EERSTE AFDEELING.

Chronijk van Tegelen.

De oudste bescheiden die van Tegelen gewagen, noemen deze plaats:

_Tichlouw_, _Tiglau_, _Teglo_, _Tegelon_.

In de handschriften der vijftiende, zestiende en zeventiende eeuw

vindt men den naam: _Thygelen_, _Tyghelen_, _Thiegelen_, _Thegelen_,

doch nadien niet anders dan Tegelen. Er zijn er, die deze benaming

afleiden van het nederduitsch woord _tigchelen_, dat heet baksteenen

vervaardigen; anderen zoeken den oorsprong in het latijnsch woord

_tegula_, dakpan. Een en ander wijzen op den zich alhier bevindenden

klei of leemgrond tot vervaardiging van steenen, pannen en potten, die

reeds vroegtijdig eene menschengroep naar deze »tigchelouw” schijnt

geroepen te hebben.

Trouwens de herhaaldelijke opdelving van romeinsche zoowel als

germaansche voorwerpen, staven deze bewering. In de groeven, waaruit

nog voortdurend de pan- en potaardgrond wordt opgehaald, heeft men in

1841 en daarna nogmaals een menigte romeinsche baksteenen, dekpannen,

urnen en andere voorwerpen van dien oorsprong opgedolven. Wel een

bewijs dat onze pan- en potfabrieken reeds tijdens het romeinsch

tijdvak in werking waren, en dat bij gevolg ons dorp van vóór 16 eeuwen

dagteekent[1]. Dergelijke vondsten hebben op Belfelder grondgebied

plaats gehad. Den Heere H. Justen, te Venlo, gelukte het tevens voor

ettelijke jaren op de grenszijde van genoemde stad een romeinsche

begraafplaats te ontdekken, terwijl op dezelfde heide niet ver van

de hoeve »Uleshei”, ter plaatse genoemd »_landweer_”, een romeinsch

kamp schijnt gevestigd te zijn geweest, waarvan de loopgraven zich

nog zichtbaar voordoen. De ligging van Tegelen op den oever der Maas

en aan den romeinschen landweg van Coriovallum op Castra Vetera,

en bijzonderlijk de rijkdom van haren bodem aan potaarde, schijnen

oorzaak geweest, dat zich hier eene kolonie pan- en potbakkers heeft

neergeslagen, die sedert dien hare waar naar alle winden verspreid

heeft. Dit verkeer heeft gewis een zekere beschaving, en genoegzamen

voorspoed bij onze voorouders verwekt. Daarbij hebben de bewoners

zeker, gelijk thans, landbouw en veeteelt behartigd, zoodat men hun

geen betrekkelijken welstand kan ontzeggen.

495. Aan de Romeinen volgden, op onzen vader-grond, de Franken,

die zich na de bekeering van Clovis, tot een christelijken staat

vormden[2]. Uit de geschiedenis leeren wij dat ten tijde van den H.

Lambertus, bisschop van Maastricht, (690) onze streken reeds veelal tot

het christendom bekeerd waren. Er woonden nog alleen heidenen in de

barre zandwoestijnen der Kempen[3].

720. Uit het frankische tijdperk vernemen wij nopens Tegelen, dat er

reeds ten tijde van den H. Plechelmus, omstreeks het jaar 720, eene

kerk zou gesticht zijn ter eere van den H. Martinus. De geloovigen uit

Venlo (alwaar eerst in 760 eene kerk werd aangelegd,) zegt men, kwamen

toen alhier hunne godsdienstoefeningen verrichten. Dit feit, hetwelk,

zoover wij weten, op geen oude bronnen steunt,[4] heeft op zich zelven

beschouwd, niets ongeloofelijksch.

999. Op het einde der tiende eeuw, namelijk in 999, werd Tegelen onder

kerkelijk opzicht, door den aartsbisschop van Keulen, tot wiens bisdom

het oorspronkelijk behoorde, afgestaan aan den bisschop van Luik. Als

dusdanig maakte ons dorp deel uit van het concilie van _Wassenberg_

en het aartsdiaconaat van _Kempenland_ tot nog op het laatst der

verloopene eeuw[5]. Ziehier op welke wijze deze ruiling plaats greep.

Evergerus, aartsbisschop van Keulen, zag ongaarne dat het klooster te

Gladbach, zoo rijkelijk door zijne voorgangers gedoteerd, zich in een

ander bisdom bevond. Hij beriep daarom de monniken van Gladbach naar de

kerk van St. Martinus te Keulen en gebood hun alle heilige relikwieën

mede te voeren. De H. Vitus intusschen, ontevreden over de verplaatsing

der abdij, gaf, bij een nachtelijke verschijning den bisschop hierover

eene ernstige vermaning. Evergerus gansch ontroerd, legde alsdan de

belofte af, van de monniken met de H. Relikwieën te laten heengaan, hun

vroegere rechten en bezittingen te herstellen en eindelijk Gladbach van

het bisdom Luik te scheiden. Dit volbracht hij door de drie keulsche

kerken: Tegelen, Lobberich en Venlo te ruilen tegen Gladbach en

Reith[6].

1202. Uit hetgeen nader blijkt, was Tegelen vroegtijdig eene

_Heerlijkheid_. In 1202 doet zich zekere _Reinier Van Tegelen_ voor

onder de ministeriels[7]. Eene familie genaamd _Van Tegeln_, uit welke

in 1386 _Bernhard_ onder den kleefschen adel voorkomt, voerde als

wapen: drie gouden leeuwen in een rood veld: op den gekroonden helm een

dubbel rechtstaanden leeuw[8].

1326. Het goed _Wambach_ onder Tegelen is ook van zeer oude

dagteekening; althans wij vernemen dat »de Hoff to Wambeke, met der

moelen thiende, ende rente die daertoe behooren; Item de hoff to Hadem

ende dat daertoe behoort, helt: _Henrick De Lange Van Criekenbeck_,

anno 1326”[9]. Later kwam dit goed aan de Heeren van Holtmolen.

1402. De aloude Heerlijkheid Tegelen met toebehoor,[10] zoo vinden wij

vermeld, benevens de kleine tienden aldaar; verder het _jus patronatus_

of vergevingsrecht der kerk aldaar even als te Breijel en gedeeltelijk

te Beesel; nog het huis Holtmolen met de groote en kleine tienden

aldaar, en Steijl aan de Maas met den hof Bongaert kwamen in het jaar

1402 toe aan Otto van Holtmolen.

1425. Johan van Holtmolen ontving in 1425 de _Heerlijkheid Tegelen_ met

al haar toebehoor gelijk dezelve van oudsher gelegen was in het ambt

Bruggen[11].

1433. De eerste melding, die wij van de pastorij te Tegelen kunnen

maken, is de volgende: Den vierden April 1433 op St. Franciscusdag,

verpacht Hendrik van Holtmolen pastoor te Tegelen aan Daemen van den

Bruele genaamd van Brempt, een kleinen grint gelegen te _Bergh_ op de

_Ruyren_, voor een tijdvak van tachtig jaren, tegen den jaarlijkschen

pachtprijs van 20 Bodregers, Roermonds geld.

1436. Het adellijk goed _Holtmolen_ schijnt van oude dagteekening te

wezen. Althans wij vinden, dat de gebroeders _Godart_ en _Engelbert_

van Holtmolen onderteekend hebben, het verbond, hetwelk de steden en de

ridderschap tegen Arnold van Gelder in 1436 hadden aangegaan. Tevens

wordt gezegd dat dit Holtmolen bij Tegelen was gelegen[12].

Het voormalige Slot _de Munt_ was omstreeks 1550 nog bewoond door

_Gerhard van Holtmolen_[13].

1430-1450. De tegenwoordige kerk van Tegelen dagteekent uit de eerste

helft der vijftiende eeuw; onder meer dan een opzicht verdient zij

onze aandacht. Zij heeft een hechten en reusachtigen toren van 30

meter hoogte aan muurwerk; de spits is vierhoekig doch laag. In

de twee bovenste vakken aan elke zijde des torens behalve aan den

zuid-oosten kant alwaar de torentrap is opgetrokken, bevinden zich

drie naast elkander staande blindvensters met sierlijke frontons

uit zandsteen, die hier en daar door den tand des tijds beschadigd

zijn. De kerk zelve heeft slechts eene lengte van ruim dertig meter,

doch telt zestien meter in de breedte. Pijlers zijn vier in getal en

vormen twee zijbeuken, die elk door drie schoon gekleurde vensters

worden verlicht[14]. Dit was hare toestand in 1874, toen zij merkelijk

vergroot en hersteld werd. Die vergrooting bestond in het aanbouwen

van een nieuw koor ter lengte van vier meter en het doortrekken der

zijpanden op gelijke lengte zoodat ze met twee pijlers en twee vensters

is vermeerderd. Wijders heeft men den tempel door uitbouwen tot een

heerlijke kruiskerk hervormd. Het alles brengt thans een juiste

evenredigheid te weeg tusschen toren en kerk, en, wat de voorname zaak

was, vormt nu een’ tempel, die het volkrijke Tegelen kan gerieven. Was

vroeger de oppervlakte der gansche kerk honderd negentig vierkante

meter, thans beslaat zij drie honderd dertig meter.

