TWEEDE AFDEELING.

De pastorij en kapelanij te Tegelen; de pastorij en kapelanij

te Belfeld; het rectoraat te Steijl; scholen, adellijke huizen,

missiehuis, beurzen-stichtingen, arm-wezen, gilden, feesten, handel en

nijverheid te Tegelen.

§ I. De Pastorij.

Het bestaan van een pastoreel huis te Tegelen wordt aangegeven door

een stuk, waarin de pastoor in 1681 verklaart: dat zijne woning met

aanhoorigheden zoodanig onderkomen is, dat bij wind en onwêer de

vruchten zonder te bederven niet meer geborgen kunnen worden, en

derhalve het bestuur uitnoodigt om de noodzakelijke herstellingen aan

te brengen.[39] De pastorij werd andermaal hersteld in 1753 alsmede

in de jaren 1824-1825. In dit laatste jaar werd een gedeelte der

aangrenzende tiende-schuur tot een ruime vreemden-kamer hervormd. Ook

in 1872 zijn zeer doelmatige verbeteringen aangebracht, zoowel binnen

als buiten de pastorij.

Tot in het jaar 1571 genoot de pastoor van Tegelen vijftig malder

tiendevruchten hoofdzakelijk rogge; maar na de feitelijke scheiding

van de St. Urbanus kapel te Belfeld, ontving hij slechts de helft;

namelijk 12 malder rogge, 8 malder boekweit, 3 malder gerst en 1 malder

haver. Volgens opgave van den landmeter Peter Behet in 1743 bestond

het eigendom der pastorij uit twaalf morgen en zeven-en-dertig roeden

bouwland. Doch eene opmeting van 1763 geeft aan: 1^{o} Acht morgen

lands, leverende een’ jaarlijkschen pacht op van even zoovele malder

rogge per morgen, terwijl ook eenige grond voor de helft werd bebouwd.

2^{o} Eenig slaghout met aangrenzend weiland, gelegen aan den berg,

en genaamd, »pastoorshout,” ter waarde van jaarlijks 19 kl. gulden.

3^{o} Verder genoot de pastoor alstoen de kleine tienden, van vlas,

winterzaad, lammeren enz. enz. Krachtens het kerkelijk recht was de

pastoor vrij van landsschattingen en van het leveren van tienden.

Alleen betaalde hij jaarlijks aan de keurvorstelijke regeering, voor

Mei- en Herfstschat, 3 _raader albus_ of 9 stuiver. 4^{o} Nog ontving

de pastoor van het armbestuur van Venlo jaarlijks 1 malder rogge,

gevestigd op de hoeve Hulstert.

Ook deelde de pastoor in de opbrengst van den rondgang in de Goede

week, mits hij den koster op diens tocht een medegezel toevoegde.

Wegens de opgedrongen schattingen werden den pastoor in 1668 voorloopig

toegezegd: 50 kl. gulden uit de rijke revenuën der armenfondsen. De

middelen van bestaan van den pastoor te Tegelen, zooals uit alle

aanwezige stukken blijkt, waren nimmer bevredigend. De maatregelen ter

verbetering genomen in 1785-1786 en 1788 onder pastoor Peter Eskens,

hadden weinig of geen gevolg.

Toen in 1815 Jos. Orths de parochie aanvaardde, genoot deze van

gemeentewege eene toelage van 500 franken. Op aandringen van den

Vicaris-generaal richtte hij een smeekschrift tot Koning Willem I, en

verkreeg dien ten gevolge eene verhooging van ’s landstraktament voor

zich persoonlijk ten bedrage van 125 N. gulden. Intusschen trok de

gemeente de gemelde toelaag in Jan. 1819 weder in.

Wij geven hier de lijst der bekende pastoors van Tegelen:

_Hendrik van Holtmolen_ fungeerde als pastoor in 1433, en had, zooals

reeds is aangestipt geworden, eene weide verpacht, die te Odiliënberg

gelegen was.

_Wilhelmus Weiss_. In eene rekening van 1639 wordt vermeld, dat hij

vroeger als pastoor te Tegelen stond. Wellicht is hij het, die wijken

moest voor den ketterschen bedienaar, die hier was ingedrongen.

_Conrard Sären_, pastoor van 1637 tot 1671. Onder hem beginnen de doop-

trouw- en sterfregisters onzer parochie. Hij onderteekent zich, gelijk

aanvankelijk ook zijn opvolger, als pastoor van Tegelen en Belfeld.

