ZESDE KLASSE.

DE MOSDIEREN (Bryozoa).

De Mosdieren (Bryozoa), waarvan Trembley in 1740 de eerste

zoetwaterwormen ontdekte, werden destijds als Polypen beschouwd,

zoowel omdat zij in volwassen toestand steeds tot "stokken" of

"koloniën" vereenigd zijn, als wegens de voelers, die de mondopening

omgeven en hier één krans of twee bundels vormen. Milne-Edwards heeft

na een nauwkeurig onderzoek van het inwendig samenstel der Bryozoën

aangetoond, dat zij veel meer overeenkomen met de Manteldieren, (die

destijds, evenals de Armpootigen tot de Weekdieren werden gerekend) dan

met de Polypen. Dit gaf aanleiding tot de plaatsing van de Mosdieren

in de hoofdafdeeling der Weekdieren, waaruit zij later met andere

klassen, die in belangrijke opzichten afwijkingen van het hoofdtype

vertoonen, verwijderd werden, om onder den naam "Weekdierachtigen" of

Molluscoïden met de Manteldieren en de Armpootigen een afzonderlijke

hoofdafdeeling te vormen. Toen (vooral door de onderzoekingen van

Kowalévsky) de aandacht was gevestigd op de overeenkomst tusschen de

ontwikkelingsgeschiedenis der allereenvoudigste Gewervelde Dieren en

die der Manteldieren, werden de laatstgenoemde tot een hoofdafdeeling

verheven. Tegenwoordig worden de Mosdieren en de Armpootigen, eveneens

op grond van hun ontwikkelingsgeschiedenis, gewoonlijk als Wormen

beschouwd. Het naast zijn de Bryozoën aan de Raderdieren verwant. Ter

kennismaking moge de hieronder afgebeelde dienen. Zij heeft betrekking

op Paludicella Ehrenbergii, een bewoonster van stilstaand en langzaam

stroomend zoetwater. Door Kraepelin werd zij (met 60 andere diervormen)

in de buizen van de Hamburger waterleiding gevonden. Tot voor korten

tijd was zij de eenige Europeesche soort van haar geslacht. Men kent

er tegenwoordig ook een uit brakwater. Op één enkele uitzondering

na (Loxosoma) vormen alle Mosdieren koloniën. Die van Paludicella

zijn aan steenen vastgehecht en er grootendeels over uitgespreid;

enkele fijne takjes zijn vrij naar boven gericht. In onze afbeelding

is slechts een enkel dier voorgesteld; zijne buren werden bij d en

bij e afgebroken. De overigens stijve lichaamswand is van voren

buigzaam genoeg om door de werking van verscheidene spieren (m)

naar binnen omgestulpt te worden. Aan dit voorste uiteinde bevindt

zich de tentakeldrager, een cirkelvormige schijf, die in 't midden de

mondopening en aan den rand een enkelvoudigen krans van met trilharen

begroeide voeldraden of tentakels (a) vertoont. Deze dienen voor de

ademhaling en voeren ook als "maalstroomorganen" het voedsel naar

binnen. De tentakels en hun drager bevatten een voortzetting van

de lichaamsholte, maar worden toch eenvoudig teruggetrokken, niet

omgestulpt. Het spijskanaal, dat met een gespierd slokdarmhoofd (b)

begint, hangt lusvormig in de met voedingsvocht gevulde lichaamsholte,

zoodat de maag (g) het laagst gelegen is; de darm, die zich hier naar

boven ombuigt, eindigt op korten afstand van den mond (bij x). Het

overigens geheel vrije spijskanaal is van onderen door een korte streng

(funiculus) losjes met den lichaamswand verbonden. Deze wand bestaat

uit 2 lagen: de buitenste, de taaie ectocyst, is van binnen bekleed

met de weeke endocyst, die haar gevormd heeft. De ectocyst heet cel,

voor zoover zij niet door het dier teruggetrokken kan worden; het

zijwaarts naar boven gerichte stuk, dat na het terugtrekken van den

tentakeldrager naar binnen gestulpt is, heet tentakelscheede. Nagenoeg

alle Bryozoën zijn tweeslachtig: de mannelijke geslachtsorganen (t)

en de eierstokken (o) bevinden zich aan den wand der lichaamsholte;

deze is inwendig met trilharen bekleed, die het voedingsvocht in

beweging houden.

