Ivy haar zang in een snerpenden
kreet, die het gelaat van Raffles pijnlijk deed vertrekken.
Toen het applaus bedaard was, merkte hij op:
„Ik denk, dat wij die pauwenveer als een soort embleem moeten
beschouwen, het mooie schepseltje wil er zeker mede te kennen geven,
dat zij even schoon is en even erbarmelijk schreeuwt als een pauw.”
„Ben je niet wat wreed voor haar?” vroeg Charly lachend.
„Dat weet ik niet, maar ik geloof wel, dat ik rechtvaardig ben! Zij
heeft—ik zie niet in, waarom ik er een geheim van zou maken—een stem
als een gebarsten kindertrompetje, en ik geloof dat de indruk van haar
verschijning nog grooter zou zijn als zij haar mond dichthield.”
„Waarom zingt ze eigenlijk in het Fransch?”
„Op die vraag kan ik je geen antwoord geven, maar het is zeker, dat ze
voor 99 procent van de bezoekers evengoed in haar moedertaal kon
zingen. Ik heb een paar malen het woord Amour hooren uitgillen en
evenzoo vele malen het woord Douleur en dat is alles! Het vermoeden
ligt dus voor de hand, dat het een minneliedje is geweest. Maar wie
vraagt daar naar, als hij zulke schouders en zulke diamanten ziet?”
Raffles was opnieuw opgestaan, en Charly drong nu niet langer aan om te
blijven, tot de pauze was aangebroken.
Reeds aan de plaatsing op het programma was het te zien, dat Marja Ivy,
hoe kort zij ook aan het tooneel was, al vrij wat in de melk had te
brokkelen, want ieder Variété-artist weet, dat het voorlaatste en het
laatste nummer voor de pauze, en in wat mindere mate het eerste nummer
daarna verreweg de beste van het programma zijn, wat betreft de
stemming en de aandacht van het publiek. Maar het laatste nummer voor
de pauze spant in ieder geval de kroon naar het oordeel van ervaren
Variété-menschen.
„Wat zullen wij doen?” vroeg Charly, toen de beide mannen de vestiaire
verlaten hadden, en de monumentale trap naar de vestibule afdaalden.
„Wij kunnen mijnentwege nog een uurtje naar de club gaan, en dan maar
naar huis, ik moet een weinig nadenken.”
„Nadenken over wat?”
„Over de combinatie Lithauensch dienstmeisje en diamanten!”
HOOFDSTUK II.
HET WEB WORDT GESPONNEN.
Den volgenden morgen wijdden de bladen tamelijk lange besprekingen aan
het nieuwe programma in het Hypodrome-Theater en het leeuwendeel
daarvan was geweest aan Marja Ivy, de pas ontdekte ster.
Maar Raffles was voldoende thuis in de wereld der journalistiek, om te
weten, dat verreweg de meeste van deze ophemelende artikelen niets
anders waren dan betaalde reclame, soms betaald in den vorm van groote
en dure advertenties.
Naar het scheen had de bevallige Variété-diva reeds aan eenige
reporters een interview toegestaan, en allen spraken vol bewondering en
lof over haar „sympathieke verschijning”, haar „weergalooze gratie”,
haar „teedere liefde voor haar ouders”, welke zij thans zoo gelukkig
was te kunnen onderhouden, en „haar juweelen”.
Toen Raffles dit alles gelezen had, schudde hij het hoofd en bromde
voor zich heen:
„Merkwaardig, een zeer zeldzaam verschijnsel. Die liefde voor haar
ouders is werkelijk treffend, een jaar geleden was haar moeder al dood
en haar vader was een dronkelap die haar ranselde, en wien zij met
hetzelfde argument beantwoordde. Zij beklaagde zich steeds bitterder
over den kerel, en peinsde dag en nacht op de beste methode om van den
oorsprong van haar dagen af te komen, op een fatsoenlijke of een
onfatsoenlijke manier.”
„Deksels, dan is dat lieve kind geen katje geweest om zonder
handschoenen aan te pakken,” riep Charly uit, die deze opmerking te
hooren kreeg, toen de beide vrienden tegenover elkander zaten in de
kleine eetzaal van het fraaie huis hetwelk Lord Aberdeen bewoonde in de
Regentstreet. „Zij vocht dus met haar vader?”
„O, men kan het geen vechten noemen,” zeide Raffles vergoelijkend. „Zij
wierp hem slechts van tijd tot tijd een bijl naar het hoofd, waarmede
zij gewend was hout te kloven, of spande een ijzerdraad op een voet
hoogte tusschen de deurposten, tegen den tijd dat hij beschonken naar
huis kwam wankelen.”
„Maar lieve hemel, dan was het een boosaardig schepsel,” riep Charly
verschrikt uit.
„Toch niet, tenminste niet boosaardiger, dan iedere vrouw over het
algemeen,” vervolgde Raffles kalm. „Vergeet niet, dat wij in Lithauen
zijn, dat zij van hartstochtelijk Slavisch bloed is, en dat men
daarginds een anderen maatstaf aan legt dan in ons land van mist en
regen.”
„Maar hoe weet je dat dan toch allemaal?”
„Wel, omdat zij het zelf heel vaak als een goede grap kwam vertellen,
terwijl zij bij het middagmaal bediende. Ik heb haar zelfs wel eens
tranen zien lachen, toen zij verhaalde hoe zij haar vader met een bijl
in zijn voet had geraakt, en daarbij ronddanste als een beer op de
kermis, en dat deed zij dan heel plastisch na.”
