DE TRILWORMEN (Turbellarii).
Een vrijzwemmende Trilworm, b.v. de reeds genoemde Melkwitte
Platworm, maakt een aangenamer indruk dan de leden der beide vorige
orden. Gestadig en regelmatig glijdt hij voort zonder zichtbare,
roeiende bewegingen; alleen het buigen van den kop of van den staart
doet, als het wenden van het roer een schip, het dier van richting
veranderen. Door den microscoop ziet men zijn geheele oppervlakte
bezet met uiterst fijne haartjes, die, onophoudelijk heen en weer
slingerend, het voortglijden teweegbrengen. De naam, dien Ehrenberg
aan de orde gegeven heeft, herinnert aan de strooming, waardoor het
dier voortdurend omgeven is. Niet te verwonderen is het, dat deze
teer bewerktuigde wezens voor 't meerendeel in 't water leven. In
grooten getale bewonen zij het zoetwater, hetzij dit stilstaat of
in beweging is; in onnoemelijke menigte vindt men ze echter in
de zee. Overal, waar aan de kust, hetzij in brak, of in zuiver
zout water, ulva's, bruinwieren en andere algen, zeegrassen en
dergelijke planten welig groeien, kan men er stellig op rekenen een
menigte Turbellariën te zullen ontmoeten, in de IJszee zoowel als
tusschen de keerkringen. Sommige houden zich uitsluitend tusschen
de teere takken der algen op, in beschutte, niet sterk aan golfslag
blootgestelde bochten; andere ontmoet men tusschen harde corallinen
en kalkwieren, waar hun broos lichaam de sterkste slagen van de
branding trotseert. Wanneer een steile kust zoo brokkelig is, dat er
geen planten kunnen groeien, maken de hier aanwezige Trilwormen, als
schuilplaats gebruik van de fijnste spleten in het gesteente. Ook is er
nog een kleine groep van Landplanariën, die vooral onder boomschors,
in broeikassen, en op bladen in vochtige keerkringsgewesten hun huid
tegen uitdroging beschutten. Zelfs zoekt een Braziliaansche soort
in den grond Regenwormen op om ze uit te zuigen. Wel is er dus reden
om zich te verbazen over de groote verscheidenheid van woonplaatsen
dezer organismen, die zoo weinig geschikt schijnen om in verschillende
omstandigheden te leven. De Trilwormen worden naar den vorm van 't
darmkanaal dat steeds de aarsopening mist, verdeeld in Rechtdarmigen
(Rhabdocoela) en Vertaktdarmigen (Dendrocoela).
De onderorde der Rechtdarmigen omvat bijna uitsluitend microscopische
Trilwormen, met een recht, blind eindigend darmkanaal, dat met een
zeer krachtig gespierd slokdarmhoofd aanvangt. Hoewel het voedsel
bij hen in een soort van zak aankomt, moet men zich dezen in den
regel niet voorstellen als een gewone maag, daar de geheele ruimte
gevuld is met een eiwitachtige massa, die een deel van het organisme
uitmaakt; het voedsel wordt er als 't ware tusschen geschoven en er
door verteerd. Een andere eigenaardigheid, die deze Trilwormen met de
Vertaktdarmigen deelen, is de aanwezigheid in de huid van tallooze,
kleine, staafvormige organen, die, als de "netelorganen" van de
Coelenteraten, tot het verdooven en vergiftigen van de prooi dienen.
In stilstaand zoetwater en in de zee leven de Voormonden (Prostomum),
bij ons vertegenwoordigd door den in slooten levenden Smallen
Voormond (Prostomum lineare). Deze kleine, zeer levendige diertjes
verbergen in een niet met het spijskanaal samenhangende holte
van het dunnere, voorste deel van 't lichaam een slurf (a), welke
aan die der snoerwormen herinnert en uitgestulpt kan worden om een
prooi te bemachtigen. Iets verder naar achteren zijn twee oogvlekken
zichtbaar. Ongeveer op het midden van de buikzijde is de mondopening
(b) gelegen, waardoor het gespierde slokdarmhoofd naar buiten kan
treden, waarmede het diertje zich vasthecht aan den buit, dien het wil
uitzuigen, vooral aan microscopische Schaaldieren. In het dikkere,
bijna knotsvormige achtereinde bevindt zich een scheede met een ter
verdediging dienenden stekel.
