DE DRAADWORMEN (Nematodes).
Voor 't meerendeel leiden de ons bekende Draadwormen, ook wel
Koordwormen of Spoelwormen genoemd (Nematodes), een parasitisch
leven, de meeste in dieren, niet weinige echter in planten. Toch
is ook het aantal soorten, die vrij in den vochtigen grond, in
zoetwater en in de zee voorkomen, niet gering. Zoo zijn o.a. de
meeste leden van de nog zeer onvolledig bekende familie der
Urolaben (Enoplidae) zeebewoners. Deze slanke, doorzichtige, voor
't meerendeel microscopisch kleine diertjes ontleenen hun eersten
naam aan de bij velen voorkomende, zoogenaamde "staartklieren",
die zich aan de spits van den staart openen en een stof bereiden,
die tot een betrekkelijk langen draad wordt uitgetrokken, nadat zij
zich hiermede hebben vastgehecht. Den tweeden naam danken zij aan de
haren en borstels, die bij de leden van verscheidene geslachten aan
't voorste deel van 't lichaam voorkomen en hen eenige overeenkomst
verschaffen met Borstelwormen. Ook aan onze kust zijn eenige van deze
wormpjes waargenomen.
Eenige vrij levende zoetwaterbewoners (Dorylaimus, Diplogaster)
behooren tot de familie der Aaltjes (Anguillulidae). Kronkelend bewegen
deze zoogenaamde Wateraaltjes zich op den slijkerigen bodem van plassen
of tusschen de wortels van het eendenkroos. Om ze te verkrijgen is het
voldoende van den bodem van 't water een kleine hoeveelheid modder,
die plantaardige overblijfselen en Infusoriën bevat, op te scheppen
en in een horlogeglas uit te breiden.
Reeds in de vorige eeuw wekte het Azijnaaltje (destijds Anguillula
aceti genoemd) de belangstelling der onderzoekers. Tot in den laatsten
tijd hield men het Stijfselaaltje (Anguillula glutinis) voor een andere
soort; het is echter gebleken, dat beide overeenstemmen en zoowel in de
eene als in de andere voedingstof voorkomen. Het is de Aaltjes niet om
de stijfselpap te doen, maar om de microscopische schimmelplantjes,
die zich hierin spoedig vestigen en welker ontwikkeling door het
toevoegen van een weinig azijn zeer begunstigd wordt. De azijn,
die tegenwoordig in den handel voorkomt, bevat waarschijnlijk nimmer
Azijnaaltjes in geslachtsrijpen toestand; ook de larven, die men er in
vindt, zijn dikwijls reeds dood; ten onrechte houdt menigeen de ledige
velletjes, die zich bij 't schudden van een flesch met azijn door de
vloeistof verspreiden, voor een heirleger van levende wezens. In het
zoogenaamde "azijngoed" van de azijnvormers der snelazijnfabrieken
zal men deze wormpjes in alle phasen van ontwikkeling in menigte
aantreffen. Ook in de met bier doordrongen stukken vilt, waarop in
bierhuizen; die niet door zindelijkheid uitmunten, de glazen worden
neergezet, zal men er vele vinden.
Een merkwaardige ontwikkelingsgang, die wij reeds vroeger onder
den naam van heterogonie hebben leeren kennen, komt voor bij het
geslacht Rhabdonema. In de longen van Kikvorschen vond Leuckart
niet zelden in grooten getale Wormen van hoogstens 2 cM. lengte
(Rhabdonema nigrovenosum). In tegenstelling met de meeste Nematoden
zijn zij tweeslachtig. De talrijke jongen, die zij ter wereld brengen,
geraken uit de long door den slokdarm in den darm van den gastheer
en vervolgens met den drek naar buiten. Hier ontwikkelen zij zich
in weinige dagen tot een in vrijen toestand levende, veel kleinere,
uit mannetjes en wijfjes bestaande tusschengeneratie, in hoofdzaken
gelijk aan het uitsluitend in de vrije natuur voorkomend geslacht
(Rhabditis). Na de paring ontwikkelen zich in ieder wijfje in den
regel 2 of 3 jongen, die het lichaam van de moeder leegvreten en den
lichaamswand doen barsten, vervolgens door den bek van den Kikker
terugkeeren naar diens longen en hier opgroeien tot de reeds genoemde
tweeslachtige generatie.