„Nu, over de kinderliefde heerschen daar naar het schijnt nog al
eigenaardige opvattingen,” zeide Charly schouderophalend. „In ieder
geval schijnt het niet heel en al juist te zijn, wat de heeren
reporters beweren betreffende die teedere liefde jegens hare ouders.”
„Neen, het strookt inderdaad niet geheel en al met de waarheid!”
beaamde Raffles, met een ironisch glimlachje. „Maar het staat goed, en
het omgeeft de jonge vrouw met een aureool van sympathie. Denk eens
aan, een gevierde, op de handen gedragen, Variété-artiste die iedere
week een deel van de zuur verdiende penningen naar het ouderlijke huis
stuurt, ver in het onherbergzame Polen. Ieder onbedorven hart moet zich
daar door ten diepste geroerd gevoelen. Apropos, heb je die kranten nog
gevonden, waar wij gisteren over gesproken hebben?”
„Zij liggen in je werkkamer op je schrijfbureau.”
„Merci. Dan ga ik ze dadelijk eens bestudeeren! Ik gevoel bepaald
behoefte iets meer te weten omtrent het voormalige dienstmeisje. Zij
boezemt mij om meer dan een reden groot belang in.”
En met deze woorden stond Raffles op en begaf zich naar zijn werkkamer
op de eerste verdieping, een ruim, stemmig vertrek, dat als het ware
tot ingespannen hersenarbeid uitnoodigde.
Een uur later verscheen hij in de bibliotheek, waar Charly zich onledig
hield met het bijhouden van een lijvig register, volgepakt met
krantenuitknipsels.
„Waar is het groote fotografie-toestel, Charly?” vroeg Raffles.
Charly keek eenigzins verbaasd op, en antwoordde:
„Dat moet in de donkere kamer staan, op zolder! Wij hebben het in
langen tijd niet gebruikt, je vond het een weinig onhandelbaar. Wil ik
het voor je halen?”
„Daarmee zul je mij een pleizier doen. Breng dan meteen den insteldoek
en het statief mee, en doe eenige gevoelige platen in de cassettes.”
„Ga je naar buiten om wat te fotografeeren?”
„Ik ga fotografeeren, maar niet naar buiten, ik ga foto’s maken van
Marja Ivy.”
„Maar mijn hemel, in iederen boekwinkel kun je er zooveel krijgen als
je er hebben wilt voor een paar pence.”
Raffles haalde eenigzins ongeduldig de schouders op.
„Dat weet ik natuurlijk ook wel, maar daarom is het mij niet te doen.
Ik wil haar fotografeeren, omdat ik eens wil zien hoe zij behuisd is,
en hoe haar diamanten behuisd zijn.”
„Maar Edward, zou je het in ernst voorzien hebben op de juweelen van
die jonge vrouw?”
„Je legt den nadruk op haar geslacht, Charly, alsof zij een onnoozel,
onschuldig wicht is, een arm weesje onder den druk van een slechten
voogd of iets dergelijks. Ik voor mij acht haar niet bijzonder veel
zaaks, een hartelooze vrouw, wie het alleen te doen is om veel geld en
veel kostbaarheden, en die van minnaar verandert, zoo als wij een
schoonen zakdoek nemen.”
„Maar misschien moet zij met die steenen wel haar brood verdienen,
Edward.”
„Goede hemel, neen, mijn waarde!” ging Raffles voort. „Houdt op met die
sentimentaliteiten. Er is geen kwestie van brood verdienen. Zij treedt
in een variété op, eenvoudig om des te beter en des te gemakkelijker de
aandacht op zich te kunnen vestigen, zij heeft die steenen te danken
aan haar blanke huid, haar fraaie beenen en het doorzichtige hemdje dat
zij draagt, dat is de zuivere onopgesmukte waarheid. Denk je soms, dat
een theaterdirecteur haar zou engageeren als zij er op stond in een
ochtendjapon op te treden? Wel man, men zou haar vragen of zij niet
goed bij haar verstand was, als zij maar even haar mond had open
gedaan. Je zult toch niet durven volhouden, dat jij haar bijvoorbeeld
om haar stem zou engageeren?”
„Ik moet erkennen.......” begon Charly stamelend.
„Je moet erkennen, dat haar liedjes klinken alsof er met een diamant
over een ruit gekrast wordt, en dat je wel stapelgek zoudt zijn, als je
haar ook maar een avond zoudt laten optreden, wanneer zij niet met haar
pauwenveeren en haar korte tunica kon rondloopen. Maar hoe het ook zij,
ik wil eerst eens nader onderzoek bij haar doen. Misschien verander ik
nog wel van idee, misschien is zij beter dan haar faam. En nu dat
toestel, als ik je verzoeken mag.”
Charly stond op, verliet het vertrek, en keerde eenige oogenblikken
later terug met een notenhouten camera van groot formaat en een tasch
van waterproof waarin een drietal plaathouders zaten, die ieder twee
platen konden bevatten.
Ook had hij een drieledig, zwaar statief bij zich.
Raffles bekeek een en ander, en bromde tevreden:
„Het ziet er nog heel goed uit. Nu nog het stel lenzen, en dan ga ik
als fotograaf voor een of ander tijdschrift er op uit.”
