TWEEDE KLASSE.

DE GLASPIJPEN OF SALPEN (Thaliacea).

Ook bij de Salpen bestaat de lichaamsmassa grootendeels uit den mantel,

die echter, ofschoon van voldoende stevigheid, zoo doorzichtig is,

dat men het dier in 't geheel niet te midden van het water zou kunnen

zien, indien het zijn aanwezigheid niet verried door enkele gekleurde

en ondoorzichtige lichaamsdeelen, o.a. door de tot een kluwen of

kern (nucleus) vereenigde ingewanden. Men treft bij de Glaspijpen

generatiewisseling aan: de geslachtsrijpe dieren zijn tot een keten

vereenigd; die, welke zich ongeslachtelijk voortplanten, leven

afzonderlijk. Zoowel de individuën, die tot kettingvormige reeksen

verbonden zijn, als die, welke afzonderlijk zwemmen, nemen, door een

voorste opening (a) water op in een wijde holte, waardoor de kieuw (d)

in diagonale richting is uitgespannen. Zoodra de groote slok binnen

is, sluit zich de aanvoeropening; bandvormige, overlangs en dwars

gerichte spieren (in de afbeelding door fijne strepen aangeduid)

veroorzaken door haar gelijktijdige samentrekking het inkrimpen

van het lichaam; het water ontwijkt door een opening (b) die aan

't achtereinde, doch een weinig zijwaarts gelegen is; de hierdoor

veroorzaakte schok stuwt het dier vooruit. Aan hetzelfde uiteinde

van de ton ligt de bruinachtige kern, die het opgerolde spijskanaal

bevat en onmiddellijk er voor, door den binnensten mantel omgeven,

het buisvormige hart (e). De bloedvaten, die van het hart uitgaan,

en hunne vertakkingen op de kieuw zijn in de afbeelding donkerder

voorgesteld, dan men ze aan het dier met zijn waterhelder bloed kan

waarnemen. Opmerkelijk is het, dat, zoowel bij de Salpen, als bij de

Ascidiën het hart, nadat het een tijdlang in de eene richting het bloed

heeft voortgestuwd, plotseling zijne samentrekkingen in omgekeerde

volgorde doet plaats hebben en hierdoor de geheele circulatie omkeert.

De zenuwknoop, die hier de rol van de hersenen speelt, is gemakkelijk

achter en boven de voorste opening (a) te vinden; nooit ontbreekt

een met hem samenhangend orgaan (f), dat zich als een gekleurd

stipje vertoont en voor het oog wordt gehouden. Bovendien merkt men

aan het hier afgebeelde exemplaar, zoowel aan het voorste als aan

het achterste uiteinde, een slipvormig uitsteeksel (g) op. Hieruit

blijkt, dat de afbeelding betrekking heeft op een individu, dat uit

een Salpenketen is losgemaakt; met bedoelde uitsteeksels is het aan

zijn voorganger en aan zijn opvolger vastgegroeid. Alle leden van de

dus gevormde reeks stemmen volkomen met elkander overeen en bezitten

hermaphroditische voortplantingsorganen. Uit hunne eieren ontwikkelen

zich echter geen ketenvormende, maar vrijlevende individuën, die

(bij iedere soort op een eigenaardige wijze) niet slechts naar het

uitwendige van hunne ouders verschillen, maar ook van hen afwijken,

doordat zij zich nimmer door eieren voortplanten. Daarentegen brengen

zij aan een "kiemstok" inwendige knoppen voort, die al dadelijk als

een Salpenketen samenhangen en ook, op zulke een wijze verbonden,

geboren worden. Alle individuën van zulk een worp zijn even ver

ontwikkeld. Dikwijls kan men achter een reeks, die al tamelijk

ver gevorderd is, de beginselen van één of twee nieuwe ketens aan

den kiemstok onderscheiden. Hiervoor is echter een scherp gezicht

noodig. De pasgeboren Salpenketen is reeds zoo goed georganiseerd,

dat al hare leden direct beginnen water in zich op te nemen. Nadat de

geslachtsorganen bij hen tot rijpheid zijn gekomen, vangt een nieuwe

ontwikkelingskring aan.

Ook de Salpen "brengen licht in de duisternis"; hun lampje brandt

echter niet zoo helder als dat van de Vuurrollen, maar verbreidt een

flauwer, melkwit schijnsel. Aanraking en de schuring van het bewogen

water doen het uitstralen van licht beginnen. Deze eigenschap gaat

verloren na het afvegen van de oppervlakte van het dier; het dunne

slijmlaagje, dat op deze wijze verwijderd wordt, maakt het water,

dat men er mede schudt, lichtgevend. Dit bracht Johnston, die deze

verschijnselen zorgvuldig heeft nagegaan, tot het besluit, dat

bepaalde, licht voortbrengende organen bij de Salpen niet voorkomen,

maar dat haar lichtgeven toegeschreven moet worden aan een langzame

verbranding, aan een oxydatieproces, dat zich over de geheele

oppervlakte uitstrekt. Het zou dus ongeveer op dezelfde wijze ontstaan

als aan sommige organische stoffen, vooral aan de oppervlakte van

doode Visschen bij het begin van de verrotting. Nadere onderzoekingen

moeten de juistheid van dit vermoeden nog bevestigen.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 6: De Wormen · 第 25 / 25 题