TWEEDE ORDE.

DE ZUIGWORMEN (Trematodes).

Nagenoeg alle Zuigwormen hebben een bladvormig, afgeplat lichaam,

dat van voren, in 't midden en van achteren van zuignappen voorzien

kan zijn. Het spijskanaal is gewoonlijk gaffelvormig en eindigt blind:

het heeft wel een mond, doch geen aars. Bij ieder volwassen dier komen

in den regel zoowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen voor.

De hoogst ontwikkelde Zuigwormen--de Polystomeën (Polystomeae)--danken

hun naam aan het bezit van "vele" (meer dan 2) zuignappen: 2 kleine

aan de zijden van 't voorste, 1 groote of verscheidene kleine aan

't achterste lichaamsdeel. Zij leven voor 't meerendeel op de huid of

in de kieuwholte van Visschen, dus als "ectoparasieten". Soms zijn de

achterste zuignappen van chitine-haken voorzien, waardoor een betere

vasthechting verkregen wordt. De eieren zijn groot en gering in aantal;

de jongen ontwikkelen zich direct, d. w. z. zonder gedaantewisseling.

Een van de zonderlingste verschijnselen, die het dierenrijk aanbiedt,

geeft het Dubbeldier (Diplozoon paradoxum, fig. a) te aanschouwen. Het

bestaat uit twee volkomen gelijke helften, die ieder alle eigenschappen

van een volkomen dier bezitten en in het midden van 't lichaam

met elkander verbonden zijn, niet in den trant van de Siameesche

tweelingen, maar zóó, dat zij gezamenlijk een kruis vormen. De beide

eenigszins spits toeloopende vooreinden hebben ieder een mondopening

en daarnaast een paar kleine zuignappen.

Het Dubbeldier leeft op de kieuwen van verscheidene inheemsche

Karperachtige Visschen, b.v. van de Blei, den Grondel en den

Grondelvoorn. Opmerkelijkerwijze vindt men het Dubbeldier op de kieuwen

van den Grondelvoorn steeds vergezeld van een anderen parasiet, die

reeds sinds lang Diporpa heet. Door nauwkeurige vergelijking van beide

dieren blijkt, dat er tusschen hen een zeker verband moet bestaan,

daar het mondeinde met de beide zuignappen en ook het spijskanaal

van Diporpa volkomen overeenstemmen met dezelfde lichaamsdeelen

bij iedere helft van Diplozoon en beide ook in andere opzichten

veel op elkander gelijken. Diporpa is echter veel kleiner en heeft

geen voortplantingsorganen. Zeller's onderzoekingen hebben ons de

oorzaak leeren kennen van de overeenkomst der beide wezens. Om een

Diplozoon te vormen, voegen twee Diporpa's zich kruisgewijs aaneen;

ieder hunner vat met den middelsten zuignap een knobbel op den rug

van zijn metgezel; nadat zij in dezen stand aaneengegroeid zijn,

verschijnen de voortplantingsorganen.

De laagst ontwikkelde, in het lichaam van andere dieren (dus

"endoparasitisch") levende Zuigwormen heeten Distomeën (Distomeae),

daar zij hoogstens twee zuignappen hebben: de eene, die slechts

zelden ontbreekt of onduidelijk is (sommige Monostomiden), omgeeft de

mondopening en bevindt zich aan 't voorste lichaamseinde, de andere

(die bij allen Monostomiden ontbreekt) is aan de buikzijde gelegen,

soms op korten afstand van den mondzuignap (Distomum), soms aan

't achterste lichaamseinde (Amphistomum); haken komen nooit voor.

De Distomeën hebben een zeer samengestelden ontwikkelingsgang, die

steeds met teeltwisseling en met verhuizing van den eenen gastheer

naar een anderen gepaard gaat. De met trilharen bekleede larven,

die uit de talrijke, kleine eieren voortkomen, parasiteeren in lagere

dieren en brengen langs ongeslachtelijken weg jongen voort; soms volgt

hierop een soortgelijke generatie, welker larven, na vele veranderingen

ondergaan te hebben, in het lichaam van een Gewerveld Dier (ook wel

in dat van den mensch) geslachtsrijp worden; soms bereiken reeds de

leden van de tweede generatie op deze wijze het einddoel.

