EERSTE ONDERKLASSE.

DE BORSTELWORMEN (Chaetopoda).

De Borstelwormen kenmerken zich vooral door het bezit van borstels,

die bij wijze van bundels of kammen aan weerszijden van het lichaam

in de huid zijn vastgehecht. De microscoop geeft ons hier een

aantal zeer fraaie vormen te aanschouwen. De borstels vertoonen

zich als haken, spiesen, pijlen, messen, kammen, gladde en geribde

roeiriemen en allerlei andere stekende en snijdende werktuigen in

miniatuur. De eenvoudigste van deze organen, die meer bepaaldelijk

haken en haarborstels heeten, komen voor bij de bescheiden uitgeruste

Weinigborstelige Wormen. Met fijnere toestellen, die eigenaardige

spitsen, tanden, tandjes, klingen en scherpe randen vertoonen, zijn

de meeste zeebewoners dezer groep, de Veelborsteligen, getooid.

Om praktische redenen kennen wij de eereplaats toe aan de orde

der Weinigborsteligen (Oligochaeta), die zoomin voetstompjes

als kieuwen aan de zijden der ringen en geen aanhangsels aan den

kop--zoomin sprieten (aan het kopsegment) als voelers (aan het

mondsegment)--bezitten. Hunne eenvoudige borstels staan in geringen

getale aan weerszijden van het lichaam op reeksen en zijn ingeplant

in kuiltjes van de huid.

De kern van deze groep wordt gevormd door de onderorde der

Regenwormachtigen (Terricolae, Lumbricina), welker leden alle behooren

tot de familie der Regenwormen, Aardwormen of Pieren (Lumbricidae). Zij

kenmerken zich door de talrijkheid en kortheid der segmenten, waarvan

het eerste, het kopsegment, als een kegelvormige lip boven den mond

uitsteekt, en door de plaatsing der zeer korte, haakvormige borsteltjes

op 2, 4 of meer rijen. Behalve inwendige organen, welker verrichting

ons onbekend is, aan den rand van het ook wel bovenlip genaamde

kopsegment, hebben de Regenwormen geen afzonderlijke zintuigen;

meer bepaaldelijk missen zij oogen en gehoororganen, hoewel zij voor

lichtprikkels gevoelig zijn. Hoe voorzichtig men hen ook nadert,

terwijl zij 's nachts aan de oppervlakte rondkruipen, het licht van

den lantaarn drijft hen steeds in hunne holen terug. Natuurlijk is

deze gevoeligheid niet aan het geheele lichaam eigen, maar alleen aan

de beide eerste ringen, waarin de zenuwen, die van den slokdarmring

uitgaan, zich verspreiden.

De meeste soorten van Regenwormen vullen hun wijd spijskanaal met

humusrijke aarde en gebruiken de hierin aanwezige rottende plantaardige

en dierlijke stoffen als voedsel. Iedereen weet, dat de stroohalmen,

vederen, bladen, papiersnippers, enz., die men 's morgens in tuinen en

op binnenplaatsen in den grond ziet steken, als waren zij hier door

kinderen geplant, door de nachtelijke werkzaamheid van Regenwormen

in dezen toestand zijn gekomen. Het dier trekt met zoo veel kracht,

dat een dikke stroohalm, in 't midden aangevat, geknakt in zijn gang

doordringt; een kippeveer met breede vlag wordt zonder moeite in een

nauw gat gesleurd. Darwin, wiens in alle opzichten bewonderenswaardige

verhandeling over de Regenwormen hun groote beteekenis voor den

mensch en de belangrijke rol, door hen in de geschiedenis der aarde

gespeeld, duidelijk doet uitkomen, heeft deze dieren, die zooveel te

lijden hebben door vooroordeel en haat, volkomen in hun eer hersteld:

"In vele deelen van Engeland," zegt hij, "bedraagt het gewicht van

de aarde, die per jaar en per acre (0.405 H.A.) door hun spijskanaal

naar de oppervlakte wordt vervoerd, in drogen toestand meer dan 10

ton (10516 KG.): de geheele bovenste laag teelaarde gaat dus binnen

weinige jaren door hun lichaam. Op deze wijze worden steeds nieuwe

bestanddeelen van den bouwgrond blootgesteld aan den invloed van

't koolzuur en van de humuszuren van den bodem; vooral de laatste

schijnen een krachtige ontledende werking op de gesteenten uit te

oefenen. De Regenwormen brengen de bestanddeelen van de humuslaag,

waarmede de bouwgrond bedekt is, in omstandigheden die voor de

rotting en de verwering in hooge mate gunstig zijn. De bodem wordt

door hen op uitmuntende wijze voorbereid voor den plantengroei en

voor de ontkieming van zaden; door hun werkzaamheid komt de bouwgrond

herhaaldelijk met de lucht in aanraking en worden zijne bestanddeelen

op zulk een wijze gesorteerd, dat er ten slotte geen steentjes in

achterblijven, die te groot zijn voor het spijskanaal der Wormen. Zij

mengen alles goed dooreen, gelijk een tuinman doet, die fijne aarde

gereed maakt voor zijne kostbaarste planten. In dezen toestand is

de bodem goed geschikt om vocht terug te houden en alle oplosbare

bestanddeelen tot zich te trekken, waardoor ook het proces van de

salpetervorming bespoedigd wordt. Tot wonderbaarlijke gevolgtrekkingen

leidt het feit, dat de geheele, aan de oppervlakte liggende humusmassa

herhaaldelijk door het lichaam van de Regenwormen is heengegaan en

binnen luttele jaren opnieuw dezen weg zal nemen. Hoewel de ploeg

een van de alleroudste en belangrijkste uitvindingen is, die ooit

door den mensch gedaan zijn, werd reeds lang voordat dit werktuig in

gebruik kwam, het land geregeld omgeploegd door de Regenwormen, en

houden deze zich nog voortdurend met denzelfden arbeid bezig. Het is

te betwijfelen, of eenig dier een even belangrijke rol heeft gespeeld

in de geschiedenis der aarde als deze laag georganiseerde wezens."