Deze pastoor was lid der Kruisheeren-orde. Zijn grafsteen, met het

opschrift: _Conrard Sären pastoor te Tegelen, overleden den 19 Sept.

1671_, is onlangs van het koor overgeplaatst naar het rechter zijpand.

_Henricus Corneli_, benoemd tot pastoor den 9 Nov. 1671, en overleden

den 15 Augustus 1680. Wij vinden hem ook genoemd _H. Corneli à Tets_,

misschien wegens zijne afkomst uit het dorp Tits bij Gulick. Na zijn

dood stond de Kruisheer Nic. Stals uit Venlo eenigen tijd alhier als

deservitor. Hij is hier jammerlijk verdronken. Toen volgde:

_Joannes Bongaerts_. Deze werd hier aangesteld den 1 Mei 1681 en bleef

tot 1704; hij was daarna tot in 1723 pastoor te Urdingen.

_Henricus Weuten_ werd benoemd in September 1704, en verliet Tegelen

in December 1727, om te Cruchten bij zijne familie zijn verdere

levensdagen door te brengen. Wij vernemen, dat hij aldaar in 1752 is

overleden.

Bijna een jaar lang bedienden de Kruisheeren van Venlo de parochie.

Joh. Heuts teekent zich herhaaldelijk als deservitor.

_Nicolaus Smeets_. Deze zeer verdienstelijke pastoor, bestierde bijna

40 jaren lang Tegelen met onvermoeiden ijver. Hij was aangesteld

geworden in 1728 en stierf plotselings te Neer op den 8 September 1767.

Zijn stoffelijk overschot ligt alhier begraven in den grafkelder onder

het koor. Een oom van dezen pastoor werd in 1751 in de kerk begraven

tegenover den preekstoel.

_Leonardus Timmermans_ vroeger kapelaan te Horne, werd benoemd, den 9

November 1767. Hij overleed den 2 September 1783. De landdeken Beek,

pastoor te Ratheim, had hem hier geinstalleerd.

_Petrus Eskens_, vroeger kapelaan te Breijel, werd tot pastoor van

Tegelen aangesteld in 1783, en overleed alhier den 8 April 1805.

_Joannes Petrus Freijbeuter_, was geboren te Holtzweiler bij Erkelenz;

hij werd hier pastoor in den loop van 1805. Men roemt zijn ijver en

nauwgezetheid. Wegens verschillende moeielijkheden trok hij zich

in 1815 in zijne geboorteplaats terug, en leefde nog tot 1844. Hij

stichtte een kapitaal fonds voor studenten, waaraan ook de Tegelsche

jeugd deel kan hebben, gelijk nader blijken zal.

_Josephus Orths_, geboortig uit Lobberich, en langen tijd religieus in

het Brigittijnenklooster te Kaldenkerken, verscheen hier als pastoor

in 1815 en overleed ten gevolge eener beroerte den 7 April 1841. Zijne

collega’s noemden hem pater Matheus.

_Lambertus Mosk_, werd pastoor benoemd in April 1841 na alhier 18 jaren

kapelaan te zijn geweest. Geboren te Ravenstein in 1804, overleed hij

alhier den 28 Nov. 1864. Hij bezorgde onzer kerk de relikwiën der H.

Lucia,[40] en de statiën van den kruisweg.

_Wilhelmus Beckers_, geboren te Well in 1822, priester gewijd in 1845,

was achtervolgens van 1845-1850 kapelaan te Afferden; van 1850-1853

te Velden; van 1853-1859 te Gennep. Daarna van 1859 tot 1864 pastoor

in de nieuw opgerichte parochie te Ohe en Laak, en sinds 1864 pastoor

te Tegelen. Aan hem heeft men het groote en schoone kerkhof, in 1868

aangelegd, benevens de herstelling en vergrooting der kerk in 1874-1875

grootelijks te danken.

Den 10 December 1875 werd deze zeer verdienstelijke pastoor benoemd tot

deken van Gennep, en opgevolgd den 12 derzelfde maand door: _Franciscus

Pennings_. Geboren te Kessel in 1830, en priester gewijd in 1854, stond

deze laatste achtervolgens als kapelaan eenige maanden te Blitterswijk,

twee jaren te Wijk-Maastricht en voorts te Venlo.

§ II. De kapelanij te Tegelen.

In 1540 reeds, gelijk vermeld is, was gezorgd voor een dagelijksche H.