Parasitische Aaltjes vindt men echter niet uitsluitend in dieren;
de schadelijkste en hierdoor belangrijkste soorten leven ten koste
van planten. Het sedert 1743 bekende Tarweaaltje (Anguillula tritici
of Tylenchus scandens) veroorzaakt een eigenaardige ziekte van de door
haar geteisterde plant (de "aaltjesziekte der tarwe"). In de aangetaste
aren zijn sommige of alle korrels in "gallen" veranderd, die den vorm
hebben van bolderikzaden (Agrostemma githago); zij zijn kleiner dan
tarwekorrels en meestal bolvormig; haar dikke, harde schaal bevat een
geelachtig witte, korrelige massa, die na bevochtiging met water zich
in fijne lichaampjes verdeelt, welke, onder den microscoop gezien,
Aaltjes blijken te zijn en zich vlug bewegen. Zelfs in de volkomen
ontwikkelde gal zijn zij geslachtloos. Als de zieke korrel op een
droge plaats bewaard wordt, kunnen de hierin aanwezige diertjes
wel 6 jaar lang in 't leven blijven; op den vochtigen grond echter
wordt de schaal week en verrot; het binnendringende vocht wekt de
wormpjes tot intensiever leven op; zij verlaten de verweekte schaal
en verspreiden zich in den grond. Wanneer zij bij een jonge tarweplant
komen, kruipen zij bij haar omhoog, rusten bij droge weersgesteldheid,
zonder zich te bewegen of andere levensverschijnselen te vertoonen,
in de bladscheeden, maar trachten, wanneer er regen valt, voortdurend
hooger op te stijgen in de intusschen verder uitgegroeide plant;
op deze wijze bereiken zij te rechter tijd de bovenste bladscheede
en de hierdoor omhulde, nog zeer jonge aar. De binnendringende
Aaltjes veroorzaken in de eerste beginselen van bloemen een
soortgelijke misvorming van de bloemdeelen, als door de eieren en
larven van Galwespen in de bladen en stengeldeelen van eiken wordt
teweeggebracht; in beide gevallen ontstaat een rond uitwas, in welks
midden zich wormpjes bevinden. Deze ontwikkelen zich hier schielijk tot
glasheldere, 5 à 6 mM. lange, geslachtsrijpe individuën; de mannetjes
sterven kort na de paring, de wijfjes na het leggen van een groot
aantal eieren. Intusschen groeit de "gal"; zij heeft, wanneer de
tarwe rijp begint te worden, bijna de grootte van een gezonde korrel
bereikt. De oude generatie van Anguilluliden is dan reeds gestorven;
hare jongen hebben reeds voor lang de eischaal verlaten, verkeeren in
den toestand van geslachtlooze larven en vormen den korrelig vezeligen
inhoud van de gal. De aanvankelijk dunne, groenachtige wand van dit
product wordt door uitdroging dik en bruinachtig; de hierin aanwezige,
0.9 mM. lange Aaltjes zijn schijnbaar levenloos, doch beginnen een
nieuwen kringloop, wanneer de gallen met de gezonde tarwekorrels in
vochtigen bouwgrond worden uitgezaaid.
Het Rogge-aaltje (Anguillula dipsaci of Tylenchus devastatrix)
kan, behalve de rogge, ook andere landbouwplanten (klaver, spurrie,
boekweit, haver, kaardebollen) aantasten en schade veroorzaken.
Zeer veel schade richt ook het nauw aan de Tylenchen verwante
Bietenaaltje (Heterodera Schachtii) aan.
In 't geheel zijn ongeveer een tiental parasitische Anguilluliden
in Nederland gevonden. Veel grooter is echter het aantal vrij, in
vochtigen grond, zoetwater of de zee levende, inheemsche leden dezer
familie; volgens de onderzoekingen van Dr. J. G. de Man bedraagt het
niet minder dan 184.