Evenals alle overige Oligochaeten, zijn de Regenwormen tweeslachtig. De

geslachtsorganen bevinden zich in den regel in het 9e à 15e segment. In

deze zelfde lichaamsafdeeling heeft het bij de Lumbriciden met rood

bloed gevulde gesloten vaatstelsel, dat soms gedeeltelijk door de huid

heenschemert, bijzonder wijde, kloppende ringvaten, die de beide groote

bloedvaten boven en onder het spijskanaal verbinden. Iets verder naar

achteren, ongeveer op het midden van de voorste lichaamshelft, merkt

men in den voortplantingstijd, vooral in het voorjaar, den gordel op

(zie de bovenstaande afbeelding onder a). Dit bij de paring noodige

orgaan kenmerkt zich door huidklieren, die veel slijm afscheiden

en wordt gevormd door zwelling van den rug en de zijden van 6 à

10 ringen; zijn kleur wisselt, al naar de soort, van witachtig of

geelachtig tot rood en bruin af. Ook door de plaats die de gordel

inneemt, onderscheiden zich de soorten; hij begint tusschen het 20e

en het 30e segment. De eieren worden gelegd in een door klieren van

den gordel gevormde slijmlaag, die ringvormig het lichaam omgeeft;

uit deze slijmlaag ontstaat, nadat de Worm haar van zich afgestroopt

heeft, een cocon met hoornachtigen wand, die verscheidene eieren bevat,

waarvan echter slechts één uitkomt. Gedaantewisseling komt bij de

Oligochaeten niet voor. De grootste en meest verbreide, inheemsche

soort is de Akker-aardworm [Lumbricus terrestris (L. agricola)],

die soms wel 40 cM. lang wordt en dan uit 200 ringen bestaat; hij

houdt zich niet slechts in de bovenste, maar ook in diepere aardlagen

op. Even veelvuldig, doch gewoonlijk nader bij de oppervlakte, ontmoet

men den meestal veel kleineren Gemeenen Aardworm (Lumbricus communis),

kenbaar aan den vorm van het kopsegment, dat van voren een inham en

aan de buikzijde een overlangsche groeve vertoont. Eenzaam of tot

kluwens vereenigd, slapen onze Aardwormen 's winters op een diepte

van 2 à 3 M. in den grond; zij keeren in de eerste warme lentedagen

naar het tooneel hunner werkzaamheid terug, doch komen over dag zelden

vrijwillig uit hunne schuilhoeken te voorschijn, daar zij het zonlicht

schuwen. Vooral na warme, niet te hevige regenbuien treft men hen

in de morgen- en avondschemering tot diep in den nacht buiten hunne

gangen aan; zij komen aan de oppervlakte om voedsel op te sporen en

om te paren.

De vreedzame, niet veel eischende Regenworm is een van de meest

vervolgde dieren. De vijandschap van den mensch drukt zwaar op zijn

geslacht. "In bloempotten," zegt Ritzema Bos, "mag men geen Regenwormen

dulden, daar het zuurachtige vocht, 't welk zij afscheiden, in een

zoo enge ruimte voor den groei der planten hinderlijk is. Hiervan

kan geen sprake zijn op den akker, waarin zij echter op eene andere

wijze nadeelig kunnen worden. Wel is mij herhaaldelijk voorgekomen,

dat de tuinlieden hen ten onrechte beschuldigden, jonge, sinds kort

ontkiemde plantjes van allerlei soort te hebben vernield, terwijl 't

mij bleek, dat nu eens Emelten, dan weer Ritnaalden, Engerlingen of

larven van Rozenkevertjes, bij bieten doorgaans de Bietenkevertjes,

de schuldigen waren. Maar toch heb ik vaak genoeg de gelegenheid

gehad, mij ervan te overtuigen, dat--vooral op vochtige plekken--de

Regenwormen vele kiemplanten en andere jonge planten van allerlei soort

in hunne gaten trekken om ze op te eten." Van de viervoetige dieren

maken vooral de Mollen, Egels en Spitsmuizen jacht op hen. Tallooze

Vogels, niet slechts die, welker voedsel uitsluitend of voor een

groot deel uit levende dieren bestaat, maar ook hunne gewoonlijk

zadenetende verwanten, beschouwen den Regenworm als een heerlijke

versnapering. Padden, Salamanders en Tritonen loeren 's nachts bij

zijn hol. Voor de Visschen, die alleen zijne in rivier- en zeeslib

levende verwanten kunnen belagen, is hij een verleidelijk lokaas. Nog

talrijker zijn de Wormen-etende Ongewervelde Dieren. De gewone

nachtelijke bezigheid van de groote Loopkevers en Kortschildkevers

bestaat in het opzoeken van dezen gemakkelijk te vermeesteren buit,

die in nog meerdere mate het aangewezen wild is van hunne larven. De

felste vervolging hebben de Aardwormen te verduren van de groote

Duizendpooten, die, uit het hol van de voor hen vluchtende prooi

komend, dikwijls midden op den dag niet schromen den strijd in het

door hen gehate zonlicht voort te zetten.

