DE LINTWORMEN (Cestodes).
Evenals de Trichinen, zijn de Lintwormen zoo populair, dat het ons
volstrekt niet gewaagd voorkomt, in goed gezelschap van hen en
hun levensloop te spreken. Iedere huisvrouw, die in haar keuken
een voldoend sanitair toezicht wil oefenen, zal, om haar doel te
bereiken, met deze dieren en hunne onwillekeurige verhuizingen
kennis moeten maken. Hierdoor zal trouwens zonder eenigen twijfel
belangstelling worden gewekt in den bouw en de levensgeschiedenis
van de samengestelde wezens of koloniën van dieren, die men gewoon is
Lintwormen te noemen, alsof elk dezer lange linten slechts één dier
is. Bovendien is zoo'n wezen, wanneer het, gewikkeld om een plaat
glasporcelein, in een schoone flesch met zuiveren spiritus bewaard
wordt, volstrekt geen afkeerwekkend voorwerp. Wanneer men liever
niet met een Menschenlintworm te maken heeft, kan men zeer goed een
wezen van soortgelijk maaksel beschouwen, dat een anderen gastheer
bewoonde. Er is keuze genoeg: Honden, Katten, Vorschen, Visschen en
nog vele andere dieren kunnen Cestoden leveren. Dat deze niet bij
alle menschen afkeer wekken, blijkt uit het gebruik, dat door de
gastronomen wordt gemaakt van de met Ingewandswormen gevulde darmen
der Snippen: gehakt en behoorlijk gekruid, op stukken brood gebakken,
leveren zij een smakelijk gerecht.
Wij zullen beginnen met de beschouwing van de Lintwormen met 4
zuignappen (Taeniidae), een familie, die ook eenige soorten bevat,
welke den mensch bewonen. Men is gewoon aan hen een "kop", een
korten draadvormigen "hals" en "leden" te onderscheiden; maar geeft
zich daarbij geen rekenschap van de ware beteekenis van het woord
"lid". Sommige soorten van Lintwormen dragen een krans van haken op
een kleine, snuitvormige verhevenheid van den "kop", waardoor het
dier in staat is zich beter vast te hechten aan den darm van zijn
gastheer tegen wil en dank. Men meene echter niet, dat de soorten
zonder hakenkrans minder hardnekkig vast blijven zitten. Het beste
bewijs van het tegendeel levert de Hakenlooze Menschenlintworm (Taenia
saginata), die over 't algemeen krachtiger middelen "ter afdrijving"
vereischt dan de met een hakenkrans uitgeruste (hiernaast afgebeelde)
Taenia solium. De 4 zuignappen om den kop dienen als hechtorganen. Een
mondopening en een spijskanaal zoekt men bij den Lintworm tevergeefs;
hij deelt met de Stekelsnuitwormen het voorrecht van zonder te eten
goed in zijn onderhoud te voorzien, daar het voedsel door de geheele
oppervlakte van 't lichaam langs osmotischen weg naar binnen dringt.
