2. _Gisbert Franssen_, was vroeger in Holland op statie geweest,
teruggekeerd vestigde hij zich te Breijel alwaar hij het beneficie van
S^{te} Catharina bediende. Hij stierf aldaar in 1726.
3. _Gaspar Ronck_, geboren in 1712, werd kapelaan te Neer, alwaar hij
in 1758 overleed.
4. _Godefridus Franssen_, was pastoor te Belfeld tot 1797; in 1800
overleed hij op de Mergelstraat aldaar.
5. _Wilhelm Smiets_, geboren te Geloo onder Belfeld, den 29 December
1767, priester gewijd te Roermond in 1793, bediende eenigen tijd
de kapelanie van Maasbree, en werd daarna pastoor te Benschop bij
IJsselstein. In de laatste jaren was hij rustend geestelijke en
overleed in 1845 den 11 Feb. te Benschop. Hij stichte eene studiebeurs.
6. _Bernard Canoy_, geboren in 1763, was tot aan de Fransche revolutie
Regulier-kanunnik in het klooster te Bruggen, en sedert dien rustend
geestelijke te Steijl. Hij overleed den 25 Nov. 1853.
7. _Gaspar Franssen_, geboren in 1826, priester gewijd te Roermond in
1851; werd eerst professor benoemd aan het bisschoppelijk collegie
te Roermond. Hij vertrok in 1856 als missionnaris naar Oost-Indië,
alwaar hij tot 1865 werkzaam was; herwaarts teruggekeerd uit hoofde
zijner geschokte gezondheid, bedient hij sedert 1869 de pastorij van
Ittervoort.
8. _Gerard Peeters_, geboren in 1829, priester gewijd in 1856; tot in
1865 kapelaan te Echt, daarna te Blerick.
9. _Ferdinand Moubis_, geboren in 1834, priester gewijd 1859, werd in
dat zelfde jaar professor benoemd te Rolduc.
10. _Henricus Peeters_, broeder van Gerard Peeters geboren in 1840,
priester gewijd in 1866 te Roermond, sedert dien kapelaan te Aubel in
het bisdom van Luik[45].
11. _Joseph Moubis_, broeder van Ferdinand voornoemd, geboren in 1844
priester gewijd in 1868 en tot kapelaan benoemd te S^{t} Odiliënberg.
In 1872 begaf hij zich als missionnaris naar de Vereenigde Staten
van Noord-Amerika. De studeerende jeugd der gemeente belooft deze
priesterenreeks voort te zetten.
§ VI. De School te Tegelen en Steijl.
Van het begin der zestiende eeuw stond het schoollokaal binnen de
kerkhofmuren, tegelijk met de woning voor den onderwijzer, die tevens
koster was. Ongeschikt geworden om het steeds toenemende getal
schoolkinderen te bergen, dient het, sedert 1817, tot gemeentehuis. Een
ruimere nieuwe school werd meer zuidwaarts gebouwd in 1818. Ook dit
gebouw was weldra te klein en daarenboven onsterk geworden, zoodat de
in 1870 nieuw gebouwde en ruime school noodzakelijk werd. Zij kostte
nagenoeg 6000 gulden.
Gelijk op de meeste plaatsen van Gulick en Gelderland werd de
schoolmeester-koster alhier benoemd op voordracht van den pastoor, na
overleg met de burgemeester of de schepenen. De benoeming van _Jacobus
Geurts_ in 1818 werd op voorstel van den pastoor en den burgemeester
zelfs bevestigd door den vicaris-generaal van Aken.
Dat het onderwijs te Tegelen reeds vroegtijdig behartigd, en de
onderwijzers naar waarde geschat werden, blijkt genoegzaam hieruit,
dat reeds in het jaar 1591 ten voordeele van den schoolmeester eene
jaarrente ter waarde van één malder rogge was gesticht ten laste van
het goed Holtmolen.
Zie hier de lijst der onderwijzers van Tegelen. Als
koster-schoolmeester vinden wij in 1678 Henricus Vervoort; van 1755 tot
1766, Egidius Lauwenhuis, van 1766 tot 1771, Peter Engels; van 1771 tot
1772 Paulus Houba; van 1772 tot 1780 Hendrik Hendriks; van 1780 tot
1794 Theodorus Bongaerts; van 1794 tot 1804 Mathias Denissen; van 1804
tot 1816 Peter Dambacher.[46]
Hoofdonderwijzers, na afgelegd examen volgens de tegenwoordige wet
waren: Jacobus Geurts geboren te Tegelen in 1797 tot October 1862.