De Lumbriciden zijn in ruim 100 soorten, die een 20-tal geslachten

vormen, over de geheele wereld verbreid; men ontmoet ze nog op de

afgelegenste eilanden, voorzoover hier omstandigheden heerschen, die

hun het leven mogelijk maken. Zelfs bij den mond van de Lena komen

zij voor; verscheidene soorten zijn rondom de pool woonachtig: in

Noord-Amerika even overvloedig als in Europa en Siberië. Reusachtige

exemplaren worden in de keerkringsgewesten van de Oude en de Nieuwe

Wereld aangetroffen: sommige soorten van het geslacht Megacolex

bereiken een lengte van ruim 1 M. Andere onderscheiden zich door een

zeer in 't oog vallende kleur, b.v. hemelsblauw.

De naaste verwanten van de Aardwormen--een vijftal familiën met

ongeveer 120 soorten--worden vooral wegens den afwijkenden bouw

der voorttelings- en bloedsomloopsorganen in een afzonderlijke

onderorde samengevat onder den naam van Modderwormen (Limicolae),

welken zij rechtvaardigen door hun verblijf in zeer vochtigen grond,

modderig water of ondiepe plassen en beken. De meeste zijn aanmerkelijk

kleiner dan de Aardwormen; exemplaren van 12 cM. lengte zijn zeldzame

uitzonderingen.

Bij de Slingerwormen (Tubificidae) zijn de borstels van de bovenste

reeks dikwijls verlengd tot haren, die even lang zijn als het

lichaam breed is; de kleur dezer diertjes wordt tot rood of bruin

verhoogd door het geelroode of roode bloed, dat onder hunne dunne

lichaamsbekleedselen circuleert. De slijkerige, vervuilde bodem van

slooten en beken is dikwijls rood gekleurd door de aanwezigheid van

uiterst talrijke, 1 à 2 cM. lange, dunne, doorzichtige wormpjes. Deze

Bonte Slingerwormen (Tubifex rivulorum) houden het voorste deel van

't lichaam verborgen in de nauwe, door hen gegraven gangen, waarboven

het voortdurend heen en weer slingerende, achterste lichaamsdeel

uitsteekt. Zij bekommeren zich niet om de nabijheid van den voorzichtig

naderenden toeschouwer, maar verdwijnen onmiddellijk alle te gelijk in

hunne kwalijk riekende schuilhoeken, wanneer een slag op het water hen

verschrikt. Als men ze uit den modder trekt en in schoon water werpt,

kronkelen zij zich spiraalsgewijs ineen.

Een geheel andere levenswijze hebben de volkomen doorzichtige,

witachtige Waterslangetjes of Naïden (Naïdidae). Wanneer men uit een

met eendenkroos begroeiden vijver of sloot in 't wilde weg een aantal

plantjes opschept, zal men, nadat hun thuis de gelegenheid werd gegeven

zich over den waterspiegel te verspreiden, ongetwijfeld eenige, zoo

niet vele van deze sierlijke wormpjes opmerken; met behulp van haak-

en haarborstels weten zij met slangsgewijze kronkelingen hun weg te

vinden tusschen de wortels van het eendenkroos en de dooreengewarde

draden der conferven (van het flap).

De Snuitdragende Naïs [Naïs (Stylaria) proboscidea], die hoogstens 13

mM. lang wordt en veelvuldig bij ons in slooten, en poelen voorkomt,

is kenbaar en dankt haar naam aan het tot een langen, vooruitstekenden

draad verlengde kopsegment. Reeds Réaumur heeft opgemerkt, dat na

het doormidden snijden van dezen Worm elk stuk zich tot een volkomen

dier aanvult. De meest gewone wijze van vermenigvuldiging der Naïden

berust op een soortgelijk verschijnsel, dat echter uitsluitend

waargenomen wordt bij exemplaren, waarin nog geen geslachtsorganen

zichtbaar zijn. Zonder eenige uitwendige aanleiding ontwikkelt het

achterste segment zich tot een nieuw individu; het verlengt zich

sterk, verkrijgt oogstipjes en later ook ringvormige groeven in de

huid, doch blijft nog steeds verbonden met het oude dier, in wiens

achterste segment hetzelfde verschijnsel zich herhaalt. Op deze wijze

ontstaat gewoonlijk een lange reeks van Naïden, voordat de achterste

en oudste zich afscheidt om een zelfstandig leven te gaan leiden;

bij deze heeft dan dikwijls reeds de vervorming van het achterste

segment tot een nieuw wezen een aanvang genomen. Alle op deze wijze,

door knopvorming, ontwikkelde Wormen worden later geslachtsrijp en

brengen dan eieren voort.

Veel soortenrijker dan de vorige en nagenoeg geheel tot de zee beperkt,

is de orde der Veelborsteligen (Polychaeta). Hunne groote borstels

vertoonen zeer verschillende vormen, zijn soms "enkelvoudig", uit één

stuk, soms uit twee beweeglijk verbonden stukken "samengesteld". In den

regel ontspruiten zij in betrekkelijk grooten getale, bundelsgewijs

of op een rij naast elkander, op ongelede, knobbel- of kamvormige

voetstompjes (parapodiën), die aan weerszijden van 't lichaam een

dubbele reeks kunnen vormen (4 op ieder segment) en dan onderscheiden

worden in rug- en buikparapodiën. Deze zijn niet zelden zoo dicht

bijeengeplaatst, dat zij één zijwaarts gericht geheel uitmaken, al of

niet in twee lobben verdeeld en hierna "tweeriemig" of "éénriemig"

genoemd. Aan de voetstompjes komen dikwijls, behalve borstels, ook

nog andere aanhangsels voor; deze organen, die den vorm hebben van

gladde of in ringen verdeelde draden, kegels, cilinders, bladen,

schubben, enz., noemt men ranken of cirren. Gewoonlijk draagt ieder

segment er 2 (één rug- en één buikcirre, waarvan de eerste meestal

het sterkst ontwikkeld is), zelden meer. Andere aanhangsels van de

segmenten zijn de kieuwen, die eveneens een groote verscheidenheid

van vorm vertoonen. Soms zijn zij over een groot deel van 't lichaam

verspreid (bij de Rugkieuwigen), soms aan de voorste segmenten of

zelfs aan den kop gehecht (bij de Kopkieuwigen). De aanhangsels van

den kop heeten, al naar zij aan het eigenlijke kopsegment of aan het

mondsegment voorkomen, voeldraden of sprieten (antennen) en voelers of

tasters (palpen).--Nagenoeg alle Veelborsteligen zijn éénslachtig;

hun ontwikkeling gaat steeds met een (soms zeer samengestelde)

gedaantewisseling gepaard.