De kern van een volgende, zeer belangrijke familie vormt het meer
dan 200 soorten omvattende geslacht der Spoelwormen (Ascaris). Deze
onderscheiden zich door de drie duidelijk begrensde lippen, die de
driehoekige mondopening omgeven en aan ieder groot exemplaar met
het ongewapende oog zichtbaar zijn. De eene is aan de rugzijde in
't midden gelegen, de beide andere ontmoeten elkander in 't midden
van onderen. De bovenlip vertoont aan weerszijden een groefje met
een klein, kegelvormig tastorgaan; ook op elke zijlip komt zulk een
orgaan voor. Bij alle Spoelwormen zijn de wijfjes aanmerkelijk grooter,
dan de mannetjes en deze bovendien kenbaar aan hun haakvormig gebogen
staarteinde. Ongelukkig ontbreekt er nog veel aan onze kennis van de
levensgeschiedenis dezer dieren. Zelfs van de belangrijkste soort,
de Gewone Spoelworm (Ascaris lumbricoides)--een van de veelvuldigst
voorkomende parasieten van den mensch, bij het Kaukasische en
het Neger-ras althans over de geheele wereld verbreid--is de
ontwikkelingsgang onvolledig bekend. Hoewel hij gewoonlijk alleen of
in kleinen getale aangetroffen wordt, behoort toch een gezelschap
van eenige honderden in één gastheer niet tot de zeldzaamheden;
in enkele gevallen vond men in één lijder meer dan 1000, ja zelfs
2000 van deze onaangename gasten. Hun gewone woonplaats is de dunne
darm, vanwaar zij zich soms naar de maag begeven. Kleine exemplaren
(de grootste worden 16 à 18 cM. lang) zijn soms zelfs naar de lever
afgedwaald. Op de belangrijke vraag, hoe de mensch met Spoelwormen
behept wordt, kan men nog geen bevredigend antwoord geven. De eieren,
die, tegelijk met de moeder, het lichaam van den mensch verlaten,
zijn uitmuntend bestand tegen allerlei weersveranderingen en tegen
verschillende vloeistoffen. Zij komen zoowel in 't water als in
den vochtigen grond tot ontwikkeling en schijnen op zeer jeugdigen
leeftijd, als hun lengte nog geen 0.5 mM. bedraagt, in het darmkanaal
van den mensch aan te komen.
Behalve de mensch dient ook het Zwijn niet zelden tot gastheer
aan Ascaris lumbricoides. Zelden komt de Honden-en-Katten-Spoelworm
(Ascaris mystax) in het menschelijk lichaam voor. Een andere soort--de
Grootkoppige Paardenspoelworm (Ascaris megalocephala)--wordt in Paarden
en Runderen aangetroffen, soms ten getale van niet minder dan 1000 in
één dier. De wijfjes worden 30 à 40 (de mannetjes 15 à 20) cM. lang
en 8 à 12 mM. dik.
De Priemstaarten (Oxyuris) zijn kleine, hoogstens 2 à 3 cM. lange
Wormen met priemvormigen staart en weinig ontwikkelde lippen. Tot dit
geslacht behoort een tweede, zeer algemeen bij den mensch voorkomende
parasiet, n.l. de Aarsmade (Oxyuris vermicularis): de wijfjes worden
10, de mannetjes 4 mM. lang. Men vindt deze Wormen zeer dikwijls bij
menschen van allerlei slag: kinderen en volwassenen, rijken en armen;
zij houden zich voortdurend in het spijskanaal op en kunnen zeer veel
last veroorzaken. Hun overbrenging heeft steeds van den eenen mensen
op den anderen plaats, n.l. door tusschenkomst van eetwaren, die
door aanraking met onzindelijke handen met aarsmaden besmet zijn. Het
vervoer van de eieren door luchtstromingen wordt mogelijk geacht.
Een lang en dun, draadvormig lichaam hebben de Draadwormen (Filaria),
die een gelijknamige familie (Filariidae) vertegenwoordigen. Hun
kopeinde is zeer verschillend: in den regel ontbreken de lippen;
papillen in de omgeving van de (meestal ronde) mondopening zijn al
of niet aanwezig. Het staarteinde van het mannetje is spiraalsgewijs
gekronkeld. Een 40-tal soorten van dit geslacht zijn parasiteerend
in Zoogdieren en Vogels gevonden. De beruchtste van allen is de
Guineesche Draadworm of Medinaworm (Filaria medinensis). Het mannetje
is onbekend; het wijfje, dat een lengte van 3 à 4 M. bij een dikte
van 2 mM. bereikt, houdt zich op in het onderhuids bindweefsel van
den mensch, zoowel van blanken als van kleurlingen; zij veroorzaakt
hier gezwellen, die de grootte van een kipei kunnen hebben en soms in
ernstige verzweringen ontaarden (dracontiasis). Men vindt dezen Worm
in alle vochtige tropische en subtropische gewesten van het oostelijk
halfrond, doch niet in Amerika, met uitzondering van Brazilië,
waarheen hij vermoedelijk door Negers uit Afrika is overgebracht. Een
vrij lastige operatie is noodig om hem te verwijderen. Nadat door
een insnijding in de huid een uiteinde van den Worm is blootgelegd,
wordt dit gevat, voorzichtig uit de wonde getrokken en op een staafje
gewikkeld; het trekken moet zachtjes geschieden om het afbreken van het
dier te voorkomen; verscheidene dagen zijn noodig om het lange lichaam
geheel te verwijderen. Het parasitische wijfje verlaat vrijwillig
het gezwel, zoodra de ontwikkeling van de kiemen, die zij bevat,
ver genoeg is voortgeschreden. Door het barsten van den lichaamswand
worden de jongen zelfstandig; zij hebben een lengte van 1/2 bij een
dikte van 1/100 mM. en houden zich, volgens Fedschenko, als larven
op in zeer kleine zoetwater-schaaldieren, vooral in Cyclopiden. Wat
er verder met hen gebeurt, is onbekend. Misschien geraken zij met
hunne weldra bezwijkende gastheeren in den darm van den onzuiver
water drinkenden mensch en worden hier geslachtsrijp; de bevruchte
wijfjes zouden zich dan door de tusschenliggende weefsels, evenals
de Trichinen, een weg moeten banen naar haar definitieve woonplaats
onder de huid. Ten gunste van de meening, dat de jonge Filariën na het
verlaten van het Schaaldier in het water geraken en daarna direct in
de huid van den mensch doordringen, pleiten sommige verschijnselen,
die men bij de dracontiasis-patiënten waarneemt. Allerlei deelen
van het lichaam zijn aangetast bij personen, die veel baden; de
zwellingen komen uitsluitend aan de beenen voor, het meest aan de
voeten, bij menschen, welker dagelijksche werkzaamheid het veelvuldig
doorwaden van allerlei plassen noodig maakt; daarentegen vindt men
ze vooral aan het bovenlijf, het meest op den rug en de schouders,
bij de Indische waterdragers.