Onder het voormalige koor der kerk bevindt zich een grafkelder van

zes meter vierkant. Laatstelijk werden daarin bijgezet de stoffelijke

overblijfsels van Pastoor Nic. Smeets in 1728, en van Jan Josef Van

Wevelickhoven, Heer van de Munt, in 1742. Verder zijn er aanwezig twee

kleinere kisten zonder eenige aanwijzing[15].

Zooals het opschrift aantoont, en overigens bewezen is, werd in 1609

de Tegelsche toren voorzien van de nog bestaande groote klok. Haar

opschrift luidt:

Ƞ Maria heisse ich

Lebendige ruf ich

Todten beschrei ich

Jan von Trier hatt mich gegossen, anno 1609.”

Zekere Louïs van de Mortel uit Venlo heeft ze in November 1609

geplaatst en het noodige ijzerwerk daartoe geleverd; hij kreeg tot

loon 75 venloosche gulden. Naar deze klok werd in vorige eeuwen de

onderhoorigheid aan dit kerspel vermeld door de woorden: »onder desen

klockenslagh,” immers zij was de bannaalklok. Haar gewicht bedraagt

7000 kilo’s. De tweede klok, wegende nagenoeg 4500 kilo’s, werd in 1830

uit een vroegere kleine met toevoeging van nieuw metaal, vervaardigd

door J. Groulard te Tongeren; zij draagt het volgende opschrift:

»Deze klok verschuldigt de gemeente aan Koning Wilm I. Burgemeester W.

Kamp. Pastoor J. Orths. Peter P. M. Canoy, meter Mevr. de Rijk geb.

de Koning. Zij roepe de geloovigen ten tempel.”

De derde of kleinste klok, ongeveer 80 kilo’s wegende, is uit het begin

dezer eeuw; hoewel fijn van metaal en helder van klank, stemt zij

geenszins met de twee vorige overeen. Men noemt haar _bimke_.

Het uurwerk in den toren werd aangebracht in 1664 door Frans Ter

Broink uit Wachtendonck voor de som van 224 kl. gulden, gelijk eene

rekening vermeldt. Van toen af tot 1680 placht jaarlijks een deskundige

uit Dulken herwaarts te komen om het raderwerk te herzien en genoot

daarvoor iedermaal een Rijksdaler en vrijen kost.

Onder het civiel opzicht behoorde Tegelen tot het hertogdom Gulick

en maakte voortdurend daarvan deel uit tot op het laatst der vorige

eeuw. De regeering van ons dorp stond onmiddelijk onder het ambt

Bruggen en wijders onder het bestuur van Dusseldorp. Diensvolgens was

bij onze voorouders de duitsche taal de officieele, zoodat nog in den

beginne dezer eeuw gedeeltelijk duitsch en gedeeltelijk hollandsch

werd onderwezen in de school en slechts in 1841 de eerste pastoor

werd aangesteld die uitsluitend in de hollandsche taal predikte of

onderricht gaf. Vandaar is ook nu nog bij velen in gebruik het cijferen

en rekenen in kleefsch geld, en het bezigen van duitsche uitdrukkingen

meer dan bij de naburen.

1473. Eene akte van wege de regeerders van Tegelen, onder dagteekening

van den 30 April 1473, en strekkende ter verzekering eener jaarrente

ten voordeele van den arme, meldt onder anderen de volgende

omstandigheid: »want wij gemeijnde schepen geijnen seghel en hebben,

hebben weij gebeden ende bidden den eersamen en weijsen mannen van

Kaldenkerchen ende Bracht, dat sij aen desen brieff haeren seghel

willen hangen; dat sij voirs. schepen gherne gedan hebben om rede

wijl der gemeijnde schepen van Thijgelen voirsbeheltenis heer van den

landes rechten end mallich seijner rechten”[16]. Het latere zegel dezer

gemeente droeg het beeld van den H. Martinus te paard.

1526. De bank of het gerecht van Tegelen was van oudsher samengesteld

uit zeven schepenen, van welke de oudste voorzitter (vorsteher) was.

Bij gebrek aan meerdere bescheiden kunnen wij alleen de volgende lijst

van scholtissen en schepenen geven:

In 1526 was Theodoricus Ploenis, schout.

» 1594 » Peter Smits, vorsteher; zijne ambtgenooten

verklaren niet te kunnen schrijven.

» 1620 » Stephan Beekmann, vorsteher.

Gerrit Aen gen Steijl, } schepenen.

Mathis Strouck, }

» 1631 » Gisbert Kampp,

Gerrit van Bakenbosch, }

Thys Weggers, }

» 1636 » Gerrit Vervoort, vorsteher.

Johan Smits, }

Gerret Smeets, } schepen.

» 1653 » Jan Alerts, schout.

Peter Rieversthal, schepen.

» 1667 » Jost op Steijl, burgemeister.

» 1680 » Jan Ronck, idem.

Micheel in de Betouw, schepen.

Wilm Franssen, idem.

» 1707 » Conraed op Heijs, idem.

Gaspar Ronck, idem.

» 1715 » Joh. Kampp, schout.

» 1726 » Wilm Bongerts, schepen.

Jacob Canoij, idem.

» 1735 » Ant. van Aarssen, vorsteher.

Jacob Kruisbergh, schepen.

» 1750 » Wilm Kampp, schout.

Jac. Laeden, schepen.

Andreas Schinck, idem.

» 1760 » Wilh. Franssen, oudste schepen.

» 1771 » Hendrik Theeuwen, vorsteher.

Jan Mingels, schepen.

» 1774 » Pieter Gubbels, oudste schepen.

» 1783 » Joannes Goossens, burgemeester.

Jan Denissen, schepen.

Van 1798 tot 1806 was Ant. Thijssen, meijer van den

conseil municipal.

» 1806-1807 » Wilm Houda en } fungerende

Balthasar de Hasenbach } meijers.

» 1807-1830 » Wilm Kamp, burgemeester.

» 1831-1836 » Jan Josef Ronck, idem.

» 1836-1848 » Peter van Leipzig, idem.

» 1848- » Peter Kurstjens, fungerend burgem.

» 1848-1852 » Gerard de Rijk, burgemeester.

» 1852-1862 » Louise de Rijk, idem.

» 1862- » Jan van Leipzig, fungerend burgem.

» 1862-1868 » Jacob Beelen, burgemeester.

» 1868- » Stephanus Houba, idem.

Op heden bestaat het bestuur verder uit twee wethouders die men

schepenen pleegt te noemen en vijf andere raadsleden, benevens een

secretaris. Ook heeft de gemeente zijn bode of veldwachter, naast

een rijksveldwachter die voor zeker district wordt aangesteld. De

gemeenteontvanger noemde zich voorheen _tölner_[17].

Het gebouw, voorheen de school en kosterswoning, dient sedert 1818 tot

vergaderplaats van het gemeente bestuur. Het is klein, en belemmert

zeer den vrijen toegang tot, en het uitzicht op de kerk. Het ziet naar

een beter en doelmatiger uit.

1526. Te Steijl onder Tegelen lag van oudsher eene kapel toegewijd aan

de HH. Fabianus en Sebastianus. Een stuk uit 1526[18] verhaalt ons hoe

de belangen van den dienstdoenden rector aan deze kapel meermalen voor

het Geldersch hof waren in behandeling gekomen, en deze nu voor goed

in bezit wordt gesteld van woning, tuin en landerijen gelegen deels te

Steijl deels in den kring der moederkerk Tegelen.

In dit zelfde stuk wordt bij uiterste wilsbeschikking van zekere

_Thomas_ en _Sophia_ echtgenooten ten gevolge der schenking van

voornoemde goederen, bepaald, dat bij elke vacatuur van het rectoraat,

een geestelijke candidaat uit hunnen bloede, of bij gebrek van dezen,

een geestelijke uit het stadje Kempen, mits vereischte hoedanigheden

bezittende en goedkeuring des pastoors van Tegelen, aan de onderhavige

kapel zou worden aangesteld. Tot last had de rector wekelijks twee

missen ter intentie van de stichters te lezen. Deze akte werd opgemaakt

en bekrachtigd door den toenmaligen schout Theodoricus Pleunis in 1526.

1540. Van het jaar 1540 weten wij dat Gerard van Holtmolen en Elisabeth

van Ympel zijne huisvrouw verkoopen aan Jan Drijvenen, Chrystoffel

van Duersdal en Jan Golstein als man en momber van Heelwech van der

Kranken zijne huisvrouw collatoren van het altaar van O. L. Vrouw, SS.

Mathias, Remigius, Dionijsius en Margaretha in de kerk van Tegelen,

eene jaarrente van 20 goudgulden ten laste der hoeve Bongaert aldaar,

tot instandhouding eener dagelijksche mis. Rector van dit altaar was

toen de Heer Bernard van Besel. Wijl de hoeve Bongaert leenplichtig was

van het huis Holtmolen, gaven Florens van Holtmolen en zijne leenmannen

Jan Stalberge doctor in de rechten en Hendrik Berrevelt daartoe hunne

goedkeuring[19].

1571. Zeer belangrijk in de geschiedenis onzer parochie is het

volgende feit, dat in 1571 plaats had. Tot dusverre was de kapel van

Belfeld, toegewijd aan den H. Urbanus, eene filiaal van Tegelen. Bij

de oprichting van het bisdom Roermond in 1561, werd Belfeld, wijl het

onder civiel opzicht tot Gelderland en het ambt Montfort behoorde, in

dit nieuwe bisdom opgenomen, terwijl de moederkerk van Tegelen, op

Guliks grondgebied gelegen, onder het bisdom van Luik bleef. Zulks gaf

in 1571 aanleiding tot eene scheiding[20]. De beweegredenen daartoe

waren: de verre afstand der ingezetenen van Belfeld en Geloo van

de moederkerk, en de noodzakelijkheid waarin zij verkeerden van in

aanraking te moeten komen met inwoners eener gemeente, waar men sinds

eenige jaren kettersche denkbeelden was toegedaan, en waar zelfs de

bedienaar der godsdienstoefeningen een aanhanger der ketterij was.