Een aantal familiën kan men onder den naam van Vrijlevende Rugkieuwigen

(Dorsibranchiata errantia) in een onderorde samenvatten. Deze hebben

een duidelijk begrensden kop en hieraan, in overeenstemming met hun

vrije, rondzwervende levenswijze, in den regel goed ontwikkelde oogen

en voeldraden. Een deel van het spijskanaal kan door de mondopening

naar buiten gestulpt worden en een slurf vormen, die bij de diereneters

(en deze vormen de meerderheid) met krachtige (soms kaakvormige),

voor 't grijpen van de prooi dienende tandplaten gewapend is. De

voetstompjes zijn goed ontwikkeld, doen als roeiwerktuigen dienst en

dragen borstels van zeer verschillenden vorm. Kieuwen zijn meestal

aanwezig als kam- of boomvormige aanhangsels aan het ruggedeelte van

de voetstompjes. De meeste leden dezer groep prijken met metaalachtige

kleuren; hun huid, welker haarvormige aanhangsels alle kleuren van

den regenboog weerspiegelen, schittert als een zijden kleed.

Gewoonlijk kent men den voorrang toe aan de familie der Zeerupsen

(Aphroditidae), welker rugcirren, meestal om de andere, vervangen

zijn door groote schubben, die den rug geheel bedekken. De kop

draagt in den regel drie voeldraden: een in 't midden en twee aan de

zijden. Alle hebben 2 of 4 oogen. Bij sommige geslachten vindt men

behalve de gewone (enkelvoudige of samengestelde) borstels, ook een

kleed van lange haren, die even prachtig iriseeren als de vederen

van de fraaiste Vogels der keerkringsgewesten en een vilt vormen,

dat de rugschubben bedekt en soms geheel aan 't oog onttrekt. Dit

laatste is het geval bij de Zeemuizen (Aphrodite), waarvan een soort,

de Fluweelen Zeemuis (Aphrodite aculeata), die soms wel 15 cM. lang

wordt, aan onze kust en in alle overige Europeesche zeeën veelvuldig

aangetroffen wordt. Zij gelijkt veel op de Stekelige Hermione (Hermione

hystrix), een der algemeenste soorten in de Middellandsche Zee. Deze

Wormen hebben een zeer bevallig, glinsterend voorkomen, nadat men ze

door herhaald afspoelen bevrijd heeft van het vuil, dat gewoonlijk

in groote hoeveelheid hun lichaam bedekt. De doornen van de schoone

Hermione zijn echter meer te vreezen dan die van het Stekelvarken

(Hystrix), daar weerhaken hen terughouden in de huid, waarmede zij in

aanraking komen. Om deze wapens bekommeren de Roofvisschen zich niet

veel. In het noorden worden allerlei soorten van Zeerupsen vooral

door Kabeljauwen en Schelvisschen, in de Middellandsche Zee door

verscheidene kleine Haaien met graagte verslonden.

Hoe fraai de leden van het 50-tal Europeesche soorten dezer familie

ook zijn, nog prachtiger vertegenwoordigers heeft zij aan de kusten

der keerkringzeeën.

Een typische Roofwormen-familie vormen de Nereïden (Nereidea)--met

hun slank, niet afgeplat lichaam, dat uit een groot aantal niet door

rugschilden bedekte segmenten bestaat--door de rustelooze bedrijvigheid

en de vlugge bewegingen, die hen kenmerken, en door het gebruik,

dat zij maken van de beide tangvormige aan bovenkaken van Insecten

herinnerende tandplaten, welke na het uitsteken van den schijnbaar

tweeledigen slurf vrij naar voren gericht zijn. Zij schitteren met

regenboogkleuren; hun eigenlijke kleur is effen blauw-, bruin-, geel-

of roodachtig. In alle zeeën maken zij een belangrijk deel van de

kust-fauna uit. Een van de meest bekende der bij onze kust voorkomende

soorten is de 10 à 20 cM. lange, 7 à 10 mM. breede Zeeduizendpoot

(Nereis pelagica).

De tweede onderorde van de Veelborstelige Ringwormen is die der

Kokerwormen (Sedentaria of Tubicolae), die men naar de kieuwen

in 3 groepen kan verdeelen. Van de Rugkieuwigen (Notobranchiata)