Meer licht hebben de onderzoekingen van Leuckart over
de levensgeschiedenis van de Palissadenwormen (Strongylidae)
verbreid; van enkele soorten althans heeft men de verschillende
ontwikkelingsperioden kunnen nagaan. Een belangrijk kenmerk van deze
familie is de vliezige nap (bursa) om de geslachtsopening van het
mannetje, aan het achterste uiteinde van 't lichaam. Dit vlies wordt
gesteund en uitgespannen door eenige uit spiervezels samengestelde
verdikkingen (ribben of palissaden), die aan de baleinen in het scherm
van een parapluie herinneren. De bedoelde Wormen parasiteeren voor
't meerendeel in Zoogdieren en worden, behalve in den darm, ook in
de longen en in andere organen gevonden.
Een van de gevaarlijkste parasieten van den mensch is de
hiernaast afgebeelde Dochmius duodenalis of Palissadenworm uit
den twaalfvingerigen darm (de onmiddellijk op de maag volgende
afdeeling van den dunnen darm). Hij werd waargenomen in de tropische
en subtropische gewesten van de Oude en de Nieuwe Wereld, doch ook in
Italië, Hongarije, Saksen, aan den Rijn, enz., in de laatstgenoemde
landen en landstreken vooral in mijnen, bij het boren van tunnels
en in groote steenbakkerijen, bij menschen, die dicht bijeenwonen
op plaatsen, waar geen maatregelen genomen zijn om vervuiling
van den bodem door faecaliën te voorkomen en zuiver drinkwater te
verkrijgen. Deze Wormen zuigen bloed uit de vaten van den dunnen darm
en worden hier geslachtsrijp. Wanneer zij in grooten getale bij één
persoon voorkomen, hebben de veelvuldige wonden van het darmslijmvlies
de zware, door darmbloedingen gekenmerkte, niet zelden doodelijke
ziekten ten gevolge, die men met de namen Egyptische chlorose,
tunnelziekte, dochmiose, enz. aanduidt. De besmetting komt tot stand
door het drinken van het met faecaliën verontreinigde water, indien
dit jonge Palissadenwormen bevat. Bij den bouw van den tunnel door
den St. Gotthard heeft de bedoelde ziekte vele slachtoffers gemaakt,
daar wegens de omstandigheden, waaronder deze arbeid werd verricht,
de infectie niet te vermijden was.
De Reusachtige Palissadenworm (Eustrongylus gigas) verdient dezen
naam, daar het wijfje 1 M. lang en 1 cM. dik kan worden. Het mannetje
is hoogstens 40 cM. lang. Deze parasiet werd het meest in Wolven,
Vossen, Neusberen en Veelvraten aangetroffen, ook wel in Honden,
Otters, Marters, Paarden en Runderen, zeer zelden in den mensch. Hij
kwam meestal voor in het nierbekken, soms in de urineleiders of in
de blaas, een enkele maal in de buikholte.