Een zeer zonderlinge gedaante (fig. 2) merkt men op bij het
geslacht der Rolwormen (Convoluta). Daar de dunne randen van het
lichaam naar de buikzijde omgeslagen zijn, hebben deze dieren den
vorm van een peperhuisje. De trechtervormige mondholte is aan de
buikzijde gelegen achter een blaasje, dat voor een gehoororgaan
wordt gehouden. In de noordelijke zeeën, zelden aan onze kust,
leeft de Vreemdsoortige Rolworm (Convoluta paradoxa), die meestal
2 à 6, zelden 9 mM. lang is en een bruine kleur heeft. Deze
vindt men op een afstand van 2 à 3 M. onder den waterspiegel,
als een Naakte Slak kruipend op verschillende planten, vooral op
Laminaria's. Andere soorten zijn in de Middellandsche Zee en in den
Atlantischen Oceaan gevonden, hierbij sommige groene, waarvan een
merkwaardig geval van symbiose valt te berichten. De groene kleur
is geen eigenschap van het dier, maar wordt veroorzaakt door algen,
die in het parenchym van den Worm zijn opgenomen. Men kan ze als
bestanddeelen van zijn lichaam beschouwen. Evenals alle groene
planten, assimileeren zij, d. w. z. bereiden onder den invloed van
het licht uit anorganische stoffen (koolzuur en water) organische
verbindingen. Tevens vermenigvuldigen zij zich sterk door deeling. Naar
alle waarschijnlijkheid nemen de volwassen Rolwormen zelfstandig
geen voedsel meer in zich op. Dikwijls blijven zij dagen achtereen
stil op dezelfde plaats liggen, in zulk een houding, dat het grootst
mogelijke deel van hun lichaam aan 't licht is blootgesteld. Op
deze wijze bevorderen zij het welzijn van de algen; beide partijen
profiteeren dus van het "samenleven".
Het geslacht der Middelmonden (Mesostomum) is belangrijk door de
talrijkheid zijner betrekkelijk groote soorten, die, op enkele
uitzonderingen na, het zoetwater bewonen. De mondopening van deze
meestal platte dieren is aan de buikzijde gelegen, gewoonlijk nagenoeg
in het midden. Het bolvormige slokdarmhoofd, dat hierdoor naar buiten
gestoken kan worden, is een krachtig werkend hecht- en zuigorgaan
en dienstig tot het grijpen en uitzuigen van levende dieren. Een der
fraaiste soorten is de 10 à 15 mM. lange, 4 à 5 mM. breede Grootste
Middelmond (Mesostomum Ehrenbergii), die in Nederland nog niet,
maar wel in België en de overige landen van Middel-Europa (ook in
Rusland) vrij veelvuldig gevonden werd. Hoewel doorzichtig als glas en
oogenschijnlijk zeer broos, is hij een van de behendigste en vlugste
zwemmers. Op een zeer merkwaardige wijze weet hij zich meester te
maken van de betrekkelijk groote Schelpvlooien en Watervlooien, die
hij uitzuigt. Het vangen geschiedt ongeveer op dezelfde wijze als
dat van Vliegen met onze hand; door den achterrand en de zijranden
naar de buikzijde om te vouwen, wordt namelijk een gesloten holte
gevormd. In 't eerst spartelt het gevangen Schaaldier geweldig tegen;
weldra gelukt het den Middelmond het slachtoffer met de werking van het
krachtige slokdarmhoofd kennis te doen maken. Een aantal Rhabdocoelen,
waaronder ook Mesostomum, vervaardigen slijmspinsels om hierin dieren
te vangen. Vele leden der onderorde (ook van het laatstgenoemde
geslacht) brengen tweeërlei eieren voort: kleine "zomereieren" met
een doorzichtige, weeke schaal, die in het lichaam van de moeder
uitkomen, zoodat de jongen levend ter wereld verschijnen, en grootere
"wintereieren" met een bruine, harde schaal, die als zoodanig het
lichaam van de moeder verlaten en geruimen tijd kunnen blijven liggen,
zonder dat de geschiktheid om te kiemen verloren gaat. Dit is noodig
voor het in stand houden van de soort, daar de genoemde Middelmond en
vele andere leden van zijn geslacht en zijn onderorde dikwijls leven
in plassen, die gedurende een deel van het jaar geen water bevatten.
