ZEVENDE KLASSE.

DE ARMPOOTIGEN (Brachiopoda).

Toen Duméril aan de dieren, die nu besproken zullen worden, den naam

gaf, dien men hen tot dusver heeft laten behouden, ging hij uit van de

onjuiste onderstelling, dat twee spiraalswijs opgerolde organen, die

naast de mondopening ontspringen, "vangarmen" zouden zijn, bestemd om

voedsel te grijpen en naar den mond te voeren. Later is het gebleken,

dat zij volkomen ongeschikt zijn voor deze verrichting en als kieuwen

dienst doen. Door het bezit van een tweekleppige schelp gelijken de

Brachiopoden naar het uitwendige veel op Mossels; zij werden daarom

vroeger tot de Weekdieren gerekend. Op een nauwgezet onderzoek van

het inwendig maaksel en de ontwikkelingsgeschiedenis dezer dieren

is de thans heerschende meening gegrond, dat zij nader aan de Wormen

verwant zijn en als zeer sterk gewijzigde leden van deze hoofdafdeeling

beschouwd moeten worden.

Van de levensverrichtingen der Armpootigen valt weinig mede

te deelen. Wat hun handel en wandel betreft, behooren zij tot

de saaiste en geheimzinnigste leden der dierenwereld. Van een

ander standpunt bezien, verdienen zij echter wel degelijk onze

belangstelling. In de hoogste mate passief, zijn zij, zonder

belangrijke veranderingen te ondergaan, getuigen geweest van alle

wijzigingen van levensomstandigheden, die sedert de alleroudste ons

bekende perioden van het bestaan van dierlijk leven hebben plaats

gehad. De bloeitijd van deze klasse is sinds lang voorbij. Dat zij

in vroegere perioden niet slechts door verscheidenheid van soorten,

maar ook, en in nog hoogere mate, door talrijkheid van individuën

heeft uitgemunt, getuigen de ontzaglijk dikke steenlagen, die uit

overblijfselen van Brachiopoden bestaan. Deze fossielen zijn voor de

studie van de samenstelling der aardkorst onontbeerlijke hulpmiddelen,

die een nauwkeurige bepaling van de opeenvolging der gesteenten in

de oudere formaties mogelijk maken.

Wij zullen beginnen met de beschouwing van de familie der Terebratels

(Terebratulidae), die de meeste thans nog levende soorten van

Brachiopoden bevat. Bij alle valt dadelijk de ongelijkheid van

de helften of kleppen der schelp in 't oog. De eene, de buikklep,

is grooter dan de andere en vertoont een binnenwaarts gebogen top

of snavel, die van een opening is voorzien. Door dit gat treedt

een taaie steel naar buiten, waarmede het dier aan den zeebodem is

vastgehecht. Wanneer men aan een ledige schelp de beide kleppen van

elkander tracht te verwijderen, blijkt het, dat zij in de nabijheid

van den snavel verbonden zijn door een paar tanden van de grootste

of buikklep, die in kuiltjes van de kleinere rugklep passen. Hoewel

haar de veerkrachtige slotband ontbreekt, die de kleppen van een

mosselschelp verbindt, kunnen zij niet uitvallen. Van het "slotveld"

van de rugklep gaat het sierlijke, hier lisvormig gebogene, verkalkte

steuntoestel der armen uit, dat naar den tegenoverliggenden,

vrijen bovenrand gericht is. De grootte en de vorm van dit toestel

zijn verschillend en leveren belangrijke kenmerken op voor de

onderscheiding der familiën en geslachten. Het dient als drager en

tot steun van twee spiraalswijs opgerolde, met lange franje (cirren)

bezette lipaanhangsels (de zoogenaamde "armen"). Deze vullen het

grootste deel van de holte der schelp; onder den mond, vanwaar zij

uitgaan (zie de achterstaande afbeelding bij o), zijn zij verbonden

door een vliezige brug, die eveneens cirren draagt. De gekromde steel

of schaft der armen is slechts voor geringe bewegingen geschikt,

ook de franjes zijn tamelijk stijf; al deze deelen bevatten echter

kanalen en zijn hierdoor in hooge mate geschikt voor de rol van

ademhalingswerktuigen. Zij zijn bezet met trilharen, die in 't water

een strooming veroorzaken, waardoor de fijn verdeelde voedseldeeltjes

naar de mondopening worden gevoerd. Het spijskanaal is kort en eindigt

blind bij x.

De tot dusver besprokene deelen, die bij het openen van de

schelp onmiddellijk in 't oog vallen, zijn omhuld door twee dunne

mantellobben, nauw aansluitend tegen de binnenste oppervlakte van de

schelpkleppen, die er als 't ware de verharde buitenlaag van zijn. De

mannetjes en de wijfjes zijn in sommige gevallen kenbaar aan een

verschil in vorm van de schelp.