is de Zeeworm of Zeepier (Arenicola piscatorum) een der meest

bekende vertegenwoordigers. Hij kan een lengte van 22 cM. bereiken

en is zeer verschillend van kleur: groenachtige, geelachtige en

roodachtige tinten hebben de overhand; sommige exemplaren zijn zeer

licht, andere donker, bijna zwart van kleur. Blijkbaar staat dit

verschil in verband met de ongelijke gesteldheid van den bodem,

daar de lichte variëteit uitsluitend in bijna zuiveren zandgrond,

de zwarte in sterk met rottende organische stoffen gemengde, bijna

slijkerige aarde voorkomt. De kleine, kegelvormige kop draagt zoo min

voelers als oogen. Het voorste deel van 't spijskanaal kan uitgestulpt

worden tot een bekervormigen slurf zonder tandplaten. Aan het lichaam

onderscheidt men zeer duidelijk drie groote afdeelingen. Het gezwollen,

voorste gedeelte bestaat uit 7 segmenten, waarvan de 6 achterste aan

de korte, tweevinnige voetstompjes, die aan de zijden van den rug

voorkomen, borstelbundels, doch geen kieuwen dragen. Zonder scherpe

scheiding volgt nu het naar achteren allengs dunner wordende, 13-ledige

middendeel, aan welks voetstompjes men, behalve borstelbundels, ook

bossen van roodachtige, boomvormig vertakte kieuwen opmerkt. Aan

de zuiver rolronde, achterste en dunste afdeeling, welks lengte

ongeveer 1/3 van de geheele lichaamslengte uitmaakt, bevinden zich

geen aanhangselen.

Door aan het voorste deel van 't lichaam beurtelings den vorm van

een spitsen kegel te geven en het tot een cilinder te doen opzwellen,

boort deze Worm op ons zeestrand gangen van 3 à 7 dM. diepte in het

vochtige zand, met welks organische bestanddeelen hij zich voedt. De

kleine, gekronkelde rolletjes, die hij door de aarsopening uitwerpt en,

evenals de Aardworm, boven den ingang zijner woning ophoopt, verraden

zijn aanwezigheid in den bij eb droog liggenden zeebodem. De gang heeft

twee dicht bijeenliggende openingen en is gevoerd met een dun kokertje

van zandkorrels, aaneengekleefd door de geelgroene vloeistof, die (ook

bij aanraking van het dier) uit de huid te voorschijn komt. De koker,

die zich onmiddellijk met helder water vult, is wijd genoeg om aan

de kieuwen vrij spel te laten. De Zeepier kruipt bij de geringste

schudding van den bodem door een voetstap ten spoedigste zoo ver

mogelijk in zijn gang. Om haar te vangen, steekt men tusschen de

beide gaten een haak in den grond tot beneden de diepte, waarop men

de lusvormige kromming van den koker vermoedt; menigmaal wordt echter

de haak vergeefs opgetrokken. Het naar boven gebrachte dier is nog

met stukken van zijn koker bedekt.

De Zeepier bewoont nagenoeg alle kusten van Europa en Groenland;

zij is bijna de eenige Worm, die handelswaarde heeft, daar men haar

als lokaas bij de schelvischvangst gebruikt. Alleen op het eiland

Norderney worden ieder jaar 9 1/2 millioen Zandpieren ter waarde van

7000 à 9000 gulden met dit doel verzameld. In de maanden Maart en

April vindt men naast de zandhoopjes van de Zandpier een peervormig,

met een tamelijk lang steeltje in 't zand bevestigd geleiklompje,

dat de lichtroode, ruim 1/4 mM. dikke eieren bevat.

Kokerbewoners zonder kieuwen (Abranchiata) zijn o.a. de

Borstelvinwormen (Chaetopterus), die van alle overige leden

der orde aanmerkelijk verschillen en een afzonderlijke familie

vertegenwoordigen. Ook bij hen bestaat het lichaam uit drie

ongelijke afdeelingen. De kop van de hiernevens afgebeelde soort

is trechtervormig, aan de rugzijde uitgesneden en hier van twee

voelers voorzien. De 9 volgende segmenten hebben langwerpige, platte

voetstompjes, die aan den bovenrand een bundel van bruine borsteltjes

dragen. Zeer opmerkelijk is de vorm van de 5 segmenten der middelste

afdeeling. Aan de 3 laatste ontbreken de bovenste voetstompjes; die

van de beide eerste vormen op het midden van den rug een kam met 2

op voelers gelijkende uitsteeksels, die zich ver over het voorste

deel van den rug uitbreiden. De onderste voetstompjes zijn aan het

eerste segment breed, naar de buikzijde omgekruld en hier vereenigd;

aan de 4 overige segmenten hebben zij een driehoekigen vorm en een

zijwaartsche richting. Het tweede segment is zeer sterk gezwollen en

paarsachtig zwart van kleur. De achterste lichaamsafdeeling bestaat uit

ongeveer 50 leden, die door de sterk zijwaarts verlengde voetstompjes

zeer breed schijnen. Het bedoelde dier werd gevonden in diep water

aan de kust van Normandië en in de Middellandsche zee. Het bereikt

een lengte van 22 cM. en is omgeven door een 32 cM. langen koker, van

een uit verscheidene lagen bestaande, op grof, geelachtig perkament

gelijkende stof. Gewoonlijk is deze koker gekromd en aan een of ander

vast lichaam bevestigd. Een merkwaardig schouwspel levert de Worm,

die uit zijn woning verwijderd is, niet op, althans bij daglicht,

daar hij zich nagenoeg niet beweegt; in een donkere ruimte echter

straalt hij een helder, blauwachtig licht uit, van voldoende sterkte

om de omstanders te herkennen en op een horloge te zien, hoe laat het

is. Wolksgewijs verbreidt dit licht zich door het omgevende water,

daar het vermoedelijk veroorzaakt wordt door een dik, taai slijm,

dat uit de huid komt en het materiaal levert voor den als woning

dienenden koker. Deze kleverige stof bemoeilijkt het onderzoek van

het dier, daar zij zich aan de vingers en instrumenten hecht.--Ook

andere in de golf van Napels levende soorten van hetzelfde geslacht

vertoonen de genoemde eigenschappen.

