DE SNAARWORMEN (Gordiacei).
De Snaarwormen (Gordiacei) worden wegens een eigenaardig,
bij de overige Rondwormen niet voorkomend verschijnsel in den
ontwikkelingsgang, als een afzonderlijke orde beschouwd. Het
aanvankelijk bij hen aanwezige, van mond tot aars reikende spijskanaal
gaat in de laatste levensperiode, terwijl de geslachtsorganen en
het zenuwstelsel in volkomenheid toenemen, gedeeltelijk te niet:
de voorste afdeeling met den mond verdwijnt bij de Koordwormen
(Gordiidae), de achterste afdeeling met den aars bij de Mermiswormen
(Mermitidae). Daar beide gedurende dit tijdperk van hun bestaan vrij
leven en dus niet door de huid stoffen uit de omgeving kunnen opnemen,
beteekent het genoemde verlies voor de Gordiïden het ophouden van
voedseltoevoer. De inheemsche Koordwormen, die niet zelden in het
langzaam stroomend water van beken, vaarten en slooten voorkomen,
worden gewoonlijk aangeduid met den naam Gordius aquaticus. Soms geven
zij door vorm en afmetingen in zekeren zin rekenschap van het oude
volksgeloof, dat hen door de werking van 't water op paardenhaar doet
ontstaan. Mannelijke exemplaren van 1 M. lengte en 1 mM. dikte komen
voor. De lengte is echter zeer verschillend: die van het mannetje
bedraagt gemiddeld 10 à 15 cM. bij een dikte van 0.2 à 0.5 mM., die
van het iets dikkere wijfje 10 cM. De mannetjes, die, in tegenstelling
met de overige Rondwormen, veel talrijker gevonden worden dan de
wijfjes, zijn kenbaar aan den vorm van 't achterste lichaamseinde:
dit splitst zich even achter de kloakopening in 2 korte, afgeronde
stukken, ieder ongeveer half zoo dik als het overige lichaam. De
kleur, die in den regel door verschillende tinten van bruin varieert,
is bij de mannetjes donkerder dan bij de (soms geelachtige) wijfjes.
Met uitzondering van hun laatste levenstijdperk, parasiteeren
de Koordwormen voortdurend in verschillende waterdieren. De 0.05
mM. lange larve heeft een cilindervormig lichaam, waaraan men 2
afdeelingen kan onderscheiden: uit de voorste en dikste kan een
soort van kop worden uitgestulpt, die met twee kransen ieder van 6
haakjes gewapend is en waaruit bovendien nog een hoornachtig snuitje
te voorschijn komt. Deze werktuigen stellen haar in staat de eischaal
te verlaten en vervolgens de huid van een Haft- of Kokerjufferlarve,
bij voorkeur het dunne geledingsvlies van een der pootgewrichten,
te doorboren. Zij dringt door het gaatje naar binnen en klimt door
het afwisselend uitstulpen en weer terugtrekken van het kopgedeelte
tusschen de spiervezels van den poot omhoog. De parasieten vestigen
zich in allerlei deelen van de Insectenlarve, gaan in een rusttoestand
over en kapselen zich in, evenals de Spiertrichinen. Met het door hen
bewoonde dier worden de jonge Gordiën door Zoetwatervisschen ingeslikt;
omgeven door een nieuwe schaal vertoeven zij 5 of 6 maanden in het
slijmvlies van het darmkanaal van dezen tweeden gastheer en ondergaan
daarna de laatste gedaantewisseling.
Ook de Mermitiden zijn tamelijk lang: de wijfjes hebben een lengte
van hoogstens 10.5 cM.; de veel minder talrijke mannetjes zijn
korter. Vooral in den zomer na een warmen regen gedurende den nacht
vindt men deze Wormen des morgens soms bij duizenden aan de oppervlakte
van den grond. Door hun plotselinge verschijning hebben zij aanleiding
gegeven tot het sprookje van den "wormenregen". Overigens liggen
zij gewoonlijk afzonderlijk of tot kluwens ineengerold in den grond,
bewegen zich langzaam, wanneer de aarde besproeid wordt en komen dan
voor eenigen tijd aan de oppervlakte. Tegen aanraking verzetten zij
zich door een snelle, ontwijkende beweging.
Uit de eieren, die Mermis albicans in den zomer legt, komen eerst
in 't volgende voorjaar larven. Deze dringen, na een kortstondig
verblijf in den grond, borend door in de lichaamsholte van Insecten of
Insectenlarven, om hier te blijven, totdat de laatste gedaantewisseling
heeft plaats gehad. De larven kunnen, in verhouding tot haar grootte
(8 mM.), verre reizen doen: bij vochtig weer klimmen zij zelfs in de
boomen, om zich o.a. te vestigen in de lichaamsholte van rupsen van
den Appelbladroller (Carpocapsa pomonella), die in appels en peren
gangen knagen. Het meest komen de Mermis-larven voor in rupsen van
Vlinders, veelvuldig ook in Sprinkhanen, bovendien echter in allerlei
andere Insecten.
Zeer zonderlinge wezens zijn de Pijlwormen of Vinwormen (Sagitta),
die men tegenwoordig meestal als leden van de klasse der Rondwormen
beschouwt. Borstelkakigen (Chaetognathi) heeten zij wegens de borstels
naast de mondopening, die de rol van kaken vervullen. Uitwendig
gelijken zij op vischjes: de vrij duidelijk begrensde kop draagt 2
oogen, de romp aan weerszijden 2 vinvormige verbreedingen; voorbij het
midden komt de aarsopening, verder achterwaarts de geslachtsopening,
aan 't einde een horizontale staartvin voor. De Zeepijl (Sagitta
bipunctata), die door Slabber het eerst (in 1768 aan onze kust)
werd waargenomen, is 30 à 45 mM. lang, over alle zeeën verbreid en
een bewoner van de bovenste waterlaag, waar deze Wormen niet zelden
groote scholen vormen.