Tot onderstand van den pastoor aan die nieuwe parochie, werd de helft

der tiendevruchten, bestaande uit 49 malder rogge en 1 malder haver

van den pastoor van Tegelen aangewezen. Deze scheiding van kerken was

bewerkstelligd geworden door den bisschop van Roermond, terwijl de

verdeeling der tienden was bevolen door den aartsbisschop van Mechelen,

doch een en ander geschiedde ondanks het gemeentebestuur en den

pastoor van Tegelen. Vandaar eene reeks van processen. De ingezetenen

van Tegelen wendden zich herhaaldelijk tot de keurvorstelijke

regeering[21], en die van Belfeld tot het Geldersch hof te Roermond.

Intusschen bleef tot 1675, alzoo langer dan eene eeuw, de tijdelijke

pastoor van Tegelen de nieuwe parochie voortdurend bestieren, las er

des Zondags en twee maal in de week de H. mis of deed die door een’

anderen lezen. Daar evenwel gemelde tienden schier allen gevestigd

waren op landerijen in Belfeld en Geloo gelegen, zoo lieten de

ingezetenen dier plaatsen niet na de helft daarvan ten voordeele van

een’ resideerenden pastoor te Belfeld in te vorderen.

Eerst in December 1696 besloot de pastoor van Tegelen Joan. Bongaarts,

inziende dat het hof van Roermond die van Belfeld steeds zou

ondersteunen, het geschil voor zich persoonlijk te staken, en kwam

met het bestuur van Belfeld in dezer voege overeen: den pastoor van

laatsgenoemde plaats (toen reeds benoemd) zou 24 malder rogge en 1

malder haver van de tienden toekomen, terwijl de pastoor van Tegelen

zou genieten 12 malder rogge, 8 malder boekweit, 4 malder gerst en

1 malder haver[22]. Wat nog ten deze plaats vond, zullen wij nader

vernemen bij de behandeling der pastorijen hier en te Belfeld.

Ons dorp schijnt in de zestiende eeuw door Luttersche en Calvinistische

denkbeelden aangestoken te zijn geworden. Behalve uit het reeds

aangehaalde, blijkt zulks uit een handschrift, dat wij onder de

archieven opdeden, doch dat geen’ naam of dagteekening draagt[23].

Daarin wordt vermeld, dat de hooge regeering van den pastoor verlangt

te vernemen, wat er te Tegelen, in zake van protestantismus, van

kerk, kerkbedienaar, revenuën, school en schoolmeester bestaat. De

pastoor antwoordt als volgt: »bij gebrek van documenten kan ik alleen

bevestigen, eerstens: dat in de parochie Tegelen geene kerk van de

zoogenaamde hervorming bestaat; doch door overlevering weten wij,

dat eertijds Frans van Holtmolen, in de geschiedenis der omwenteling

genaamd _Canisius_[24] ambtman van het district Bruggen en ijveraar

der ketters, ten tijde der hervorming of onmiddelijk daarna, den

pastoor van Tegelen ontzette uit alle zijne rechten en bedieningen, en

een’ ketterschen bedienaar (domine) in diens plaats deed aanstellen.

Gedurende vijftien jaren, zegt men, heeft laatstbedoelde alhier zijne

bedieningen uitgeoefend, waardoor bijna alle goederen en renten der

pastorij zijn verloren gegaan. Ook de revenuën der beneficiën van O. L.

Vrouw, van St. Antonius en van het H. Kruis zijn daarbij zoek geraakt.

Zonder twijfel heeft de Heer van Holtmolen, als collator der pastorij

dezen predikant aangesteld. Tweedens, kerk, school of schoolmeester

hebben de Lutheranen of Galvinisten hier niet. Derdens, ik weet niet,

en heb ook nimmer vernomen, dat een protestantsch minister, uit hoofde

zijner bediening in Tegelen eenige goederen of renten bezat”. Zoover

ons document. Dit zegt genoeg wat Tegelen van den kant der zoogenaamde

hervorming moest ondervinden. Zij werd met geweld ingevoerd doch

schijnt bij de ingezetenen hoegenaamd geenen bijval gevonden te hebben.

1578. Edoch niet alleen gewetensdwang onder den schijn van hervorming,

maar ook de onheilen des oorlogs bezochten in die jaren het vreedzame

Tegelen. Althans wij lezen in eene Chronijk van Roermond[25] dat de

Spaanschen op den 12 Jan. 1578 met het gros van hun leger voortrukten

naar het ambt Kriekenbeck, en op hunne doortocht, behalve andere

plaatsen, ook de Gulicksche dorpen Tegelen, Kaldenkerken en Breijel

zeer beschadigden.

1620. Toen het na den tijd der hervorming tot vrede was gekomen, bleven

de protocollen van kerkvisitatiën, testamenten, rekeningen enz.,

zorgvuldiger bewaard en verkrijgen wij dan ook meer en meer bijzondere

gegevens over ons dorp. Zoo maken we thans op dat de gemeente Tegelen,

van af het begin der zeventiende tot den aanvang van deze eeuw, weinig

in zielental heeft toegenomen, alhoewel op dit oogenblik de bevolking

driedubbel is. In 1620 telde Tegelen 246 communicanten, alzoo ongeveer

750 zielen. In 1815 waren nagenoeg 500 communicanten, bij gevolg niet

meer dan 1300 inwoners; thans telt Tegelen 2200 zielen.

1627. Den 8 Januari 1627 verklaart koning Philips _Hans Willem van

Baexem_ vervallen van zijn recht op de helft der tienden van Tegelen,

en schenkt die aan den arme te Venlo, terwijl de andere helft aan de

erfgenamen van _Toon Jacobs_ zal verblijven[26].

1637. De oudste doop- trouw- en sterf-registers te Tegelen dagteekenen

van 1637 tot 1670. In plaats van familienamen vindt men daarin bij den

doopnaam doorgaans dien van een of ander gehucht, straat of pachthoeve.

Wel een bewijs, dat voor ruim tweehonderd jaren de familienamen hier

weinig in gebruik waren. Zoo lezen we herhaaldelijk: Diedrik, Merie,

Peirke enz. op gen Steijl, op de Hochstraet, aen gen Cruts, aen gen

Siep, aen ’t Brukske, van den Baekenbosch, van den Haenert, van de

Munt, op Heys, aen Lohé enz. Ook vindt men vaak den doopnaam gevoegd

bij den naam van het ambacht des vaders, als: olieslegers, schreurs,

mulders, schoemakers, custers, van den Brouwer of Brouwers, van den

Smid of Smids; ofwel in het latijn ingeboekt, sartoris, molitoris,

custodis, fabri-ferrarii enz. In voormelde registers staan, anno 1643,

drie paar, die ten huwelijk werden ingezegend; zeven doopelingen,

terwijl er even zoo velen overledene zijn opgeteekend. In 1645, huwde

niemand, en werden er slechts drie ten doop gebracht; overlijden niet

vermeld.

1645. De landschatting (churfürsterliche Steuer) bedroeg in de jaren

1645-1650 voor Tegelen 108 R. thaler of 589 Venlosche fl. De hoogst

aangeslagene destijds waren: De Heer van Holtmolen voor 114 fl. Wilm

Franssen 55 idem. Corn. In de Betouw, 38 idem. Jan van Aarssen 32 idem.

De geringste betaalde 15 stuiver.

De pachthoeven, of boerderijen, waren voor tweehonderd jaren

niet talrijker dan ze thans nog zijn. Ik vind de volgende:[27]

_Hanraetshof_, thans Hanert genoemd, behoorende tot Holtmolen.

_Merterhof_, gelegen op de _alde mert_, eigendom van den H. E. Receveur

te Venlo. _Kasteelshof_ bij Holtmolen. _Bakenbosch_ ten zuiden van

Holtmolen doch hierbij behoorend. _Bosserhof_ en _Linksterhof_

Venlowaarts en behoorende aan de Munt. Twee oude hoeven bestaan niet

meer; de _Drumpsel_, welke broekwaarts lag tusschen Linkster- en

Bosserhof, is opgeruimd in den Franschen tijd; de laatste pachter

Peter Pubben overleed in 1775; en _Kruitserhof_, die in 1860 door een

heerenhuis werd vervangen.

Voor 25 jaren is aangelegd geworden de grootsche hoeve Ulesheide op de

Kaldenkerker grenzen. Op dat tijdstip worden aan den regeeringsraad te

Bruggen opgegeven te Tegelen 26 paarden, 70 koeijen en 300 schapen.