„Maar als ze weigert je te ontvangen?”
„Dat zou ze misschien over een paar jaren doen, maar nu staat zij nog
aan het begin van haar loopbaan en zij moet reporters en fotografen te
vriend houden.”
„Maar je zult je toch hoop ik vermommen?”
„Ik zal mij herscheppen tot een artistiek man, Charly!” zeide Raffles
hoogdravend.
Hij begaf zich naar zijn slaapkamer, opende de geheime kast waarin zich
zijn talrijke kleederen en uniformen bevonden en begon daarna met
groote zorgvuldigheid zijn gelaat onder handen te nemen.
Hij gebruikte daarbij geen gewone schmink, zooals acteurs en pas
beginnende detectives aanwenden, en die voor ieder scherp oog reeds op
een paar meters afstand te onderkennen is, maar kleurmiddeltjes van
zijn eigen vinding, die de huid niet aantasten, en er toch een geheel
andere kleur aangeven.
Tenslotte zette hij een pruik met lang haar op, zoo voortreffelijk
nagemaakt, dat zelfs voor het meest geoefende oog het bedrog niet te
ontdekken viel en schoot een bruin fluweelen jasje aan.
Een slappe hoed voltooide zijn costuum en aldus vermomd, begaf hij zich
naar de bibliotheek waar Charly hem met een lachenden uitroep van
verbazing ontving.
„Bevalt mijn uiterlijk je?” vroeg Raffles lachend.
„Ik zou geen enkele aanmerking kunnen maken, Edward. Als je mij vreemd
was, en je stelde mij de vraag, welk beroep je uitoefende, dan zou ik
zonder aarzelen uitroepen: „Photograaf”. Zelfs je handen wijzen er op,
die rouwrandjes aan de nagels, die ruwe vingertoppen en die bruine
vlekken van den ontwikkelaar. Ik moet zeggen, het is prachtig.”
„Ik dank je voor het compliment, Charly, en ik ga er nu maar aanstonds
op uit.”
„Maar het is nog geen elf uur, je kunt haar nu onmogelijk bezoeken,
Edward.”
„Ik ga er ook niet regelrecht naar toe, ik wil eerst eens wat in den
omtrek neuzen, en het hotel Cecil, waar zij logeert, een weinig in het
oog houden.”
„Ik zal dan niet op je behoeven te wachten met de lunch?”
„Neen, ik zal daar in de buurt wel wat eten.”
Raffles drukte Charly de hand ten afscheid, hing de tasch met platen
over den schouder, nam het zware toestel en den driepoot op, en stak
het etui met lenzenstel in zijn zak en verliet het vertrek.
Hij ging het huis nu echter niet uit door de voordeur, maar stak den
tuin over, aan alle zijden door dicht struikgewas en hooge boomen
omgeven, en verliet hem weder door een kleine tuinpoort, die in een
zijstraat uitkwam, waar zich maar hoogst zelden iemand vertoonde.
Hij liep deze straat teneinde, en wachtte tot er een onbezette huurauto
zou passeeren.
Eenige minuten later was hij onderweg naar het Strand.
Daar in het duurste en weelderigste hotel van Londen, logeerde Marja
Ivy en reeds hadden de bladen weten te vertellen, dat zij voor de drie
kamers welke zij bewoonde, 15 pond sterling per dag moest betalen, wel
te verstaan zonder ontbijt of eenig ander voedsel.
Raffles slofte met zijn zwaar toestel naar een klein restaurant,
tegenover het beroemde hotel gelegen, en legde zich daar als het ware
in hinderlaag.
Veel bijzonders zag hij echter niet, maar er werden drie ruikers
gebracht en twee groote bloemstukken maar die konden natuurlijk
evengoed voor een andere bewoonster van het hotel zijn.
Van Marja Ivy zelve zag hij niets, en hij leidde daar uit af, dat zij
nog wel in het hotel zou zijn en haar kamers nog niet verlaten had.
Tegen twee uur stond hij op en verliet het restaurant.
Hij ging het deftige hotel binnen maar werd bijna aanstonds
tegengehouden door den zwaarlijvigen portier, in een groen livrei
gestoken die hem tamelijk barsch vroeg, wat hij kwam doen.
Raffles trok een beleedigd en een boos gezicht en antwoordde:
„Sedert wanneer is het gewoonte, dat men den fotograaf van „The Scotch”
vraagt wat hij komt doen? Natuurlijk kom ik iemand fotografeeren! Is
mejuffrouw Marja Ivy nog op haar kamer?”
„Dat is zij wel, maar ik denk niet, dat zij u zoo maar zal ontvangen!
Er zijn al meer fotografen geweest!”
Raffles haalde minachtend de schouders op.
„Er zijn fotografen en fotografen, goede man!” zeide hij hooghartig.
„Je zult mij toch zeker niet met de lieden van niemendal willen
vergelijken? Bovendien, ik word verwacht!”
„Dan is het wat anders!” hernam de portier.
„Tweede verdieping, eerste gang rechts, nummers 87 en 88!”
„Dank je, vriend, dank je!” zeide Raffles. „Ik zal het nu wel vinden!”
En met zijn toestel beladen besteeg hij de trappen en klopte toen aan
op de deur, die het nummer 87 droeg.
