DERDE ORDE.

DE TRILWORMEN (Turbellarii).

Een vrijzwemmende Trilworm, b.v. de reeds genoemde Melkwitte

Platworm, maakt een aangenamer indruk dan de leden der beide vorige

orden. Gestadig en regelmatig glijdt hij voort zonder zichtbare,

roeiende bewegingen; alleen het buigen van den kop of van den staart

doet, als het wenden van het roer een schip, het dier van richting

veranderen. Door den microscoop ziet men zijn geheele oppervlakte

bezet met uiterst fijne haartjes, die, onophoudelijk heen en weer

slingerend, het voortglijden teweegbrengen. De naam, dien Ehrenberg

aan de orde gegeven heeft, herinnert aan de strooming, waardoor het

dier voortdurend omgeven is. Niet te verwonderen is het, dat deze

teer bewerktuigde wezens voor 't meerendeel in 't water leven. In

grooten getale bewonen zij het zoetwater, hetzij dit stilstaat of

in beweging is; in onnoemelijke menigte vindt men ze echter in

de zee. Overal, waar aan de kust, hetzij in brak, of in zuiver

zout water, ulva's, bruinwieren en andere algen, zeegrassen en

dergelijke planten welig groeien, kan men er stellig op rekenen een

menigte Turbellariën te zullen ontmoeten, in de IJszee zoowel als

tusschen de keerkringen. Sommige houden zich uitsluitend tusschen

de teere takken der algen op, in beschutte, niet sterk aan golfslag

blootgestelde bochten; andere ontmoet men tusschen harde corallinen

en kalkwieren, waar hun broos lichaam de sterkste slagen van de

branding trotseert. Wanneer een steile kust zoo brokkelig is, dat er

geen planten kunnen groeien, maken de hier aanwezige Trilwormen, als

schuilplaats gebruik van de fijnste spleten in het gesteente. Ook is er

nog een kleine groep van Landplanariën, die vooral onder boomschors,

in broeikassen, en op bladen in vochtige keerkringsgewesten hun huid

tegen uitdroging beschutten. Zelfs zoekt een Braziliaansche soort

in den grond Regenwormen op om ze uit te zuigen. Wel is er dus reden

om zich te verbazen over de groote verscheidenheid van woonplaatsen

dezer organismen, die zoo weinig geschikt schijnen om in verschillende

omstandigheden te leven. De Trilwormen worden naar den vorm van 't

darmkanaal dat steeds de aarsopening mist, verdeeld in Rechtdarmigen

(Rhabdocoela) en Vertaktdarmigen (Dendrocoela).

De onderorde der Rechtdarmigen omvat bijna uitsluitend microscopische

Trilwormen, met een recht, blind eindigend darmkanaal, dat met een

zeer krachtig gespierd slokdarmhoofd aanvangt. Hoewel het voedsel

bij hen in een soort van zak aankomt, moet men zich dezen in den

regel niet voorstellen als een gewone maag, daar de geheele ruimte

gevuld is met een eiwitachtige massa, die een deel van het organisme

uitmaakt; het voedsel wordt er als 't ware tusschen geschoven en er

door verteerd. Een andere eigenaardigheid, die deze Trilwormen met de

Vertaktdarmigen deelen, is de aanwezigheid in de huid van tallooze,

kleine, staafvormige organen, die, als de "netelorganen" van de

Coelenteraten, tot het verdooven en vergiftigen van de prooi dienen.

In stilstaand zoetwater en in de zee leven de Voormonden (Prostomum),

bij ons vertegenwoordigd door den in slooten levenden Smallen

Voormond (Prostomum lineare). Deze kleine, zeer levendige diertjes

verbergen in een niet met het spijskanaal samenhangende holte

van het dunnere, voorste deel van 't lichaam een slurf (a), welke

aan die der snoerwormen herinnert en uitgestulpt kan worden om een

prooi te bemachtigen. Iets verder naar achteren zijn twee oogvlekken

zichtbaar. Ongeveer op het midden van de buikzijde is de mondopening

(b) gelegen, waardoor het gespierde slokdarmhoofd naar buiten kan

treden, waarmede het diertje zich vasthecht aan den buit, dien het wil

uitzuigen, vooral aan microscopische Schaaldieren. In het dikkere,

bijna knotsvormige achtereinde bevindt zich een scheede met een ter

verdediging dienenden stekel.

