EERSTE KLASSE.

DE ZAKPIJPEN (Ascidiae).

De Zakpijpen of Ascidiën zijn slechts gedurende korten tijd,

als larven, van een roeistaart voorzien en dan tot vrije beweging

geschikt; weldra echter hechten zij zich voor goed aan allerlei

onderzeesche voorwerpen vast. In alle zeeën en op zeer verschillende

diepten vindt men groote, vastzittende Ascidiën, die zelfstandig

leven, (d. w. z. geen koloniën vormen). Door het beschouwen van een

exemplaar van een dezer soorten, die niet zeldzaam zijn, kan men de

Manteldieren het gemakkelijkst leeren kennen; een grove ontleding is,

zooals hierboven bleek, voldoende. Zij worden Enkelvoudige Ascidiën

(Monascidiae) genoemd, in tegenstelling met die, welke, door een

gemeenschappelijken mantel omhuld, tot "stokken" vereenigd zijn. Hun

dikke "schaal", de buitenste mantel, stemt klaarblijkelijk niet met de

mantellobben der Armpootigen of der Plaatkieuwige Weekdieren overeen;

men kan haar hoogstens met de tweekleppige schelp van deze dieren

vergelijken, hoewel het afscheidingsproduct van de huid, dat aan dit

hulsel stevigheid verschaft, grootendeels koolzure kalk is en niet,

zooals bij de Manteldieren, cellulose. In de schaal komen 2 openingen

voor: de eene (a) voert het ademhalingswater in een wijde ruimte,

die aan den "kieuwkorf" van Amphioxus herinnert, daar zij omgeven is

door een wand, welks talrijke spleten een zeer regelmatig traliewerk

vormen; deze wand ligt bijna tegen den binnensten mantel aan en is

er door eenige draden mede verbonden. Door de hier overblijvende

ruimte stroomt het water, dat voor de ademhaling dient zoolang het

met de mazen van het traliewerk in aanraking is, naar de kloak

die door de kloakopening (b) met de buitenwereld in gemeenschap

staat. De voedseldeeltjes, die met het water naar binnen dringen,

worden door de trilharen, die den wand bekleeden, naar den bodem

der kieuwholte gevoerd, waar zich de mond bevindt. Het spijskanaal

eindigt in het korte, buisvormige deel van de kloak, dat aan de

kloakopening voorafgaat; ook de geslachtsorganen monden hierin uit. De

Ascidiën zijn tweeslachtig. Het ontleedkundig onderzoek van hare

met een roeistaart uitgeruste larven heeft een belangrijk feit aan

't licht gebracht, waarop Kowalévsky in 1872 het eerst de aandacht

vestigde. Tijdelijk vindt men n.l. bij haar een orgaan, dat door zijn

ontwikkelingsgeschiedenis een duidelijke overeenstemming verraadt met

dat, welks bezit voor een der meest kenmerkende eigenaardigheden van

de hoofdafdeeling der Gewervelde Dieren wordt gehouden, n.l. met de

ruggestreng (chorda dorsalis).--In den larvetoestand heeft de Ascidie

de mondopening en de kloakopening dicht bij elkander geplaatst aan

de buikzijde. Aan de rugzijde van het spijskanaal bevindt zich een

zenuwknoop, daarboven een oog en een gehoorblaasje. Voor aan den

kop staan 3 papillen, waarmede het dier zich bij 't einde van het

larveleven vasthecht.

In de orde der Enkelvoudige Ascidiën (Monascidiae) onderscheidt

men twee familiën. De Eenzame Ascidiën (Ascidiadae) zijn ieder voor

zich vastgehecht, niet door "wortelvormige uitloopers" aan elkander

verbonden. De verdeeling in geslachten berust voor een deel op de

verschillende geaardheid van de schaal, die lederachtig of kraakbeenig

en doorschijnend kan zijn, grootendeels echter op de franjevormige

aanhangsels en voelers, die de kieuwopening en de kloakopening omgeven

en te voorschijn komen, het dier ongestoord zijne eenvoudige behoeften

bevredigen kan. In de nabijheid komen gewoonlijk ook een aantal roode

stippen voor, die als oogen beschouwd worden.

Hierboven hebben wij er reeds op gewezen, dat sommige soorten zeer

talrijk vertegenwoordigd zijn; hetzelfde geldt van vele andere; bij

het inzamelen van zeedieren met een sleepnet worden in de meeste

gevallen Ascidiën opgehaald, zelfs wanneer er geen anderen buit

te verkijgen is. Bij onze kust treft men het meest aan de ruim 5

cM. hooge, geelachtige rood gespikkelde Cynthya ampulla, door Job

Baster het eerst in 1764 ontdekt en door hem Zakpijp genoemd, welke

naam op de geheele klasse is overgegaan. De grootste bekende soort

van enkelvoudige Ascidiën, de 30 cM. lange, 15 cM. breede Ascopera

gigantea, leeft in tamelijk ondiep water (op 274 M. diepte); de

fraaiste, de op een knobbelig glazen voorwerp gelijkende Hypobythius

calycodes, werd opgehaald van de grootste diepte, waarop tot dusver

Ascidiën gevonden zijn, nl. van een 5303 M. diepe plaats in het

noorden van den Stillen Oceaan.