Bij de Draaiers (Vortex, fig. 3) is de mondopening, waarop het
tonvormig, gespierde slokdarmhoofd volgt, dicht bij het vooreinde
van het lichaam aan de buikzijde gelegen. Een drietal soorten van dit
geslacht, die men duidelijk met het ongewapende oog onderscheiden kan,
komen tamelijk veelvuldig in ons land voor: 1) de 5 mM. lange, 1.5
mM. breede Stompe Draaier (Vortex truncatus), bruinachtig zwart, met
afgeknot vooreinde, 2) de 1.5 mM. lange Bonte Draaier (Vortex pictus),
geelachtig à donkerbruin, met donkergroenen darm, 3) de gezellig
levende, 1.5 mM. lange fraaie Groene Draaier (Vortex viridis), een
van de weinig talrijke lagere dieren, die, evenals de meeste planten,
hun groene kleur danken aan chlorophyl-korrels.
De eenige Rhabdocoele Trilworm, die men als landbewoner heeft leeren
kennen (Geocentrophora sphyrocephala), werd door Dr. J. G. de Man in
vochtige aarde, tusschen mos en andere planten, in de nabijheid van
Leiden ontdekt. Deze Worm is 1 mM. lang en grijsachtig van kleur,
met wit doorschemerenden darm.
De Vertaktdarmige Trilwormen (Dendrocoela) zijn wegens hun
aanzienlijker grootte gemakkelijker op te sporen dan de leden der
vorige onderorde. Hun gestalte is bladvormig, of herinnert aan die
van een Bloedzuiger. Dikwijls is het boom- of netvormig vertakt
darmkanaal door de huid heen zichtbaar. De mondopening, die steeds
aan de buikzijde gelegen is (bij de Zoetwaterplanariën ongeveer in
't midden), verleent toegang tot een holte, waarin een buitengewoon
rekbare slokdarm geheel kan worden teruggetrokken. Bij het zoeken
van voedsel wordt dit orgaan soms zoo ver uitgestoken, dat het
doet denken aan een tweeden, witten Worm, die het lichaam van den
eersten verlaat. Wanneer men het dier ontleed en deze afdeeling van
het spijskanaal geheel afgezonderd heeft, gaat zij voort met zich te
bewegen, te happen en te slikken. De volgende afdeeling bestaat bij
alle Zoetwaterplanariën uit 3 hoofdstammen, waarvan één naar voren
gericht is en twee langs de zijden naar achteren loopen; de hiervan
uitgaande, boom- of netvormige vertakkingen eindigen blind. Twee oogen
aan 't vooreinde van 't lichaam komen voor bij de geslachten Planaria
en Dendrocoelum; bij het laatstgenoemde is het voorste deel van den
kop bovendien voorzien van 2 als voelers dienende eindlobben. De
grootste, inheemsche soort, de reeds genoemde, hieronder afgebeelde
Melkwitte Platworm (Dendrocoelum lacteum), wordt evenals bijna al zijne
verwanten, onder steenen, tusschen riethalmen en aan den onderkant
van bladen van plompen gevonden. De vertakte darm kan men bij het
onbeschadigde dier goed waarnemen, daar hij (reeds bij opvallend licht)
zich door een zwartachtige kleur van de hem omgevende en bedekkende,
witte lichaamsdeelen onderscheidt en nog duidelijker uitkomt, wanneer
men het dier in een glas met water plaatst en bij doorschijnend licht
met een loupe onderzoekt.--Donkerder van kleur--meestal bruin, dikwijls
bruinzwart en zelfs zwart of groenachtig zwart, niet zelden zwart en
wit gevlekt--is de evenmin zeldzame, 16 mM. lange Veelkleurige Platworm
(Planaria polychroa). Door den afgeronden kop onderscheidt hij zich
van den--bij ons niet voorkomenden Ruitkoppigen Platworm (Planaria
gonocephala), die in Oostenrijk, Zuid-Duitschland en Frankrijk in
rivieren en beken gevonden wordt, vooral op plaatsen waar de stroom
niet sterk is en de rolsteenen dus geruimen tijd kunnen blijven
liggen. Hier zal men gewoonlijk reeds na het omkeeren van eenige
steenen den groenachtigen of groenachtigbruinen, 2.5 mM. langen Worm
ontdekken, die de breede buikvlakte of zool over den bodem doet glijden
en intusschen de beide zijlobben van den kop dikwijls als ooren opheft.