Op den "hals" volgen de "leden". Die, welke onmiddellijk na den
"hals" komen, zijn zeer onduidelijk begrensd; verderop wordt de
scheiding steeds duidelijker; aan 't einde van den "Lintworm", waar
de "leden", zooals men het noemt, "rijp" zijn, is hun samenhang zoo
gering, dat zij één voor één, of ook wel bij tweeën of drieën losjes
verbonden, door den gastheer worden uitgeworpen. Ieder die eenige
ervaring van Lintwormen heeft opgedaan, zal inzien, dat de "leden"
knoppen zijn, die zich van het voorste gedeelte, en wel van den op
den "kop" volgenden "hals", afscheiden. Daarom baat het "afdrijven"
van "leden" niet, zoolang de kop, die steeds nieuwe "leden" vormt,
in het lichaam achterblijft. Men zag er aanvankelijk bezwaar in den
Lintworm als een "stok" of "kolonie" te beschouwen, daar juist de
"leden" van de soorten, die den mensch het veelvuldigst onder de
oogen komen, zoo weinig den indruk maken van zelfstandige dieren,
van individuën. Zij bewegen zich bijna niet, of op geen andere wijze
dan losgerukte lichaamsdeelen, bezitten evenmin een mond en een
spijskanaal als het samengestelde wezen, waarvan zij deel uitgemaakt
hebben en wekken soms, gelijk bij den Kikkerlintworm, geheel den
indruk van met eieren gevulde zakken. Eenigszins anders is het gesteld
met sommige geslachten van in Visschen levende Lintwormen, welker
"leden", nadat zij losgeraakt en in de vrije natuur gekomen zijn,
zich dagen lang flink bewegen. Alle twijfel over den waren aard
dezer voorwerpen verdwijnt echter, wanneer men het lintwormstadium
in verband met den geheelen ontwikkelingsgang van het dier beschouwt
en dezen met de generatiewisseling van vele andere dieren en meer
bepaaldelijk met dien der Zuigwormen vergelijkt. Het blijkt dan,
dat de Lintworm uit twee zeer uiteenloopende soorten van individuën
bestaat, uit leden van twee opeenvolgende generatiën. Van de oudste,
van de voedstergeneratie, welker wijze van ontstaan zoo aanstonds
beschreven zal worden, bevat iedere Lintworm er slechts één, n.l. den
"kop" met zijn ongeleden "hals", die een tijdlang geïsoleerd blijft,
dat is te zeggen, zonder knoppen. Nadat de Lintworm-voedster zich
aan haar gastheer heeft vastgehecht, begint zij nakomelingen voort
te brengen, die zich als knoppen achtereenvolgens uit het achterste
deel van haar lichaam ontwikkelen; dit zijn de zoogenaamde "leden",
die, hoewel zij dikwijls slechts een geringe mate van individualiteit
vertoonen, duidelijk de kenmerken van geslachtsdieren dragen; zij
vormen dus de laatste generatie, die den geheelen ontwikkelingsgang
besluit. De willekeurige levensverschijnselen van de Lintwormen zijn
in alle ontwikkelingsphasen zoo gering en beperkt, dat er eigenlijk
tegen de zienswijze, dat niet de geheele Lintworm, maar ieder zijner
rijpe leden een individu is, geen ander bezwaar kan bestaan, dan
de moeite om van een vroegere meening afstand te doen. De actieve
levensverschijnselen van den Lintworm bepalen zich tot het verkorten
of verlengen van al zijne leden, tot een golvende beweging van den
geheelen keten. De "kop", de voortbrenger van het geheel, een individu
van lagere orde, vormt in zekeren zin een orgaan ten dienste van den
stok, die derhalve uit individuën van tweeërlei vorm en verrichtingen
is samengesteld en wegens deze deeling van den arbeid wel degelijk
ook als een eenheid moet worden aangemerkt.
Met het ongewapende oog kan men gewoonlijk reeds in de eerste platte
lintwormleden den eierenzak waarnemen; deze bestaat uit een in 't
midden gelegen, overlangschen stam en uit onregelmatige takken,
die hiervan naar weerszijden uitgaan. Dit orgaan is in de rijpe
leden volgepropt met eieren, door welker dikke, dikwijls dubbele
schaal men een bolvormig wezentje kan onderscheiden, dat met 3 paar
haakjes gewapend is. Met de uitwerpselen van den gastheer komt de
eierenvoortbrengende generatie in de vrije natuur, in privaten,
op mesthoopen, op velden en weiden. Hier komen de tallooze eieren
ter wereld. Deze zijn door de stevigheid van de schaal in staat om,
zonder nadeel voor hun inhoud, niet slechts allerlei wisselingen van
weersgesteldheid, van vochtigheid en droogte, maar ook het verblijf
te midden van gistende en rottende stoffen te verduren. Zij zijn er op
ingericht om door één uit duizend mogelijke, toevallige omstandigheden
in een dier te geraken, waar het embryo vrij wordt en met behulp
van zijne 6 haakjes zich op weg begeeft ten einde een bepaald
lichaamsdeel van den gastheer te bereiken. Tot den ontwikkelingskring,
dien de zeshakige larven in haar gastheer doorloopen, behooren ook de
toestanden en vormen, die men bijna een eeuw lang onder den naam van
"Blaaswormen" als zelfstandige geslachten van dieren in het stelsel
een plaats heeft gegeven en die ook aan leeken op dit gebied onder
den naam van "finnen" en "waterblazen" bekend zijn.