Met de laatste Strongylide, die wij zullen noemen, met den
Luchtpijpworm der Vogels (Syngamus trachealis), hebben waarschijnlijk
sommige vogelliefhebbers onder onze lezers reeds op onaangename wijze
kennis gemaakt. Wanneer de tot deze soort behoorende, in volières en
hoenderhokken zeer onwelkome gasten niet zeer talrijk zijn, wordt de
door hen aangerichte schade dikwijls niet opgemerkt. Soms echter is
hun aantal bij een enkelen Vogel zoo groot, dat de prikkeling van het
slijmvlies door de wonden, waaruit zij bloed zuigen, een ontsteking
van de geheele luchtpijp veroorzaakt; soms zelfs is een verstopping
van den luchtweg en het stikken van den gastheer een gevolg van hun
aanwezigheid.
Waarschijnlijk geraken de rijpe eieren door het hoesten, schreeuwen
en kokhalzen van den aangetasten Vogel uit de luchtpijp in de
mondholte, worden doorgeslikt, gaan door het spijskanaal heen en
komen met den drek in de vrije natuur; hier ontwikkelt zich bij
voldoenden warmtegraad en vochtigheidstoestand binnen 8 dagen een
klein, draadvormig embryo in het ei. Dit wordt met het voedsel door
den Vogel opgenomen en blijft vermoedelijk voor de opening van het
strottenhoofd hangen; het hieruit komend jong bewoont de luchtwegen,
waar het geslachtsrijp wordt. Om de besmetting met Syngamen te
voorkomen, moet men de hoestende Vogels in 't oog houden, nagaan, of
hun drek eieren van parasieten bevat, deze Vogels afgezonderd houden en
maatregelen nemen, opdat bij het aankoopen van nieuwe exemplaren uit
streken, waar de wormziekte heerscht, deze niet wordt ingevoerd. Als
de ziekte een grootere uitbreiding heeft gekregen, moet men (al naar
de inrichting van de woningen der Vogels op verschillende wijzen)
trachten te verhoeden, dat met den drek of met de opgehoeste stoffen de
voederbakjes verontreinigd worden, en dat op vochtige gedeelten van het
terrein broedplaatsen ontstaan, waar de Vogels steeds opnieuw besmet
worden. Sterk af te keuren is daarom de gewoonte van vele liefhebbers
om aan het voedsel van de Meelwormen doode Vogels toe te voegen,
ten einde "dikke Wormen" te verkrijgen, daar dit de verbreiding van
de eieren der Syngamen zeer bevordert en deze met het voer door de
Vogels ingeslikt kunnen worden.
Geen van de Ingewandswormen heeft sedert het jaar 1860 zoo veel van
zich doen spreken, als de gevaarlijkste van alle, de Trichine (Trichina
spiralis), de eenige vertegenwoordigster van haar geslacht, dat met
eenige andere geslachten de familie der Zweepwormen (Trichotrachelidae)
vormt. In één belangrijk opzicht wijkt haar levensloop van dien
der tot dusver behandelde Nematoden af: de jonge Trichine begeeft
zich n.l. ter verdere ontwikkeling niet in de vrije natuur, maar
verhuist direct van haar geboorteplaats, den darm van een mensch of
een dier, naar de spieren van haar gastheer, waar zij het grootste
deel van haar leven doorbrengt. Toch zijn de hoofdtrekken van het
beeld, dat de vroeger behandelde Nematoden opleverden, ook in haar
levensgeschiedenis waar te nemen. Het gevaar, waarmede de Trichinen
plotseling een ieder schenen te bedreigen, heeft veel bijgedragen
tot vermindering van den afkeer, dien het publiek vroeger had van
een nadere kennismaking met parasitische Wormen. Een tijdlang is de
Trichine, na het weer, een der populairste onderwerpen van gesprek
geweest; telkens weer deden ijzingwekkende verhalen de ronde, daar de
talrijke epidemiën van trichinose ware schrikbeelden van menschelijk
lijden te aanschouwen gaven. IJverige onderzoekers spoorden de
eigenschappen en den ontwikkelingsgang der Trichinen na, gaven de
wijze aan, waarop men zich tegen haar kan beveiligen en hebben aan
deze eerst voor 65 jaar ontdekte Nematoden een plaats verschaft onder
de meest bekende leden harer klasse.
