VIERDE ORDE.

DE SNOERWORMEN (Nemertini).

In tegenstelling met alle overige Platwormen hebben de Snoerwormen

(Nemertini) een spijskanaal met afzonderlijke toevoer- of afvoeropening

en een gesloten bloedvatenstelsel. Terwijl bij nagenoeg alle leden

der vorige orden de mannelijke en de vrouwelijke geslachtsorganen

in hetzelfde individu vereenigd voorkomen, zijn de Nemertinen

òf mannetjes òf wijfjes. Behoudens deze en andere kenteekenen van

hoogere organisatie, zijn zij in vele opzichten aan de Trilwormen nauw

verwant en worden met hen dikwijls in één orde samengevat. Ook bij de

snoerwormen is de geheele oppervlakte van het lichaam met trilharen

bekleed, terwijl bij de Cestoden en Trematoden deze eenvoudige,

aan de Infusoriën herinnerende bewegingsorganen reeds gedurende het

embryonale leven (of kort daarna) verloren gaan. Alle Nemertinen

hebben een zeer langwerpig lichaam, dat bijna nooit volkomen vlak,

doch alleen aan de buikzijde een weinig afgeplat is. Aan den voorrand

merkt men in den regel 2 groepen van oogen op. Aan het kopeinde

(gewoonlijk aan de onderzijde) bevinden zich twee openingen: de

onderste is de ingang van het spijskanaal; door de andere staat een

holte, waarin een zeer eigenaardige slurf verborgen ligt, met de

buitenwereld in gemeenschap. De lengte van dit wapen, dat zeer snel

tot op grooten afstand uitgestoken kan worden, is dikwijls gelijk

aan 2/3 van de geheele lichaamslengte. Bij vele soorten, die onder

den naam Gewapende Nemertinen (Hoplonemertini) in een onderorde

worden samengevat, draagt het voorste uiteinde van de uitgestoken

slurf een verkalkten priem, welks werking door een gifklier wordt

ondersteund. Max Schultze zag dikwijls kleine exemplaren van den

Vieroogigen Snoerworm (Tetrastemma obscurum) bliksemsnel den snuit

uitsteken en met den priem voorbijzwemmende dieren, b.v. Vlookreeften,

wonden. De snuit wordt vervolgens op zulk een wijze teruggetrokken,

dat het slachtoffer aan den priem bevestigd blijft. De hierdoor

gemaakte wonde verleent toegang aan den geheelen Worm, die den buit

leegvreet en b.v. van een Schaaldier slechts het holle chitine-skelet

overlaat. Niet zelden verzamelen zich verscheidene Nemertinen om

een dier van voldoende grootte, dat één hunner gespiest heeft; zij

vallen den buit van verschillende zijden met den snuit aan en deelen

de vangst met elkander. Steeds is hun aanval gericht op de buikzijde

van het dier, daar deze zachter is en minder weerstand biedt aan

het binnendringen van hun wapen. Uit de afbeelding blijkt, dat aan

weerszijden van den middelsten priem, die op een soort van voetstuk

geplaatst is, verscheidene dergelijke wapens op onregelmatige wijze

verstrooid liggen. Deze worden in reserve gehouden en achtereenvolgens

in gebruik genomen; men heeft echter nog niet kunnen nagaan, hoe zij

zich in de plaats van de oude spits stellen.

De leden van het geslacht der Vieroogen (Tetrastemma) zijn voor 't

meerendeel klein. De hierboven genoemde (helder perzikbloesemkleurige)

soort kan 2 à 3 cM. lang worden en houdt zich in de Europeesche zeeën

(ook in de Oostzee en de Noordzee) bij voorkeur tusschen waterplanten

op.

Als een voorbeeld van de Ongewapende Nemertinen--die men, naar den

vorm van den kop en het al of niet voorkomen van een zuigschijf aan 't

achterste deel van 't lichaam, in 3 onderorden onderscheidt--noemen wij

den Reuzensnoerworm (Lineus longissimus), die vooral aan de Engelsche

kust niet zeldzaam is en een lengte van 13 M. bij een dikte van 8

mM. kan bereiken.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 6: De Wormen · 第 22 / 25 题