DE PLATWORMEN (Plathelminthes).
De Platwormen, die in zóó belangrijke opzichten van alle vroeger
genoemde Wormen verschillen, dat zij naar het oordeel van sommige
dierkundigen een afzonderlijke hoofdafdeeling moeten vormen,
danken hieraan hun plaatsing in 't laatste gelid. Een enkele
vertegenwoordiger van deze klasse is aan iedereen, althans bij name,
bekend, n.l. de een of andere soort van Lintworm. Een in spiritus
geconserveerd exemplaar van dezen parasiet kan de behoefte bevredigen
aan minstens één voorwerp, waarop bij een algemeene bespreking de
gedachten gevestigd blijven. Bij 't beschouwen van een Lintworm treden
echter eigenaardigheden, die voor het recht begrip van de klasse in
't algemeen niet van 't allerhoogste belang zijn, op den voorgrond en
doen hierdoor andere van meer gewicht minder duidelijk uitkomen. In
het niet onwaarschijnlijke geval, dat de lezer geen anderen Platworm
kent, meenen wij hem te moeten aanraden, voor de eerste kennismaking
met deze vormenrijke klasse een harer vrij levende vertegenwoordigers
te kiezen, b.v. den 12 à 25 mM. langen, (half-schematisch) afgebeelden
Melkwitten Platworm (Dendrocoelum lacteum), die op vele plaatsen van
ons land in stilstaand water veelvuldig voorkomt. Den meesten uwer zal
trouwens het nagaan van dit bevallige diertje meer aanlokken dan het
beschouwen van een dooden parasiet. Ofschoon de Dendrocoelum misschien
sommigen eenigszins aan een Naakten Slak herinnert, zal men in hem,
zelfs zonder nader onderzoek, allicht een Worm herkennen. Pogingen
om hem met de vingers of, zoo het een klein exemplaar is, met een
tangetje te vatten, zullen dikwijls tot de ervaring leiden, dat het
diertje betrekkelijk teer is en licht beschadigd wordt. Bij zulk een
onwillekeurige verscheuring en bij het opzettelijk ontleden van de
buit gemaakte exemplaren zal men opmerken, dat hunne organen niet,
gelijk die der meeste Ring- en Rondwormen, min of meer vrij liggen in
een door den huidspierzak omhulde lichaamsholte, maar dicht omgeven
zijn door een vlokkig en vezelachtig weefsel, dat parenchym wordt
genoemd. Soortgelijke ervaringen, als men bij de hier tot voorbeeld
gekozene, vrij levende Platwormen opdoet, leveren de talrijke,
parasiteerende leden van dezelfde klasse, b.v. de Lintwormen en de
Leverbotten. Op den regel, dat de meeste Platwormen een platte gedaante
hebben, komen niet minder uitzonderingen voor dan op dien, dat de
meeste Rondwormen op de dwarsdoorsnede cirkelrond zijn. De toevoeging
"in den regel" kan men evenmin ontberen bij een omschrijving van de
overige eigenaardigheden. De lichaamsholte ontbreekt in den regel,
zooals reeds gezegd is, maar wordt bij de Nemertinen duidelijk
waargenomen. Van een spijskanaal is soms geen spoor voorhanden
(Cestoden); waar het aanwezig is, ontbreekt meestal de aarsopening
(Zuigwormen, Trilwormen); bij de Snoerwormen komt zoowel een mond-
als een aarsopening voor. Alleen bij deze treft men afzonderlijke
organen voor bloedsomloop en ademhaling aan. Nagenoeg alleen bij hen
zijn de geslachten gescheiden. Als hoofddeelen van het zenuwstelsel
zijn in den regel één paar zenuwknoopen aanwezig in 't voorste deel
van 't lichaam (boven den slokdarm bij de vormen, die een spijskanaal
bezitten); alleen bij de Nemertinen is dit gangliënpaar verbonden met
een tweede onder den slokdarm. Van de centrale deelen gaan, behalve
zenuwtakken naar voren en naar de zijden, twee achterwaarts gerichte
zenuwstammen uit. Oogvlekken met of zonder lichtbrekende organen zijn
bij vele groepen aanwezig; een gehoorblaasje komt slechts bij enkele
soorten voor.
Wij verdeelen de Platwormen in 4 orden: 1) de Lintwormen (Cestodes),
2) de Zuigwormen (Trematodes), 3) de Trilwormen (Turbellaria) en 4)
de Snoerwormen (Nemertini).