TWEEDE KLASSE.

DE BRUGWORMEN (Gephyrei).

Over de plaats, die de Brugwormen of Sterwormen (Gephyrei) in het

stelsel behooren in te nemen, heeft een groot verschil van meening

geheerscht. Door sommige dierkundigen werden zij tot de Stekelhuidigen,

door anderen tot de Wormen gerekend, hetzij tot de Anneliden of tot

de Acanthocephalen. Daar zij op zekere hoogte een overgang (een brug)

vormen van de Zeerollen (Holothuria) tot de Wormen, noemt men hen

Brugwormen. Tegenwoordig telt de meening, dat zij gedegenereerde

Ringwormen zijn, vermoedelijk de meeste aanhangers. Zonder nadere

beschouwingen over den graad van verwantschap van deze kleine groep van

zeedieren met andere groepen, bepalen wij ons tot eenige inlichtingen

over de drie afgebeelde vormen.

Bonellia viridis (fig. a), kenbaar aan haar in twee vleugels

eindigenden snuit, leeft in de Middellandsche Zee en aan

de Canadeesche kust, verborgen tusschen steengruis en in

rotsspleten. Een groene kleurstof doordringt zoowel den snuit als

het overige lichaam. Dit is met vele wratjes bedekt en kan zich

op allerlei wijzen insnoeren en samentrekken. De snuit is, zoo

mogelijk, voor nog grootere vormsveranderingen geschikt, daar hij,

bij groote exemplaren van ongeveer 8 cM. lichaamslengte, meer dan 50

cM. ver kan worden uitgestoken en in saamgetrokken toestand slechts

een paar cM. lang is. De mondopening is een met trilharen bekleede,

overlangsche groeve aan den wortel van den snuit. Nu en dan verlaat

de Bonellia haar schuilhoek en kruipt over den bodem met behulp van

haar snuit, welks voorste hoornen als hechtorganen dienst doen. De

groote buigzaamheid van het lichaam stelt haar in staat zeer nauwe

rotsspleten tot schuilplaats te bezigen; van het volle daglicht is

zij afkeerig, de morgenschemering bevalt haar beter. De mannetjes,

die men eerst sinds kort als zoodanig heeft leeren kennen, hebben een

geheel ander voorkomen dan de wijfjes, zijn nietig klein en gelijken

op Turbellariën.

Tot een over alle zeeën verbreide familie van Brugwormen behoort het

geslacht Phascolosoma, welks meeste leden, evenals die van eenige

andere geslachten, in steengruis en gesteenten gangen bewonen, die

zij zelf geboord hebben. Phascolosoma vulgare, die aan de Europeesche

kusten en in de Roode Zee voorkomt, heeft een lichaamslengte van 25 mM.

Voor de rangschikking is, behalve het al of niet aanwezig zijn van een

terugtrekbaren snuit, ook de plaatsing van de afvoeropening van het

spijskanaal aan den rug, nader bij het voorste dan bij het achterste

uiteinde van 't lichaam, een belangrijk kenmerk. Hiermede gaat bij

de Spuitwormen (Sipunculus) een door overlangsche en dwarse ribben

netvormige huid gepaard. De Gewone Spuitworm (Sipunculus nudus), die

in de Europeesche zeeën, maar ook in die van Oost- en West-Indië,

van het strand tot op 2400 M. diepte aangetroffen wordt, kan een

lengte van 15 cM. bereiken. Nu en dan vindt men hem ook op ons strand.

De derde van de hier afgebeelde dieren, Priapulus caudatus, verdient

reeds door zijn uiterlijk een afzonderlijke plaats. De snuit is

zwak knotsvormig verdikt, aan de afgeknotte voorvlakte voorzien van

een tamelijk groote mondopening, aan de zijden van 25 overlangsche

ribben, die met kleine, scherpe puntjes bezet zijn. Het eigenlijke

lichaam is van den snuit door een insnoering gescheiden en vertoont

duidelijke, ringvormige groeven. Het eindigt in één voorbij de

aarsopening uitstekend aanhangsel, welks oppervlakte met papillen

bezet is, die waarschijnlijk als kieuwen dienst doen. (Bij andere

soorten komen twee staartaanhangsels voor.) De buikzenuwstreng,

die men door de huid heen kan zien, is evenals bij alle Gephyreën,

ongeleed, niet in gangliën verdeeld. Deze worm kan 18 cM. lang worden;

hij bewoont, naar het schijnt, uitsluitend de noordelijke zeeën van

Groenland, IJsland en Noorwegen tot aan de Duitsche kusten; zijn

veelvuldigheid neemt naar het noorden toe. De gangen, die hij op

verschillende diepten in den kleiachtigen of zandigen bodem graaft,

waarschijnlijk door het beurtelings uitsteken en terugtrekken van den

snuit, zijn groot genoeg om er het geheele lichaam in te verbergen en

verraden haar aanwezigheid door het daarnevens ontstaande aardhoopje.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 6: De Wormen · 第 7 / 25 题