De verwantschap van de Brachiopoden met de Wormen blijkt vooral uit

hun ontwikkelingsgeschiedenis en gedaantewisseling. De eieren geraken

na het verlaten van den eierstok in een door de onderste mantellob

gevormden zak; waar zij zich tot kiemen ontwikkelen. In deze ruimte

bevinden zich nu ook de beide naastbij gelegen armcirren, die, dikker

wordend, aan haar einde een knobbel vormen, waaraan de eieren zich

hechten en waarmede de kiemen, ieder door tusschenkomst van een korten

band, vergroeien. Het embryo heeft aanvankelijk eenigszins den vorm

van een kadetje, maar krijgt allengs het voorkomen van een korten,

plompen Ringworm. Het duidelijkst is deze overeenkomst op den hieronder

(fig. a) afgebeelden trap van ontwikkeling. Van boven, onder a, ziet

men den steel, die den nek van het embryo verbindt met de armfranje,

welke in den broedzak ligt. Op de voorste en kleinste afdeeling van

het lichaam komen 4 oogstippels voor, daartusschen een kuiltje,

de toekomstige mond. De twee dikste, middelste afdeelingen zijn,

evenals de daarop volgende kleinere, met trilharen bekleed.

Met de achterste afdeeling hecht het jonge dier zich vast, wanneer

het zich gereed maakt voor de laatste gedaantewisseling; de kop en

het daarop volgende, kraagvormige segment worden opgenomen in een

omwalling, die van het derde segment uitgaat (fig. b). Deze kom groeit

al meer en meer naar boven uit en vormt de beide mantellobben, die

men zoo dikwijls ten onrechte vergeleken heeft met de mantelhelften

der Plaatkieuwige Weekdieren, hoewel deze huidplooien van de rugzijde

uitgaan. De nevenstaande afbeelding b toont, hoe de jonge Thecidium,

als 't ware tot zichzelf inkeerend, afscheid neemt van het vrije leven,

dat hij tot dusver leidde om voortaan in een geheel andere gedaante

zich aan eenzelvige bespiegelingen te wijden.

Van de levenswijze van Terebratula caput-serpentis, een tot de

Terebratels behoorende soort, die in de zee om Noorwegen veelvuldig

voorkomt, zegt Barett: "Deze vertoont zich veelvuldiger dan eenige

andere en steekt bovendien hare cirren verder uit; in kleinen

getale werd zij op een diepte van 30 à 150 vademen overal gevonden,

dikwijls vastgehecht aan polypenstokken van een soort van Koraaldieren

(Oculina). De cirren aan het naar boven gerichte deel van de armen

zijn korter dan die op het benedenwaarts gerichte deel; zij waren

bijna voortdurend in beweging; dikwijls zag men, dat zij kleine

voorwerpjes naar het aan haar basis aanwezige kanaal geleidden. Wanneer

men het dier in een bak met zeewater plaatste, opende het langzaam

de schelp. Individuën, die aan andere voorwerpen vastgehecht waren

gebleven, toonden een merkwaardige neiging en geschiktheid om zich

op hun steelspier te bewegen. Losgemaakte exemplaren kon men heen en

weer schuiven, zonder dat het dier hierin aanleiding vond om zijn

schelp te sluiten. Het aanraken van eenige der uitgestoken cirren,

was het sein tot het onmiddellijk terugtrekken van al deze organen

en tot het sluiten van de schelp, die echter spoedig weder geopend

werd. Als de armen teruggetrokken zijn, hebben ook de cirren een

binnenwaarts gebogen stand; wanneer de schelp zich opent, ziet men de

cirren een bovenwaartsche richting aannemen en recht worden. Dikwijls

werd echter waargenomen, dat het dier vóór het openen van de schelp

een klein aantal cirren naar buiten steekt en heen en weer beweegt,

als om te onderzoeken, of er ook gevaar dreigt. Ik trachtte het

bestaan van stroomingen te bepalen door met een penseel een kleine

hoeveelheid indigo toe te voegen aan het water, dat het dier omgaf;

drie-maal zag ik, dat de kleurstof met geweld naar binnen getrokken

werd en door het kanaal aan de basis der cirren in de richting naar

den mond zich voortbewoog."

Reeds in den tijd toen de Devonische aardlagen uit de zee bezonken,

leefden vertegenwoordigers van de familie der Terebratuliden; tot in de

jongste perioden van de aardgeschiedenis zijn uit dezen stam takken

ontsproten; die van den tegenwoordigen tijd vormen 10 geslachten

met ruim 60 soorten, welker gezamenlijk verbreidingsgebied alle

zeeën omvat. De meeste zijn bewoners van groote, hoewel niet van de

allergrootste diepten; hun schelp is sterk verkalkt, tamelijk dik en

ondoorzichtig, evenals die van alle in diepe zeeën levende Armpootigen.