Een koket kamermeisje deed de deur open op een kier slechts, als moest
zij reeds bij voorbaat het indringen van ongewenschte personen
beletten.
„De mise-en-scène is prachtig!” mompelde Raffles voor zich heen. „Men
zou zweren, dat men bij Sarah Bernard of bij Zijne Majesteit in persoon
op audientie komt!”
En luid vervolgde hij, zich tot het kamerkatje wendende:
„Schoon kind, ik ben fotograaf, en ik vraag om de gunst, uw meesteres
te mogen fotografeeren, echter niet zooals Jan en Alleman het
gewoonlijk doet, neen, ik wil er iets bijzonders van maken, ik wil
madame kieken in haar dagelijksche omgeving, met haar katjes en haar
hondjes, haar todjes en haar vodjes, haar strikjes en haar kwikjes!”
Het lieve kind achter de deur had met niet geringe verbazing naar deze
korte toespraak geluisterd en zeide nu, met een sterk buitenlandsch
accent en in het miserabelste Engelsch dat men zich kan denken:
„Ik zal het aan madame gaan vragen, u lijkt mij wel een grappenmaker!”
„O, schoon meisje, je vleit mij,” riep Raffles uit, en met moeite,
wegens het zware toestel en het statief, streek hij het kamermeisje
onder de poezele kin. „Zeg aan madame, dat hier iemand staat, die haar
een portret zal leveren waarbij vergeleken al het andere prulleboel uit
een kermistentje is!”
Proestend verwijderde het jonge ding zich, maar Raffles behoefde niet
lang te wachten.
Eenige oogenblikken later keerde zij weder terug en hield de gangdeur
voor Raffles open.
„Madame verwacht u!” zeide zij opgeruimd. „Ik heb gezegd, dat u zeker
wel iets goeds zoudt maken!”
„Dat is buitengewoon vriendelijk van je, schoone maagd!” zeide Raffles,
terwijl hij binnentrad, en achter het meisje naar een fraai gemeubeld
vertrek ging, waar Marja Ivy zich bevond.
De variété-danseres droeg nog een morgengewaad, zeer ruim, en van
soepele zijde vervaardigd, en Raffles moest erkennen, dat zij er in de
hoogste mate verleidelijk en bekoorlijk uitzag.
Zij zat op een rustbank, en naast haar lagen twee prachtige
Pekineesjes, die Raffles met hun ronde oogen en van onder het lange
haar nieuwsgierig aangluurden.
Op het haardkleedje lag een schoone Angora-kat te slapen, en voor een
der ramen stond een standaard met een groote koperen kooi, waarin een
kakelbonte papegaai heen en weder sprong, die nu en dan een origineelen
Franschen vloek liet hooren.
Marja stond tamelijk onverschillig op, en legde het dagblad weg, waarin
zij had zitten lezen, toen het bezoek werd aangekondigd.
„U wenscht mij te fotografeeren, mijnheer?” vroeg zij, thans in het
Fransch, maar met een onmiskenbaar Slavisch accent.
„Ik verzoek om die eer, madame!” antwoordde Raffles.
„Voor welk blad is het?”
„Ik werk niet speciaal voor een blad, madame! Ik bind mij niet! Die er
het geld voor kan en wil missen, om de producten van mijne buitengewone
vaardigheid te koopen, die krijgt mijn foto’s, de anderen publiceeren
voddengoed!”
Een glimlach plooide zich om de roode lippen van de jonge vrouw bij
dezen uitval, en daarop hernam zij:
„Gij wildet mij in deze kamer, in mijn eigen omgeving fotografeeren,
zooals mijn dienstmeisje mij zegt?”
„Ja, Madame!”
„Geen kwaad denkbeeld, maar haast u dan wat; want ik ontvang zoo
aanstonds bezoek!”
„Ik beloof u, dat ik mijn best zal doen, madame!” zeide Raffles.
Hij begon ijverig zijn tasschen te ontpakken, schroefde het toestel op
den driepoot, bevestigde er een der objectieven op, maar liet
ondertusschen zijn spiedende blikken aandachtig door het vertrek
dwalen.
Van de juweelen zag hij niets, die waren op dit oogenblik zeker veilig
opgeborgen.
De jonge vrouw droeg alleen eenige ringen van groote waarde, en een
gouden armband om een van haar tengere polsen.
Heur haar was bijzonder hoog opgemaakt en kroonde als een helm het fijn
gevormde hoofd.
Maar de groote oogen hadden een harden, onaangenamen glans, die Raffles
niet aanstond, en die volgens hem de uitdrukking van het schoone
gezicht niet weinig benadeelde.
Met het geoefende oog van den kunstenaar had Raffles spoedig een
bevallige groep weten samen te stellen, de jonge vrouw half uitgestrekt
op den divan, een tijdschrift in de hand van den slap neerhangenden
arm, een der rashondjes in haar anderen gekromden arm, het tweede aan
haar voeten, de Angora op haar schoot.
Raffles stelde in, kroop daarbij onder den insteldoek, en maakte
vervolgens een paar opnamen.
„Denkt gij, dat de foto’s goed geslaagd zijn, mijnheer?” vroeg de
danseres, terwijl Raffles begon zijn toestel weer in te pakken.
„Daar ben ik zeker van, madame!” antwoordde Raffles. „Hoe zou het ook
anders kunnen met zulk een dankbaar onderwerp.”
