DE TWEEBLADIGEN (Dicyemida).
Vooral in de organen, die bij de Koppootige Weekdieren de rol van
nieren vervullen, treft men een groot aantal microscopisch kleine,
draadvormige, met trilharen begroeide parasieten aan, die met
het voorste, bij wijze van een kop gezwollen lichaamseinde zijn
vastgehecht. Spijskanaal, mond en aars ontbreken; lichaamsholte,
spierweefsel, zenuwweefsel komen niet voor. De beide eenige
lichaamsbestanddeelen zijn: een enkelvoudige laag van platte cellen,
die aan haar buitenste oppervlakte trilharen dragen en tot hulsel
dienen voor een groote, wandlooze "binnencel", die zich van voren tot
achteren uitstrekt, of door een gering aantal "binnencellen" vervangen
is. Een nog eenvoudiger maaksel treft men aan bij de Protozoën. Alle
hoogere dieren (Metazoën) daarentegen ontwikkelen zich uit wezens,
welker lichaamswand uit 3 lagen van cellen is samengesteld. Om deze
reden beschouwen sommige dierkundigen, in navolging van den Luikschen
professor Ed. van Beneden, de Dicyemiden en hunne naaste verwanten
als leden van een afzonderlijke hoofdafdeeling, welke onmiddellijk
zou moeten volgen op die der Protozoën. Meer algemeen echter worden
deze dieren, wegens hun overeenkomst met de vrijzwemmende larven
van de Distomeën, als Wormen beschouwd en in de nabijheid van de
Platwormen geplaatst.
Naar het aantal "binnencellen" onderscheidt men twee familiën:
de Orthonectiden, die bij Slangsterren en Nemertinen parasiteeren,
hebben er verscheidene; bij de Dicyemiden komt er slechts één voor. De
geslachtsorganen zijn niet in 't zelfde individu vereenigd. Er zijn
bovendien tweeërlei wijfjes; die van den eenen vorm brengen uitsluitend
mannetjes, de overige niet anders dan wijfjes voort.
DE MANTELDIEREN (Tunicata).
Verplaatsen wij ons in gedachte naar een goed voorziene vischmarkt
van een Italiaansche of Provençaalsche kuststad. Hier is ruimschoots
gelegenheid tot een eerste, voorloopige kennismaking met allerlei
zeedieren, die den bewoner van 't binnenland door hun vorm en
uitzicht verrassen. Wij zien stapels van bontgekleurde, dure
Visschen, voorts Haaien en Roggen, die aan minder gegoede koopers
overgelaten worden. Wij blijven eenige oogenblikken staan bij de
Sepia's en Kalmars, die, hoe merkwaardig ook van vorm, ons niet
doen watertanden. Nu komen de korven met Slakken en Mossels aan de
beurt. Hoewel tot andere geslachten en soorten behoorend, dan de bij
ons voorkomende, valt het verschil over 't algemeen niet sterk in 't
oog. Een vreemdsoortigen indruk maakt te midden van deze uitstalling
een bak vol bruinachtige, onregelmatige knollen, welker gerimpelde
en geknobbelde oppervlakte, met vuil en met allerlei vastzittende
planten en dieren bedekt is. Even dringend als wij zoo even tot
het koopen van de lekkere Murenen en Branzinen werden uitgenoodigd,
tracht de eigenaar dezer knollen ons zijn waar aan te praten. Het is
haar niet aan te zien, of zij van planten of van dieren afkomstig is;
op het gevoel doet zij zich voor als hard, uitgedroogd leer; beweging
valt er niet aan waar te nemen. Zoodra wij echter een exemplaar ruw
aanvatten, spuit ons een fijne waterstraal te gemoet en bemerken wij
op de wanstaltige oppervlakte een iets lichtere plek (bij a en c in de
onderstaande afbeeldingen) met een bijna kruisvormige, fijne spleet,
waaruit na drukking nog meer water tevoorschijn komt. Een man uit het
volk, die zich voor eenig kopergeld een dozijn van deze raadselachtige
knollen heeft aangeschaft, komt onze weetgierigheid te hulp; met een
scherp mes snijdt hij een exemplaar open en toont ons een daarbinnen
gelegen zak van fraaie, geelachtige kleur, die met het grove, dikke
hulsel slechts op twee plaatsen nauw verbonden is, n.l. aan den rand
van de opening, waardoor de waterstraal werd uitgespoten en op eenigen
afstand van daar, in de omgeving van een tweede opening (bij b). Nadat
onze nieuwe vriend den gelen zak met smaak verorberd heeft, staat hij
ons de lederachtige schaal bereidwillig af ter nader onderzoek. Het
is de mantel of eigenlijk de buitenste mantel van het Huidzakdier of
Manteldier, waarmede wij zoo even oppervlakkig kennis maakten. Tamelijk
los ligt hiertegen aan de fijnere, gele binnenste mantel, die er
slechts op twee plaatsen mede samenhangt. Bij het bezoeken van een
der badinrichtingen in de haven van Triëst of van Napels kunnen wij
gemakkelijk meer materiaal voor ons onderzoek verkrijgen; de meeste in
't water liggende stukken hout zijn met allerlei planten en dieren,
en ook met Manteldieren uit de klasse der Zakpijpen (Ascidiae),
zoo dicht bedekt, dat men ze er bij hoopen afschillen kan.
Over een geheel ander slag van Manteldieren hebben de Dalmatische
visschers zich dikwijls te beklagen. Niet zelden vullen hunne netten
zich tot centenaarszwaarte, niet met de gewenschte Visschen, maar met
kleine, kristalheldere diertjes, van nauwelijks 1 of 2 cM. lengte,
die het best vergeleken kunnen worden met een aan weerszijden
geopende ton. De dierkundigen hebben deze Glaspijpen of Scalpen
(Thaliacea) sinds lang als de naaste verwanten van de Zakpijpen
herkend, hoewel zij van haar in levenswijze zeer verschillen. Ook bij
haar is het lichaam omgeven door een taaien mantel, die door zijne
microscopische en chemische eigenschappen met het vroeger beschouwde
hulsel overeenstemt. In de scheikundige samenstelling van den mantel is
n.l. een belangrijke eigenaardigheid van de Manteldieren gelegen. Voor
eenige tientallen van jaren beschouwde men de "celstof" of "cellulose"
als een uitsluitend bij planten voorkomend lichaam. Het is echter
gebleken, dat deze verbinding, zij het dan ook in een anderen vorm
dan in de plant, een hoofdbestanddeel van den mantel der Tunicaten
uitmaakt en ook bij eenige andere lagere dieren voorkomt.