Aan het Tegelsch archief ontleenen wij nog eenige bijzonderheden uit

deze jaren betrekkelijk het huishoudelijk leven onzer voorvaders.--Voor

pacht van één morgen land gaf men 8 vat rogge; voor kostgeld van lieden

van geringen stand 7 kl. gulden per maand; voor één ton bier 5 kl. gld.

de vaan[28] kostte 8 stuiver; voor bakloon van één vat rogge betaalde

men 4 stuiver; voor een paar schoenen 1½ gld.; voor een linnen hemd

2½ gld.; voor één roggen brood 9 stuiver. Een kan wijn kostte 1½

schelling; eene halve dozijn kippen 1 gld.; een malder rogge 8 gld.,

gerst 8½ gld., haver 6 gld. en boekweit 5¼ gld. De gebrande

steenen werden betaald de duizend met 7, eene kar kalk met 9 gld. Hoe

gering over ’t algemeen deze prijzen ook schijnen, werden zij destijds

hoog geacht; want de ontvanger der Broederschap van O. L. Vrouw o. a.

verwittigde in Nov. 1645 alle belastingschuldigen van »de leveringhe

te doen in claeren rog, off beij dezen continuerenden crijgh, imperial

ieder malder te lossen nemlich met 8¼ gulden Venloiss current”.

1646. Het blijkt dat Tegelen nog al bezwaard werd met inkwartieringen

en krijgslasten. Uit het jaar 1646 vinden we aangeteekend[29] dat de

veldmaarschalk van Brederode zich van af den 10 October gedurende

verscheidene dagen alhier met zeven regimenten kwam vestigen. Later

meer daarover.

1670. Het kerkarchief geeft aan, dat er in de jaren 1670 en 1671 nog

al belangrijke werken en herstellingen plaats vonden aan onze kerk.

Vooreerst werden behoorlijk muren getrokken om het kerkhof, dat bijna

de helft grooter was aangelegd. Ook werd, wegens het ingenomen voetpad

langs de erven Kamp, een ruime en geregelde doorgang gemaakt naast

kerk en het kerkhof naar het Betenveld. Inwendig, na schier alle

meubelen te hebben geruimd, werd de kerk als ’t ware in een nieuw

kleed gestoken. Een schoon en hoog hoofdaltaar uit Venlo herkomstig,

kwam het oude, dat onbruikbaar was geworden vervangen; doch bij de

huidige restauratie moest ook dit altaar wijken, als komende met den

bouwtrant der kerk geenzins overeen. In beide zijpanden werden nieuwe

altaren geplaatst; rechts dat van St. Martinus, patroon der kerk. De

beneficiën van St. Antonius enz. aan dit altaar waren verloren gegaan.

Links bleef het altaar van O. L. Vrouw, waaraan vroeger beneficieën

van O. L. V. van SS. Mathias, Dionijsius en Margaretha gehecht waren.

Een dubbel ruggewaarts aan elkander gehecht O. L. Vrouw beeld dooreen

achttal engelen omringd hing oorspronkelijk in het transcept boven de

Communiebank. Later heeft men deze beelden een geruimen tijd in de

bergplaats opgesloten; doch het zeer verdienstig beitelwerk spoorde het

tegenwoordig kerkbestuur aan om een dezer beelden te doen herstellen,

hetgeen bij uitstek gelukte; het prijkt voor als nog op het altaar

van O. L. Vrouw. De voormalige beelden van St. Antonius, Ste. Barbara

en Ste. Lucia zijn in eere gehouden. Nog waren in 1671 uit Venlo

aangebracht de twee nog bestaande biechtstoelen benevens een fraaije

eiken Communiebank. De predikstoel werd in hetzelfde jaar verplaatst

naar den kant waar hij zich nog bevindt; van waar dit fraai stuk kwam,

hebben wij niet kunnen achterhalen. Het orgel met toebehoor, zeer

voldoende voor deze kerk ook thans nog, werd gekocht in 1798, en komt

uit de Munsterabdij te Roermond.

1676. Langen tijd moet het treurig jaar 1676 in het geheugen der

Tegelschen gebleven zijn, immers zooals in den doopregister staat

aangemerkt, woedde de dissenterie in zoo hevige mate, dat van Juli tot

November niet minder dan drie en twintig inwoners overleden, van welke

drie uit een huisgezin.

1679. Nauwelijks was deze geesel gekeerd, of de lasten van den oorlog

deden zich gevoelen. Sedert eenigen tijd hadden de Franschen ons land

overweldigd; zij eischten van de gemeente zeer drukkende contributiën

en namen verscheidene reizen alhier met hunne troepen inkwartiering.

De ingezetenen, toch al ruim bezwaard door allerlei uitgaven, konden

bij hoofdelijken omslag niet voldoen aan het gevorderde, weshalve het

bestuur in April 1679 eene leening van 100 R. daler moest aangaan.

Bijna hetzelfde viel aan onze gemeente ten deel van den kant der

Hollandsche troepen, toen deze ettelijke jaren later Venlo wilden

hernemen[30].

1697. In October 1697, zoo lezen we in een aanteekeningsboekje van

Pastoor Joan. Bongaerts, was de aartsdiaken van Kempenland, graaf van

Berlo, benevens een secretaris, twee kapellaans en nog een bediende,

per rijtuig met zes paarden bespannen, te Kaldenkerken aangekomen. Hij

was vergezeld door een commissaris der hooge regeering van Dusseldorp.

Deze Heeren kwamen den toestand der kerkelijke zaken opnemen[31].

Die stoet zou ook Tegelenwaarts zijn afgedaald, doch om den pastoor

alhier, die ten naauwer nood genoeg bezat om volgens zijn staat te

leven, onkosten te besparen, had de commissaris verkregen dat de

herder tegen geringe bezoldiging, kon voldoen met persoonlijk naar

Kaldenkerken te komen en aangifte te doen over zijne parochiale

aangelegenheden.

Wat wij hier verder tot 1745 over ons vaderdorp mededeelen is getrokken

uit de tamelijk nauwkeurige aanteekeningen van de twee pastoors Joan.

Bongaerts en Nic. Smeets.

1700. Een beduidende diefstal greep plaats binnen onze kerk in den

nacht van den 7 op den 8 April 1700. De dieven hadden zich onder de

torendeur eene opening weten te maken en waren vandaar doorgedrongen

tot in de sacristie, alwaar zij een’ zilveren kelk ontvreemden. Hierna

openden zij geweldadig het tabernakel, en namen daaruit een zilveren

ciborie benevens de zilveren vaten voor de HH. Oliën. In de kast van

den zijmuur tegenover het hoofdaltaar stalen zij voorts de vaten voor

het H. Chrisma en den H. Olie der doopelingen, benevens eene som gelds

aldaar opgesloten. Nooit heeft men de daders kunnen achterhalen.

Ettelijke dagen daarna zond de toenmalige pastoor van Blerick: Theod.

van Panhuizen een’ noodkelk, kunnende dienen tot ciborie, een metalen

kelk, twee vaten voor de HH. Oliën der kranken en twee voor die der

doopelingen. De Blericksche pastoor behield zich echter voor, dat zoo

ooit Blerick door diefstal, brand of ander ongeval mocht ontriefd

worden, deze voorwerpen moesten teruggegeven worden. De begane diefstal

scheen alom medelijden verwekt te hebben; althans op den vooravond van

St. Martinus in dat zelfde jaar stapte de Prior van Kevelaar met name

Féron, op zijne reis naar Roermond hier af, en verraschte den pastoor,

in tegenwoordigheid van den toevallig aanwezigen pastoor van Neer en

den schepen W. Franssen, op aangename wijze, door de schenking van

een’ fraaijen zilveren miskelk op welks voet men ook nu nog leest:

»desen kelck wert geoffert aen onse Lieve Vrouw tot Kevelaer” 1642. Ook

gaf de pastoor van Velden bij Venlo aan onze beroofde kerk een’ tweeden

zilveren miskelk ten geschenke. Eindelijk een jaar later ontving de

pastoor van Tegelen uit handen van den kaplaan Leon. Mouts, uit Venlo,

ook nog tot aanschaffing van het benoodigde, zes zilveren lepels en

drie zilveren vorken van wege een onbekende weldoenster. Deze gift werd

aangewend tot vervaardiging van een ciborie.

1701. Dit jaar bracht woelige en onveilige dagen. Men hoorde schier

dagelijks van stelen, wanordelijkheden en oorlog. In den nacht van den

2 op 3 Juli, doorkruiste eene bende stroopers, voorzien van gevaarlijke

wapenen en eenige wagens met zich voerende, de streken tusschen Kessel

en Venlo; zij plunderden wat ze konden, tot zelfs de hooimijten van de

grasweide, en lieten voornamelijk tusschen Tegelen en gemelde stad de

sporen hunner vernieling achter.

De milde giften, waartoe gemelde diefstal velen had bewogen, deden

gewis aan deze stroopers vermoeden, dat er schatten op de pastorij

van Tegelen waren verborgen. Althans den 6 April vond men de deuren

der pastorij ’s morgens onder de vroegmis door middel van sleutels en

andere werktuigen geopend. Niemand was aanwezig. Op het slaapvertrek

der dienstmeid hadden de ingedrongenen 10 of 11 patacons medegenomen;

en van de kamer des pastoors hadden zij ongeveer 30 patacons geroofd.

Dezen diefstal schreven sommigen toe aan twee Egyptenaars of Zigueners

die in vrouwenkleederen vermomd, te voren om een aalmoes vragende

waren bemerkt geworden. Omstreeks tien uren waren zij in de richting

van Luith vertrokken alwaar zich destijds een troep dezer lieden had

neêrgeslagen, doch toen ook van daar de wijk nam.