De derde groep van Kokerwormen wordt gevormd door de Kopkieuwigen

(Cephalobranchiata), zoo genoemd, omdat de weeke draad- of boomvormige

aanhangsels, die voor de ademhaling dienen, zich aan den kop of althans

aan de voorste segmenten bevinden. Zij bewonen kokers, waaruit zij

nooit vrijwillig te voorschijn komen. In overeenstemming hiermede

zijn de aanhangsels van de meeste segmenten, behalve de voorste,

veel minder ontwikkeld dan bij de vrij levende Veelborsteligen en is

de levenswijze vreedzamer, zooals ook blijkt uit het ontbreken van

tandplaten in de (niet voor uitstulping geschikte) mondholte.

Stel, dat men ons met versch van een oesterbank losgemaakte Oesters

een onregelmatige, uit zand en zandkokertjes bestaande korst,

een kolonie van Zandkokerwormen [Hermella (Sabellaria) alveolata]

gebracht heeft. De kokers (fig. 1), die van aaneengekleefde, fijne

zandkorreltjes vervaardigd zijn, liggen ordeloos op en over elkander;

elke koker heeft een vrij boven de omgeving uitstekende opening en is

onafhankelijk van de overige door haar bewoonster gebouwd; later echter

hebben de tusschenruimten dezer woningen zich gevuld met zand, dat een

tamelijk groote stevigheid verkregen heeft, daar het doordrongen werd

met een kleverige stof, een afscheidingsproduct van de hier wonende

dieren. Ten gevolge van de onaangename verandering van omstandigheden

hebben de Wormen zich nu in hunne schuilplaatsen teruggetrokken; achter

den ingang van iederen koker ziet men een metaalachtig glinsterend

deksel. Wanneer men echter de geheele kolonie in een bak met zeewater

plaatst, doet de behoefte om met de buitenwereld in gemeenschap te

komen zich weldra gevoelen; het deksel wordt tot in de opening naar

buiten geschoven en opgelicht; twee bundels van fijne draden komen

te voorschijn. De kop is nu zichtbaar, maar wordt bij de geringste

aanraking onmiddellijk teruggetrokken. Het is niet mogelijk het dier

nader te leeren kennen, tenzij men het kokertje openbreekt en den

hevig kronkelenden Worm in een klein glas met zeewater overbrengt,

waar hij weldra tot kalmte komt.

De eigenaardige vorm van den kop (fig. 2) is een gevolg van het

vergroeien der beide groote voelers (a), die aan hun afgeknot einde

eenige reeksen van breede, ten deele getande, platte borstels dragen;

op deze wijze hebben zij de geschiktheid verkregen om als een deksel

of prop den ingang van den koker te sluiten. Waarschijnlijk doen ook

de beide bundels van draden (b), die aan weerszijden onder den mond

voorkomen, als ademhalingsorganen dienst; de echte kieuwen (d) komen

echter in vorm en plaatsing met die der Rugkieuwigen overeen. Het

zijn de tongvormige aanhangsels, die men aan alle met voetstompjes

uitgeruste segmenten waarneemt. De laatste afdeeling van het lichaam

(e) draagt geen borstels, is rolrond en vertoont ringvormige groeven.

Een van de grootste en veelvormigste familiën van de Kopkieuwigen

is die der Terebellen (Terebellacea). Het langwerpige, maar zeer

samentrekbare en weeke lichaam dezer Wormen is cilindervormig en

meestal van voren het dikst. Aan den kop vindt men een dwarsreeks of

twee zijdelingsche bundels van voeldraden, die bij eenige soorten,

o.a. bij Terebella nebulosa, een zeer algemeene bewoonster van de

Middellandsche Zee, zoo talrijk zijn, dat men ze moeielijk zou kunnen

tellen. Deze organen zijn voortdurend in beweging, kronkelen zich als

Slangen, worden afwisselend langer en korter en kruipen door elkander

heen, als waren het zelfstandig levende wezens. Daar zij meestal een

geelachtige of roodachtige kleur hebben, leveren zij, op deze wijze

dooreenwriemelend, een aangenaam schouwspel op. De typische Terebellen

hebben aan de voorste lichaamssegmenten verscheidene kieuwen. Bij

de hiervoor (fig. 3) afgebeelde (Terebella emmalina) die in de baai

van Biscaye gevonden wordt en van schelpgruis en zand zeer breekbare

kokertjes bouwt, merkt men 3 sierlijk vertakte boomvormige kieuwen

op. Zes van deze organen vindt men bij den aan onze kust veelvuldig

voorkomenden Gewonen Schelpkokerworm [Terebella (Lanice) conchilega].