Zonder microscoop ziet men weinig of niets van de zooeven geschetste

verschijnselen, die, wat hoofdzaken betreft, bij alle Bryozoën

voorkomen. Over 't algemeen trekken zelfs de zoetwaterbewoners

dezer klasse zeer weinig de aandacht van niet-deskundigen. De

sierlijke gestalte der individuën komt wegens hun geringe grootte

niet tot haar recht. Meestal zijn zij nog kleiner dan de door ons

als voorbeeld gekozen soort: gemiddeld bedraagt hun lengte 1 à 5

mM., zelden meer, dikwijls minder. Wel kunnen de door hen gevormde

"stokken" of kolonies een vrij aanzienlijke grootte bereiken, b.v. 30

of meer cM. lang worden, of de wortels en stengels van plompen tot op

armdikte omkorsten; op deze stokken wordt echter in den regel niet

gelet, daar zij week, onaanzienlijk van vorm en wankleurig zijn. De

stokken van de talrijke Zee-Bryozoën daarentegen--waarvan sommige,

o.a. de bladvormige Hoornwieren (Flustra), zoo veelvuldig op onze

stranden aangetroffen worden--hebben een bevalliger voorkomen;

hunne meestal harde, sterk gechitiniseerde of zelfs verkalkte

cellen zijn op zeer verschillende wijzen vereenigd en vormen

een zeer groote verscheidenheid van stokken, die niet zelden

bewonderenswaardig fraai zijn. Aan allerlei voorwerpen--steenen,

wieren, gevulde en ledige slakkenhuisjes, mosselschelpen, enz.--vindt

men ze vastgehecht. De vasthechting van het uit een ei ontwikkelde

individu is de eerste aanleiding tot het ontstaan van de kolonie;

haar uitbreiding geschiedt uitsluitend door knopvorming. De jonge

cellen komen soms uit den rugwand, soms uit de zijden, soms uit het

voorste einde van het moederdier te voorschijn en zijn, nog voordat

zij zich volledig ontwikkeld hebben, in staat om zelf knoppen voort

te brengen. Haar eerste beginsel--een onbeduidende, blaarvormige

verhevenheid op den wand der moedercel--wordt allengs grooter en harder

en neemt eindelijk de gedaante van de oude cel aan. Al naarmate de

knoppen vrij naast elkander of dicht opeengedrongen staan--op één

of meer reeksen gerangschikt, of op onregelmatige wijze naast en

boven elkander opeengehoopt zijn, hebben de stokken verschillende

vormen. Sommige gelijken op kruipende draden, netten, naar boven

groeiende struiken, boompjes en zoden; andere ontwikkelen zich tot

korsten, die aan bladmossen of korstmossen, gelobde en gekroesde

bladen, enz. herinneren; nog andere leveren massieve lichamen van

onregelmatigen vorm op. Bij bladvormige stokken ziet men soms slechts

aan de eene zijde, soms op beide vlakken tentakelkransen naar buiten

treden. Bij de korstvormende soorten groeien in den regel alle cellen

met de rugzijde aan het onderliggende voorwerp vast; bij die, welke

zich omhoog verheffen, ontwikkelen zich meestal rondom de moedercel een

aantal knoppen, die met haar een stevigen grondslag opleveren voor de

overige naar boven strevende individuën. Bij sommige Bryozoën heeft

reeds de eerste cel een loodrechten stand en sluiten alle volgende

zich in verticale richting bij haar aan; in dit geval is de stok met

hoornachtige worteltjes aan het onderliggende voorwerp bevestigd. De

lichaamsholte van de dochter blijft meestal met die van de moeder

op de plaats van aanhechting door het zoogenaamde "spruitkanaal"

verbonden. Bovendien komen bij vele kalkafscheidende Bryozoën fijne

poriën in den wand voor, waardoor de verschillende leden van den

stok met elkander in gemeenschap staan; misschien kan hierdoor de

overtollige voedselvoorraad van het eene individu aan een ander,

dat minder bevoorrecht is, ten goede komen.

