TWEEDE ONDERKLASSE.

DE BLOEDZUIGERS (Hirudinida).

Tot het vermoeden, dat de Bloedzuigers gelede Wormen zijn, komt men

reeds bij oppervlakkige beschouwing van het eerste het beste exemplaar

door de ringen van de huid; bij ontleding kan er geen twijfel blijven

bestaan, daar ook bij hen de belangrijkste inwendige organen zich in

de opeenvolgende segmenten herhalen. Wegens het volkomen gemis van

voetstompjes en borstels alsook wegens het bezit van zuignappen--die

bij de meeste zoowel van voren als van achteren, bij sommige alleen van

achteren voorkomen--vormen zij een afzonderlijke afdeeling, waaraan

echter door vele dierkundigen in het stelsel een andere plaats wordt

gegeven, n.l. bij de Trematoden en Cestoden.

Niet de smalle, uitwendig zichtbare ringen zijn bij de Echte

Bloedzuigers (Hirudinea Gnathobdellidae) en bij de overige

vertegenwoordigers van de onderklasse de eigenlijke segmenten; deze

zijn--gelijk uit de beschouwing van de inwendige organen blijkt--ieder

uit 4 of 5 ringen samengesteld. Het kopsegment is meestal met het

mondsegment tot een geringden zuignap vereenigd, op welks bodem

derhalve de mondopening voorkomt. De achterste hechtschijf is meestal

duidelijk door een insnoering van het overige lichaam gescheiden. In of

bij deze insnoering, aan de rugzijde, bevindt zich de aarsopening. Door

het uitstulpen van den wand der mondholte komen drie gespierde (en

dikwijls ook getande) plooien (kaken) te voorschijn, die zich als

een stervormige figuur op den bodem van den voorsten zuignap vertoonen.

Wij beginnen met de beschouwing van de Medicinale Bloedzuigers (het

geslacht Hirudo). De wonde, waaruit zij bloed zuigen, wordt gemaakt

met half-cirkelvormige kaken (fig. 3), welker vrije rand bezet is met

een groot aantal spitse tandjes; bovendien kenmerken zij zich door

de aanzienlijke wijdte van de maag, die met talrijke zijdelingsche,

blinde zakken uitgerust is (fig. 1). De 10 oogen zijn op de hierboven

(fig. 2) aangeduide wijze, bij paren verdeeld over de 8 voorste

ringen. Bij microscopisch onderzoek van den rand van den kop leert

men talrijke, zeer eigenaardige, bekervormige organen kennen, die,

naar uit het groot aantal hiermede verbondene zenuwvezels valt af

te leiden, de beteekenis van zintuigen schijnen te hebben. Misschien

dienen zij voor 't ruiken of speuren.

De zoogenaamde kaken van de Bloedzuigers bestaan uit een

half-cirkelvormige, stevige spiermassa, bedekt met een dunne huid, die

aan den rand 60 à 70 chitine-tandjes draagt. De spiervezels kruisen

elkander op zulk een wijze, dat zij de kaak als een schrootzaag

bewegen, waarbij de tandjes te gelijk steken en scheuren en een

driestralig wondje veroorzaken, welks vorm overeenstemt met den stand

der kaken ten opzichte van elkander. Op den slokdarm (fig. 1: a)

volgt de maag, die 11 paar zijdelingsche blindzakken heeft (fig. 1:

b, c). Daar zoowel de wand van het lichaam als die van de maag zeer

rekbaar zijn, is het verklaarbaar, dat het lichaam van den Bloedzuiger

door het opnemen van voedsel zich kan uitzetten tot het 3- à 4-voud

van den oorspronkelijken omvang.

Het best gedijen de Bloedzuigers in weinig bewogen water met

veel plantengroei, op een leem- of kleiachtigen, met slijk

bedekten grond; plassen met zandigen bodem zijn voor hen niet

geschikt. Buiten het water sterven zij spoedig, n.l. na het ophouden

van de slijmafscheiding, die de huid nog eenigen tijd vochtig doet

blijven. Op warme, zonnige dagen ziet men hen vlug zwemmen,--bij

donker, nevelachtig en koud weer, doch ook 's nachts en in den

herfst, het lichaam liervormig krommen door den kop in de holte van

den achtersten hechtschijf te steken. Bij het naderen van den winter

kruipen zij zoo diep mogelijk in den grond.