Een zeer zonderlinge gedaante (fig. 2) merkt men op bij het

geslacht der Rolwormen (Convoluta). Daar de dunne randen van het

lichaam naar de buikzijde omgeslagen zijn, hebben deze dieren den

vorm van een peperhuisje. De trechtervormige mondholte is aan de

buikzijde gelegen achter een blaasje, dat voor een gehoororgaan

wordt gehouden. In de noordelijke zeeën, zelden aan onze kust,

leeft de Vreemdsoortige Rolworm (Convoluta paradoxa), die meestal

2 à 6, zelden 9 mM. lang is en een bruine kleur heeft. Deze

vindt men op een afstand van 2 à 3 M. onder den waterspiegel,

als een Naakte Slak kruipend op verschillende planten, vooral op

Laminaria's. Andere soorten zijn in de Middellandsche Zee en in den

Atlantischen Oceaan gevonden, hierbij sommige groene, waarvan een

merkwaardig geval van symbiose valt te berichten. De groene kleur

is geen eigenschap van het dier, maar wordt veroorzaakt door algen,

die in het parenchym van den Worm zijn opgenomen. Men kan ze als

bestanddeelen van zijn lichaam beschouwen. Evenals alle groene

planten, assimileeren zij, d. w. z. bereiden onder den invloed van

het licht uit anorganische stoffen (koolzuur en water) organische

verbindingen. Tevens vermenigvuldigen zij zich sterk door deeling. Naar

alle waarschijnlijkheid nemen de volwassen Rolwormen zelfstandig

geen voedsel meer in zich op. Dikwijls blijven zij dagen achtereen

stil op dezelfde plaats liggen, in zulk een houding, dat het grootst

mogelijke deel van hun lichaam aan 't licht is blootgesteld. Op

deze wijze bevorderen zij het welzijn van de algen; beide partijen

profiteeren dus van het "samenleven".

Het geslacht der Middelmonden (Mesostomum) is belangrijk door de

talrijkheid zijner betrekkelijk groote soorten, die, op enkele

uitzonderingen na, het zoetwater bewonen. De mondopening van deze

meestal platte dieren is aan de buikzijde gelegen, gewoonlijk nagenoeg

in het midden. Het bolvormige slokdarmhoofd, dat hierdoor naar buiten

gestoken kan worden, is een krachtig werkend hecht- en zuigorgaan

en dienstig tot het grijpen en uitzuigen van levende dieren. Een der

fraaiste soorten is de 10 à 15 mM. lange, 4 à 5 mM. breede Grootste

Middelmond (Mesostomum Ehrenbergii), die in Nederland nog niet,

maar wel in België en de overige landen van Middel-Europa (ook in

Rusland) vrij veelvuldig gevonden werd. Hoewel doorzichtig als glas en

oogenschijnlijk zeer broos, is hij een van de behendigste en vlugste

zwemmers. Op een zeer merkwaardige wijze weet hij zich meester te

maken van de betrekkelijk groote Schelpvlooien en Watervlooien, die

hij uitzuigt. Het vangen geschiedt ongeveer op dezelfde wijze als

dat van Vliegen met onze hand; door den achterrand en de zijranden

naar de buikzijde om te vouwen, wordt namelijk een gesloten holte

gevormd. In 't eerst spartelt het gevangen Schaaldier geweldig tegen;

weldra gelukt het den Middelmond het slachtoffer met de werking van het

krachtige slokdarmhoofd kennis te doen maken. Een aantal Rhabdocoelen,

waaronder ook Mesostomum, vervaardigen slijmspinsels om hierin dieren

te vangen. Vele leden der onderorde (ook van het laatstgenoemde

geslacht) brengen tweeërlei eieren voort: kleine "zomereieren" met

een doorzichtige, weeke schaal, die in het lichaam van de moeder

uitkomen, zoodat de jongen levend ter wereld verschijnen, en grootere

"wintereieren" met een bruine, harde schaal, die als zoodanig het

lichaam van de moeder verlaten en geruimen tijd kunnen blijven liggen,

zonder dat de geschiktheid om te kiemen verloren gaat. Dit is noodig

voor het in stand houden van de soort, daar de genoemde Middelmond en

vele andere leden van zijn geslacht en zijn onderorde dikwijls leven

in plassen, die gedurende een deel van het jaar geen water bevatten.