Een zeer merkwaardige uitzondering op den regel, dat de Bryozoën

vastgehecht zijn en blijven, vertoont het geslacht Cristatella, waarvan

slechts één soort bekend is, n.l. de op pag. 657 (fig. 3) afgebeelde

Cristatella mucedo. Zij komt in ons land en in geheel Europa in heldere

meren en plassen vrij veelvuldig voor en vormt geelachtige, platte,

elliptische koloniën, welker lengte meestal 5 cM. niet overtreft,

soms evenwel aanmerkelijk grooter is en bij enkele niet minder dan

30 cM. bedraagt. Deze schijven zijn niet vastgehecht, maar kruipen

langzaam voort. Opmerkelijk is het, dat zij het licht zoeken,

terwijl de overige Bryozoën, voor zoo ver men weet, aan beschaduwde

plaatsen de voorkeur geven, zich liefst onder steenen en dergelijke

voorwerpen verbergen. Het bij alle Bryozoën voorkomende "koloniale"

zenuwstelsel dient ongetwijfeld tot het regelen van de "koloniale"

bewegingen. Bovendien heeft ieder Mosdiertje een zenuwstelsel voor

privaat gebruik.

Zooals reeds gezegd is, neemt in gunstige omstandigheden het aantal

individuën der kolonie door knopvorming toe; een soortgelijke

wijze van ongeslachtelijke vermenigvuldiging komt in ongunstige

omstandigheden voor, b.v. bij 't naderen van den winter en in tijden

van droogte. Vermoedelijk geschiedt dit echter uitsluitend bij de

Zoetwater-Bryozoën. Bij Paludicella b.v. ontstaan tegen het einde

van September binnen weinige dagen aan den stok, welks overige deelen

sterven, zoogenaamde winterknoppen, die, aan de doode overblijfselen

van de kolonie vastgehecht blijvend, zich in 't volgende voorjaar op

dezelfde plaats tot een nieuwen stok ontwikkelen. Ze zijn kleiner en

harder van wand dan de gewone, uit den stok ontspruitende knoppen,

doch komen met hen in maaksel overeen.

In soortgelijke omstandigheden scheiden zich van andere

Zoetwater-Bryozoën, ook van Cristatella, zeer vreemdsoortige knoppen

af, die statoblasten worden genoemd. Het zijn veelcellige lichamen van

schijfvormige gedaante en ronden of ovalen omtrek, die zich, zoodra

de zomer voorbij is, aan den funiculus vormen. Hun hoornachtige,

doorzichtige, bruin- of geelachtige schaal bestaat uit twee kleppen,

die als horlogeglazen op elkander passen. Bij Cristatella is de

rand van dit lensvormige voorwerp omsloten door een breeden, uit

luchtkamertjes samengestelden ring (den "zwemgordel") en bovendien

gewapend met straalsgewijs naar buiten gerichte, stijve hoorndraadjes,

die aan 't einde weerhaakjes dragen. Door den zwemgordel blijft de

statoblast drijven op den waterspiegel. Uit de statoblasten (fig. 2) en

andere winterknoppen ontspruiten in 't volgende voorjaar individuën,

die zich geslachtelijk voortplanten, en tevens door knopvorming

nieuwe koloniën vormen, welker leden ten slotte opnieuw de genoemde,

overwinterende knoppen voortbrengen. De geheele ontwikkelingsgang

verdient dus den naam van teeltwisseling.

Men kent tegenwoordig ver over de 2500 soorten van Bryozoën,

waarvan ruim 1800 fossielen uit alle tijdperken van de

ontwikkelingsgeschiedenis der aarde. Deze komen vooral in de Jura-,

krijt- en tertiaire lagen in groote menigte voor en worden ook

in die van de primaire periode gevonden. De ruim 700 thans nog

levende soorten zijn zonder eenige uitzondering echte waterdieren;

verreweg de meeste leven in zee. Vele hebben een zeer uitgestrekt

verbreidingsgebied. (Paludicella b.v. vindt men in 't oostelijk

zoowel als in 't westelijk halfrond, in Europa zoowel als in Indië,

uitsluitend in zoetwater). Niet slechts de warme, maar ook de koude

zeeën zijn zeer rijk aan geslachten en soorten.