Den 27 Juli hieropvolgende, kwamen andermaal de Fransche troepen

Tegelen bezoeken waarbij al de te veldstaande vruchten werden vernield.

Bij die en dergelijke gelegenheden, kwamen de inwoners nog al eens

in aanraking met de overmoedige soldaten. Zoo vinden we dat zekere

Gerrit Bachus door een’ Fransch militair, nabij Bakenbosch door een

baijonetsteek werd afgemaakt.

1702. In den oorlog der Spaansche troonsopvolging, stonden, gelijk

bekend is, de Franschen den Spanjaarden ter zijde, tegen Duitschland,

Nederland enz. Ten jare 1702, op Zondag na Paschen, trok Maarschalk

Bouflers met een legerkorps van 30,000 man naar het ambt Bruggen, en

kampeerde een tijd lang in het uitgestrekt Breijelsche veld.

Nog dienzelfden dag kwam ook een leger infanterie hier aan en

sloeg zijne tenten op aan Boschkamp. Wat toen nog van veldgewas en

struikhout was overgebleven werd door dezen buit gemaakt, de stroodaken

zelfs bleven niet gespaard. Den 15 derzelfde maand keerden van de

eerstgemelde de cavaleristen terug en legerden aan de Zandheuvels die

Steyl van Tegelen seheiden; overal brachten zij de schandelijkste

verwoestingen aan en vertoefden langer dan eene gansche week. Eene

herbergierster, te Steyl, werd bij die gelegenheid ter oorzake van

moeijelijkheid bij betaling, in haar eigene woning vermoord. Dit leger

bestaande uit 10,000 manschappen voerde eene kudde ossen met zich

van minstens 1000 stuks. Deze moesten gevoed worden, en nu, als zich

licht laat denken, verdween letterlijk alles uit het veld tot zelfs de

opschietende rogge en tarwe. Den 27 Juli, alzoo twee maanden later,

keerden de overigen van Rouflers leger terug onder het opperbevel van

den hertog van Bourgondië. Zij moesten te Tegelen overnachten. Het

voetvolk zocht plaats in het broek en aangrenzende bosschen, terwijl de

kale weilanden en velden, de ledige schuren en stallen door de ruiters

werden ingenomen. Ook kwamen op den 29 Juli, de Brandenburgsche troepen

alhier, namelijk toen het zich gold het fort St. Michaël te bestormen.

1703. Op deze droevige tijden, volgde gelukkig een allervruchtbaarst

jaar. De meergenoemde pastoor Bongaerts noemt 1703 »annus fertilissimus

in campis et pratis, in vineis et hortis,” een jaar zeer vruchtbaar

zoowel wat veld en weiland, als wat vruchtboomen en kruiden betreft, en

hij laat volgen: »crijgh en brandt, segent Got met voller handt.”

1712. De reeds vroeger gemelde aartsdiaken, graaf Ferdinand Maximiliaan

Van Berlo, deed in 1712 andermaal eene kerkvisitatie ten onzent.

Bevindende dat de pastoor van Tegelen zeer ontriefd was geworden door

de scheiding van Belfeld, beval hij dat het plaatselijk bestuur zich

te dien aanzien zoude wenden tot de keurvorstelijke regeering van

Dusseldorp. Ook gebood hij den Heer van Holtmolen, Baron Van Hunt, het

middenschip der kerk in behoorlijken staat te brengen, en voorts den

benoodigden olie voor de godslamp te verschaffen, waartoe genoemde

baron als collator en bezitter der meeste groote tiende, verplicht was.

De overige tiendenaars, werden mede ernstig aangespoord om fe zorgen

voor de herstelling van den toren en de zijpanden der kerk, welke

taak sinds eenigen tijd ten onrechte der kerkfabriek was opgedrongen

geworden[32].

1718. Op het jaar 1718 treffen wij den Baron _de Wittenhorst_, als

keizerlijke Postmeester; (magister postarum;) en in 1720 _Balthasar von

Rees_, als Postbestierder; (officialis postarum).

Hieruit maken wij op, dat de van oudsher alhier bekende _paarden- en

brievenposterij_, ten minste dagteekent van den beginne der vorige

eeuw. Latere postdirecteuren alhier waren Wilhelm _Franssen_ in 1714,

Jacob _Franssen_ in 1785 en laatstelijk Gaspar _Franssen_.

Het grootsche gebouw, dat van 1730 tot aan de Fransche revolutie tot

posterij diende, is gelegen in de kom der gemeente en wordt voortdurend

het _Posthuis_ genoemd. Het is thans het eigendom van den Heer L.

Gitmans wethouder.

De briefwisseling werd onderhouden door courriers te paard. Een uit

Arcen kwam hier geregeld de brieven afhalen die voor Nijmegen bestemd

waren, terwijl een ander uit Dahlem de brieven van hier medenam naar

Gulick. De paardenposterij had hier acht paarden in dienst; doch

dikwijls ook moesten de boeren, tegen bezoldiging, eenige diensten

verrichten met het aanspannen van benoodigde hulppaarden. In 1800

verlegden de Franschen onze briefposterij naar Venlo, terwijl in

1812 ook de paardenposterij derwaarts verplaatst werd. Nimmer was de

paardenposterij zoo druk in de weer als op het laatst van het Fransche

keizerrijk[33].

1735. De pastoor van regelen Heer _Nicolaas Smeets_, heeft over het

jaar 1735 het volgende ingeboekt: »In dit jaar sijn geweest dry groote

plaegen te weten: Hagelslagh, waerdoor over de halfscheidt der vruchten

sijn beschaedigt; deze kwam ten tijde dat de rogge voor een groot deel

gemaijt was. Daerna is gevolgt hevige windslach, en toen overvloedighe

regen, waerom ick genoodzaakt ben geweest de tienden door pachters voor

kaef en stroo laten in te vaeren. Voor wat ick heb getrokken hebben sij

gedorsen omtrent veertien dagen, want hebben sovele dagen eenen dorser

naer Belfeld gesonden, denwelken ick selfs betaelt heb veor iederen dag

9 stuiver en darenboven is mij opgedrongen, dat ich voor dien dorser

moest missen: een cop vruchten daags, wesende soveel als kostgeld;

hetwelck in het toekomende niet mag geschieden, want die dorser werkt

voor de pachters.”

1740. Nog verhaalt hij, hoe in 1740 een lange en allerstrengste winter

heerschte. De Maas zette zich dicht den 9 Januarij om eerst den 12

Maart los te breken. Daarna viel nog in de maand Mei overvloedige

sneeuw, zoodat de rivier verscheidene reizen hare bedding verliet. En

wij noemen 1840 het koud jaar!

1745. In de jaren, die den vrede van Aken voorafgingen (1748) en

gedurende welke de keizerskroon aan Maria Theresia werd betwist, had

Tegelen meer dan ooit door overlast van krijgsbezetting te lijden.

Wat wij daaromtrent laten volgen is getrokken uit de breedvoerige

opgaaf van den schepen en postmeester Wilm Franssen, met het doel om

van de keurvorstelijke regeering schadeloostelling te bekomen[34].

Van de bondgenooten waren het vooral de Engelsche, de Hollanders en

de Hanoveranen, die ons lastig vielen. In den zomer des jaars 1745

bleven zij gedurende zeven weken alhier kamperen. Op het huis de _Munt_

waren gedurende drie dagen gelogeerd de Engelsche generaal, Milord

_Rothes_, benevens hofmeester en secretaris, en nog twaalf bedienden

met even zoovele paarden. Gedurende 42 dagen vertoefden aldaar de

generaal-en-chef van het Hanoveraansch leger, met name _Von Somerfeld_,

ook met hofmeester, secretaris en al wat bij een hoofdkwartier behoort,

zoodat het geheele kasteel al dien tijd tot hunne beschikking stond.

Nog verbleven een paar dagen op de Munt de Engelsche generaal _Okdon_

40 knechten en 14 paarden, en de Hanoversche generaal _Montigné_ met

15 paarden, gedurende 40 dagen. Tusschen beide kwamen zich aldaar nog

vestigen de Hollandsche generaal Glinstrà met twee luitenants, de

Engelsche generaal graaf van _Albermarle_ en de Hanoversche generaal

_Hamerstein_ met een groot gevolg van ruiters. Voor den eigenaar van

de Munt waren de gedane onkosten en geleden schade geraamd op 370

Rijksdaler. Het huis _Holtmolen_ had 42 dagen lang geherbergd den

Hanoverschen generaal _Drûckleben_ met diens zoon, eenige adjudanten en

een twintigtal bedienden met 30 paarden. Nog hebben aldaar gelogeerd

gedurende drie dagen, de Engelsche generaal _Ligonies_ met eenige

adjudanten en 20 knechten. Voor den Heer van Holtmolen was eene

rekening opgemaakt van 135 R. daler. Bij _Wilm Franssen_ vertoefden

zes weken zekere Brùckmann, generaal van een Hanoversch regiment, met

zijn zoon, den kapitein en verscheidene bedienden met 40 paarden. De

rekening voor _W. Franssen_ beliep 156 R. daler. _Jacob Canoy_ had

40 dagen lang ter inkwartiering een’ Hanoverschen generaal en een’

cipier, en 42 paarden; de kosten werden berekend aan 126 daler. Op

_Bosserhof_ verbleven zeven weken lang de generaal _van Vrede_ met acht

bedienden en 27 paarden; onkosten geschat op 115 daler. _Leonard Van

Dijk_ kreeg 42 dagen ter inkwartiering twee Hanoversche majoors, vier

trompetters benevens 16 knechten met 21 paarden; onkosten: 114 daler.