De eerste betrouwbare berichten over het voorkomen van "ingekapselde"
(door een gedeeltelijk verkalkte bindweefsellaag omhulde) Trichinen
in spieren van den mensch zijn afkomstig uit het jaar 1835. De
Engelsche natuuronderzoeker Owen duidde deze op een spiraalswijs
gekronkeld haartje gelijkende parasieten in 1836 met den naam
Trichina spiralis aan. Hoewel men ze in grooten getale in het lijk
van een mensch had gevonden, werden zij voor onschadelijk gehouden,
zooals licht verklaarbaar is, nu men weet, dat na het inkapselen de
eigenlijke ziekteverschijnselen een einde nemen en meestal eerst vele
jaren later de aanwezigheid der parasieten blijkt. Toen men 8 jaren
na de ontdekking tot de overtuiging kwam, dat de "Spiertrichinen"
jeugdige Rondwormen zijn, werd haar tegenwoordigheid in 't lichaam van
den mensch nog steeds als een toevallige "afdwaling" beschouwd. De
Amerikaan Leidy vond ze in 1847 ook in varkensvleesch. Na voedering
van Muizen en Honden met zulk vleesch merkte men op, dat de
Spiertrichinen in den darm haar kapsel verliezen, sterk groeien
en geslachtsrijp worden. Niet minder belangrijk voor de ontdekking
van de oorzaak der infectie was het toen bekend geworden feit, dat
de pasgeboren Trichinen, die in den darm voorkomen, zich niet naar
buiten begeven, maar naar de spieren van haar gastheer verhuizen. Het
eerste geruchtmakende geval van trichinose met doodelijken afloop
bij een mensch had plaats den 27en Januari 1860 te Plaue bij Dresden
en werd door Zenker nauwkeurig onderzocht. De volledige verklaring
van de oorzaak der ziekte volgde spoedig en werd ongelukkigerwijze
bevorderd door een groot aantal geïsoleerde gevallen en eenige ernstige
epidemiën, die talrijke slachtoffers eischten. Een der meest beruchte
is die van Hettstädt, waar van 159 zieken 28 stierven. Nog heviger
woedde de ziekte in 1865 te Hedersleben bij Quedlinburg. Van de 2000
inwoners van dit dorp werden 337 door trichinose aangetast; 101 lijders
bezweken. De uitgestrektheid van het verbreidingsgebied der Trichinen
bleek uit een in Hamburg waargenomen geval: het betrof de bemanning
van een schip; het Varken, dat er aanleiding toe gaf, was te Valparaiso
gekocht. Al spoedig was het gebleken, dat het eten van varkensvleesch
nagenoeg de eenige oorzaak van trichinose bij menschen is.
De geslachtsrijpe Trichinen leven uitsluitend in den darm van
den mensch en van een aantal Zoogdieren en Vogels; zij heeten
"Darmtrichinen" naar de plaats waar zij volwassen worden, zich
voortplanten en sterven. Het aantal wijfjes overtreft dat der mannetjes
in hooge mate; de verhouding is ongeveer van 12 tot 1. De wijfjes
zijn zelden meer dan 3, hoogstens 5 mM. lang; de mannetjes kunnen
een lengte van 1.5 mM. bereiken. Met goede oogen kan men ze dus bij
zeer oplettende beschouwing van den darminhoud zonder vergrootglas
waarnemen. De mond is geheel vooraan gelegen; tot over het midden
neemt de dikte gelijkmatig toe; zij vermindert verderop een weinig
tot aan het achtereinde, dat bij het wijfje stomp afgerond is, bij
het mannetje een paar kegelvormige uitwassen vertoont. Zooals reeds
gezegd is, begeven de Darmtrichinen zich nooit naar de spieren, maar
blijven in het spijskanaal, waar zij in normale omstandigheden nog 5
weken of iets langer (bijna uitsluitend tusschen de darmvlokken, niet
in de spijsbrij) leven; zij groeien intusschen zoo snel en brengen
hare geslachtsproducten zoo schielijk tot rijpheid, dat reeds 5 dagen
na het binnendringen van de oude Trichinen in den darm de nieuwe
generatie zich vertoont. Deze is verbazend talrijk; voorin het lange,
buisvormige orgaan, welks achterste deel de eieren voortbrengt, liggen
de embryonen, die reeds in den eileider hun hulsel afwerpen, dicht
opeengepakt bijeen. De opening, waardoor zij het lichaam van de moeder
verlaten, licht op korten afstand van het mondeinde. Ieder wijfje
brengt 1500 à 2000 jongen ter wereld, bij hoopjes van 60 à 80. De
jongen zijn bij de geboorte 0.1 mM. lang. Daar hun verblijf in den darm
van korten duur is, zou het eerste hoofdstuk van hun levensgeschiedenis
tot opschrift kunnen hebben: de trekkende Trichinen. De openingen
van het lymphvatenstelsel aan de binnenste oppervlakte van den
darmwand maken het de reizigsters gemakkelijk in de bloedvaten door
te dringen en zich door den bloedstroom tot in de spieren van de verst
verwijderde organen te laten vervoeren. Dit schijnt echter slechts bij
uitzondering te geschieden; veelvuldiger begeven de jonge Trichinen