De belangrijkste van alle Distomeën is de beruchte Groote Leverbot

(Distomum hepaticum). Deze bereikt een lengte van 16 à 40 bij een

breedte van 6 à 12 mM. en bestaat uit een 3 à 5 mM. lang, dik,

kegelvormig voorlijf met een dun en breed, bladvormig afgeplat

achterlijf, waarvan echter de voorste helft in 't midden door

de hier opgehoopte eieren aanmerkelijk dikker is dan aan den

rand. Deze is vuilbruin, het overige lichaam grijsachtig geel;

talrijke, achterwaarts gerichte, schubvormige stekeltjes bedekken de

oppervlakte en verhinderen het achteruitglijden van het dier, dat zich

van de beide zuignappen bedient om te kruipen. De gaffelvormige darm

vertoont talrijke zijdelingsche vertakkingen, die met een donkere kleur

door de huid heenschemeren, wanneer zij met bloed gevuld zijn. Dit

ontleent het dier aan het vaatstelsel van de lever van den gastheer,

in wiens galgangen het geslachtsrijp wordt. (De lever van een aan

"botziekte" lijdend Schaap bevat soms wel 1000, gemiddeld echter

200 Leverbotten). Vooral treft men dezen parasiet in Schapen aan,

soms ook in Runderen en andere Herkauwers, voorts in Paarden, Ezels,

Zwijnen, Olifanten, Konijnen, Eekhoorns, Kangoeroes, een enkele maal

zelfs in den mensch.

Hoe ontzaglijk groot de schade is, die de Leverbot aan de veeteelt

toebrengt, blijkt uit de volgende cijfers, die door Leuckart, den

ontdekker van de ontwikkelingsgeschiedenis dezer parasiet, worden

medegedeeld: "Men schat het aantal Schapen, dat in het jaar 1830 in

Engeland door den Leverbot gedood werd, op 1 1/2 millioen, ter waarde

van ongeveer 48 millioen gulden. Een enkele schapenfokker leed op deze

wijze in 1824 een schade van 3600 gulden". Volgens Zündel bezweek in

1873 het derde deel van alle Schapen in Elzas-Lotharingen; dit door

de Leverbot veroorzaakte nadeel wordt op bijna zes ton begroot. Hoe

zeer ook ons vaderland door de botziekte (soms ten onrechte ongans

of galligheid genaamd) geteisterd wordt, blijkt uit de volgende

opgaven van Prof. Ritzema Bos: "Het natte weer in 't najaar van 1879

bracht in vele provinciën botziekte mee, en wel in zoo sterke mate,

dat, vooral ten gevolge van de daardoor veroorzaakte sterfte, het

aantal Schapen in ons geheele land met 11579 stuks verminderde; zulks

niettegenstaande in enkele provinciën een tamelijk sterke vermeerdering

van het aantal Schapen voorkwam. In de provincie Utrecht alleen

bedroeg in 1879 het aantal Schapen ruim een 4000-tal minder dan in

't vorige jaar. Gedurende de jaren 1880, '81, '82 en '83 verminderde

het aantal Schapen, althans in de meeste deelen onzes lands nog meer;

hoofdzakelijk werd deze afneming veroorzaakt rechtstreeks door de

sterfte tengevolge van de botziekte, maar ook ten deele indirect

door deze kwaal, daar door de zieke Schapen slechts weinige lammeren

werden ter wereld gebracht, en dan nog maar zelden exemplaren, die

sterk genoeg waren om in leven te kunnen blijven. In 1880 verminderde

het aantal Schapen, in ons geheele rijk gehouden, met 49895, in 1881

met 55183, in 1882 met 47263, in 1883 met 41667. Eerst in 1884 kan

op een vermeerdering van 49428 Schapen in ons land gewezen worden. En

hoewel nu de botziekte niet de eenige oorzaak was van de voortdurende

vermindering van het aantal Schapen in Nederland, de hoofdreden was

zij zeer zeker. In 't jaar 1881 stierven in de gemeente Gasselte

(Drente) ongeveer de helft (omstreeks 1000 stuks) van het geheele

aantal Heideschapen door de zoo gevreesde ziekte."