Mis. Althans er bestond in de kerk van Tegelen een beneficie aan het

altaar van O. L. Vrouw. Rector daarvan was, in genoemd jaar: _Bernard

van Besel_; doch deze was geen eigenlijke kapelaan die gezonden was om

den pastoor in zijne bedieningen bij te staan. In 1670 en verdere jaren

was _Joannes Schutjes_ tot helper van den pastoor dan eens hier en dan

eens te Belfeld werkzaam. Ten jare 1749 vermaakte _Gerret Engels_ 400

patacons voor H. Missen tot ondersteuning van een kapelaan. Bij gebreke

van dien titularis bleef de zorg van die H. Missen op den tijdelijken

pastoor berusten. Tot dusverre was er alzoo nog geen kapelaan te

Tegelen. Wel vinden we dat gedurig na 1700, dan Kruisheeren, dan

Minderbroeders uit Venlo den pastoor op de Feestdagen, processiën enz.

kwamen bijstaan.

Den 6 Maart 1806 boden burgemeester en kerkmeesters met inwilliging des

pastoors, een jaarlijksche toelaag van 500 franks, aan den Eerw. Heer

J. Tiebosch opdat deze des Zondags in de parochie-kerk de vroegmis met

onderricht zou doen; deze nam het aanbod aan; doch eerst in 1811 werd

de Eerw. Heer Tiebosch van de Hoogere geestelijkheid aangesteld. In

1816 verliet hij onze gemeente. Terwijl destijds de Eerw. Heer kanunnik

Bernard Canoy te Steijl vertoefde, deed deze tot in 1818 de vroegmis.

Van toen af tot 1820 las de Eerw. Heer kanunnik Ferdinand Mertens

gewoonlijk de eerste H. Mis; doch deze verliet Tegelen in genoemd jaar.

Daar de noodzakelijkheid van een tweede geestelijke in de parochie zich

hoe langer hoe meer deed gevoelen, deed de pastoor in dat zelfde jaar

de noodige stappen bij den generaal-vicaris van Aken om een kapelaan

te verkrijgen, doch zonder gevolg, wijl er gebrek aan priesters was.

Intusschen nam zekere Heer van der Wielen deze betrekking waar.

Eindelijk in Januari 1823 wendden zich burgemeester en pastoor tot den

geestelijken commissaris Claessen te Weert met verzoek om een’ kapelaan

te mogen hebben. Deze zorgde dat den 28 April 1823 de Eerw. Heer

Lambertus Mosk alhier tot kapelaan werd aangesteld.

Omstreeks het jaar 1825 verkreeg de kapelaan van Tegelen een

landstractement van 500 francs, benevens een subsidie van wege de

gemeente. Het woonhuis voor den kapelaan dagteekent uit 1840, en is

door de gemeente gebouwd; het is zeer aangenaam en gansch nabij de kerk

gelegen.

Als kapelaan dezer parochie deden dienst:

_Jacobus van Laer_, geboren in 1817 te Heijthuizen, priester gewijd te

Roermond, werd in December 1841 alhier benoemd. Sinds 1846 verplaatst

naar Nederweert, overleed hij aldaar in 1861.

_Joannes de Fauwe_, van Weert, werd priester gewijd in 1842. Nadat

hij twee jaren als professor aan de normaalschool voor onderwijzers

te Rolduc en ruim een jaar als kapelaan dezer parochie was werkzaam

geweest overleed hij alhier den 23 September 1846, in den jeugdigen

leeftijd van 27 jaren.

_Goswinus Hubertus Berden_, geboren te Broekhuysen, werd uit het

seminarie alhier benoemd in December 1847. Sedert 1866 pastoor te

Reuver, overleed hij aldaar den 12 Februari 1875.

_Joannes van Hegelsom_, uit Grubbenvorst, kapelaan te Tegelen van Oct.

1866 tot April 1874, in dezelfde hoedanigheid overgeplaatst naar Horst.

Zijn opvolger is:

_Frans van Laar_, geboren in 1841 te Ohe en Laak, priester gewijd in

1868; vroeger kapelaan te Nieuwstad, sedert April 1874 kapelaan alhier.

§ III. De Pastorij te Belfeld.

Ofschoon de Belfelder kapel reeds in 1571 tot parochiale kerk was

opgericht geworden, verliepen meer dan honderd jaren, alvorens een

resideerend pastoor daaraan werd aangesteld; tot dusverre bestond er

ook geen pastoreele woning.