Hun eenige voedsel is het bloed van Gewervelde en soortgelijke vochten

van Ongewervelde Dieren. Dat zij soms doode dieren en in geval

van nood elkander uitzuigen, is niet zeker. In den regel althans

verkrijgen zij hun voedsel van levende dieren, ook van zulke, die

hun vijandig zijn, b.v. van sommige dierenetende Waterslakken. De

vervelling vindt, volgens sommige berichten, met tusschenruimten

van slechts weinige dagen, herhaaldelijk plaats; maar werd toch bij

oude, volwassene exemplaren slechts eenmaal in een tijdruimte van

verscheidene maanden waargenomen.

In de lente zoekt de Bloedzuiger een schuilplaats boven den

waterspiegel en boort met den kop een gang in vochtigen, lossen

grond. Aan de oevers van plassen en poelen, die vele Bloedzuigers

bevatten, vindt men dikwijls eenige honderden van deze dieren bijeen

op een diepte van eenige centimeters onder de oppervlakte van den

grond. Tegen het einde van Juni beginnen zij cocons of eierenzakjes

te vervaardigen, die ongeveer de grootte en den vorm van een eikel

hebben. De bouwstof hiervoor, een slijmerige, groenachtige vloeistof,

komt uit den mond en bekleedt aanvankelijk het voorste deel van

't lichaam. Het dier maakt dezen slijmgordel even lang, als het

eierenzakje moet worden, kruipt er door, totdat de openingen der

eileiders er mede bedekt zijn en legt vervolgens te midden van

een groen- of bruinachtige, slijmerige massa 10 à 16 alleen bij

vergrooting waarneembare dooiertjes. Tevens wordt de cocon omhuld

met een uit den mond vloeiend, op speeksel gelijkend schuim, waardoor

zij gewoonlijk den omvang van een klein kipei verkrijgt. Achterwaarts

kruipend, totdat het zakje hem den kop bedekt, draait de Bloedzuiger

vervolgens de voorste opening van binnen dicht, trekt zich eindelijk

geheel uit den cocon terug en sluit ook de achterste opening, doch

nu van buiten. Nog eenige dagen blijft hij bij den cocon liggen, die

intusschen, door het opdrogen van het schuim tot een sponsachtige

massa, haar definitieve grootte verkrijgt. De jongen, die 4 à 6

weken na het eierenleggen uitkomen, zijn draadvormig en licht van

kleur, doch in hoofdzaken gelijk aan de volwassenen. Zij groeien

zeer langzaam. Niet voor het derde jaar zijn zij voor medicinaal

gebruik geschikt; eerst in het vijfde hebben zij hun volle grootte

bereikt. Men zegt, dat de Bloedzuiger 20 jaar oud kan worden.

Het best kan men Bloedzuigers bewaren in een wijd, groen molglas,

dat ongeveer tot op een derde van de hoogte met zacht water gevuld

en met een lapje dichtgebonden wordt. Men moet het water niet te

vaak ververschen (des zomers om de 3, des winters om de 8 dagen)

en steeds zooveel mogelijk zorgen voor het behouden van dezelfde

temperatuur. 's Winters moet deze slechts weinige graden hooger zijn

dan nul, 's zomers met die van stroomend water overeenkomen.

De Bloedzuigers hebben den naam van weerprofeten te zijn. Vooral

wanneer een onweer in aantocht is, kruipen zij dicht bij elkander,

of trachten, naar men zegt, het water te verlaten. Vooral in de eerste

helft van onze eeuw verwachtte men van het bloedzuigerszetten bij de

behandeling van nagenoeg alle ziekten heil; destijds werden in de

Parijsche hospitalen jaarlijks door 6 à 9 millioen van deze dieren

60000 à 90000 KG. bloed aan de patiënten ontnomen. De tegenwoordige

geneeskundigen gebruiken veel minder Bloedzuigers en achten het

zelfs mogelijk, dat deze dieren besmettingskiemen overbrengen,

daar men in hun mondholte micro-organismen heeft waargenomen,

o.a. malaria-plasmodiën, die zelfs in bevrozen Bloedzuigers een week

lang onveranderd blijven. Toch worden er nog steeds Bloedzuigers

gefokt. Dit geschiedt vooral in Hongarije; de oude dieren worden

met bloed gevoederd, hetwelk slechts éénmaal per jaar noodig is; de

jonge voorzien door het uitzuigen van Kikkers en andere waterbewoners

zelf in hun onderhoud. In den voor 't fokken dienenden vijver mag

het water niet stijgen gedurende den tijd, waarin de Bloedzuigers

eieren leggen, daar de cocons 10 à 12 cM. boven den waterspiegel in

den grond verborgen worden en de eieren reeds na 24 uur onder water

te hebben gelegen, de geschiktheid om te kiemen verliezen. De voor

geneeskundig gebruik geschikte Bloedzuigers, die Europa bewonen, werden

vroeger tot 2 soorten gerekend: de Medicinale of Duitsche Bloedzuiger

(Hirudo medicinalis) en de Officineele of Hongaarsche Bloedzuiger

(Hirudo officinalis). Deze onderscheiding berust echter in 't geheel

niet op anatomische kenmerken, maar hoofdzakelijk op kleursverschil;