In de vrije natuur komen de jongen niet uit de eieren te
voorschijn. Dit geschiedt alleen, wanneer zij in de maag van een
bepaald dier geraken, b.v. de eieren van den Kattenlintworm in de
maag van een Muis, die van een der Hondenlintwormen in de maag van een
Konijn of van een Haas. Onder den invloed van het zure maagsap openen
zij zich hier binnen weinige uren en laten het met 6 haken gewapende
embryo ontwijken. Kort daarna verlaten de larven haar geboorteplaats,
dringen door den wand der maag heen en komen langzamerhand aan in de
verschillende organen, waar zij van gedaante wisselen. Meestal is
het doel van de reis de lever. Enkele banen zich een weg tot in de
beenderen; de larve van de Hersenblaasworm van het Schaap begeeft zich
zelfs naar de hersenen. Ter bestemder plaatse aangekomen, omgeeft het
nietig kleine diertje, na het afwerpen van de nu nutteloos geworden
haken, zich met een hulsel en is dan ongeveer 0.1 mM. lang. Het tweede
levenstijdperk, waarin het zich tot een "Blaasworm" ontwikkelt, is nu
aangevangen. Het rondachtige lichaam (fig. a) vult zich met een steeds
toenemende hoeveelheid vocht, waardoor het meer en meer opzwelt en
een blaas vormt, aan welks wand men een net van waterheldere vaten
waarneemt, die van de hier plaats hebbende, krachtige stofwisseling
getuigen.
Weldra kan men aan dezen wand een binnenwaarts gericht knobbeltje
opmerken, het eerste beginsel van een lintwormkop. Deze knobbel
bevat een naar buiten geopende holte en kan dus vergeleken worden
met een naar binnen omgestulpten handschoenvinger. In de holte
zijn de zuignappen en de krans van haken gelegen, zoodat bij het
buitenwaarts omstulpen van den knobbel deze deelen naar buiten
treden, daar natuurlijk de binnenste oppervlakte van de holte de
buitenste is van het uitsteeksel. Na het omstulpen, dat zelden op de
verblijfplaats van de finnen geschiedt, ziet men aan den lintwormkop
een ongeleden, maar dikwijls gerimpelden hals en een hieraan hangende
blaas (fig. b). Bij sommige soorten vertoont de blaas niet één, maar
verscheidene instulpingen. Uit ieder van deze ontstaat hetzij een kop,
of een blaas, die koppen voortbrengt. Op deze verschijnselen komen
wij bij de behandeling der bedoelde soorten terug. Het dier blijft
in den toestand van Blaasworm verkeeren, zoolang het genoodzaakt is
te blijven op de plaats, waar de blaas ontstond. Indien echter het
"gortige" varkensvleesch aan het door de keurmeesters geoefende
toezicht ontsnapt en rauw, of na onvoldoende verhitting, door den
mensch gegeten wordt, als het met finnen behepte Konijn in de maag
van een Hond, de besmette Muis in de maag van een Kat aanlandt,
neemt de overgang van den Blaasworm in den eigenlijken Lintworm
een aanvang. Op de eerste verandering, het naar buiten treden van
den kop, volgt zeer spoedig de tweede, n.l. het verdwijnen van
de blaas aan 't staarteinde, die eenvoudig verteerd wordt. Het
dus voorbereide wezen glijdt uit de maag van den gastheer naar
een bepaald deel van zijn darm, waar het zich vasthecht en door
knopvorming de met geslachtsorganen begaafde leden van de laatste
generatie voortbrengt. In den ontwikkelingskring van den Lintworm
komen dus de volgende toestanden voor: de met 6 haakjes gewapende
larve, de Blaasworm, de Lintwormkop zonder "leden", de Eigenlijke
Lintworm en het afzonderlijke "lid" of geslachtsdier. Daar echter
de larve zich direct in een Blaasworm verandert, waaruit de "kop"
door knopvorming ontstaat en deze op soortgelijke wijze een keten
van "leden" oplevert, moet men eigenlijk 3 generaties onderscheiden,
waarvan alleen de laatste geslachtsorganen bezit, terwijl de beide
overige ontwikkelingstrappen knoppen vormen.