Bij _Wilm op Kleef_ bleven zeven weken de Hannoversche kolonel _van

Harderberg_ met 15 knechten; onkosten 90 daler. Bij _Joan Engels_ een

generaal-adjudant der Engelschen met verscheidene bedienden; onkosten

70 daler. Een oberauditeur der Hannoveranen woonde eenigen tijd bij

_Elias Bourgondis_, die daarenboven vele zaken geleverd had aan de

Hollandsche troepen, wanneer deze over de heide naar Venlo rukten;

kosten gewaardeerd aan 50 d. Aan _Jan van de Speelhof_ kwamen van wege

het Hannoversch lazareth gedurende 42 dagen, 54 daler toe. Aan _W. van

der Coulen_ wegens eene vrijpartei, die wacht hield, eene Hannoversche

ordinance en 18 sergeanten, beliep 44 daler. Een kwartiermeester der

Hannoveranen met knechten waren 42 dagen bij _Pet. Fegers_; daarvoor

33 daler opgegeven. _Jan op Kleef_ gaf onderdak aan vier Engelsche

luitenants, vier ammunitie-aanvoerders en eene marketenster met twee

knechten, onkosten 45 daler. Bij _Paulus Theeuwen_ logeerden de

Hannoversche majoor Piquord met zes bedienden en 22 paarden gedurende

zes weken, onkosten 52 daler; bij _Hubert Thijssen_, logeerde een’

veldpostmeester van de Engelschen met 10 paarden, benevens een’

opperkwartiermeester, gedurende zes weken, onkosten 53 daler. _Gerard

Märts_, moest zijne woning afstaan en verhuizen voor een Hannoversch

obrist-luitenant, waarvoor berekend werden 34 daler. Zoo waren er

nog vele anderen in Tegelen, die aldien tijd kost en woning moesten

verschaffen aan de troepen. De Hollandsche en Hessische soldaten hadden

minder hinder gebracht. De slotsom der onkosten van deze inkwartiering

beliep 6684 _Rijksdaler_. De schade veroorzaakt aan veldvruchten,

huizen, houtgewas enz., alsmede de onkosten der leveringen voor

manschappen en paarden gaven een totale rekening van niet minder dan

26338 daler. Wij hebben niet kunnen achterhalen, in hoever hieraan

door de Hooge Regeering is voldaan geworden. Deze rekening werd

opgezonden in 1755.

1749. Den 7 Juli 1749 werd te Bruggen aan een groot getal parochianen

van Tegelen het H. Vormsel toegediend.

Bescheiden van latere dagteekening houden in, dat dit H. Sakrament

aan onze parochianen nog werd toegediend: den 5 Januari 1817, door

Caspar Maximiliaan, bisschop van Jericho, i. p. i. te Hinsbeck aan 203

vormelingen; in 1829, den 24 Juni, door den bisschop van Munster te

Kaldenkerken aan 185; in 1831 te Venlo door Corn. Van Bommel, bisschop

van Luik, aan 79; in 1836, den 19 October, te Tegelen door denzelfden

aan 130 personen. Wijders in 1842 den 13 October, door J. A. Paredis

bisschop van Hirenen, i. p. i. te Venlo aan 80; in 1849 den 17 October

te Venlo aan 103; in 1855 ook te Venlo door denzelfden, toen bisschop

van Roermond, aan 90. Nogmaals in 1860 te Venlo aan 112; in 1867 te

Tegelen den 22 October aan 120, en laatstelijk den 7 October 1873 te

Venlo aan 98 vormelingen.

1758. Wilm Kamp, schout te Tegelen, diende in dit jaar een verzoek in

aan den veldoverste Callignon die zich te Beesel bevond, dat deze toch

maatregelen zou nemen, om Tegelen te ontlasten van de husaren, welke

hier voortdurend patrouilleerden; of althans met behoorlijke macht en

gezag herwaarts zou komen, om de tucht en de rust onder de soldaten

te herstellen. Peter Dings, die met dit smeekschrift was belast, werd

onder weg door vier zwarte husaren aangevallen, van zijn lastbrief

beroofd en met verscheiden doodelijke wonden overdekt.

1766. Door Karel d’Oultremont, Prins-bisschop van Luik, was in Januari

1766 een schrijven uitgevaardigd, waarbij het _veertigurengebed_ en

de _gedurige aanbidding_ van het Allerheiligste Sakrament werden

ingevoerd. De gedurige aanbidding wordt alhier sinds dien den 14 Maart,

en het veertigurengebed sedert 1767 gedurende de Kerstdagen gehouden.

1773. Te verwonderen is het niet, dat onze gemeente na de reeks

van woelige krijgsjaren, onder zedelijk oogpunt veel geleden had.

Eene verordening van den 7 October 1773 uit Bruggen aan het bestuur

van Tegelen gezonden, duidt aan, dat in deze jaren jammerlijke

buitensporigheden plaats vonden, die de rust en de veiligheid der

ingezetenen stoorden. Daarin wordt onder anderen gezegd: »dat de

voorstand van Tegelen zal bevel geven, dat de nachtwachten gestadig

geschieden en bij voorvallen gelijk sinds eenigen tijd zelfs, tot rust

en zekerheid der burgers, dienen verdubbeld te worden. Alzoo wordt bij

dezen aan het gemeentebestuur de taak opgedragen om aanhoudend eene

patrouille van twaalf goed gewapende mannen aan te stellen, op boete

van 25 R. daler, tot nadere ordonnantie. Een ieder moet op zijne beurt

van deze wacht deel maken op straf van 12 R. daler. Elke nachtzwerver,

of wie eenig misdrijf pleegt, of iets doet, wat gevaarlijk of nadeelig

is voor de ingezetenen, zal ten strengste bewaakt, en bij verkenning in

hechtenis genomen worden. De raad van Tegelen wordt voor de uitvoering

dezer bepalingen verantwoordelijk gesteld. Gegeven te Bruggen den 7

October 1773, was geteekend:

»J. L. DORTANS secretaris.

Allezins geloofwaardige personen verhalen dat te dezen tijd een

gevaarlijke bende vreemde nachtzwervers zich ophield, in de nabijheid

van Hulsterhof. Deze met moordtuig gewapende roovers drongen des nachts

niet alleen de huizen binnen en namen er mede, wat hun onder de hand

viel, maar ontzagen zich ook niet schandelijk te mishandelen allen,

die zich durfden verweren, of hun hun hinderlijk toeschenen. Hun

aanvoerder noemde men _Hinke de roover_. Zou dit feit niet aanleiding

kunnen gegeven hebben tot bovenstaande verordening?

Den 18 December van voormeld jaar verscheen ook, van wege den landrath

van het ambt Bruggen, eene circulaire, waardoor op straf van 10 R.

daler boete, een juiste en spoedige opgaaf werd gevorderd van den

veestapel in elke gemeente. Alstoen werden hier bevonden: 34 paarden,

83 koeien, 47 runderen, 312 schapen, ossen geene. De Postmeester

W. Franssen onderhield drie paarden. Twee paarden vond men op de

pachthoeven, Hanert, Wambach, Bosserhof, Linksterhof en Merterhof. Op

Hanert waren 50, bij den akkerman Pet. Paulussen 80 schapen; de overige

bij verschillende. Thans is het getal paarden, koeien enz. verdubbeld;

schapen zijn er minder, doch hierentegen worden op het oogenblik meer

dan 400 geiten onderhouden.

1780. Sedert anderhalve eeuw was te Tegelen de lands-contributie

(churfürsterliche steuer) slechts 50 daler gestegen; zij bedroeg in

1780 de som van 157 daler 3 albus en 8 helder.

De uitschrijving meldt onder anderen: »Hijrin geft den Heere baron van

Hunt van Mevrouwe de Metternich:

12 R. d. 63 alb. 2 hel.

Von demselbsten: 13 -- 62 -- 6 --

-----------------------

facit 26 -- 25 -- 8 --

Welcke 26 R. d. enz. syn het sesde deil van de gansche contributie. Den

rechten aenslag des kerspels Tegelen is: die 14 stuver betaelt heeft

een morgen landt. En is geschiet wegen den orlogh om te verschonen de

ganse gemeynte, want in cas sy soude moeten betaelen correct, soude de

geheele gemeynte geruineert syn”.

Tusschen de gemeentebesturen van Kaldenkerken en Tegelen was

oneenigheid gerezen aangaande eenige gronden op de grenzen gelegen.

Dit geschil werd in 1780 te Dusseldorp voor het gerecht gebracht, en

eindigde met het verdrag: dat onze gemeente in bezit dier gronden kon

blijven, mits zij 30 daalders wegens proceskosten, en 49 daalders voor

het verkrijgen van eigendomsrecht zou storten[35].

1785. De ingezetenen van Belfeld, welke gemeente tot de Vereenigde

Nederlanden behoorde, hadden in ’t jaar 1785, bij den Hoogen Raad te

Venlo, eene beslissing uitgelokt omtrent het geschil betreffende hunne

pastorij en die van Tegelen. De Raad besloot den 30 Mei van genoemd

jaar, dat de pastoor van Tegelen voortaan 400 gulden zou genieten, mits

hij en de Heer van Holtmolen zouden instaan voor eene herbouwing van de

pastorij te Belfeld. Dit bracht echter geen einde aan de zaak[36].