Juist had hij dit compliment geuit, toen er op de deur werd geklopt, en
het dienstmeisje haastig ging zien wie er was.
Even later trad er een flatterig heerschap binnen, ongeveer veertig
jaar oud, reeds bijna geheel kaal, met een groote monocle in het oog
geklemd, en naar den laatsten smaak gekleed.
Hij torste een geweldigen ruiker, en bleef even op den drempel in de
deur staan, blijkbaar onaangenaam verrast bij het zien van den
fotograaf.
„Kom toch binnen, graaf!” noodigde de jonge vrouw den bezoeker uit.
„Wat blijf gij daar staan, alsof gij geen tien kunt tellen.”
Buigend en zijn keel schrapend trad de graaf binnen.
Hij legde zijn hoed op een klein tafeltje, en trad toen met den ruiker
op Marja toe.
„Mag ik u deze bloemen aanbieden als een bewijs van mijn geringe
hoogachting— — —als een gering bewijs van mijn hoogachting!” verbeterde
hij haastig en met een rauw keelgeschraap.
Marja barstte in lachen uit en zeide:
„Leg het bewijs van uw geringe hoogachting maar op dien stoel, graaf!
Ik dank u!”
De bezoeker had Raffles zien glimlachen en trad nu met een grimmig
gezicht op hem toe.
„Zijt gij spoedig gereed, mijnheer?” vroeg hij op onbeschaamden toon.
„Dan is uw aanwezigheid hier niet langer gewenscht!”
Raffles liet langzaam de tasch zakken, die hij had opgenomen, en keek
den graaf en vervolgens de jonge Lithausche vragend aan.
Daarop zeide hij bedaard:
„Het spijt mij, mijnheer, maar ik ben niet gewend, mij te overhaasten!”
„Dan zult gij zoo goed zijn, het bij deze gelegenheid te doen!” snauwde
de bezoeker. „Uw taak is nu verricht zou ik denken, en wij kunnen u nu
wel missen!”
„Wij?” herhaalde Raffles rustig. „Spreekt gij ook voor madame? Hoe weet
gij zoo zeker, dat zij mij weg wil hebben? Het is best mogelijk, dat
zij iedere minuut, die ik langer blijf, in haar hart zegent!”
„Maar bij Jove, de kerel wordt brutaal!” schreeuwde de graaf, die zijn
ooren niet scheen te kunnen gelooven. „Pak u nu aanstonds weg als gij
niet wilt, dat ik mijn rotting op u laat neerdalen!”
Tot groote verbazing van Marja Ivy, en misschien wel tot haar inwendig
vermaak, zette Raffles zijn tasch op den grond, en kwam langzaam naar
den graaf toe.
Vlak voor hem stond hij stil en toen klonk het rustig van zijn lippen:
„Nog voor gij uw rotting zoudt hebben opgeheven, mijnheer, zou ik u in
het gezicht hebben geslagen! Denkt gij soms, dat een fotograaf maar
alles van u lieden verdraagt? Dan hebt gij het mis! Gij zijt een
onbeschaamde vlegel, als gij dan bepaald mijn oordeel over u vernemen
wilt!”
Krijtwit was de graaf achteruit getreden.
De wandelstok ging de hoogte in, maar voor hij nog kon nederdalen, was
de vlakke hand van den gewaanden fotograaf met zulk een kracht op de
bleeke wang van den ander nedergedaald, dat de klap zeker eenige kamers
verder te hooren was, en de wang als bij tooverslag veel dikker werd
dan zij oorspronkelijk was geweest!
„Dat... dat...” stotterde de geslagene, die nauwelijks besefte, wat hem
overkomen was, „dat zal u berouwen! O, als gij slechts van mijn stand
waart, ik zou u onmiddellijk uitdagen!”
„Maar kunt gij dan niet voor eenige oogenblikken doen, alsof ik
inderdaad van uw stand was, mijnheer de graaf?” vroeg Raffles zonder de
minste stemverheffing. „Ik ben dan gaarne tot uw dienst!”
„Wat? Den degen kruisen met een... fotograaf?” riep de bezoeker op
schellen toon uit. „Ik zou mij voor altijd blameeren. Neen, mijnheer,
ik kan niet met u vechten, maar ik tref u met mijn minachting!”
„Nu, dat is tenminste al vast iets!” hernam Raffles koeltjes. „Daarmee
zal ik dan genoegen moeten nemen, voorloopig, want, mijnheer de graaf,”
Raffles trad bij deze woorden nog dichter op den ander toe, „want
misschien komt er wel een tijd, dat gij met mij kunt vechten, zonder u
al te zeer te encanailleeren!”
HOOFDSTUK III.
HET IDEAAL VAN MARJA IVY.
Raffles had zijn platen dadelijk ontwikkeld, nadat hij was terug
gekeerd van den tocht, die zoo eigenaardig geëindigd was, en tot zijn
voldoening waren zij voortreffelijk uitgevallen.
Als hij werkelijk fotograaf was, zou hij geen oogenblik behoeven te
vreezen, dat hij deze uitstekende opnamen niet dadelijk zou verkoopen
aan de beste geïllustreerde tijdschriften.
Nu vergenoegde hij er zich mede, er een paar afdrukken van te maken, en
daar mede naar het Hotel Cecil te gaan, waar Marja Ivy hem reeds met
eenig ongeduld scheen te wachten, waaruit overduidelijk bleek, dat zij
nog pas aan den aanvang van haar schitterende loopbaan stond.