Wij kunnen nu overgaan tot de beschouwing van eenige belangrijke
soorten van het geslacht Taenia. Verscheidene zijn er bij, die zich
ontwikkelen uit de Blaaswormen met één knop, welke men nog dikwijls
met den naam Fin (Cysticercus) aanduidt. Het meest interesseeren ons
natuurlijk de beide Lintwormen, die het veelvuldigst in den mensch
aangetroffen worden. Het eerst en het best heeft men Taenia solium
(fign. a en b) leeren kennen. Zij bereikt een lengte van 2, soms
zelfs van meer dan 3 M. De kop komt met dien van een middelmatige
speld ongeveer in grootte overeen. Op een naar voren gericht
uitsteeksel bevindt zich een krans van tweeërlei haken, welke zich
door hun gedrongen vorm duidelijk onderscheiden van die van andere
Taenia's. De hals is ongeveer 15 mM. lang; het aantal onrijpe en rijpe
leden van één stok kan 700, 800 en nog meer bedragen. De vorm der
leden is op verschillenden afstand van den kop zeer ongelijk. Eerst
in het achterste deel van de reeks verkrijgen zij een werkelijk
langwerpige gedaante; bij hen wordt de vertakte eierenzak hoe langer
hoe duidelijker zichtbaar, naarmate de dikte van de schaal der hierin
aanwezige eieren toeneemt. Aan den eierenzak is deze soort duidelijk
te herkennen, daar het aantal zijtakken aan weerszijden slechts 7 à
10 bedraagt en deze zelf weder vertakt zijn.
Dat de mensch, door dezen Lintworm in zich op te kweeken, den
door het Zwijn aangevangen taak voltooit, is thans vrij algemeen
bekend. Ongeveer 2 1/2 maand nadat de eieren met het voedsel in het
Zwijn zijn aangekomen, is de ontwikkeling der finnen in de spieren
afgeloopen. Naar men zegt, zijn ook nog in Apen, Honden en eenige
andere dieren Blaaswormen van Taenia solium gevonden. Met zekerheid is
het gebleken, dat ook bij den mensch, die bij toeval Lintwormeieren
heeft ingeslikt, in de spieren zich finnen ontwikkelen; zij kunnen
ook in het hart voorkomen en worden tamelijk dikwijls in het oog en
in de hersenen aangetroffen.
Naar het schijnt, moeten er na de aankomst van de fin in de maag 3 à
3 1/2 maand verloopen, voordat de eerste rijpe leden van den hieruit
ontstaanden Lintworm uitgeworpen worden. Dat een Lintworm 10 à 12
jaar oud kan worden, is zeker; waarschijnlijk kan hij bij behoorlijke
verzorging een nog hoogeren leeftijd bereiken.