Bij de Serpulaceën (Serpulacea) zijn de kieuwen geheel aan het voorste

uiteinde van 't lichaam gezeten; door de haar bekleedende trilharen

wordt een strooming in 't water veroorzaakt, die aan de onmiddellijk

daaronder gelegen mondopening voedsel toevoert. Het kopsegment is bij

hen niet, gelijk bij de meeste andere Ringwormen, van het mondsegment

gescheiden, maar er mede vergroeid. Een soort van breeden kraag

begrenst den kop van achteren.--Bij de leden van het soortenrijke

geslacht der Kalkkokerwormen (Serpula) treft men een knotsvormig

deksel aan, dat door een draadvormigen steel gedragen wordt, door

vervorming van 1 of 2 kieuwdraden ontstaan is en den koker sluit,

nadat het dier zich er in teruggetrokken heeft. De microscopisch

fijne eigenaardigheden van het deksel zijn zeer belangrijk voor

het onderscheiden der soorten en leveren bovendien een zeer fraai

schouwspel op, daar zij bij de eene soort uit tandjes, bij een andere

uit een kroontje, bij nog andere uit stekels en dergelijk organisch

snijwerk bestaan. Niet minder verschillend van maaksel zijn de

kalkkokers, die deze dieren bewonen. Alle leven aanvankelijk vrij en

ondergaan gedaantewisseling. Lang voordat deze afgeloopen is, zweet het

jonge dier een kalkkoker uit, die aanvankelijk den vorm heeft van een

aan beide einden geopenden cilinder. Naarmate het dier groeit, wordt

ook zijn woning langer en wijder. Oorspronkelijk was zij over haar

geheele lengte met den bodem in aanraking, aan deze zijde afgeplat,

van boven echter met strepen, plooien, kanten en bij eenige soorten

ook met tanden en inkervingen aan de kopopening versierd. Dikwijls

verheft zich het later gevormde deel spiraalsgewijs gekronkeld boven

het ondersteuningsvlak. Vooral de worteleinden der kieuwen en de

kopkraag spelen bij de afscheiding van het materiaal van den koker

een belangrijke rol; zij zijn in dit opzicht te vergelijken met den

mantel der Weekdieren.

In alle zeeën treft men eenige van de zeer talrijke soorten van

Serpula aan; alle leveren, zoodra zij den kop uit den koker steken

en de kieuwen waaiervormig uitspreiden, een zeer aantrekkelijk

schouwspel op. De grootste bekoring gaat uit van de meestal geel,

rood of bontgekleurde kieuwdraden. Op deze tot ademhalingswerktuigen

vervormde voeldraden bespeurt men bij sommige soorten eigenaardige

rood- of paarsgekleurde vlekken. Boven elk dezer oogen ligt een op

een steel rustend, bladvormig orgaan, dat zich bij het intrekken der

kieuwen over de oogen heen legt en ter hunner beschutting dient. Ook

de bloedvaten, die door de huid heenschemeren, maken een zeer fraaie

vertooning. Bij sommige soorten is het bloed groen, bij andere

roodachtig, bij nog andere volkomen kleurloos.

Tot de naaste verwanten van de Kalkkokerwormen behooren de

Kokerscolopenders (Sabella), die het deksel missen en door

uitzweeting van een kleverige stof lederachtige, buigzaam blijvende

kokertjes vormen, welke, met zandkorrels en schelpgruis bedekt, veel

overeenkomst vertoonen met die der Terebellen. Op onze kust vindt men

vrij algemeen den 2 1/2 à 3 c.M. langen Gepluimden Kokerscolopenders

(Sabella pavonina).

Hoewel het aantal vrij levende en kokers bewonende Wormen, die op

de vorige bladzijden den lezers zijn voorgesteld, uiterst gering is

in verhouding tot de menigte, welke de zee te aanschouwen geeft,

zullen wij een poging wagen om een gemeenschappelijk beeld van de

levenswijze dezer dieren te ontwerpen.

Een groot aantal Ringwormen is in staat om van het eene vloedgetij

tot het andere te blijven leven op het van water ontbloote zand

of slijk of in de vrij hierop rustende kokers; geen enkele kan

echter op den duur bestaan in de strandstrook, die alleen bij

hoogen waterstand door de golven bespoeld wordt. Tot de Wormen,

die het naast bij de kust voorkomen, behooren de Aphroditen,

Nereïden en Zeepieren. Met uitzondering van een aantal soorten,

die, gelijk de Serpulen en Hermellen, vastzittende kokers bewonen,

boren de meeste Ringwormen gangen in den bodem en houden zich op in

zand of slijk, bij voorkeur echter in kleiachtig zand, dat tweemaal

per dag bij vloed overstroomd wordt en bij eb weer droog loopt. Dit

geldt evenwel slechts van die kusten, waar het verschil tusschen eb

en vloed aanzienlijk is. In de Adriatische Zee, waar het verschil

in waterstand slechts 30 à 60 cM. bedraagt, blijven de meeste

Ringwormen altijd onder den waterspiegel. Overal echter graven de

meeste bewoners van de strandstreek, die slechts tijdelijk door het

water bedekt is, gangen in den grond en geven daarom de voorkeur aan

een bodem, die door een behoorlijke verhouding tusschen de klei en het

zand een zekere stevigheid heeft en toch het graven niet al te zeer

bemoeilijkt. Het best zijn alle gunstige omstandigheden vereenigd op

plaatsen, waar onderzeesche weiden van zeegras (Zostera) voorkomen;

zij leveren een rijken oogst, wanneer men bij laag water den bodem

omspit. De plantenetende soorten vinden hier een overvloed van

voedsel; haar aanwezigheid lokt de diereneters aan. Zeer gezochte

schuilplaatsen leveren rotsspleten; een aantal van de teerste

vormen, o.a. de Kraalsprietwormen (Syllidae) en de kleine Nereïden,

verschuilen zich tusschen bruinwieren en corallinen. Overal waar deze

planten zich in de branding hebben gevestigd, heeft men de zekerheid,

de bedoelde, kleine Ringwormen te zullen vinden. In open water, in

de onmiddellijke nabijheid van de kust houden deze dieren, zooals

gemakkelijk te begrijpen is, zich niet op. Zoetwater werkt op vele

soorten als vergif; sommige sterven hierin onmiddellijk, andere na

eenige stuiptrekkende kronkelingen.