Eene copie van 1^n Jan. 1666 geeft aan, als inkomsten van den

dienstdoenden pastoor: 12 malder uit de tienden, bestaande in boekweit,

vrij van belasting. Wijders uit twaalf en een half malder erfpacht, in

rogge. Van deze erfpacht kreeg de pachter jaarlijks 18 stuiver brab.

ad 3 permissie schellingen. Ook bezat de pastoor anderhalven morgen

bouwland te Belfeld, in het Eckschip gelegen en genaamd het Bijlstuk,

waarvan gewone schatting gegeven werd.

Aan geldrenten gaf het kerspel Belfeld 12 gulden Venloosch,

Willem Franssen op den Steijl 4 gulden 7 stuiver,

Hendrik te Venlo met seine broers 2 gulden 3½ st.,

Talmen op den Rijdt 2 gulden 3½ st.

Verder »hefft de kercke te Belfeld sonnendags ende heyligendags missam,

ende ook quarta et sexta feria”.

Volgens eene kerkvisitatie van den 20 Maart 1670 door Van Oeveren[41]

vicaris generaal van Roermond gehouden, was de titel der kerk te

Belfeld _St. Urbanus_, de _collator_ der pastorij Baron Van Metternich,

Heer van Holtmolen; de tienden behoorden aan den pastoor van Tegelen en

waren onbelast; de herstellingen aan de kerk moesten bekostigd worden

door het kerkbestuur. De pastoor _Conrard Sären_, Kruisheer, had tot

medehelper _Joannes Schutjes_, die op Zon- en Feestdagen afwisselend

de hoogmis moest houden te Belfeld en te Tegelen. Er waren 250

communicanten[42].

De pastoreele woning te Belfeld werd aangelegd omstreeks 1700, en is

herbouwd op het laatst der vorige eeuw.

De verdere reeks der pastoors te Belfeld is:

_Balthasar Veken_; deze was in 1703 nog pastoor.

_Petrus Ludovicus Hommen_, van 1727 tot 1749.

_Petrus Backhuizen_, van 1749 tot 1761.

_Godefridus Franssen_, van 1761 totdat hij in 1797 wegens de revolutie

moest vluchten. Hij nam met nog andere priesters de wijk naar Emmerick.

Zonder zijn moedig belijd zouden zij bij den overtocht van den Rijn in

handen der Franschen gevallen zijn, die hen achtervolgden en op hen

vuurden. Later teruggekeerd, overleed hij in zijne parochie.

_Nicolaas Ercks_, pastoor van 1801 tot 1814.

_Wilhelm Berinks_, van 1814 tot 1837.

_Petrus Joannes Hesemans_, geboren te Lommel in 1804, priester gewijd

in 1830 kapelaan te Venlo tot 1837, pastoor te Belfeld tot 1840, sedert

dien pastoor te Sevenum.

_Norbert Sleurs_, geboren te Venlo in 1805. Van 1829 tot 1840 kapelaan

te Velden, daarna pastoor alhier tot zijne benoeming voor Middelaar in

1855. Hij werd te Belfeld opgevolgd door den tegenwoordigen pastoor:

_Petrus Cruysen_, geboren te Linden in 1804, vroeger pastoor te

Middelaar.

§ IV. De Kapelanij te Belfeld.

_Wilhelm Willems_, van Belfeld, schepen te Roermond, overwegende dat

er op Zon- en Feestdagen te Belfeld maar één heilige Mis gedaan werd,

en de inwoners zich naar Tegelen, Beesel en andere plaatsen ter kerk

moesten begeven, stichtte den 21 November 1702 tot lafenis zijner ziel

en die zijner voorouders, in de kerk van Belfeld en ten dienste der

gemeente, een eeuwige vicarie. De gemeente op hare beurt beloofde, bij

akte van den 12 Maart 1700, den miskelk, kaarssen, missale, brood en

wijn en alles wat tot de H. Mis noodig is, niet alleen op die dagen,

maar ook op de werkdagen onbekrompen te zullen verschaffen. De stichter

benoemde tot rector Cornelius Schutjes, student in de theologie te

Keulen, zoon van Hendrik Schutjes en Helena Kruitsberg. De rector

moest na de H. Mis den ps. _miserere_ en _de profundis_ bidden, en na

het Evangelie, omtrent ¾ uur catechismus houden. Van de gemeente zou

de vicarius 20 patacons genieten[43].

De woning voor den kapelaan bevindt zich naast de school. Wij weten

niet dat ze ooit door een’ geestelijke werd betrokken. Behalve Joannes

Schutjes, de medehelper van pastoor Sären in 1675, en den voornoemden

Cornelius Schutjes in 1702, vinden wij alleen als werkelijke kapelaans

te Belfeld: _Franciscus Thör_ in 1732 en _Joannes Bongaerts_ in 1747.