1788. Bij besluit van den 12 October 1788 van wege den keurvorstelijken

raad van Bruggen, werd goedgekeurd en bekrachtigd eene overeenkomst,

gesloten tusschen den tijdelijken pastoor van Tegelen met name Pet.

Eskens en het plaatselijke bestuur, samengesteld uit de Heeren: Jan

Goossen en Jan Denessen schepenen, wijders Gaspar Franssen, Gaspar

Ronck, Gerard Ter Poorten, Barth. Vaessen, Herman Rievers en Wijnand

Gubbels. Deze overeenkomst bestond daarin, dat voortaan de dienstdoende

pastoor de tegenwoordige woning rustig in bezit houden en de gemeente

de lasten van onderhoud dragen zou; dat de pastoor verder het vrije

genot zou hebben van de aan de pastorij grenzende kamp, tuin, boomgaard

en weide, alsmede van het slaghout en weide, anderhalven morgen

groot, gelegen aan den berg. Hiertegen werd voorbehouden, dat het

gemeentebestuur voortaan vrij kon beschikken over alle landerijen

welker tienden of renten tot hieraan gestrekt hadden tot competentie

van den pastoor, zijnde nagenoeg 56 morgen. De gemeente verplichtte

zich daarenboven nog aan den pastoor tot onderstand jaarlijks uit te

keeren 250 Rijksdaler. Hoe dit werd nagekomen, zullen we nader zien.

1790. Langen tijd was niets meer, zelfs niet het noodzakelijke, aan

onze kerk verricht. De schuld lag deels aan de onrustige tijden, deels

ook aan het verzuim der tiendenaars, die zulks in last hadden. Wij

vinden onder anderen vermeld, dat sedert meer dan tien jaren de groote

of bannaalklok, onbruikbaar was geworden, en dien ten gevolge sommigen

te laat, sommigen te vroeg, en zeer velen niet ter kerke kwamen. Het

kerkbestuur had over weinige middelen te beschikken. Daar intusschen

de finantieëlen toestand der gemeente gunstiger was geworden, verkreeg

het bestuur machtiging om 100 R. daler aan de noodige herstellingen der

kerk te Tegelen te besteden. Deze herstellingswerken geschiedden in

1790 en 1791.

Thans zijn wij het tijdstip van groote veranderingen op elk gebied, dat

der Fransche revolutie, genaderd. De eerste verschijning der Franschen

ten onzent geschiedde in 1790, toen de generaal _Compaire_ stadswaarts

toog. Hij deed eene brug van pontons over de Maas slaan; men herkent

hiervan nog de sporen op de oevers der rivier tegen over Tegelen.

1794. In October van het jaar 1794 kwam generaal Moreau met een

ontzaglijk leger tot voor Venlo. De brigaad-generaal Laurent sloeg zijn

hoofdkwartier te Tegelen op. Het hevige geschut van de stadswallen

dwong hem de opgeslagen brug te verleggen tot boven Tegelen aan den

zoogenaamden Paulussenweert. In den nacht van 9 op 10 October werden

op zijn bevel verscheidene batterijen opgeworpen nabij den Roskam, om

alzoo de toenadering van den vijand op Tegelen te beletten. Nu ving

Laurent met een korps van 5000 man de belegering der stad aan.

De overgaaf van Venlo geschiedde den 26 October 1794. Dit jaar wordt

genoemd het jaar III der Fransche republiek, de 26 October is de 5

Brumaire. Na drie dagen waren de Hollandsche troepen uit Venlo en

omstreken verdwenen.

1795. Door de wet van 1 October 1795 werden onze streken bij het

departement der Nedermaas (Meuse-Inférieure) ingelijft met Maastricht

tot hoofdstad. Het schepengerecht van voorheen werd ingetrokken en

vervangen door een _conseil municipal_ met een maire (meijer) aan

het hoofd. Dit bestuur was in voormeld jaar samengesteld uit: Antoon

Thijssen, maire, Gerard Ter Poorten rekenmeester, Peter Beekmans, P.

Peeters, Jan Denissen. Onder kerkekelijk opzicht bleef Tegelen wat het

was tot in 1801, toen echter werd het bij het bisdom van Aken gevoegd.

Alle broederschappen, beneficiën, gilden enz. werden sinds 1795-1796

domein verklaard. Onder het Fransche _directoire_ van 1795 tot 1799 had

Tegelen veel te verduren door het heen en weer trekken van regimenten

en door zware inkwartiering. De schatheffing was ook verpletterend;

Tegelen moest in dezen tijd opbrengen: 1471 franken. Te Venlo en te

Belfeld waren intusschen ook de kerkelijke diensten verboden. Van 1797

tot 1799 moesten velen van genoemde parochiën te Tegelen de H. H.

Sakramenten, Doopsel en Huwelijk komen ontvangen en het H. Misoffer

bijwonen.

1804. Den 18 Mei 1804 werd Napoleon tot Keizer uitgeroepen. Hij trok

door Tegelen den 12 September van dat jaar, en kwam van Venlo. Na in

1809 in Oostenrijk en Duitschland overwinning op overwinning behaald

te hebben, wilde hij in 1812 ook Rusland bedwingen. Al wie wapenen kon

dragen werd opgeeischt. Wij hebben meer dan eenen hooren verzekeren,

dat lotelingen uit ons vaderdorp tot tweemaal toe, tegen hooge

bezoldiging, een plaatsvervanger hadden aangewezen, en niet te min, ten

koste van hun leven, persoonlijk moesten optreden. Slechts weinigen

ontkwamen aan de felle koude en ontberingen in Rusland.

1814. In het jaar 1814 den 9 April, alzoo in hetzelfde jaar en dezelfde

maand, dat Napoleon I als banneling naar het eiland Elba werd verwezen,

had te Tegelen een gedenkwaardig voorval plaats. De Franschen, die te

Venlo door de geallieerden belegerd werden, deden tegen den middag

eenen uitval om zich te Steijl meester te maken van een magazijn,

dat, voorzien van levensmiddelen, bestemd was voor de vesting Wesel.

Deze goederen waren te Steijl gelost wijl een bende Kosakken aan deze

zijde van den Rijn den doortocht onveilig hadden gemaakt. Reeds was de

Fransche krijgsmacht, vergezeld van grof geschut, over de Hoogstraat

genaderd tot voorbij het pastoreele huis, toen men eenklaps vernam,

dat de vrijwillige jagers van Berlijn den berg waren afgedaald en zich

in tirailleurs vertoonden op het Betenveld bij de kerk. De Franschen

trokken spoedig naar het dorp tot voor het Posthuis; een tambour beklom

een heuvel en sloeg alarm; doch nauwelijks had hij den trommelslag doen

hooren of een Pruisische jager maakte door een geweerschot diens trom

onbruikbaar. Hierop drongen de Franschen door tot op het kerkhof, en

tusschen de kerkhofmuren verschanst, richtten zij een hevig vuur op

de Pruisische jagers. Deze naderden evenwel al meer en meer, zoodat

de Franschen goedvonden terug te trekken en wijl de poorten toevallig

gesloten waren, over den muur de vlucht te nemen. Gekomen tot op den

alden mert, vonden zij zich gedekt door twee veldstukken, doch bij het

lossen daarvan werden wel boomen in den Meulenpas, maar geen Pruissen

getroffen. Zekere Hendrik Roemen uit Tegelen werd bij deze eerste

ontmoeting door een’ kogel ernstig getroffen: hij werd door den pastoor

Freybenter bijgestaan doch het bleek, dat de ontvangene wonde niet

doodelijk was. De terugtocht der Franschen naar Venlo, werd langzaam

bewerkstelligd, tot dat eensklaps tegenover den Links de Pruissen een

geweldig vuur op hen losbrandden; verscheidene Franschen sneuvelden;

de overigen vluchtten eerst in de richting naar de Maas, vervolgens

langs de Wilderbeek naar Venlo.[37] In de verte hadden zich ook eenige

Kosakken die te Belfeld gekampeerd waren vertoond, doch hebben,

naar het schijnt, geen deel aan den strijd genomen. Een oberjager

der Pruissen werd achter een’ boom door een kogel gedood. Toen de

pachter van Mertenhof dezen stervenden man naar het dorp voerde, loste

deze nog morrend tegen de Franschen zijne geladen karabijn. Van dit

gevecht waren P. J. van Dinter en vier missedienaars de onvoorzichtige

ooggetuigen van uit de klankgaten des torens. De toenmalige koster en

onderwijzer heeft dit gevecht in een lied bezongen dat later nog langen

tijd bij kermissen en volksfeesten heeft dienst gedaan.

’s Anderendaags, zijnde Paaschdag, voerden de Pruissen het magazijn met

den inhoud naar Wachtendonck. De maire W. Kamp, de adjunct M. Thyssen

en de kanunnik B. Canoy werden te dier oorzake naar Gelder in verhoor

geroepen, alwaar ze zeer hoflijk bejegend werden.

Om op de Kosakken terug te komen, thans nog levende personen

geheugen het zich, hoe dit volk dagelijks ons dorp doortrok, om vôór

zonnenopgang te bespieden of er geen Franschen uit Venlo opdaagden.