zich actief door den darmwand heen naar de lichaamsholte en zetten
van hier de reis voort door het losse bindweefsel, dat de bloedvaten
vergezelt, totdat zij het spierweefsel bereiken. Hoe rijkelijker het
bindweefsel een spier omkleedt, des te grooter is in den regel het
aantal der hierin gevestigde Trichinen. Deze bewonen echter nagenoeg
uitsluitend de "dwarsgestreepte" spieren, die voor de willekeurige
beweging dienen, niet de "gladde" spieren van den darmwand, evenmin de
"dwarsgestreepte", doch niet aan den wil onderworpen spieren van het
hart. Over 't algemeen komen zij in veel geringer aantal voor in de
ledematen van den stam. Deze kan in de spieren van alle zijne deelen
Trichinen herbergen; het meest vindt men ze echter in het middelrif,
de halsspieren, de kauwspieren, de tong, kortom in allerlei spieren
en spiergroepen, die bij het ademen en kauwen diensten bewijzen en
voortdurend (of althans veelvuldig) werkzaam zijn. Waarschijnlijk
bevordert de samentrekking der spieren de verplaatsing der trekkende
Trichinen. Gemiddeld zijn alle in de buikholte aangeland op den 8en
of 9en dag na het eten van het trichineuze varkensvleesch door den
gastheer en hebben weinige dagen later de spier, het doel van de
reis, bereikt. Dit is het begin van de periode der Spiertrichinen,
die ongeveer 3 weken na het binnendringen harer ouders in den darm
van den gastheer zulk een trap van ontwikkeling bereikt hebben,
dat het door hen bewoonde vleesch in staat is de besmetting over
te brengen. De spieren (gewoonlijk "vleesch" genoemd) bestaan
uit onderling evenwijdige, zeer lange, 0.01 à 0.05 mM. dikke,
rondachtige, samentrekbare vezeltjes; gemiddeld zijn deze spiervezels
of "primitiefvezels" bij den mensch ten getale van 28000 voorhanden
in iedere cM2 oppervlakte van de dwars doorgesneden spier. Zij zijn
vereenigd tot 0.5 à 1 mM. dikke bundels, ieder omsloten door een dunne
bindweefselscheede (sarcolemma), die op hun beurt dikkere, evenzoo
omhulde, secundaire bundels vormen, die, soms herhaaldelijk opnieuw
op deze wijze gegroepeerd, de door een algemeene scheede omhulde spier
samenstellen. De jonge Trichine, die, het sarcolemma doorborend, in den
spierbundel is doorgedrongen, legt hierbinnen een zekeren weg af en
vernielt zoodoende de fijnste weefselbestanddeelen. Het is mogelijk,
dat de Worm, zooals Virchow vermoedt, de vleeschzelfstandigheid in
zijn spijskanaal opneemt; in ieder geval doet de prikkel, die hij
uitoefent, onder gedeeltelijke verandering van het sarcolemma en
zijn inhoud, rondom den intusschen steeds grooter wordenden parasiet
een massa ontstaan, die allengs steviger en dichter wordt en waaraan
men nog geruimen tijd de omhullende laag en de inwendige woekering
onderscheiden kan. Naarmate het aanvankelijk recht uitgestrekte
of lusvormig gekromde dier langer wordt, neemt het hoe langer hoe
meer een spiraalvormige gedaante aan; reeds in de 3e-5e week na de
vestiging heeft deze verandering plaats. Vervolgens neemt de dikte van
de kapsel allengs toe; vooral haar inhoud wordt dichter, in mindere
mate de omhullende laag. Het middelste deel van de kapsel vertoont
zich bij matige vergrooting als een nagenoeg kleurlooze, bol- of
eivormige massa, waarin het dier duidelijk zichtbaar is; enkele malen
bevat een kapsel 2, zelden 3 of 4 Trichinen. Ongeveer een jaar na de
infectie van de spier begint de kapselwand te verkalken en is dan als
een wit puntje te midden van de roodachtige spier met het bloote oog
zichtbaar. De Worm is nu, als een vogelei, door een kalkschaal omgeven
en kan met den microscoop niet meer waargenomen worden, voordat men
met een druppel verdund zoutzuur de koolzure kalk heeft weggenomen;
hij groeit niet meer, is 0.8 à 1 mM. lang en vertoont gewoonlijk
4 spiraalwindingen, zoodat hij de gemiddeld 0.4 mM. lange, 0.26
mM. dikke kapsel op verre na niet vult. Jaren lang kan hij in dezen
toestand leven en voor verdere ontwikkeling geschikt blijven. Van
verandering is echter geen sprake, voordat hij in den darm van een
ander dier is geraakt. Wel zal ten langen laatste de Worm bezwijken
en verkalken. Ontzaglijk groot is soms het aantal kapsels; in een door
Cobbold onderzocht lijk werd het op 100 millioen geschat: Leuckart vond
er 60 in een spierbundeltje van 0.01 Gram, hetgeen bij gelijkmatige
verbreiding van de Trichinen door een menschelijk lichaam van 20
KG. spiergewicht een totaal van 120 millioen zou opleveren.