De jonge vrouw toonde zich zeer ingenomen met de foto’s en bestelde er
dadelijk een dozijn van, tegen een half pond per stuk.
Geld scheen er voor haar in het geheel niet op aan te komen, wanneer
het gold, reclame voor haar eigen dierbaar persoontje te maken.
Twee en zeventig pond rijker verliet Raffles het hotel weder.
Een oogenblik had hij er over gedacht, reeds nu zijn slag te slaan,
maar verschillende redenen verzetten zich daartegen.
Ten eerste was er een voortdurend komen en gaan op de verdieping, waar
zich de weelderige vertrekken van Marja Ivy bevonden, ten tweede
verliet het dienstmeisje geen oogenblik het neven-vertrek, ten derde
wist Raffles in het geheel niet waar de jonge vrouw haar fraaie
diamanten bewaarde, en ten slotte wilde hij eerst iets meer van haar
weten, van haar inborst en van de wijze waarop zij omsprong met het
blijkbaar zeer gemakkelijk verdiende geld.
Toen hij na veel plichtplegingen vertrekken wilde, hield het
bekoorlijke dienstmeisje hem staande in het voorvertrek.
Zij keek omzichtig om zich heen, ten einde zich te vergewissen, dat zij
niet beluisterd werd, en vroeg toen op zacht gefluisterden toon:
„Gij zijt zeker goed bekend in uw vaderstad, mijnheer de fotograaf?”
„Dat zou ik meenen, schoon meisje!” antwoordde Raffles, wel een weinig
verbaasd over deze vraag.
Maar de volgende zou hem nog heel wat meer verrassen!
Het kamerkatje ging op haar teenen staan, teneinde haar mond zoo dicht
mogelijk bij het oor van den gewaanden fotograaf te kunnen brengen, en
vroeg toen:
„Weet gij ook, of de Prins van Wales een minnares heeft?”
Raffles verwonderde zich niet spoedig ergens over, daarvoor behoedde
hem een leven vol van de vreemdste ervaringen, maar deze vraag deed hem
toch even verbluft staan, vooral omdat zij zoo onverwacht kwam.
Toen kwam zijn antwoord:
„Heel precies zou ik het u niet kunnen zeggen, lief kind, maar ik
geloof het haast niet! Zoo iets is geen gewoonte in ons land!”
De soubrette haalde minachtend de schouders op en fluisterde:
„Hij is toch jong en knap!”
„Zeker, maar wij zijn hier niet in Spanje of in Portugal, of in een
ander land, waar dergelijke dingen nog al eens schijnen voor te komen!”
„O, die puriteinen!” kwam het kamerkatje verachtelijk! „Nu, ik hoop,
dat madame daar een eind aan zal maken, dat is alles!”
„Madame?” herhaalde Raffles verwonderd. „Wat heeft die er mede te
maken?”
Het kamermeisje trok een gezicht als iemand die zich een weinig
versproken heeft.
„Och, ik zeg maar zoo...” stamelde zij. „Madame heeft zoo’n voorliefde
voor heel hooge heeren, ziet gij?”
Er ging Raffles een licht op.
Marja Ivy scheen bijzonder gesteld te zijn op „hooge heeren”, zooals
het bevallige kamerkatje zich uitdrukte, en zeer waarschijnlijk had zij
nu het oog laten vallen op niemand minder dan den Engelschen
troonopvolger, vandaar de indiscrete vraag van het meisje!
Raffles kon ternauwernood een glimlach weerhouden, het denkbeeld, dat
aan het strenge, stijf deftig Engelsche hof zooiets als een publieke
minnarij van den troonopvolger zou worden geduld, die nog nauwelijks
den kinderschoenen was ontwassen kon alleen opkomen in het hoofdje van
een volslagen vreemdelinge in Jeruzalem!
Maar reeds bracht het kamermeisje opnieuw haar mondje dicht bij het oor
van den fotograaf, en nu klonk haar vleiend stemmetje:
„Er zijn morgen belangrijke wedrennen, nietwaar?”
„Inderdaad, Miss!” antwoordde Raffles, die lont begon te ruiken. „Te
Hendon.”
„Komt de troonopvolger wel eens op dergelijke sportbijeenkomsten?”
„O ja! Hij is een echt sportsman in hart en nieren! Hij slaat geen
enkelen wedren van eenige beteekenis over!”
„Zoo? Nu, dat valt mij nogal van hem mee, maar het andere, neen hoor,
als ik zoo jong en zoo knap was dan...”
Wat zij dan zou doen, kwam Raffles niet te weten, want op dat oogenblik
klonk de scherpe stem van Marja Ivy, die haar riep.
Maar voor zij kon heen vluchten, had Raffles haar snel gevraagd:
„De naam van dien graaf, dien ik gisteren geoorveegd heb?”
„Graaf Douglas Carwood! Hij is gek op madame, en zij houdt hem voor de
mal!”
En met deze belangwekkende mededeeling snelde zij weg.
In gedachten verzonken aanvaardde Raffles den terugweg naar zijn
woning.
Marja Ivy reikte wel hoog.
Dat was dus haar ideaal, den Engelschen troonopvolger tot minnaar te
hebben!
Aldus wilde zij zeker Gaby Deslys overvleugelen, die het maar met een
koning van een klein land had moeten stellen, een koning, die niet eens
zijn troon had weten te behouden!