§ V. Rectoraat te Steijl.

Hoe in 1526 reeds de belangen van de kapel en den rector behartigd

zijn geworden, hebben wij vernomen uit de eerste afdeeling dezer

aanteekeningen. De aloude kapel van Steijl, den HH. Fabianus en

Sebastianus toegewijd, was onbeduidend en ofschoon reeds hersteld en

vergroot door een nevenbouw, geheel bouwvallig geworden. Zij is in

1866 verbouwd en op een kleinen afstand door een fraaien en tamelijk

ruimen tempel vervangen; deze is het werk van den Roermondschen

architect, den Heer Weber. In 1874 werd ook de doelmatige toren ervan

voltrokken, en bekostigd door een Rijkssubsidie en de opbrengst van

eene tombola-loterij.

_Agatha Raetmakers_ stichtte in 1754 een pensioen van 5 kl. gulden

voor benoodigden wijn, brood en was aan de kapel te Steijl. Toen in

het jaar 1804 de Heer Tiebosch als privaat-geestelijke te Steijl

vertoefde, deden de inwoners bij den generaal-vicaris van Luik

pogingen om een dagelijksche H. Mis in de kapel te mogen hebben; dit

werd echter niet verkregen. Later toen genoemde Heer werd aangesteld

(1811) om den pastoor van Tegelen ter zijde te staan, mocht hij

ééns in de week te Steijl de H. Mis opdragen. Bij deze vergunning

geeft de generaal-vicaris den wensch te kennen, dat de ingezetenen

van Steijl dien ten gevolge meer genegenheid mogen toonen voor de

moederkerk van Tegelen. In November 1823 was van wege Luik aan den

Heer _van der Wielen_ toegestaan dagelijks de H. Mis te lezen en

des Zondags onderricht te geven, aan gezegde kapel. Men bezit in de

kerk van Steijl relikwiën van St. Rochus welke door vergunning van

de kerkelijke overheid in April 1855 alle Dinsdagen openbaar worden

vereerd. Jaarlijks wordt er ter eere van St. Rochus plechtig feest met

octaaf gevierd. De Feestdag van de HH. Fabianus en Sebastianus, wijzen

de Steijler kermis aan. Den 20 Augustus 1875 werden in de fraaie kerk

alhier twee goed overeenstemmende klokken, uit het atelier van de

Heeren Fritzen en Petit te Aarle-Rixtel, aangebracht. De inzegening

daarvan werd op den 22 daarop volgende voltrokken door den Hoogeerw.

Heer deken Raetsen van Venlo, omringd door tal van geestelijken en

geloovigen.

Na den Eerw. Heer van der Wielen heeft de Heer kanunnik Bernard Canoij

langen tijd des Zondags en ook op de werkdagen de H. Mis in de kapel

gelezen. Vervolgens hebben onafgebroken het rectoraat van Steijl

bediend; _Peter Peters_ geboren te Zeeland. Deze was vroeger kapelaan

te Baexem, en kwam herwaarts in 1847. Zijn geschokte gezondheid deed

hem in 1851 zijn ambt nederleggen; hij bedankte en overleed te Tegelen

7 Febr. 1857 in den ouderdom van 63 jaren.

_Frans van Haeff_ geboren te Meerlo, priester gewijd in 1851 was rector

tot 1862, en werd daarna in dezelfde hoedanigheid overgeplaats naar

Leunen. Thans is hij pastoor te Peij sedert 1873.

_Joannes de Gruiter_, uit Venlo. Priester van 1844, was hij

achtervolgens kapelaan te Brunssum, te Wanssum, en te Meijel; director

aan Calvarie te Maastricht en van 1862 tot 1868 rector te Steijl.

Hierop benoemd pastoor te Beegden overleed hij te Venlo den 27 November

1874.

_Augustinus Backhuis_, geboren te Roermond in 1833. Priester gewijd in

1857 werd hij benoemd tot professor te Rolduc; in 1862 tot kapelaan te

St. Odiliënberg en sinds 1868 rector te Steijl.

Voegen wij nog bij de geestelijken die onze parochie bediend hebben de

naamlijst der Eerw. priesters, die te Tegelen geboren zijn. Ons zijn

alleen de volgende bekend:[44]

Chronologische beschrijving van Tegelen benevens aanteekeningen over Belfeld en Steijl · 第 11 / 20 题