talrijke variëteiten komen voor en zijn door allerlei overgangen

verbonden, zoodat men wel genoodzaakt is om alle te zamen als leden

van één echte soort te beschouwen. De variëteit Hirudo medicinalis,

kenbaar aan den zwart gevlekten, soms nagenoeg geheel zwarten buik,

bewoont het grootste deel van Europa, n.l. Frankrijk, Duitschland,

Denemarken, Zweden, Rusland en Engeland. De weinige exemplaren,

die men hier te lande in de vrije natuur aangetroffen heeft, waren

ongetwijfeld van elders afkomstig. De andere hoofdverscheidenheid,

Hirudo officinalis, heeft een olijfgroenen, ongevlekten buik,

behoort in 't zuiden en zuidoosten van Europa thuis en is vooral in

de uitgestrekte moerassen bij Essik in Slavonië sterk vertegenwoordigd.

Van de 30 soorten van het geslacht Hirudo, die de tropische

en gematigde gewesten bewonen, vermelden wij nog de beruchte,

3 à 20 mM. lange Ceylonsche Landbloedzuiger (Hirudo ceylonica),

waarvan Schmarda in zijn reis om de wereld het volgende bericht:

"De kwellingen, die de reiziger van de Kakkerlakken en de Muggen

heeft te verduren, zijn onbeduidend in vergelijking met een plaag,

die hem overal vervolgt, doordat het in de wouden en weiden wemelt

van Landbloedzuigers. Deze houden zich op tusschen het gras, onder

steenen en afgevallen bladen en ook in boomen en struiken. Hunne

bewegingen zijn zeer vlug; het schijnt, dat zij hun buit reeds op

eenigen afstand bespeuren, daar zij zich in grooten getale vasthechten

aan ieder mensch of dier, dat in hun nabijheid komt. Dikwijls voelt

men hen nagenoeg niet, terwijl zij aan 't zuigen zijn. Na eenige uren

hebben zij hun maag gevuld en vallen dan vanzelf af. De inboorlingen,

die ons vergezelden, bestreken de gewonde plaatsen met de gebluschte

kalk, die zij in hun beteldoos bij zich hebben of met het door betel

en kalk bijtend geworden speeksel. Natuurlijk brengt dit middel

een hevige ontsteking teweeg, waarvan de gevolgen merkbaar zijn in

de diepe zweren, die vele inboorlingen aan de voeten hebben. Velen

beschouwen het sap van een soort van citroen (Citrus tuberoides)

als een specifiek middel. De genoemde vochten zijn wel geschikt

om den Bloedzuiger, die er mede bedruppeld wordt, tot loslaten te

nopen, maar moeten noodzakelijk in de door hem veroorzaakte wonde een

ontsteking veroorzaken. Lastig is het vooral, dat de Bloedzuigers bij

voorkeur plaatsen opzoeken, waar hunne voorgangers reeds met succes

werkzaam zijn geweest, daar de warmte van de ontstoken, met bloed

onderloopen huid hen aanlokt. Om zich tegen den aanval van deze

kleine, maar vreeselijke vijanden te beveiligen, is het volstrekt

noodig om in de eerste plaats voor een doelmatige bekleeding van de

voeten te zorgen. De meeste baat vond ik bij lederen of dikke wollen

kousen, die over de broekspijpen heen aangetrokken en onder de knie

vastgebonden worden. De wollen kousen bleken voldoende te zijn en zaten

gemakkelijker. Daar zij bij 't gaan door de wildernis licht scheuren

of doorslijten, moesten wij steeds een extra-paar medenemen. Bij de

kousebanden vond ik de Bloedzuigers, die tot mijn huid trachtten door

te dringen, dikwijls bij dozijnen zitten. Gedurende het loopen hadden

wij veel minder van deze dieren te lijden, dan op een rustplaats; de

minste last ondervond de voorman van de geheele reeks. De Bloedzuigers

krijgen door hem de lucht van een buit en vallen den eerstvolgenden

des te gretiger aan. Hoe voorzichtig wij ook waren, toch zaten zij

ons weldra in den nek, in het haar of op de armen, daar zij zich niet

slechts tusschen gras en afgevallen bladen, maar ook in de boomen

ophouden, van waar zij zich op de voorbijgaande menschen en dieren

laten vallen." Andere soorten van Landbloedzuigers treft men op de

Soenda-eilanden en de Filippijnen aan.