Tot de familie van de Gezellige Ascidiën (Clavellinidae) behoort

Clavellina lepadiformis, die de noordelijke zeeën bewoont en ook

in de Noordzee gevonden wordt. Uit den mantel van het ongeveer 3

cM. hooge dier ontspruiten wortelvormige uitloopers met knoppen,

die zich allengs ontwikkelen tot nieuwe individuën, welke met hunne

buren en met hun stammoeder vereenigd blijven.

Door een veel inniger verbinding der "ascidiozoïden" (of stokvormende

individuën) onderscheiden zich de leden van de orde der Samengestelde

Ascidiën (Synascidiae). De zoïden, die ieder afzonderlijk zeer

klein, meestal slechts weinige mM. (zeer zelden eenige cM.) lang

zijn, hebben het onderste deel van den mantel gemeen. Boven dezen

gemeenschappelijken mantel, waarin de kloakopeningen voorkomen,

puilt het bovenste, in een kieuwopening eindigende stuk van ieder

individu uit. In meer of minder grooten getale zijn de zoïden tot

(soms zeer regelmatige) "stelsels" of "coenobiën" gegroepeerd, die

ieder door knopvorming uit één individu ontstaan zijn. Elke kolonie

bevat één of meer van deze stelsels en bestaat uit een geleiachtige of

kraakbeenige, soms door kalkkorrels gesteunde massa, die nu eens als

een korst de onderlaag bedekt, dan weer, al of niet door een steel

gedragen, zich daarboven verheft. Al naar de soort zijn de koloniën

zeer verschillend van vorm.

Als lid van de Nederlandsche fauna is alleen de Gesterde Geleikorst

(Botryllus Schlosseri) bekend. Men vindt deze soort, die in hoofdzaken

overeenstemt met de hiernevens afgebeelde, aan de oppervlakte van

wieren, in alle Europeesche zeeën. De koloniën zijn lichtblauwe of

licht aschkleurige, half doorzichtige, geleiachtige of kraakbeenige

korsten van 4 à 6 cM. middellijn. De 2 à 2 1/2 mM. lange, gele à

geelroode zoïden zijn ten getale van 6 à 20 stervormig gerangschikt

om een gemeenschappelijke kloakopening.

Elk Botryllus-stelsel ontstaat op de volgende wijze. Nadat de larve

zich vastgehecht en de organen verloren heeft, die haar tot een vrije

beweging in staat stelden, vormt zij een knop en sterft zonder vooraf

geslachtsrijp te worden. Ook de dochter sterft onrijp, nadat zij 2

knoppen heeft voortgebracht, die hetzelfde lot ondergaan. De 4 leden

der nu volgende derde generatie zijn kringvormig gerangschikt om een

gemeenschappelijke kloakopening en vormen het eerste "stelsel"; zij

ontwikkelen zich tot geslachtsrijpe dieren, maar brengen tevens door

knopvorming een nieuw "coenobium" voort, dat het oude vervangt. De

larven, die zich uit hunne bevruchte eieren ontwikkelen, zwemmen een

tijdlang vrij rond, hechten zich vervolgens ergens vast en stichten

hier een nieuwe kolonie.

Koloniën van Samengestelde Ascidiën worden vooral op plaatsen, die

niet aan de directe werking der zonnestralen zijn blootgesteld, aan de

onderzijde van steenen en overhangende rotsen, op wieren en zeegras, in

ledige slakkenhuizen en mosselschelpen, veelvuldig aangetroffen. Zij

trekken door haar blauwachtige, geelachtige of roodachtige kleur

spoedig de aandacht. Het talrijkst zijn zij op betrekkelijk geringe

diepte, dicht bij de kust en onmiddellijk onder den waterspiegel.

De Vuurrollen of Flambouwpijpen (Pyrosoma) gelijken het meest op de

samengestelde Ascidiën. Bij hen zijn de individuën op zulk een wijze

vereenigd, dat zij gezamenlijk een vrij zwemmenden, geleiachtigen,

hollen cilinder vormen, die aan het eene einde gesloten en aan de

oppervlakte knobbelig is. De kolonies van een der 3 bekende soorten

(Pyrosoma atlantica) bereiken soms een lengte van 35 cM. Het prachtige

"lichten" der zee wordt o.a. door deze dieren teweeggebracht. Het

licht, dat zij verbreiden, verschilt duidelijk van dat der overige

lichtende dieren; het is zeer helder en groenachtig blauw van

kleur. Aan gevangen Vuurrollen, die in een grooten bak met water

geplaatst zijn, merkt men geen lichtverschijnselen op, tenzij

men ze aanraakt. Het licht vertoont zich eerst als een zeer klein

vonkje aan een donker, bijna kegelvormig lichaam, dat in iedere

zoïde voorkomt; deze vonkjes blijven gedurende eenige oogenblikken

gescheiden, maar vloeien vervolgens ineen, totdat de geheele kolonie

licht verbreidt. Wanneer men een Pyrosoma bij beide einden aanvat,

ziet men de lichtstipjes het eerst aan de einden en vervolgens in het

midden verschijnen. Op dezelfde wijze als het licht begonnen is zich

te vertoonen, verdwijnt het ook weer: het verdeelt zich in vonkjes, die

allengs verflauwen. Bij beweging van het water treedt het verschijnsel

op; maar, als de levenswerkzaamheid van de kolonie vermindert, worden

hiervoor sterkere prikkels vereischt. Op alle toeschouwers maakt

dit schouwspel een overweldigenden indruk: sommigen vergelijken de

Pyrosoma's met vuurbollen, anderen met witgloeiende, ijzeren staven.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 6: De Wormen · 第 24 / 25 题