De Ongewapende Menschenlintworm (Taenia saginata), die 4 M. lang kan
worden, is dikker, forscher en meer tot beweging geneigd dan de vorige
soort, van welke hij zich zeer duidelijk onderscheidt door het gemis
van een hakenkrans aan den kop, die dus geen andere hechttoestellen
dan de 4 zeer krachtig werkende zuignappen bezit. De rijpe leden
zijn gemakkelijk te herkennen aan den eierenzak, die aan weerszijden
20 à 35 dicht bijeen gelegen takken heeft. De fin (Cysticercus
Taeniae-saginatae) bewoont de spieren van het Rund. Door het gebruik
van rauw vleesch kan iemand dus een Lintworm krijgen, zoowel wanneer
het van een Rund, als wanneer het van een Zwijn afkomstig is. Daar de
voedingswijze van de Herkauwers medebrengt, dat zij veel minder dan
het Zwijn blootgesteld zijn aan het gevaar van geheele Lintworm-leden
met duizenden van eieren in te slikken, komen door en door finnige
Runderen en kalveren zelden voor; waarschijnlijk is vooral hierdoor
de blaaswormtoestand van de Ongewapende Menschenlintworm zoo lang
onbekend gebleven. Des te grooter zorgvuldigheid is er noodig om
dezen parasiet te vermijden.
De 4 andere Taenia's, die als Lintwormen in het lichaam van den
mensch waargenomen zijn, zijn minder goed bekend dan de beide reeds
genoemde. De gelegenheid om ze te onderzoeken doet zich zelden voor,
daar zij in Europa niet gevonden worden; bovendien bestaat er reden
om de aanwezigheid van eenige dezer soorten bij den mensch als een
afdwaling te beschouwen.
Van de Lintwormen, die, als de vorige, uit blaaswormen met slechts één
knop (Cysticercus) ontstaan, zijn eenige, die later den Hond en de
Kat bewonen, ook voor ons van belang. Hoewel de Uitgerande Lintworm
(Taenia marginata), die in het darmkanaal van den Hond geslachtsrijp
wordt, in dezen toestand den mensch niet kwelt, geschiedt dit nu
en dan door den blaasworm dezer soort (Cysticercus tenuicollis),
die gewoonlijk in het net en de lever van Herkauwers en Zwijnen
leeft. Het veelvuldigst vindt men echter bij den Hond den Gezaagden
Lintworm (Taenia serrata), die een dubbele reeks van haken, groote en
kleine, aan den kop draagt en als blaasworm (Cysticercus pisiformis)
Hazen en Konijnen bewoont. De meest gewone Cestode van de Kat is de
Dikhalzige Lintworm (Taenia crassicollis), die zich als blaasworm
(Cysticercus fasciolaris) in de lever van Muizen ophoudt.
Zeer merkwaardig wegens haar blaaswormtoestand en berucht wegens
de schade, door haar in dit levenstijdperk aangericht, is Taenia
coenurus, die uitsluitend in den Hond geslachtsrijp wordt. Haar
blaasworm (Coenurus cerebralis) houdt zich in de hersenen van het
Schaap op en veroorzaakt de "draaiziekte" van dit dier. Bij Schapen,
die de eieren van den genoemden Lintworm inslikken, vertoonen zich na
17 dagen de eerste verschijnselen der ziekte. De kleine, met 6 haakjes
gewapende larven hebben zich dan reeds in de hersenen ontwikkeld tot
blaasjes ter grootte van erwten. Aan deze blaas ontstaat echter niet,
gelijk aan de Fin, één enkele lintwormkop, maar dadelijk een groep
van 3 of 4 koppen; weldra echter komen er al meer en meer, daar zich
nieuwe groepen van koppen vertoonen aan andere gedeelten van de blaas;
terwijl deze zich uitzet, ontspruiten nieuwe koppen tusschen de reeds
aanwezige, zoodat hun aantal ten slotte verscheidene honderden kan
bedragen. Dit gezwel brengt een doodelijke hersenontsteking teweeg;