Hoewel het aantal Planariën, die in zoetwater leven, vermoedelijk
zeer groot is, zijn er redenen om het aantal zeebewoners nog hooger te
schatten. Deze hebben talrijke, groepsgewijs opeengehoopte oogstippen
op eenigen afstand van den voorrand; zij zijn bijna alle zeer plat
en breed, dikwijls doorschijnend en fraai van kleur. Aan onze kust
vindt men niet zelden de van boven bruine, van onderen witachtige, 12
mM. lange, 4 mM. breede Effen Vliesplatworm (Leptoplana trimellaris),
die vlug kruipen en zwemmen en ook stevig aan allerlei voorwerpen
zich vasthechten kan. Veel grootere en fraaiere Zeeplanariën bevat
de Middellandsche Zee.
Vermelding verdienen nog de Landplanariën, voor 't meerendeel bewoners
van warme landen; de eenige in ons werelddeel levende soort, de
zeldzame Europeesche Landplanarie (Geodesmus terrestris), werd een
enkelen maal ook in ons land gevonden. "Mijne voorwerpen," schrijft
Dr. J. G. de Man, "bereikten, zoo zij zich geheel uitstrekten,
de lengte van 25 mM.; het lichaam is dan rolrond, aan de buikzijde
afgeplat; de voorste helft, die slanker en dunner is dan de achterste,
wordt tastend heen en weer bewogen. Gelijk Naakte Slakken kruipen
zij voort en kunnen zich, evenals deze, in hooge mate verkorten en
uitrekken. Ook leiden zij een nachtelijk leven: 's avonds begonnen
zij in het vat, waarin zij gehouden werden, heen en weer te kruipen,
terwijl zij zich op den dag verborgen hielden. Gelijk sommige
Nemertinen hebben zij het vermogen van te spinnen; eenmaal zag ik
een mijner dieren aan een gesponnen draad bovenaan den wand van
het glas hangen. Van boven zijn zij donkergrauw tot zwartachtig,
van onderen vuilwit, uitwendig overal met uiterst korte trilharen
bezet, die alleen aan de beide uiteinden van het lichaam iets
grooter zijn. Bij prikkeling stoot hij zeer fijne neteldraden uit,
die men b.v. tusschen het dekglaasje en het objectiefglas in grooten
getale aantreft. Als zintuigen bezit dit dier twee geheel van voren,
nabij den voorrand gelegen, eivormige organen, welker voorste helft
roodpaars is gekleurd--misschien oogen, misschien gehoorblaasjes. De
darmholte doet zich voor als een kanaal, dat van voren naar achteren
heenloopt en aan iedere zijde blindzakken afgeeft." De mondopening is
achter het midden gelegen, met tonvormig, zeer gespierd slokdarmhoofd.
Met de rijke fauna van Landplanariën in de vochtige, met oerwouden
bedekte gewesten van Zuid-Amerika hebben ons de reizen van Darwin
bekend gemaakt. Deze Wormen--o.a. de 4 cM. lange, 2 mM. breede Geoplana
tristriata (licht geelgroen met 3 overlangsche, zwarte strepen
op den rug)--komen veelvuldig voor op tamelijk vochtige plaatsen,
onder hout, schors en steenen, tusschen bladen van bromeliaceën, doch
niet in het daartusschen achterblijvende water. Over dag rusten zij,
naar het schijnt, en zwerven 's nachts rond.
Ook in de vochtige wouden van Ceylon zijn Landplanariën ontdekt,
o.a. soorten van het geslacht Bipalium, die in staat zijn om te hangen
aan een draad, vervaardigd van het slijm, dat aan de oppervlakte van
het lichaam wordt afgescheiden.