DERDE ORDE.

DE SNAARWORMEN (Gordiacei).

De Snaarwormen (Gordiacei) worden wegens een eigenaardig,

bij de overige Rondwormen niet voorkomend verschijnsel in den

ontwikkelingsgang, als een afzonderlijke orde beschouwd. Het

aanvankelijk bij hen aanwezige, van mond tot aars reikende spijskanaal

gaat in de laatste levensperiode, terwijl de geslachtsorganen en

het zenuwstelsel in volkomenheid toenemen, gedeeltelijk te niet:

de voorste afdeeling met den mond verdwijnt bij de Koordwormen

(Gordiidae), de achterste afdeeling met den aars bij de Mermiswormen

(Mermitidae). Daar beide gedurende dit tijdperk van hun bestaan vrij

leven en dus niet door de huid stoffen uit de omgeving kunnen opnemen,

beteekent het genoemde verlies voor de Gordiïden het ophouden van

voedseltoevoer. De inheemsche Koordwormen, die niet zelden in het

langzaam stroomend water van beken, vaarten en slooten voorkomen,

worden gewoonlijk aangeduid met den naam Gordius aquaticus. Soms geven

zij door vorm en afmetingen in zekeren zin rekenschap van het oude

volksgeloof, dat hen door de werking van 't water op paardenhaar doet

ontstaan. Mannelijke exemplaren van 1 M. lengte en 1 mM. dikte komen

voor. De lengte is echter zeer verschillend: die van het mannetje

bedraagt gemiddeld 10 à 15 cM. bij een dikte van 0.2 à 0.5 mM., die

van het iets dikkere wijfje 10 cM. De mannetjes, die, in tegenstelling

met de overige Rondwormen, veel talrijker gevonden worden dan de

wijfjes, zijn kenbaar aan den vorm van 't achterste lichaamseinde:

dit splitst zich even achter de kloakopening in 2 korte, afgeronde

stukken, ieder ongeveer half zoo dik als het overige lichaam. De

kleur, die in den regel door verschillende tinten van bruin varieert,

is bij de mannetjes donkerder dan bij de (soms geelachtige) wijfjes.

Met uitzondering van hun laatste levenstijdperk, parasiteeren

de Koordwormen voortdurend in verschillende waterdieren. De 0.05

mM. lange larve heeft een cilindervormig lichaam, waaraan men 2

afdeelingen kan onderscheiden: uit de voorste en dikste kan een

soort van kop worden uitgestulpt, die met twee kransen ieder van 6

haakjes gewapend is en waaruit bovendien nog een hoornachtig snuitje

te voorschijn komt. Deze werktuigen stellen haar in staat de eischaal

te verlaten en vervolgens de huid van een Haft- of Kokerjufferlarve,

bij voorkeur het dunne geledingsvlies van een der pootgewrichten,

te doorboren. Zij dringt door het gaatje naar binnen en klimt door

het afwisselend uitstulpen en weer terugtrekken van het kopgedeelte

tusschen de spiervezels van den poot omhoog. De parasieten vestigen

zich in allerlei deelen van de Insectenlarve, gaan in een rusttoestand

over en kapselen zich in, evenals de Spiertrichinen. Met het door hen

bewoonde dier worden de jonge Gordiën door Zoetwatervisschen ingeslikt;

omgeven door een nieuwe schaal vertoeven zij 5 of 6 maanden in het

slijmvlies van het darmkanaal van dezen tweeden gastheer en ondergaan

daarna de laatste gedaantewisseling.

Ook de Mermitiden zijn tamelijk lang: de wijfjes hebben een lengte

van hoogstens 10.5 cM.; de veel minder talrijke mannetjes zijn

korter. Vooral in den zomer na een warmen regen gedurende den nacht

vindt men deze Wormen des morgens soms bij duizenden aan de oppervlakte

van den grond. Door hun plotselinge verschijning hebben zij aanleiding

gegeven tot het sprookje van den "wormenregen". Overigens liggen

zij gewoonlijk afzonderlijk of tot kluwens ineengerold in den grond,

bewegen zich langzaam, wanneer de aarde besproeid wordt en komen dan

voor eenigen tijd aan de oppervlakte. Tegen aanraking verzetten zij

zich door een snelle, ontwijkende beweging.

Uit de eieren, die Mermis albicans in den zomer legt, komen eerst

in 't volgende voorjaar larven. Deze dringen, na een kortstondig

verblijf in den grond, borend door in de lichaamsholte van Insecten of

Insectenlarven, om hier te blijven, totdat de laatste gedaantewisseling

heeft plaats gehad. De larven kunnen, in verhouding tot haar grootte

(8 mM.), verre reizen doen: bij vochtig weer klimmen zij zelfs in de

boomen, om zich o.a. te vestigen in de lichaamsholte van rupsen van

den Appelbladroller (Carpocapsa pomonella), die in appels en peren

gangen knagen. Het meest komen de Mermis-larven voor in rupsen van

Vlinders, veelvuldig ook in Sprinkhanen, bovendien echter in allerlei

andere Insecten.

Zeer zonderlinge wezens zijn de Pijlwormen of Vinwormen (Sagitta),

die men tegenwoordig meestal als leden van de klasse der Rondwormen

beschouwt. Borstelkakigen (Chaetognathi) heeten zij wegens de borstels

naast de mondopening, die de rol van kaken vervullen. Uitwendig

gelijken zij op vischjes: de vrij duidelijk begrensde kop draagt 2

oogen, de romp aan weerszijden 2 vinvormige verbreedingen; voorbij het

midden komt de aarsopening, verder achterwaarts de geslachtsopening,

aan 't einde een horizontale staartvin voor. De Zeepijl (Sagitta

bipunctata), die door Slabber het eerst (in 1768 aan onze kust)

werd waargenomen, is 30 à 45 mM. lang, over alle zeeën verbreid en

een bewoner van de bovenste waterlaag, waar deze Wormen niet zelden

groote scholen vormen.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 6: De Wormen · 第 15 / 25 题