EERSTE ORDE.

DE HAKENWORMEN (Acanthocephali).

Alle leden van deze orde behooren tot het geslacht der

Stekelsnuitwormen (Echinorhynchus), zoo genoemd wegens hun met

talrijke haakjes bezetten "snuit". Bij enkele soorten is dit orgaan

knots- of bolvormig gezwollen; bij de overige kan het door aandrang

van vochten als een handschoenvinger uitgestulpt en door bepaalde

spieren in een scheede teruggetrokken worden; de achterwaarts gerichte

haakjes treden in 't eene geval naar buiten en richten zich in 't

andere naar binnen. De Hakenwormen hebben, evenals de Nematoden,

een taaie, stevige huid en zijn tweeslachtig; maar verschillen er

aanmerkelijk van door het ontbreken van het darmkanaal en van de

spijsverteringsorganen; voedsel kunnen zij dus alleen in vloeibaren

vorm, langs osmotischen weg, door den lichaamswand verkrijgen. Hun

"snuit" is volstrekt niet te vergelijken met het vroeger dus genoemde

orgaan, daar er geen mondopening aan voorkomt.

In geslachtsrijpen toestand vindt men deze Wormen uitsluitend in

het spijskanaal van Gewervelde Dieren. De Groote Stekelsnuitworm

(Echinorhynchus gigas), die de lengte en de dikte van een Spoelworm kan

bereiken (het wijfje wordt hoogstens 40, het mannetje 9 cM. lang),

leeft in den dunnen darm van het Zwijn. Met den snuit hecht hij

zich aan den darmwand vast, kan dezen zelfs geheel doorboren, in de

buikholte geraken en buikvliesontsteking teweegbrengen. In den darm

blijvend, veroorzaken deze parasieten bloedarmoede en verzwakking,

soms, als zij talrijk zijn, verstopping. De eieren komen met de

uitwerpselen van het Varken in den bodem, moeten, om zich te kunnen

ontwikkelen, opgenomen worden in het spijskanaal van een engerling

(b.v. in dat van een Meikever-larve), vanwaar de jonge Worm zich een

weg baant naar de lichaamsholte, om hier een reeks van veranderingen te

ondergaan. Zijn hoogsten trap van volkomenheid kan hij echter alleen

bereiken in het spijskanaal van een warmbloedig dier, b.v. van een

Varken, dat, gelijk bekend is, bij 't wroeten in den grond dikwijls

engerlingen verslindt.

Uit de onderzoekingen van Leuckart is gebleken, dat Echinorhynchus

proteus, die in den darm van Baarzen, Schollen en andere zoetwater-

en zeevisschen geslachtsrijp wordt, zijn jeugd doorbrengt in den darm

en later in de lichaamsholte van een Vlookreeft (Gammarus), die hem

als ei heeft ingeslikt. Een andere soort, Echinorhynchus polymorphus,

moet, om tot het einddoel te komen, door een gelukkig toeval uit een

Vlookreeft in het warmere lichaam van een Eend of van een anderen

watervogel geraken.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 6: De Wormen · 第 13 / 25 题