Bij de Draaiers (Vortex, fig. 3) is de mondopening, waarop het

tonvormig, gespierde slokdarmhoofd volgt, dicht bij het vooreinde

van het lichaam aan de buikzijde gelegen. Een drietal soorten van dit

geslacht, die men duidelijk met het ongewapende oog onderscheiden kan,

komen tamelijk veelvuldig in ons land voor: 1) de 5 mM. lange, 1.5

mM. breede Stompe Draaier (Vortex truncatus), bruinachtig zwart, met

afgeknot vooreinde, 2) de 1.5 mM. lange Bonte Draaier (Vortex pictus),

geelachtig à donkerbruin, met donkergroenen darm, 3) de gezellig

levende, 1.5 mM. lange fraaie Groene Draaier (Vortex viridis), een

van de weinig talrijke lagere dieren, die, evenals de meeste planten,

hun groene kleur danken aan chlorophyl-korrels.

De eenige Rhabdocoele Trilworm, die men als landbewoner heeft leeren

kennen (Geocentrophora sphyrocephala), werd door Dr. J. G. de Man in

vochtige aarde, tusschen mos en andere planten, in de nabijheid van

Leiden ontdekt. Deze Worm is 1 mM. lang en grijsachtig van kleur,

met wit doorschemerenden darm.

De Vertaktdarmige Trilwormen (Dendrocoela) zijn wegens hun

aanzienlijker grootte gemakkelijker op te sporen dan de leden der

vorige onderorde. Hun gestalte is bladvormig, of herinnert aan die

van een Bloedzuiger. Dikwijls is het boom- of netvormig vertakt

darmkanaal door de huid heen zichtbaar. De mondopening, die steeds

aan de buikzijde gelegen is (bij de Zoetwaterplanariën ongeveer in

't midden), verleent toegang tot een holte, waarin een buitengewoon

rekbare slokdarm geheel kan worden teruggetrokken. Bij het zoeken

van voedsel wordt dit orgaan soms zoo ver uitgestoken, dat het

doet denken aan een tweeden, witten Worm, die het lichaam van den

eersten verlaat. Wanneer men het dier ontleed en deze afdeeling van

het spijskanaal geheel afgezonderd heeft, gaat zij voort met zich te

bewegen, te happen en te slikken. De volgende afdeeling bestaat bij

alle Zoetwaterplanariën uit 3 hoofdstammen, waarvan één naar voren

gericht is en twee langs de zijden naar achteren loopen; de hiervan

uitgaande, boom- of netvormige vertakkingen eindigen blind. Twee oogen

aan 't vooreinde van 't lichaam komen voor bij de geslachten Planaria

en Dendrocoelum; bij het laatstgenoemde is het voorste deel van den

kop bovendien voorzien van 2 als voelers dienende eindlobben. De

grootste, inheemsche soort, de reeds genoemde, hieronder afgebeelde

Melkwitte Platworm (Dendrocoelum lacteum), wordt evenals bijna al zijne

verwanten, onder steenen, tusschen riethalmen en aan den onderkant

van bladen van plompen gevonden. De vertakte darm kan men bij het

onbeschadigde dier goed waarnemen, daar hij (reeds bij opvallend licht)

zich door een zwartachtige kleur van de hem omgevende en bedekkende,

witte lichaamsdeelen onderscheidt en nog duidelijker uitkomt, wanneer

men het dier in een glas met water plaatst en bij doorschijnend licht

met een loupe onderzoekt.--Donkerder van kleur--meestal bruin, dikwijls

bruinzwart en zelfs zwart of groenachtig zwart, niet zelden zwart en

wit gevlekt--is de evenmin zeldzame, 16 mM. lange Veelkleurige Platworm

(Planaria polychroa). Door den afgeronden kop onderscheidt hij zich

van den--bij ons niet voorkomenden Ruitkoppigen Platworm (Planaria

gonocephala), die in Oostenrijk, Zuid-Duitschland en Frankrijk in

rivieren en beken gevonden wordt, vooral op plaatsen waar de stroom

niet sterk is en de rolsteenen dus geruimen tijd kunnen blijven

liggen. Hier zal men gewoonlijk reeds na het omkeeren van eenige

steenen den groenachtigen of groenachtigbruinen, 2.5 mM. langen Worm

ontdekken, die de breede buikvlakte of zool over den bodem doet glijden

en intusschen de beide zijlobben van den kop dikwijls als ooren opheft.