Het beeld, dat wij hebben trachten te schetsen van den bouw en het

leven der Borstelwormen zou, zonder eenige mededeelingen over hun

ontwikkelingsgang zeer onvolledig zijn. Dit deel van hun geschiedenis

kan leiden tot verklaring van vele raadselachtige verschijnselen,

brengt verwantschapsbetrekkingen aan 't licht, die men langs een

anderen weg niet of niet licht ontdekt zou hebben en mag daarom niet

geheel voorbijgegaan worden. Verreweg de meeste Veelborsteligen zijn òf

mannelijk òf vrouwelijk, betrekkelijk weinige (b.v. eenige soorten van

Nereïden en Serpuliden) tweeslachtig, evenals alle Oligochaeten. Deze

leggen verscheidene eieren in een gemeenschappelijken cocon; de

ontwikkeling der jongen heeft zonder gedaantewisseling plaats, daar de

kiem op het oogenblik, dat zij den cocon verlaat en dus als zelfstandig

wezen optreedt, slechts door een geringer aantal segmenten van het oude

dier verschilt. Verreweg de meeste Veelborsteligen daarentegen leggen

de eieren groepsgewijs, zonder gemeenschappelijk hulsel; de jongen

ondergaan in dit geval een ware gedaantewisseling. Nadat de geheele

inhoud van het ei zich in cellen heeft verdeeld, ontwikkelen zich op

de dus gevormde, bolronde kiem trilharen, die bij sommige gelijkmatig

over de geheele oppervlakte verdeeld zijn, bij andere hierop slechts

één gordel innemen. Nu reeds begint het zelfstandig leven van het

nieuwe wezen en is het dus van kiem "larve" geworden. Voordat er nog

eenig spoor van inwendige organisatie valt waar te nemen, draaien en

bewegen zich de larven met behulp van hare trilharen. Terwijl de larve

een meer langwerpigen vorm verkrijgt, blijft de trilhaarbekleeding tot

één hoepelvormigen streek beperkt, of neemt het aantal wimpergordels

toe. Naarmate de geleding voortschrijdt--voetstompjes zich ontwikkelen,

waarin zich bundels van borstels vertoonen, hetgeen gepaard gaat

met het ontstaan en de verdere uitbreiding van de inwendige organen

(zooals van het spijskanaal), met de vorming van oogen, enz.--,

verdwijnen de wimpergordels hoe langer hoe meer. Ook hier bestaat

de gedaantewisseling dus in het allengs vervangen van tijdelijke,

voor het larveleven bestemde organen door de werktuigen, die het

volwassen dier behoeft. Hierbij valt bovendien op te merken, dat de

soorten, welker leden zich later vasthechten en hun lichaam met een

koker omgeven, gedurende de jeugd in zekeren zin hooger georganiseerd

(volkomener bewerktuigd) zijn dan op lateren leeftijd. De larven van

de Terebellen en van andere Kokerwormen hebben oogen en leiden een

soortgelijk leven als de Rugkieuwigen, die over 't algemeen op een

hoogeren trap van volkomenheid verkeeren. Hun verdere groei gaat dus

met een teruggaande gedaantewisseling gepaard.

Behalve geslachtelijke, merkt men bij sommige Veelborsteligen ook

ongeslachtelijke voortplanting op. Vooral de Kraalsprietwormen

(Syllidae) vertoonen het verschijnsel van knopvorming; bij Syllis

prolifera, een 6 à 16 mM. lang wormpje, dat de Middellandsche

Zee en den Atlantischen Oceaan bewoont, splitst het lichaam zich,

ongeveer in het midden in 2 stukken, nadat aan het voorste segment

van het achterste stuk door knopvorming een nieuwe kop ontstaan

is. Slechts in het achterste individu ontwikkelen zich, na de

afscheiding, voortplantingsorganen. Het voorste vermeerdert door

deeling zijn aantal segmenten, waarna het zich opnieuw in twee stukken

splitst.--Bij het verwante geslacht Myrianida (waarvan twee, 3 à 4

cM. lange soorten de Middellandsche Zee bewonen) komt een soortgelijk

verschijnsel voor. Uit eenige van de achterste segmenten van het

moederdier ontstaat een nieuwe individu, dat echter vastgehecht

blijft, totdat het een voldoende lengte heeft bereikt; intusschen

hebben ook de achterste segmenten van het voorste dier zich tot een

nieuw wezen ontwikkeld en heeft ditzelfde plaats gehad met die, welke

hieraan voorafgaan. De achterste knop geraakt soms niet eerder los,

voordat er een vijftal andere knoppen op weg zijn om zijn voorbeeld

te volgen.--Nog anders geschiedt de knopvorming bij het geslacht

Autolytus, waarvan in de Middellandsche Zee 5 soorten voorkomen,

en 1 soort--Autolytus prolifer (4 à 12 mM. lang)--ook in de Noordzee

aangetroffen wordt. Het voorste dier blijft hier steeds geslachtloos;

zijne achterste segmenten ontwikkelen zich deels tot mannetjes,

deels tot wijfjes. Deze geslachtelijke generatie is dus langs

ongeslachtelijken weg ontstaan en zal, door hare bevruchte eieren,

aan nieuwe, geslachtloos blijvende wezens het aanzijn schenken. Hier

doet zich dus een geval voor van den ontwikkelingsgang, die men

teeltwisseling noemt; het komt in hoofdzaken overeen met dat, waarvan

bij de beschouwing der Plantenluizen sprake was.

Borstelwormen komen in alle zeeën voor; aan onze kust vindt men er,

volgens Maitland's "Prodrome", een zestigtal (het aantal inheemsche

Oligochaeten bedraagt ruim 20); in de Oostzee leven 33 soorten. Het

blijkt niet, dat zij in warmere zeeën over 't algemeen veelvuldiger

zijn dan in koudere, hoewel sommige familiën tusschen de keerkringen

een rijkere ontwikkeling vertoonen.

De Borstelwormen, die op groote diepten de zee bewonen, kunnen

natuurlijk niet van plantaardig voedsel leven, omdat in hun gebied

geen plantengroei bestaat. Voor zoover zij niet door roof in hun

onderhoud voorzien, vullen zij hun spijskanaal met zand en slib en

verteren de hierin aanwezige organische stoffen.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 6: De Wormen · 第 10 / 25 题