Weer moest Raffles glimlachen.
Zooiets was ondenkbaar aan het hof te Londen.
Zeker, vroegere kroonprinsen hadden minnaressen gehad en wijlen Edward
VII. was verre van een puritein geweest, maar dat alles geschiedde in
groote stilte en men werd algemeen geacht van dergelijke dingen
volkomen onkundig te zijn!
Maar het denkbeeld, dat kroonprins Albert op een renbaan, ten
aanschouwe van een duizendkoppige menigte zich zou afficheeren met een
variété-ster, die nog maar in haar opkomst was, dat was te dwaas om er
een oogenblik bij te kunnen stilstaan.
Toch nam Raffles zich voor, den volgenden dag naar Hendon te gaan, en
daar eens te zien hoe de zaken zich zouden ontwikkelen.
Haast had hij volstrekt niet, want Marja Ivy zou op zijn minst veertien
dagen in het Hypodrome-Theater blijven optreden en het was zeer
waarschijnlijk dat zij op het programma zou worden geprolongeerd, te
oordeelen naar het succes, hetwelk zij bij haar eerste optreden had
geoogst.
Hij vond Charly in de biljartkamer, bezig met het oefenen van een
moeilijken massé-stoot.
De jonge man zette evenwel zijn queue spoedig weg en vroeg:
„Heb je een goede opdracht gekregen?”
„Ik heb al mijn afdrukken meteen verkocht! Waarachtig, ik geloof dat
het baantje van fotograaf, vooral als men in de gelegenheid komt, mooie
variété-soubrettes te kieken, nog zoo slecht niet is!”
„Was die gevaarlijke graaf van gisteren er weer?”
„Ik heb den gek niet meer gezien! Misschien zal het uitgaan hem in den
eersten tijd wel wat moeilijk zijn vanwege zijn dikke wang!”
„Maar ben je niet wat heel erg uit je rol gevallen, Edward?” riep
Charly lachend uit.
„Ik geef toe, dat mijn optreden voor een fotograaf voor geïllustreerde
bladen wel een weinig brutaal en vreemd was, maar de graaf scheen dat
in zijn woede in het geheel niet te bemerken!”
„En Marja?”
„O, die lachte maar achter haar krant! Zeg eens, hebben wij plaatsen
voor de wedrennen van morgen, te Hendon?”
„Dat spreekt van zelf; ik heb twee plaatsen voor het paddock, zoodat we
kunnen gaan en staan waar wij willen.
„Uitstekend, dan zullen wij de komedie niet verzuimen. Ik ben werkelijk
benieuwd, of Marja daar zal verschijnen, maar vooral of zij inderdaad
een poging zal doen om in aanraking te komen met Prins Albert.”
„Maar luister eens, Edward, het is toch wel eens meer voorgekomen, dat
een Variété-ster werd voorgesteld aan een prins van den bloede!”
„Ongetwijfeld, al is het niet vaak geschied. Maar zij is nog geen ster,
zij staat nauwelijks aan het ondereinde van de ladder naar den roem, of
naar de befaamdheid, zooals je het noemen wilt. En dan, op een renbaan,
denk eens aan! Die Slavische dames schijnen alles maar voor mogelijk te
achten. Nu, wij zullen het morgen wel zien!”
Den volgenden dag om elf uur in den morgen kwam de groote toerwagen
voorrijden, bestuurd door Henderson, die de beide vrienden naar Hendon
zoude brengen, waar dien dag belangrijke wedrennen plaats hadden.
Het was een heerlijke dag, en zeer warm.
Reeds op dat vroege uur was de breede straatweg naar het plaatsje
bedekt met talrijke voertuigen en wandelaars, die zich op het
middenterrein der renbaan van een goed plaatsje wilden verzekeren.
Een uur later hadden Raffles en Charly de plaats van bestemming
bereikt, en stapten uit voor het grootste restaurant, waar zij de lunch
gebruikten.
En zij zaten daar nog, onder het groote afdak van de veranda, toen er
een sierlijke landauer voorbijreed, bespannen met twee fraaie
Isabella’s, waarin Marja Ivy in al den glans van haar jeugd en haar
schoonheid gezeten was.
Zij was in het wit gekleed en zij zag er waarlijk allerbekoorlijkst
uit, zooals zij daar bevallig achterover leunde en haar gelaat tegen de
brandende zonnestralen beschermde met een sierlijke parasol.
Charly keek haar een oogenblik na en zeide toen op zachten toon:
„Het is eigenlijk zonde en jammer, dat bekoorlijke schepseltje te
bestelen.”
Raffles haalde de schouders op, en gaf ten antwoord:
„Ik heb mij tot beginsel gesteld, mij bij mijn ondernemingen nooit te
laten beïnvloeden door het uiterlijk van mijn slachtoffers, en ik
geloof dat het een goed beginsel is! Inderdaad, waar zou het heen
moeten als ik alleen oude besjes en leelijke mannen zou mogen bestelen.
Mijn terrein van werkzaamheden zou wel beperkt worden, en dat zonder
eenige grondige reden. Als de vrouw die daar voorbijreed met harden
arbeid haar geld verdiend had, en een andere inborst had, dan zou ik
mij zeer waarschijnlijk nog wel eens bedenken, maar nu zal ik denkelijk
van gewetenswroeging weinig last hebben, wanneer ik haar beurs wat
verlicht. Zij kan het gemakkelijk missen, omdat zij het gemakkelijk kan
krijgen. Heb je al eens naar de omstandigheden van die Marja Ivy
geïnformeerd, zooals ik je verzocht heb?”