Hoewel het aantal Planariën, die in zoetwater leven, vermoedelijk

zeer groot is, zijn er redenen om het aantal zeebewoners nog hooger te

schatten. Deze hebben talrijke, groepsgewijs opeengehoopte oogstippen

op eenigen afstand van den voorrand; zij zijn bijna alle zeer plat

en breed, dikwijls doorschijnend en fraai van kleur. Aan onze kust

vindt men niet zelden de van boven bruine, van onderen witachtige, 12

mM. lange, 4 mM. breede Effen Vliesplatworm (Leptoplana trimellaris),

die vlug kruipen en zwemmen en ook stevig aan allerlei voorwerpen

zich vasthechten kan. Veel grootere en fraaiere Zeeplanariën bevat

de Middellandsche Zee.

Vermelding verdienen nog de Landplanariën, voor 't meerendeel bewoners

van warme landen; de eenige in ons werelddeel levende soort, de

zeldzame Europeesche Landplanarie (Geodesmus terrestris), werd een

enkelen maal ook in ons land gevonden. "Mijne voorwerpen," schrijft

Dr. J. G. de Man, "bereikten, zoo zij zich geheel uitstrekten,

de lengte van 25 mM.; het lichaam is dan rolrond, aan de buikzijde

afgeplat; de voorste helft, die slanker en dunner is dan de achterste,

wordt tastend heen en weer bewogen. Gelijk Naakte Slakken kruipen

zij voort en kunnen zich, evenals deze, in hooge mate verkorten en

uitrekken. Ook leiden zij een nachtelijk leven: 's avonds begonnen

zij in het vat, waarin zij gehouden werden, heen en weer te kruipen,

terwijl zij zich op den dag verborgen hielden. Gelijk sommige

Nemertinen hebben zij het vermogen van te spinnen; eenmaal zag ik

een mijner dieren aan een gesponnen draad bovenaan den wand van

het glas hangen. Van boven zijn zij donkergrauw tot zwartachtig,

van onderen vuilwit, uitwendig overal met uiterst korte trilharen

bezet, die alleen aan de beide uiteinden van het lichaam iets

grooter zijn. Bij prikkeling stoot hij zeer fijne neteldraden uit,

die men b.v. tusschen het dekglaasje en het objectiefglas in grooten

getale aantreft. Als zintuigen bezit dit dier twee geheel van voren,

nabij den voorrand gelegen, eivormige organen, welker voorste helft

roodpaars is gekleurd--misschien oogen, misschien gehoorblaasjes. De

darmholte doet zich voor als een kanaal, dat van voren naar achteren

heenloopt en aan iedere zijde blindzakken afgeeft." De mondopening is

achter het midden gelegen, met tonvormig, zeer gespierd slokdarmhoofd.

Met de rijke fauna van Landplanariën in de vochtige, met oerwouden

bedekte gewesten van Zuid-Amerika hebben ons de reizen van Darwin

bekend gemaakt. Deze Wormen--o.a. de 4 cM. lange, 2 mM. breede Geoplana

tristriata (licht geelgroen met 3 overlangsche, zwarte strepen

op den rug)--komen veelvuldig voor op tamelijk vochtige plaatsen,

onder hout, schors en steenen, tusschen bladen van bromeliaceën, doch

niet in het daartusschen achterblijvende water. Over dag rusten zij,

naar het schijnt, en zwerven 's nachts rond.

Ook in de vochtige wouden van Ceylon zijn Landplanariën ontdekt,

o.a. soorten van het geslacht Bipalium, die in staat zijn om te hangen

aan een draad, vervaardigd van het slijm, dat aan de oppervlakte van

het lichaam wordt afgescheiden.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 6: De Wormen · 第 21 / 25 题