Eenige Franschen hiervan bewust, hadden zich op zeker vroegen morgen in

de herberg de _Driekroonen_ verscholen. Toen nu de Kosakken als naar

gewoonte aan den kastelijn de vraag stelden _nikski de fransouski?_

schoten de Franschen door deuren en vensters op hen en namen een’ der

vluchtenden gevangen, dien zij onder veel pret en gejuich naar Venlo

leidden. Het kan overigens niet ontkend worden, dat deze Kosakken hun

kamp goed bewaakten en den Franschen nog al zorg en moeiten baarden.

Zij hielden flink wacht, en hadden op onderscheidene punten vedetten

uitgezet, die hun van alles verwittigden; onder anderen stond er eene

op den zoogenaamden Bergel en eene andere op de heuvels nabij de

Mergelstraat, die nog heden Kosakkenberg heet. Op zekeren dag trachtte

een Fransche kolonne, die ’s nachts over Blerick en Baarlo te Kessel

de Maas overtrok de Kosakken langs Schelkensbeek, tusschen Reuver en

Belfeld, in den rug te vallen; doch in de verte ontdekt zagen deze zich

genoodzaakt in aller ijl de vlucht te nemen naar de Brachter bosschen.

De Kosakken waren bijzonder knappe ruiters, maar ruw en onbeleefd.

Jenever met peper was hun geliefkoosde drank; van de vrouwen rokken,

die zij hier en daar opdeden, bedienden zij zich als van doelmatige

mantels zonder mouwen.

1815. Tegelen was van 1814 tot 1816, ter oorzake van een verkeerde

uitlegging van het Weener tractaat aan Pruissen onderworpen gebleven;

desniet tegenstaande namen nog dikwijls Fransche troepen hier den

doortocht op hunne reis naar hun vaderland. De laatsten daarvan

behoorden tot de bezetting van Hamburg, in 1815, toen de geallieerden

Parijs reeds hadden ingenomen. Een twaalftal jongelingen van Tegelen

werden in voornoemd jaar door de Pruisische regeering tot den

krijgsdienst opgeroepen en bij de landwehr ingelijfd om des noods tegen

Frankrijk op te trekken[38].

1816. De groothandel op Steijl verontruste destijds onze stadsnaburen.

Toen Koning Willem I den 7 Juni 1815 Venlo bezocht, stelde hij de

gemoederen aldaar gerust, met de verklaring, dat eene omwisseling

van gemeenten in onderhandeling was tusschen Pruissen en Nederland.

Werkelijk den 18 Maart 1816 werd onze gemeente door ruiling tegen eene

plaats nabij Aken, bij het koningrijk der Nederlanden gevoegd. Toen

in dit jaar, bekend onder den naam van _natjaar_ schier alle vruchten

mislukten, en het _duurjaar_ 1817 daarop aanbrak, waren de prijzen der

levensmiddelen uitermate gestegen. De tarwe klom in prijs tot 90, de

rogge tot 72, de gerst tot 54, de haver tot 46 en de aardappelen tot

36 kl. gulden het malder. Er werd dan ook in die dagen meer haver dan

tarwe of rogge tot brood gebakken.

1820. In weerwil van den overlast der aanhoudende militaire

doortochten, had de gemeente tot dusver geringe schulden gemaakt.

Zoodra de vrede gekomen was en men een normaal budget kon opmaken, was

men er op bedacht om de gemeente eigendommen te doen afmeten en een

deel daarvan tot dekking der schuld te verkoopen. In 1820 beliep deze

schuld eene som van 8652, 40 N. gulden. Deze zijn in eens tot genoegen

der schuldeischers, die meestal aankoopers waren van gemeentegronden,

gedelgd. De verkooping geschiedde den 6 November.

1822. Op bevel van den vicaris-generaal van het bisdom Aken, waartoe

Tegelen sedert 1801 behoorde, moest den 10 Januari 1822 eene

kerkfabriek opgericht worden; deze werd samengesteld uit Mathias Houba

president, Cornelius Beekmans, Joan. Peeters, Wilm Kamp, Christiaan

Janssen en Jozef Orths pastoor.

Over het algemeen mogen de jaren, die men hier »den eersten

Hollandschen tijd” noemt, voor Tegelen gelukkig heeten; want zooals wij

nader breedvoerig zullen aanmerken, waren er handel en nijverheid in

vollen bloei.

1830. In 1830 brak de Belgische omwenteling uit. Den 10 November kwam

het corps van den Belgischen generaal Daine in Tegelen post vatten. Het

bestond uit één bataillon infanterie, anderhalve batterij Brusselsche

artilleristen en verscheidene compagniën vrijwilligers uit Luik,

Mechelen enz. Het garnisoen van Venlo geenen aanval vermoedende, had

verwaarloosd de stadspoorten te sluiten, zoodat een vrijwilliger, A.

Düfhous genoemd, met lossen toom, de stad binnenreed. Hij zat echter

spoedig achter slot. Nadat de bruggen in allerijl opgehaald waren

schoot, de artillerie van de wallen op de Belgische troepen, die aan de

Wilderbeek gestationeerd waren. De twee eerste schoten velden ook twee

paarden neer. De Belgen trokken dien dag terug. Een gedeelte hunner

troepen logeerde op Tegelsch grondgebied, de staf met generaal Daine

bleef in het dorp. Den 11 November gaf de stad, na eene overeenkomst

getroffen te hebben met den vijand, zich over, en Daine nam bezit van

Venlo. Van de Hollandsche soldaten kwamen velen ’s anderendaags door

Tegelen om te Ath in België geinterneerd te worden.

Ook te Tegelen werd in 1830 in de kom der gemeente een vrijheidsboom

geplant, die in 1867 weggeruimd, door een’ jeugdigen lindenboom

vervangen is.

1831. Gedurende den beruchten tiendaagschen veldtocht in 1831

moest ook alhier de garde-civique onder het geweer. Onze mannen

daarbij ingelijfd, werden in de dorpen Helden, Panningen en Meijel

gecantonneerd. In dit jaar verscheen eene compagnie vrijwilligers,

staande onder het bevel van den colonel Milisini, en bleef een’

gansche maand te Tegelen. Onze inlijving bij België was slechts

voorloopig; want ingevolge het tractaat van Londen 22 Juni 1839 werd

Limburg voor het grootste deel aan Nederland teruggegeven. Tegelen

kwam toen bij het arrondissement Roermond en het kanton Venlo. De

tweevoudige rede, waarom men aanvankelijk weinig genegenheid koesterde

om wederom Hollandsch te worden; was: de hoogstijgende belastingen

bij hoofdelijken omslag, »kopgeld” genaamd, en de dienstplichtigheid

der lotelingen ten getale van zeven elk jaar, waaraan men sedert een

tiental jaren niet meer gewoon was.

1840. Onder kerkelijk opzicht had de Fransche revolutie, onze parochie,

zooals we reeds aanduidden, gebracht onder het bisdom van Aken.

Tengevolge eener omschrijving der Pruissische bisdommen door Paus Pius

VII, liet de vicaris-generaal M. W. Fonck van Aken, bij brieven van den

28 Juli 1823 onzen pastoor J. Orths weten, dat Tegelen wederom onder

het bisdom Luik, alwaar de vicaris-capitularis Barett toenmaals het

bestuur in handen had, terugkeerde. Deze toestand duurde tot 12 Juli

1840, toen koning Willem II een nieuwe regeling van Paus Gregorius XVI

goedkeurde. Hierbij werd bepaald, dat bij het apostolisch vicariaat

van Limburg (thans bisdom Roermond) zouden behooren, alle Limburgsche

steden, die vroeger tot Luik behoord hebben, mede de parochiën Tegelen,

Velden, Arcen, Herkenbosch Melick en Well; alsnog die van Afferden,

Bergen, Gennep, Heijen, Middelaer, Mook en Ottersum, tot dusver onder

het vicariaat van Grave, en eindelijk de parochiën der kantons Horst en

Sittard.

1847. De felle en late vorst des jaars 1847 trachtte men ook hier

heugelijk te maken. Op Paaschmaandag reden en zwenkten naar hartelust

de schaatsenliefhebbers van, Venlo, Tegelen en Steijl op het dikke

Maas-ijs. Naast eene tent waarin geschonken werd, had men zelfs

eene gaarkeuken op het bloote ijs opgericht; de schoon gekleurde

Paascheijeren vonden algemeenen aftrek.

In Februari 1848 werd hier onder Gods zegen eene eerste, in 1854 eene

tweede, in 1866 eene derde en eindelijk in 1867 eene vierde H. Missie

gegeven, door de Eerw. Paters Redemptoristen.

1854. Ten slotte zij nog vermeld, dat in den nazomer van 1854, de

cholera ziekte te Steijl uitbrak en binnen weinige dagen negen

slachtoffers ten grave voerde.

1876. Toen Tegelen den 4 Januari 1876, dag waarop tevens de nieuw

benoemde herder F. R. Pennings plechtig werd ingehuldigd, de eer genoot

Z. D. H. Monseigneur K. Claessens apostolisch vicaris van Batavia

ter inwijding van de vergrootte kerk, in zijn midden te ontvangen,

konden honderde toegesnelde vreemdelingen zich overtuigen, hoe ons

vaderdorp door kunstsmaak en eensgezindheid, in slaat is bij dergelijke

gelegenheden zelfs met grootere plaatsen te wedijveren.

Verdere merkwaardigheden der laatste tijden komen voor in de nu

volgende afdeeling.

Chronologische beschrijving van Tegelen benevens aanteekeningen over Belfeld en Steijl · 第 10 / 20 题