NEGENDE KLASSE.

DE TWEEBLADIGEN (Dicyemida).

Vooral in de organen, die bij de Koppootige Weekdieren de rol van

nieren vervullen, treft men een groot aantal microscopisch kleine,

draadvormige, met trilharen begroeide parasieten aan, die met

het voorste, bij wijze van een kop gezwollen lichaamseinde zijn

vastgehecht. Spijskanaal, mond en aars ontbreken; lichaamsholte,

spierweefsel, zenuwweefsel komen niet voor. De beide eenige

lichaamsbestanddeelen zijn: een enkelvoudige laag van platte cellen,

die aan haar buitenste oppervlakte trilharen dragen en tot hulsel

dienen voor een groote, wandlooze "binnencel", die zich van voren tot

achteren uitstrekt, of door een gering aantal "binnencellen" vervangen

is. Een nog eenvoudiger maaksel treft men aan bij de Protozoën. Alle

hoogere dieren (Metazoën) daarentegen ontwikkelen zich uit wezens,

welker lichaamswand uit 3 lagen van cellen is samengesteld. Om deze

reden beschouwen sommige dierkundigen, in navolging van den Luikschen

professor Ed. van Beneden, de Dicyemiden en hunne naaste verwanten

als leden van een afzonderlijke hoofdafdeeling, welke onmiddellijk

zou moeten volgen op die der Protozoën. Meer algemeen echter worden

deze dieren, wegens hun overeenkomst met de vrijzwemmende larven

van de Distomeën, als Wormen beschouwd en in de nabijheid van de

Platwormen geplaatst.

Naar het aantal "binnencellen" onderscheidt men twee familiën:

de Orthonectiden, die bij Slangsterren en Nemertinen parasiteeren,

hebben er verscheidene; bij de Dicyemiden komt er slechts één voor. De

geslachtsorganen zijn niet in 't zelfde individu vereenigd. Er zijn

bovendien tweeërlei wijfjes; die van den eenen vorm brengen uitsluitend

mannetjes, de overige niet anders dan wijfjes voort.

DE MANTELDIEREN (Tunicata).

Verplaatsen wij ons in gedachte naar een goed voorziene vischmarkt

van een Italiaansche of Provençaalsche kuststad. Hier is ruimschoots

gelegenheid tot een eerste, voorloopige kennismaking met allerlei

zeedieren, die den bewoner van 't binnenland door hun vorm en

uitzicht verrassen. Wij zien stapels van bontgekleurde, dure

Visschen, voorts Haaien en Roggen, die aan minder gegoede koopers

overgelaten worden. Wij blijven eenige oogenblikken staan bij de

Sepia's en Kalmars, die, hoe merkwaardig ook van vorm, ons niet

doen watertanden. Nu komen de korven met Slakken en Mossels aan de

beurt. Hoewel tot andere geslachten en soorten behoorend, dan de bij

ons voorkomende, valt het verschil over 't algemeen niet sterk in 't

oog. Een vreemdsoortigen indruk maakt te midden van deze uitstalling

een bak vol bruinachtige, onregelmatige knollen, welker gerimpelde

en geknobbelde oppervlakte, met vuil en met allerlei vastzittende

planten en dieren bedekt is. Even dringend als wij zoo even tot

het koopen van de lekkere Murenen en Branzinen werden uitgenoodigd,

tracht de eigenaar dezer knollen ons zijn waar aan te praten. Het is

haar niet aan te zien, of zij van planten of van dieren afkomstig is;

op het gevoel doet zij zich voor als hard, uitgedroogd leer; beweging

valt er niet aan waar te nemen. Zoodra wij echter een exemplaar ruw

aanvatten, spuit ons een fijne waterstraal te gemoet en bemerken wij

op de wanstaltige oppervlakte een iets lichtere plek (bij a en c in de

onderstaande afbeeldingen) met een bijna kruisvormige, fijne spleet,

waaruit na drukking nog meer water tevoorschijn komt. Een man uit het

volk, die zich voor eenig kopergeld een dozijn van deze raadselachtige

knollen heeft aangeschaft, komt onze weetgierigheid te hulp; met een

scherp mes snijdt hij een exemplaar open en toont ons een daarbinnen

gelegen zak van fraaie, geelachtige kleur, die met het grove, dikke

hulsel slechts op twee plaatsen nauw verbonden is, n.l. aan den rand

van de opening, waardoor de waterstraal werd uitgespoten en op eenigen

afstand van daar, in de omgeving van een tweede opening (bij b). Nadat

onze nieuwe vriend den gelen zak met smaak verorberd heeft, staat hij

ons de lederachtige schaal bereidwillig af ter nader onderzoek. Het

is de mantel of eigenlijk de buitenste mantel van het Huidzakdier of

Manteldier, waarmede wij zoo even oppervlakkig kennis maakten. Tamelijk

los ligt hiertegen aan de fijnere, gele binnenste mantel, die er

slechts op twee plaatsen mede samenhangt. Bij het bezoeken van een

der badinrichtingen in de haven van Triëst of van Napels kunnen wij

gemakkelijk meer materiaal voor ons onderzoek verkrijgen; de meeste in

't water liggende stukken hout zijn met allerlei planten en dieren,

en ook met Manteldieren uit de klasse der Zakpijpen (Ascidiae),

zoo dicht bedekt, dat men ze er bij hoopen afschillen kan.

Over een geheel ander slag van Manteldieren hebben de Dalmatische

visschers zich dikwijls te beklagen. Niet zelden vullen hunne netten

zich tot centenaarszwaarte, niet met de gewenschte Visschen, maar met

kleine, kristalheldere diertjes, van nauwelijks 1 of 2 cM. lengte,

die het best vergeleken kunnen worden met een aan weerszijden

geopende ton. De dierkundigen hebben deze Glaspijpen of Scalpen

(Thaliacea) sinds lang als de naaste verwanten van de Zakpijpen

herkend, hoewel zij van haar in levenswijze zeer verschillen. Ook bij

haar is het lichaam omgeven door een taaien mantel, die door zijne

microscopische en chemische eigenschappen met het vroeger beschouwde

hulsel overeenstemt. In de scheikundige samenstelling van den mantel is

n.l. een belangrijke eigenaardigheid van de Manteldieren gelegen. Voor

eenige tientallen van jaren beschouwde men de "celstof" of "cellulose"

als een uitsluitend bij planten voorkomend lichaam. Het is echter

gebleken, dat deze verbinding, zij het dan ook in een anderen vorm

dan in de plant, een hoofdbestanddeel van den mantel der Tunicaten

uitmaakt en ook bij eenige andere lagere dieren voorkomt.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 6: De Wormen · 第 23 / 25 题