Het geslacht Thecidium kenmerkt zich door een zeer eigenaardige

ontwikkeling van het verkalkte steuntoestel der armen; het is zonder

steel vastgehecht en vertegenwoordigt daarom een afzonderlijke familie

(Thecidiidae). Het omvat slechts 2 hedendaagsche soorten, waarvan één,

Thecidium mediterraneum, in de Middellandsche Zee, op een diepte van

40 à 50 vademen, aan onderzeesche voorwerpen vastgehecht, gevonden

wordt. Het waarnemen van dit dier is zeer gemakkelijk, daar het in een

aquarium maanden lang blijft leven. De kleine rugklep, die zich bij

het openen van de schelp verheft, tot zij een rechten hoek vormt met

de buikklep, valt bij de geringste beweging die men maakt, bliksemsnel

weer om. Het blijkt duidelijk, dat de Thecidiën gevoelig zijn voor

het licht, daar de exemplaren, die door schaduw getroffen worden,

oogenblikkelijk hun schelp sluiten. Als de schelp open is, kan men,

wegens het sterk uiteenwijken der kleppen, alle lichaamsdeelen goed

onderscheiden, vooral de franjes en de armen. De binnenste oppervlakte

van de schelp is zoo schitterend wit en de haar bedekkende mantel zoo

doorzichtig, dat men het verkalkte, lusvormige steuntoestel der armen

en de verhevenheden op de kleppen volkomen duidelijk kan onderscheiden,

zonder den mantel op te merken. Van buiten is de schelp zelden wit

en glad, gewoonlijk daarentegen bedekt met daarop gevestigde planten

en dieren.

De familie der Rhynchonelliden, die in de hedendaagsche zeeën

door 7 soorten vertegenwoordigd wordt, is veel ouder dan de vorige

en bestond zelfs eerder dan die der Terebratuliden. Reeds in het

Silurische tijdperk was het aantal leden van het geslacht Rhynchonella

zeer aanzienlijk; in de Jura- en krijtperioden bereikte het zijn

grootste hoogte; thans leven nog 6 van de 500 bekende soorten. Een

daarvan--Rhynchonella psittacea--komt in de noordelijke zeeën voor,

ofschoon niet zeer veelvuldig; men vindt haar bij Tromsö op een diepte

van 70 à 150 vademen.

De tot dusver genoemde vormen maken deel uit van de orde der

Slotschaligen (Testicardines); zij hebben een verkalkte schelp met

goed ontwikkeld slot en leven (of leefden) voor 't meerendeel op den

bodem van diepe zeeën.

De meeste thans nog levende Slotlooze Brachiopoden (Ecardines)

behooren tot de familiën der Linguliden en Disciniden. Deze hebben

een hoornachtige schelp, waaraan geen uitsteeksels tot het steunen

der armen voorkomen. Wegens het ontbreken van het slot worden de

kleppen alleen door spieren bijeengehouden en laten de zijwaartsche

verschuiving toe, die bij het openen der schelp wordt waargenomen. Deze

dieren bewonen hoofdzakelijk de oeverzone van de zee en zijn tot

de warme luchtstreek beperkt; het aantal bijeenlevende individuën

is dikwijls zeer groot. Zij zijn weinig veranderde afstammelingen

van de alleroudste Brachiopoden, daar reeds in lagen van de eerste

of Cambrische afdeeling der Silurische formatie vele soorten van

de geslachten Lingula en Discina voorkomen; hun aantal heeft in

de volgende tijdperken weinig verandering ondergaan. Het geslacht

Lingula omvat, behalve 100 fossiele, 11 nog levende soorten. Alle

hebben een dunne, hoornachtige, bijna buigzame schelp, vastgehecht

door een steel, die aan het eenigszins spitse einde, waar ook de

top zich bevindt, tusschen de nagenoeg gelijke kleppen naar buiten

komt. Geen der levende soorten wordt bij Europa gevonden. Lingula

pyramidata woont bij de Amerikaansche kust. Haar groenachtige schelp

is 2.5 cM. lang en bijna 1 cM. breed. De steel (9 maal zoo lang als

het lichaam en niet vastgegroeid aan de tot steun dienende voorwerpen)

kan zich als een Worm bewegen en is, evenals sommige Wormen, in staat

om aan zijn oppervlakte het zand tot een koker samen te voegen. Zoowel

in de vrije natuur als in het aquarium maken deze dieren in het zand

holten, die hun tot schuilplaats dienen. De over elkander gelegde,

lange borstels van den rand der beide mantellobben vormen een soort

van zeef, waardoor het zand van de kieuwen verwijderd wordt gehouden.

Cirkelrond en bijna gelijk van grootte en vorm zijn de meestal gladde,

dunne en glanzige schelpkleppen van Discina, waarvan 4 soorten thans

nog de tropische zeeën bewonen. De top is nagenoeg in 't midden

gelegen. De rugklep is bol. Aan de iets plattere buikklep komt achter

het midden een kleine, driehoekige verhevenheid voor, met een ronde

opening, die den ter vasthechting dienenden steel doorlaat.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 6: De Wormen · 第 17 / 25 题