Menschen en dieren, die de hevige en gevaarlijke ziekteverschijnselen,
waarmede de immigratie van tallooze Trichinen in de spieren gepaard
gaat, te boven zijn gekomen en welker vernielde spiervezels door nieuwe
vormingen vervangen zijn, hebben van de gasten, die zij herbergen,
later geen last meer. Dit blijkt o.a. uit het volgende merkwaardige
geval: In het jaar 1845 ontbeten na eene schoolinspectie in een
Saksische provinciestad de 7 personen, die hierbij dienst hadden
gedaan, in een hôtel. Worst, ham, witte en roode wijn, enz. werden hun
voorgediend. Alle 7 werden zeer zwaar ziek; vier er van stierven. Daar
een achtste persoon, die ook bij het gezelschap was geweest, maar niets
anders had gebruikt dan een glas rooden wijn, gezond bleef, kwam men
tot het vermoeden van vergift in den witten wijn. Ofschoon dit niet
bewezen kon worden, bleef op den herbergier zulk een zware verdenking
rusten, dat hij zich genoodzaakt zag het land te verlaten. Toen een der
genezen patiënten in 1863 wegens een gezwel aan den hals een operatie
moest ondergaan, ontdekte Prof. Langenbeck in de blootgelegde spier een
groot aantal ingekapselde Trichinen; nogmaals de ziekteverschijnselen
bij de vermeende vergiftiging nagaande, kwam men tot de overtuiging,
dat ook deze op een geval van trichinose wezen.
De Spiertrichinen moeten, om geslachtsrijp te kunnen worden, overgaan
in het darmkanaal van den mensch of van sommige dieren. Voor deze
laatste ontwikkelings- en levensperiode zijn, voor zoover men
thans weet, de volgende dieren geschikt: Paard, Zwijn, Konijn, Haas,
Guineesche Biggetje, Muis, Rat, Kat, Hond, Egel, Kalf, Groote Ooruil,
Vlaamsche Gaai, Duif, Kalkoen, Huishoen. Deze lijst is waarschijnlijk
nog voor zeer veel uitbreiding vatbaar. Er, dient echter bij opgemerkt
te worden, dat bij geen enkelen Vogel de jonge Trichinen uit den
darm naar de spieren verhuizen. Voorts kunnen van de Zoogdieren, die
geregeld den mensch tot voedsel dienen, de plantenetende Konijnen,
Hazen en Runderen uit den aard der zaak slechts in zeer bijzondere
omstandigheden door trichinose aangetast worden; zij komen bij gevolg
als bronnen van besmetting niet in aanmerking. Iedereen begrijpt,
dat alleen ten aanzien van het Zwijn voorzorgsmaatregelen reden van
bestaan hebben. Het optreden van trichinose bij het Varken moet,
misschien, soms geweten worden aan de Muizen en Ratten, die dit dier
toevallig verslindt, in de meeste gevallen echter zal de oorzaak
van de ziekte wel een ander Varken zijn geweest; er is reden om aan
te nemen, dat vooral door het mesten van dit vee met het afval van
varkensslachterijen de gevreesde ziekte in de hand gewerkt wordt. In
Nederland schijnt zij niet of nagenoeg niet voor te komen. Bekend is
het, dat door kookhitte (en zelfs reeds bij een temperatuur van 65
à 70° C.) de bedoelde parasieten gedood worden; alle deelen van het
vleesch moeten echter aan deze temperatuur blootgesteld zijn geweest;
dit mag dus van binnen niet meer bloederig of zelfs roodachtig zijn.
Een onschadelijken bewoner van het menschelijk lichaam is de
Haarkopworm (Trichocephalus dispar), die ruim 3 cM. lang kan
worden. Het voorste deel, dat den betrekkelijk langen slokdarm bevat,
is haarvormig en neemt bijna 3/5 van de geheele lichaamslengte in
beslag; het achtereinde is stomp, bij 't mannetje spiraalsgewijs
opgerold, bij 't wijfje niet. Dit dier bewoont den blinden darm, in
welks slijmvlies het een gang boort, die het geheele dunne voorlijf
bevat. Het komt even veelvuldig voor als de Spoelworm en stemt met
dezen overeen door de wijze, waarop het zich verbreidt.