het lijden van het aangetaste dier duurt dikwijls verscheidene maanden
en openbaart zich o.a. door allerlei lang aanhoudende, vreemdsoortige
bewegingen: ronddraaien, loopen in een cirkel, enz. Om een verdere
uitbreiding en het telkens weer opnieuw optreden van de draaiziekte
eenigszins te keer te gaan is het noodig den kop van de gestorven
of gedoode slachtoffers zorgvuldig te begraven, zoodat de Honden er
niet bij kunnen komen. Vroeger wist men niet, dat juist de Honden de
ziekte weder op de weide en in den stal kunnen brengen. Thans echter
kan men voorzorgsmaatregelen nemen, zoodat er nagenoeg geen andere
overbrengers van besmetting overblijven dan vreemde Honden. Wanneer
een Hond de hersenen van een draaiziek Schaap verslindt, zullen de
hierin aanwezige blazen in de maag zeer spoedig verteren; alle kopjes
(soms wel 500) worden vrij en ieder hunner ontwikkelt zich tot een
kolonie, die gewoonlijk 35 à 40 cM. lang wordt en dan uit 200 à 220
leden bestaat, doch geruimen tijd blijft leven en voortdurend nieuwe
leden vormt. Deze bevatten in rijpen toestand ieder ongeveer 10000
eieren, die, op de weide komend, door de Schapen met het voedsel
worden opgenomen. Volstrekt noodig is het dus de Honden, die met
Coenurus-lintwormen behept kunnen zijn, van de weide te weren en die,
welke het vee helpen hoeden, door afdrijvende middelen van hunne
parasieten te bevrijden.
Een gelukkig niet dikwijls voorkomende parasiet van den mensch
en van eenige andere Zoogdieren (Herkauwers, Zwijnen, Apen) is
Echinococcus hominis veterinorum, die alle overige blaaswormen in
grootte overtreffen kan. Hij is een ontwikkelingstoestand van den
Kleinsten Hondenlintworm (Taenia echinococcus), die niet veel langer
wordt dan 4 mM. bij een breedte van 1/3 mM. Een hoogst eigenaardig
verschil tusschen hem en zijne verwanten is, dat reeds het derde lid
in geslachtsrijpen toestand verkeert en gelijke lengte heeft als de
beide eerste leden met den hals en den kop der kolonie. De met vocht
gevulde blaas, die zich uit de met 6 haken uitgeruste larve ontwikkelt,
is, evenals de Coenurus-blaas, de voortbrengster van zeer vele
lintwormkoppen. Deze ontstaan op eenigszins andere wijze dan bij de
vroeger beschouwde soorten. Naar binnen verdikt zich de wand en vormt
op vele plaatsen holle verhevenheden of secundaire blazen, zoogenaamde
"broedkapsels" (soms eenige duizenden), aan welker oppervlakte de
eerste beginsels van koppen zich als holle wratten ontwikkelen. Deze
worden later naar binnen omgestulpt in de broedkapsel, zijn aan
haar wand aanvankelijk door dunne steeltjes bevestigd, maar geraken
weldra los. De secundaire blaas heeft dan een middellijn van 1 à 1.5
mM. en bevat 12 à 15, zelden meer dan 20 lintwormkoppen. De grootte
van de primaire blaas is echter zeer verschillend; soms heeft zij
nog geen broedkapsels gevormd, hoewel haar omvang gelijk is aan die
van een kipei; soms vangt het bedoelde proces veel eerder aan.--Niet
zelden is de Echinoccus-blaas nog verder samengesteld, doordat in de
"dochterblazen", die, aan haar binnenste oppervlakte ontstaan of in
de hierbinnen gevormde secundaire dochterblazen zich de broedkapsels
ontwikkelen.--Soms blijft de vorming van broedkapsels ondanks deze
vertakking achterwege. De blaasworm maakt dan volstrekt niet den indruk
van een parasitisch dier, maar ziet er uit als een gewoon watergezwel
(hydatide).