Reeds voor lang heeft het de aandacht getrokken, dat in sommige jaren

de sterfte door botziekte zoo veel grooter is dan in andere. Zulke

jaren waren in de geteisterde gewesten altijd zeer vochtig en

regenachtig. Zoo was 1816 in geheel Europa een buitengewoon nat jaar

en er volgde het rampspoedige jaar 1817 op. Ook is gebleken, dat de

Schapen in sommige oorden veel meer aangetast worden dan in andere. Ter

verklaring van deze verschijnselen volgt nu de levensgeschiedenis

van de Groote Leverbot.

De Leverbot is tweeslachtig; zelfbevruchting is bij haar regel

(in tegenstelling van hetgeen men bij andere hermaphroditische

Wormen waarneemt). De eieren worden met den drek van het aan

botziekte lijdende Schaap uitgeworpen; op een droog terrein gaan

zij te niet; om zich verder te ontwikkelen moeten zij direct in het

water komen of op een vochtigen grond, die weldra overstroomd zal

worden. Hier heeft de groei van het embryo des te schielijker plaats,

naar mate de omstandigheden gunstiger zijn en vooral naar mate de

temperatuur hooger is. De eieren, die in het laatst van den herfst in

't water geraken, kunnen door den winter komen, zonder dat zij de

geschiktheid om te ontkiemen verliezen. De 1/5 mM. lange larve, die

door het losstooten van een dekseltje de eischaal verlaat, heeft een

langwerpig peervormige gedaante en is overal met trilharen bedekt. De

mond, die zich aan het voorste, spitse uitsteeksel bevindt, verleent

toegang tot een zeer weinig ontwikkeld spijskanaal; iets verder ziet

men een kruisvormige, zwarte oogvlek. Vlug zwemmend, vooral aan

de oppervlakte van 't water, zoekt de larve zijn "tusschengastheer"

op. Als zoodanig dient een bepaalde soort van Slak, die geheel Europa

bewoont, te beginnen bij IJsland en de Faröer, voorts Noord-Azië,

de Kanarische Eilanden en Noord-Afrika tot Abessinië; misschien

komt zij ook in Australië en Amerika voor, of is hier door zeer nauw

verwante vormen vervangen. Het bedoelde 4 à 8 mM. lange slakje--de

kleinste Poelslak (Limnaeus minutus)--heeft een eenigszins amphibische

levenswijze; het bewoont vochtige plaatsen, niet uitsluitend het water,

maar kruipt ook tusschen het mos rond en bij het onderste deel van

grashalmen omhoog; bij aanhoudend vochtig weer vindt men het zelfs

op lage struiken.

