DE SNOERWORMEN (Nemertini).
In tegenstelling met alle overige Platwormen hebben de Snoerwormen
(Nemertini) een spijskanaal met afzonderlijke toevoer- of afvoeropening
en een gesloten bloedvatenstelsel. Terwijl bij nagenoeg alle leden
der vorige orden de mannelijke en de vrouwelijke geslachtsorganen
in hetzelfde individu vereenigd voorkomen, zijn de Nemertinen
òf mannetjes òf wijfjes. Behoudens deze en andere kenteekenen van
hoogere organisatie, zijn zij in vele opzichten aan de Trilwormen nauw
verwant en worden met hen dikwijls in één orde samengevat. Ook bij de
snoerwormen is de geheele oppervlakte van het lichaam met trilharen
bekleed, terwijl bij de Cestoden en Trematoden deze eenvoudige,
aan de Infusoriën herinnerende bewegingsorganen reeds gedurende het
embryonale leven (of kort daarna) verloren gaan. Alle Nemertinen
hebben een zeer langwerpig lichaam, dat bijna nooit volkomen vlak,
doch alleen aan de buikzijde een weinig afgeplat is. Aan den voorrand
merkt men in den regel 2 groepen van oogen op. Aan het kopeinde
(gewoonlijk aan de onderzijde) bevinden zich twee openingen: de
onderste is de ingang van het spijskanaal; door de andere staat een
holte, waarin een zeer eigenaardige slurf verborgen ligt, met de
buitenwereld in gemeenschap. De lengte van dit wapen, dat zeer snel
tot op grooten afstand uitgestoken kan worden, is dikwijls gelijk
aan 2/3 van de geheele lichaamslengte. Bij vele soorten, die onder
den naam Gewapende Nemertinen (Hoplonemertini) in een onderorde
worden samengevat, draagt het voorste uiteinde van de uitgestoken
slurf een verkalkten priem, welks werking door een gifklier wordt
ondersteund. Max Schultze zag dikwijls kleine exemplaren van den
Vieroogigen Snoerworm (Tetrastemma obscurum) bliksemsnel den snuit
uitsteken en met den priem voorbijzwemmende dieren, b.v. Vlookreeften,
wonden. De snuit wordt vervolgens op zulk een wijze teruggetrokken,
dat het slachtoffer aan den priem bevestigd blijft. De hierdoor
gemaakte wonde verleent toegang aan den geheelen Worm, die den buit
leegvreet en b.v. van een Schaaldier slechts het holle chitine-skelet
overlaat. Niet zelden verzamelen zich verscheidene Nemertinen om
een dier van voldoende grootte, dat één hunner gespiest heeft; zij
vallen den buit van verschillende zijden met den snuit aan en deelen
de vangst met elkander. Steeds is hun aanval gericht op de buikzijde
van het dier, daar deze zachter is en minder weerstand biedt aan
het binnendringen van hun wapen. Uit de afbeelding blijkt, dat aan
weerszijden van den middelsten priem, die op een soort van voetstuk
geplaatst is, verscheidene dergelijke wapens op onregelmatige wijze
verstrooid liggen. Deze worden in reserve gehouden en achtereenvolgens
in gebruik genomen; men heeft echter nog niet kunnen nagaan, hoe zij
zich in de plaats van de oude spits stellen.
De leden van het geslacht der Vieroogen (Tetrastemma) zijn voor 't
meerendeel klein. De hierboven genoemde (helder perzikbloesemkleurige)
soort kan 2 à 3 cM. lang worden en houdt zich in de Europeesche zeeën
(ook in de Oostzee en de Noordzee) bij voorkeur tusschen waterplanten
op.
Als een voorbeeld van de Ongewapende Nemertinen--die men, naar den
vorm van den kop en het al of niet voorkomen van een zuigschijf aan 't
achterste deel van 't lichaam, in 3 onderorden onderscheidt--noemen wij
den Reuzensnoerworm (Lineus longissimus), die vooral aan de Engelsche
kust niet zeldzaam is en een lengte van 13 M. bij een dikte van 8
mM. kan bereiken.