Deze had van 1815 tot 1818 onderwijs gegeven te Belfeld, bedankte in
1862 en overleed alhier in 1868. Henricus Antonius Ludovicus Hagdorn,
benoemd in Maart 1863; naar elders verplaatst in Januari 1864. Hubertus
Constantinus van den Ertwegh, benoemd den 4 Juni 1864, naar elders
geroepen den 27 Januari 1868. Henricus Bloemers, geboren te Beesel, was
te voren hier hulponderwijzer. Henri Geurts, geboren te Tegelen den 23
November 1845 volgde hem als hulponderwijzer op.
Na het overlijden van Peter Dambacher gaven te Steijl bijzondere
onderwijzers aan eenige kinderen lager en middelbaar onderricht; wij
noemen als zoodanig Joannes van Wis, later priester geworden, Joannes
Grubben, Jacobus Holtman.
Toen er in 1867 een flinke school benevens onderwijzers woning verrees
werd ook te Steijl eene hoofdonderwijzer aangesteld. Achtervolgens
gaven daar onderwijs: Henricus Bastiaans, benoemd in Januari 1868, deze
overleed in Maart daaropvolgende. Jean Godfried Crasborn, benoemd in
Junij 1868, ontslagen in Juli 1870. Joannes van den Houdt, benoemd in
Dec. 1870, ontslagen den 27 Mei 1874. Jan Willem van Poppel, benoemd
den 1 Augustus 1874.
Sedert 1818 werd, zoowel te Tegelen als te Steijl, steeds gezorgd dat
hunne onderwijzers in staat waren voldoend onderricht te geven in de
_Fransche_ en _Duitsche_ talen, in de musiek en meer andere vakken.
Den 2 September 1875 hebben eenige kloosterdochters onder den naam
van _Zusters van Onze Lieve Vrouw_, genoodzaakt door den Pruissischen
Culturkamp om zich uit hare woonplaats Essen in Duitschland te
verwijderen, het ruime huis met erf van Mevrouw de Weduwe Math. Moubis
aangekocht‚ met ’t doel om aldaar een pensionnaat voor jonge dochters
op te richten, met eenzelfde doel hebben thans ook een twintigtal
_Zusters der Voorzienigheid_ uit Westfalen, het huis van Mevrouw de
weduwe Leop. Moubis in bezit genomen.
§ VII. Adellijke Huizen te Tegelen.
Te Tegelen bevinden zich twee kasteelen, vroeger door adellijken
bewoond: _Holtmolen_ en de _Munt_. Holtmolen voorheen _Holtmülen_
ten zuiden van het dorp op tien minuten afstands van de kerk, is een
prachtig landgoed met schoone omgeving van boschaadjes, vijvers en
tuinen. Hoewel hier en daar veranderd en gewijzigd, heeft het slot
zijn’ oorspronkelijken vorm vrij wel behouden; men ziet er ook nog
de huiskapel, ofschoon wij nergens een bewijs vinden dat er vroeger
ooit het H. Misoffer werd opgedragen, tenzij alleen een korten tijd in
het begin dezer eeuw, toen het gebouw bewoond was door den Heer van
Dinter. De grachten zijn breed en worden gevoed door het bronwater der
aangrenzende bergen, hoofdzakelijk door den zoogenoemden »_snellen
sprunk_.” De nabij gelegen overoude watermolen schijnt zijnen naam aan
het kasteel te hebben gegeven, althans deze molen lag vroeger te midden
van struikhout en behoorde altijd tot het eigendom van het kasteel.
Wanneer vroeger de groote weg van Venlo over Tegelen naar Roermond, uit
hoofde van het opzwellen der Aalsbeek, onbruikbaar werd, liet de Heer
van Holtmolen toe, dat de barrieren langs het kasteel geopend werden,
en vrije doortocht bestond over zijn goed in de richting van Geloo naar
Reuver, of ook door de holle straat, Nering geheeten, naar Belfeld.
De lange nevengebouwen van het slot hebben ten tijde van baron Von
Glazennap gediend tot paardenstal voor een escadron cavalaristen, die
deze Heer voor den krijgsdienst gedurende eenigen tijd onderhield.