De Paardenbloedzuiger (Haemopis vorax) bewoont een niet minder

uitgestrekt gebied dan de Medicinale, van welke hij zich onderscheidt

door de geringere afplatting, den veel minder duidelijk gekorven rand

en de donkerder kleur van het 8 à 12 cM. lange lichaam; de leikleurige

buik is door een gelen rand gescheiden van den olijfkleurigen of

bruinachtigen rug, die 6 overlangsche reeksen van zwarte stipjes

vertoont. De kaken (fig. 3) zijn ongeschikt om de uitwendige huid

van menschen of vee te verwonden, doch kunnen wel hunne slijmvliezen

doorboren. Huisdieren, die Bloedzuigers binnenkrijgen bij het drinken

uit een door hen bewoonde sloot, loopen het gevaar, dat deze parasieten

zich vestigen in neusholte, strottenhoofd of luchtpijp en, dikker

wordend door het opgezogen bloed, de ademhaling belemmeren. Vooral in

Noord-Afrika komen op deze wijze vele Paarden en Runderen om 't leven.

Dikwijls wordt de vorige soort verward met den (in ons land

veelvuldiger voorkomenden) 6 à 10 cM. langen Zwarten Bloedzuiger

(Aulastomum gulo), die dezelfde wateren bewoont en nagenoeg denzelfden

vorm heeft. Zijn kopeinde is spitser; de tandjes op de kaken zijn

minder talrijk en stomper; de maag heeft slechts aan 't einde een

paar nauwe blinde zakken. Hij voedt zich met Wormen en kan ze met

de kaken doorbijten; ook larven van Insecten en Amphibiën en zelfs

kleine Visschen vallen hem ten buit.

Niet minder veelvuldig vindt men bij ons in plassen, die met riet

begroeid en met bladen van plompen bedekt zijn, de Gewone Nephelis

(Nephelis vulgaris), die saamgetrokken 5, uitgestrekt 10 cM. lang is;

het platte lichaam is onduidelijk geringd; de kop bezit 4 paar oogen,

de slokdarm 3 ongetande huidplooien. Dit dier voedt zich met dieren

(Trilwormen, Schaaldieren, Infusoriën), doch ook met planten. Het is

gewoon om, op de achterste hechtschijf rustend, het rechtuit gestrekte

lichaam heen en weer te schommelen.

Ook van de familie der Slurfbloedzuigers (Clepsinidae) vindt men in

ons zoetwater vertegenwoordigers. Zij hebben een kort, plat lichaam,

dat naar voren allengs smaller wordt en hier in een hechtschijf

eindigt, die in den regel de mondopening ringvormig omgeeft en aan

de rugzijde 1 à 4 paar oogen draagt. De slokdarm is niet met kaken

gewapend, maar kan als een slurf uitgestoken worden.--Verscheidene

soorten van het geslacht Clepsine--bij ons vooral de Tweeoogige

(bioculata) en de Doorzichtige (hyalina)--treft men op bladen van

waterplanten en aan de onderzijde van steenen aan. Zij hebben een

grijze, geelachtige of witachtige kleur en zijn het best kenbaar aan

de gewoonte van het lichaam op te rollen, zoodra men ze losmaakt;

tevens krommen dan de zijranden zich een weinig naar binnen. De eieren

worden aan den buik medegedragen; ook de jongen blijven nog lang bij

de moeder, aan welker lichaam zij zich met de achterste hechtschijf

vasthouden. Het is aardig om te zien, hoe de 10 à 15 jongen, als

kuikens van een klokhen, onder het lichaam van hun moeder verscholen,

af en toe de kopjes naar buiten steken en, nadat men ze voorzichtig

heeft losgemaakt, onmiddellijk weer hun toevluchtsoord opzoeken.--De

Slurfbloedzuigers voeden zich vooral met lagere dieren.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 6: De Wormen · 第 11 / 25 题