DE KIEUWSPLEETWORMEN (Enteropneusta).
De 6 soorten van het geslacht Balanoglossus (Eikeltong), die de
bovengenoemde klasse vormen, komen in lichaamsbouw het meest met
Wormen overeen, maar ontwikkelen zich uit larven, welke op die der
Stekelhuidigen gelijken. Door de geheel afwijkende inrichting der
ademhalingsorganen herinneren zij aan sommige Manteldieren en zelfs
aan de laagst ontwikkelde Visschen, hetgeen een nadere verwantschap
van de Balanoglossen tot de Gewervelde Dieren doet vermoeden. Sommige
dierkundigen willen daarom aan deze groep den rang van hoofdafdeeling
toekennen.
De hiernevens afgebeelde soort leeft in de Middellandsche Zee op 1 of
2 vademen diepte. De eivormige voorste afdeeling van het langwerpige,
cilindervormige, slijmerige lichaam, de eikel, is van den daarop
volgenden kraag gescheiden door een diepe insnoering, waarin zich de
mondopening bevindt. De eikel, welks groote inwendige holte door twee
openingen met water gevuld en geledigd kan worden, verandert hierdoor
van vorm en omvang; hij dient, behalve als hechtorgaan bij het kruipen,
als boor bij het graven van gangen in den zeebodem, waarin het lichaam
gewoonlijk tot aan den mond verborgen is. Het spijskanaal, waarin,
behalve voedsel, ook water wordt opgenomen, staat in gemeenschap
met twee overlangsche reeksen van kieuwzakken, die in het voorste
of kieuwgedeelte van den romp aan de rugzijde liggen. Het water,
dat voor de ademhaling heeft gediend, stroomt weg door een reeks van
ongeveer 20 fijne spleten aan de buikzijde. De wijdste afdeeling van
het spijskanaal bevindt zich in het maaggegedeelte van den romp;
zij is steeds gevuld met zand, welks organische bestanddeelen het
dier tot voedsel dienen. De staart is ringvormig gegroefd; door de
eindstandige aarsopening wordt het zand uitgeworpen, dat naast de
opening van de gang, hoopjes vormt.