„Ik heb er een aanvang mede gemaakt, en zij moet inderdaad Sonja
Malakoff heeten, zooals je inderdaad vermoedde. En dat haar moeder dood
is en haar vader een dronkenlap komt ook uit. Zij heeft nog zusjes en
broers, maar daaraan laat zij zich al heel weinig gelegen liggen. Zij
moet zich al eens uitgelaten hebben dat zij liever zelf in een
armenhuis ging, dan ooit een penny aan haar vader te sturen, die het
geld toch dadelijk door zijn keel zou jagen. En voor de rest, heeft ze
zoo jong als ze is reeds een tiental aanbidders gehad, die zij allen
behoorlijk geplukt heeft.”
„Nu, heel veel zaaks schijnt onze Marja dus niet te zijn,” hernam
Raffles onverschillig. „En laten wij nu maar gaan, want ik geloof dat
het vol zal loopen.”
De beide mannen stonden op en verlieten het restaurant om weder in de
auto te stappen, die hen tot op de renbaan bracht en zich vervolgens
ging voegen bij de honderden automobielen, die reeds op de daartoe
bestemde plek verzameld waren.
De toegangsbewijzen van de beide vrienden gaven hun het recht om zich
overal te bewegen en zij konden plaats nemen op de groote tribune tegen
over den eindpaal of voor het hek, dat de renbaan afscheidde van het
terrein.
Het was reeds zeer vol, want het was een der eerste rendagen van het
seizoen, en het weder werkte mede.
Raffles wierp een blik op de koninklijke loge, zij was op dit oogenblik
nog leeg.
De groote tribune echter was bijna geheel bezet, en men zag daar keur
van lichte en fraaie toiletten, gedragen door de bloem van de
vrouwelijke aristocratie.
De heeren waren allen in grijs jacket gestoken, en met den grijzen
hoogen hoed zooals dat op de Engelsche renbanen bijna een traditie is
geworden.
Verder droegen zij de onvermijdelijke witte slobkousen en het even
onmisbare rottinkje.
Raffles en Charly hadden nog geen honderd stappen gedaan, of daar kwam
Marja Ivy aanwandelen, in gezelschap van graaf Douglas Carwood.
De beide vrienden liepen kalm door, want zij wisten wel, dat zij geen
gevaar liepen om te worden herkend, Raffles zag er nu heel wat anders
uit dan toen hij de rol van den fotograaf vervulde. Hij was eenvoudig
Lord William Aberdeen en als zoodanig groetten hem ook de leden van de
Windsor Club, die hun Vice-President herkenden.
Graaf Carwood stapte trotsch als een pauw aan de zijde van de schoone,
jonge vrouw voort, overtuigd, dat hij het voorwerp was van veler nijd
en afgunst.
Wat Marja betreft, zij wierp herhaaldelijk een schuinschen blik naar de
koninklijke loge, en scheen geen aandacht te hebben voor hetgeen haar
metgezel haar zeide.
Toen zij voorbij waren kwam Charly glimlachend:
„Misschien rekent zij wel op Carwood, om haar aan den kroonprins voor
te stellen. Je weet immers dat hij vrij goed bekend is met Prins
Albert?”
„Ja, zij hebben in hetzelfde regiment gediend,” antwoordde Raffles.
„Toen prins Albert kolonel was van de Queens Own Cameron Highlanders,
toen was onze graaf eerste luitenant bij dat regiment.”
„Zou hij werkelijk zoo gek zijn om een poging te doen haar onverhoeds
aan den kroonprins voor te stellen?”
„Daaraan valt immers niet te denken,” antwoordde Raffles. „Hij zou zich
voor goed onmogelijk maken aan het hof.”
„Maar wacht eens, graaf Douglas Carwood, dat is dus de man, met wien je
gisteren die kleine uiteenzetting hebt gehad in de kleine logeerkamer
van Marja Ivy.”
„Ja Charly, dat is hij! En ik moet je eerlijk zeggen, dat ik een
zonderlinge kriebeling in mijn handpalm voelde, toen ik het heerschap
voorbij liep.”
Juist had Raffles dit gezegd, toen er buiten de renbaan een luid
gejuich opging, en een oogenblik later draaide met een stouten zwaai
een geweldig groote auto het hek binnen, die stil hield voor de groote
tribune.
Uit den wagen stapten kroonprins Albert en zijn persoonlijke adjudant
graaf Herbert Lodge.
Met vlugge stappen, nu en dan zijn hoed afnemend voor het gejuich dat
hem begroette, beklom prins Albert de trappen, die naar zijn loge
voerden, en zoodra hij gezeten was, en zijn adjudant hem met een
buiging een programma had ter hand gesteld, nam de ren een aanvang.
Raffles en Charly hadden hun positie gekozen ongeveer halverwege de
breede trap, die terzijde van de groote tribune naar boven loopt, en
konden van daar zoowel de koninklijke loge als het paddock goed
overzien.
En zoo bemerkten zij, dat Marja Ivy nog altijd heen en weer liep,
steeds in gezelschap van graaf Carwood.