Paludicella behoort tot een orde van Mosdieren, waarin ook alle

fossiele leden der klasse een plaats verdienen en bovendien

alle hedendaagsche Zee-Bryozoën. Deze--de Naaktkeeligen

(Gymnolaemata)--hebben een cirkelvormigen tentakeldrager met een

enkelvoudigen krans van tentakels; een deksel tot het afsluiten van

de mondopening komt bij hen niet voor.--Een tweede, veel kleinere

orde--de Dekselkeeligen (Phylactolaemata)--bevat geen andere

dan Zoetwater-Bryozoën, o.a. Christatella. Hun hoefijzervormige

tentakeldrager zou men (daar hij een dubbele reeks van 10 à 80

tentakels draagt en daartusschen, op de plaats waar de beide armen

van het hoefijzer samenkomen, de mondopening) kunnen afleiden van den

vorigen, door dezen tot een halven ring samen te knijpen. Boven de

mondopening is steeds een deksel geplaatst, dat aan een strotklepje

herinnert.--Met dit deksel moet men niet verwarren dat, waarmede

de Naaktkeelige Zee-Bryozoën van de onderorde der Lipmondigen

(Chilostomata), o.a. de Hoornwieren (Flustra), den mond van de cel

afsluiten en het hierin teruggetrokken lichaam op nog doelmatiger wijze

beschutten. Een andere belangrijke eigenaardigheid van de talrijke

(1500) soorten van Lipmondigen is de deeling van den arbeid, die aan

den stok in toepassing wordt gebracht. De leden der kolonie zijn

ongelijk van maaksel en hebben verschillende verrichtingen. Men

onderscheidt ze in Cellen of Zooeciën, Stolonen, Aviculariën,

Vibrakels en Ovicellen. De Zooeciën zijn van al deze individuën het

veelzijdigst ontwikkeld; zij bestaan ieder uit een cel, welks bewoner

organen voor het ademhalen en opnemen van voedsel (de ons reeds

bekende tentakeldrager met zijne aanhangselen) en een spijskanaal

bezit; waarschijnlijk is hij bovendien ook voor zintuigelijke

waarnemingen geschikt. De Stolonen of wortelvormige uitloopers

van den stok hebben tot taak het geheele gezelschap aan steenen,

enz. vast te hechten. Hoogst eigenaardige wezens zijn de Aviculariën;

zij gelijken op den kop van een Vogel, b.v. van een Papegaai, die zich

voortdurend, als een tang, door spierwerking opent en sluit. Zij worden

gedragen door een korten, beweegbaren hals, die dicht bij den ingang

van een Zooecium aangehecht is. Happend wenden zij zich naar alle

richtingen. Daar het in de nabijheid van de Bryozoënstokken wemelt

van allerlei diertjes, die hier een rustplaats opzoeken, kan het

niet uitblijven, dat af en toe zulk een wezen binnen het bereik van

den happenden snavel komt, die het grijpt en vasthoudt en zich niet

opent, voordat het vergaan is. Daar het lijk zich in de onmiddellijke

nabijheid van een tentakelkrans bevindt en dit orgaan een maalstroom

veroorzaakt, zullen de door verrotting losgerakende deeltjes en tevens

allerlei kleine, hierop azende organismen gevoerd worden naar den mond

van het individu, dat met de spijsvertering belast is. De Vibrakels

zijn lange, draadvormige lichamen, die op een korten steel rusten

en, als zweepen, aanhoudend heen en weer slaan. Met welk doel dit

geschiedt, is onbekend. De Ovicellen zijn klok-, helm- of blaasvormige

lichamen, die, aan het onderste uiteinde van een Zooecium gezeten,

ieder een ei bevatten. Of zij werkelijk op een lijn gesteld moeten

worden met de vroeger genoemde, ieder in een eigenaardige richting

ontwikkelde individuën, of slechts beginsels van Zooeciën zijn,

is nog niet uitgemaakt; de laatste zienswijze is de waarschijnlijkste.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 6: De Wormen · 第 16 / 25 题