Geen der parasieten van den mensch is zoo weinig beperkt in de
keuze van een vestigingsplaats als de Echinococcus-blaasworm. Er
is bijna geen orgaan aan te wijzen, waarin men hem nog nooit heeft
aangetroffen. Zelfs onze beenderen dienen hem soms tot woonplaats. Niet
alle organen worden echter evenzeer door hem begunstigd. Het
bindweefsel tusschen de spieren, waaraan de Fin de voorkeur geeft,
is slechts zelden de zetel van een Echinococcus. Ook in de hersenen
en vooral in het oog wordt gene veel vaker gevonden dan deze, die
daarentegen de ingewanden, welke de Fin meestal versmaadt, en wel in de
eerste plaats de lever, opzoekt. Hier bereikt deze "Grootste Blaasworm"
niet zelden den omvang van een kinderhoofd.--Waarschijnlijk is de Hond
de eenige drager van Echinococcus-lintwormen; waarschijnlijk heeft
dit huisdier aanleiding gegeven tot hun verbreiding over de geheele
wereld. Men vindt ze niet minder veelvuldig op IJsland (waar gemiddeld
1/6 à 1/5 van de geheele sterfte aan deze parasieten te wijten is)
dan in sommige gewesten van Australië. Ook bij ons zijn zij volstrekt
niet zeldzaam. Men kan daarom niet genoeg tegen een al te intiemen
omgang met Honden waarschuwen. Licht kan het gebeuren, dat een Hond,
die achtereenvolgens den aars van een zijner soortgenooten en de
handen of zelfs de lippen van een mensch aanraakt, op deze wijze een
lintworm-ei overbrengt.
De lijst van Lintwormen, welker bestaan met dat onzer huisdieren en
van onszelf ten nauwsten verbonden is, moet nog aangevuld worden
met den Kettingworm, Groefkopworm of Breeden Menschenlintworm
(Bothriocephalus latus)--, die tot de familie der Lintwormen met
twee Zuignappen (Dibothrida) behoort. Het onderscheid is vooral
gelegen in den afgeplatten kop, die aan weerszijden met één als
hechtorgaan dienende groeve uitgerust is. De meeste soorten leven in
geslachtsrijpen toestand in koudbloedige dieren, vooral in Visschen,
enkele in Vogels en Zoogdieren. Geen der overige Menschenlintwormen
bereikt, als de Kettingworm, een lengte van 5 à 8 M.; hij bestaat
dan uit 3000 à 4000 korte en breede leden. De kop is knotsvormig,
1 mM. lang en 0.5 mM. breed.
Betrouwbare berichten over het voorkomen van dezen parasiet buiten
Europa heeft men tot dusver slechts van weinige plaatsen, vooral van
Noord-Amerika en Japan. Ook in Europa worden slechts enkele landen en
gewesten door dezen Worm geteisterd. Hiervan verdienen in de eerste
plaats genoemd te worden de kustlanden van de Oostzee, voorts de
westelijke kantons van Zwitserland met de aangrenzende districten
van Frankrijk. Naar men zegt, is in de Zweedsche provincie Norrbotten
nagenoeg iedere kustbewoner, zoo rijk als arm, zoo jong als oud, met
dezen parasiet behept. Waarschijnlijk zijn slechts weinige visschers
van de Koerische Nehrung er vrij van. In Nederland en België komt
hij eveneens voor. In Duitschland werd hij in de kuststreken van
Oost-Pruisen en Pommeren, doch ook in Hamburg, Berlijn en Rijn-Hessen
gevonden.
Deze opmerkelijke verbreiding leidt al dadelijk tot hot vermoeden, dat
de mensch door tusschenkomst van Visschen met dezen parasiet besmet
wordt. De juistheid van deze zienswijze is duidelijk gebleken. Braun
vond de finnen van den Breeden Menschenlintworm bij de Kwabaal (Lota
vulgaris) en nog veelvuldiger bij den Snoek. In Honden en Katten,
die hij met deze finnen voederde, kon hij later de aanwezigheid van
Lintwormen aantoonen. Ook proeven met menschen leverden positieve
resultaten op.