De larven van de Leverbot komen door het ademgat in de mantelholte

van de Slak, waar zij een parasitisch leven leiden, het nu overbodige

wimperkleed verliezen en allengs veranderen in een eivormigen zak,

zonder aanhangsels, mond of darm, die Sporocyst heet. De kiemcellen,

die reeds bij de larve in het achterste deel van het lichaam

zichtbaar zijn, groeien, splitsen zich en vormen kiembollen, die

zich na ongeveer 14 dagen tot nieuwe wezens ontwikkeld hebben. Deze

worden naar Francesco Redi, die hen het eerst ontdekt heeft, Rediën

genoemd. Zij zijn rolvormig, loopen van voren uit in een kegelvormig

kopgedeelte, naar achteren in een allengs dunner wordenden staart,

bezitten achter het midden twee korte, zijwaarts gerichte aanhangsels

en bevatten een darm, die door een mond met de buitenwereld in

gemeenschap staat; voorts merkt men bij haar een opening op, waardoor

de langs ongeslachtelijken weg gevormde nakomelingen zich naar buiten

begeven. Gewoonlijk levert iedere Sporocyst 12 à 15 Rediën. Deze

blijven in de mantelholte van de Slak. Uit hare kiembollen ontwikkelen

zich, al naar het jaargetijde, verschillende wezens. In den winter

zijn dit nieuwe Rediën, die het lichaam van de oude, maar niet haar

gastheer verlaten. Deze Rediën brengen vervolgens, evenals die, welke

in het warme jaargetijde uit de Sporocysten komen, kiembollen voort,

die zich tot een generatie van Distomen ontwikkelen. De jonge Distomen

(nu nog Cercariën genaamd) zijn duidelijk als zoodanig herkenbaar,

daar zij, evenals de oude Leverbotten, 2 zuignappen, een mond en

een gaffelvormig darmkanaal (zonder zijwaarts gerichte vertakkingen

evenwel) bezitten. Zij zijn echter bovendien uitgerust met eenige,

uitsluitend voor den larvetoestand bestemde organen, n.l. met een

oogvlek en een langen, buigzamen roeistaart, die hun eenigszins

het voorkomen van kikkerlarven verschaft; voorts hebben zij aan

weerszijden van het spijskanaal een klier, welks afvoerkanaal aan den

voorsten rand van den zuignap uitmondt en waarvan het doel weldra zal

blijken. Kort na hun geboorte verlaten de Cercariën de in of buiten

het water rondkruipende Slak, die hun en 2 (of 3) generatiën van

voorouders--Sporocyst en Redia (soms ook nog een Dochter-Redia)--kost

en inwoning heeft verschaft. Zij zoeken geen nieuwen gastheer op,

maar hechten zich aan grasstengels en aan de laagste gedeelten van

andere, op vochtige plaatsen groeiende planten. Hier omgeven zij zich

met een hulsel, dat van het afscheidingsproduct der zoo even genoemde

zijdeklieren vervaardigd wordt en verliezen den staart. De ingekapselde

Cercarie kan geruimen tijd in 't leven blijven, zelfs wanneer het oord,

waar zij zich gevestigd heeft, droog komt te liggen. In de maag van

het Schaap, dat de plant met de daaraan gehechte, jonge Distome opeet,

zal deze haar hulsel verliezen; van de maag zal zij zich naar den darm

en van hier naar de galgangen begeven, waar zij geslachtsrijp wordt.

De Cercariën van andere Distomeën ontwikkelen zich direct uit de

kiemballen van de bij een Slak parasiteerende Sporocyst, zonder

tusschenliggenden Redia-toestand. Daar zij "gewapend" zijn met een

in den mondzuignap gelegen boortoestel, is het haar mogelijk door

te dringen in het lichaam van een tweeden gastheer (Schaaldier,

Slak, Visch of Amphibiën-larve), waar zij den staart verliezen, zich

inkapselen en aangroeien tot Distomeën, die nog geen geslachtsorganen

bezitten. Deze zullen, indien haar gastheer verslonden wordt door

een dier, dat voor haar verdere ontwikkeling geschikt is, aan de

spijsvertering, die haar kapsel oplost, ontkomen. Zij zijn nu in een

veilige haven aangeland, vestigen zich in het een of ander orgaan

(darm, urineblaas, levergangen) van haar definitieven gastheer en

brengen hier de eieren voort, waarmede de nieuwe ontwikkelingskring

een aanvang neemt. Een voorbeeld hiervan levert de Kikkerdarmbot

(Distomum retusum), die als Sporocyst in de Gewone Poelslak (Limnaeus

stagnalis), als ingekapselde Cercarie in de larve van een Kokerjuffer

en als geslachtsrijp dier in den darm van een Kikvorsch leeft.

De eenige niet hermaphroditische Zuigworm [Gynaecophorus (Distomum)

haematobius] is bovendien merkwaardig, doordat hij bij den mensch

parasiteert in den poortader en andere aders van de buikingewanden

(milt, darmscheil, endeldarm, urinewegen). Bij de bewoners van vele

landen van Afrika (van Egypte tot Kaapland) veroorzaakt hij gevaarlijke

ziekten, die dikwijls doodelijk zijn. Volgens Bilharz lijdt minstens

de helft van de volwassen bevolking van Egypte aan kwalen, door dezen

parasiet veroorzaakt. Het mannetje is 12 à 14 mM. lang en duidelijk

afgeplat. De buikwaarts omgebogen randen van zijn lichaam vormen een

cilindervormige groeve, waarin zich het slankere, 16 à 19 mM. lange

wijfje ophoudt. De zuignappen zijn aan het voorste lichaamsdeel

dicht bijeengelegen.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 6: De Wormen · 第 20 / 25 题