DE RADERDIEREN (Rotatoria).
De Raderdieren zijn in 1865 door Leeuwenhoek ontdekt, ongeveer in
denzelfden tijd als de Infusoriën, die als hunne naaste verwanten
werden beschouwd, totdat Ehrenberg de hoogere organisatie van de
Raderdieren aantoonde. Hoewel sommige dierkundigen hen tot de
Schaaldieren hebben gerekend, waaraan hun uiterlijk eenigszins
herinnert, zijn zij het naast aan de Wormen verwant. De grootste
soorten bereiken een lengte van 2 mM.; verreweg de meeste zijn echter
geen halve mM. lang. Bijna zonder uitzondering is hun lichaam zoo
doorzichtig, dat men bij het levende dier zelfs van de binnenste
organen het maaksel in alle bijzonderheden door den microscoop kan
nagaan. Wegens de stevigheid van de lichaamsbekleedselen levert dit
onderzoek geen moeilijkheden op. De meeste Raderdieren verschaffen een
zeer merkwaardig schouwspel aan ieder, die ze bij 200- à 300-voudige
vergrooting beschouwt. Zij zijn over de geheele aarde verbreid en
bijna overal te verkrijgen; zij leven in zoet- en in brak water,
enkele ook in de zee; men vindt ze in het mos op de daken en in
het stof van dakgoten; dikwijls (vooral in 't midden van den zomer)
is hun aantal zoo groot, dat zij als een melkachtige schimmellaag de
waterplanten bedekken. Hoewel de uitwendige gedaante der Raderdieren
zeer uiteenloopt, stemmen zij in maaksel zoozeer overeen, dat men ze
nagenoeg alle kent, wanneer men er één nauwkeurig heeft nagegaan. Als
voorbeeld kiezen wij de Vierhoornige Schilddrager (Noteus quadricornis)
van de familie der Schildraderdieren (Loricata), die zich kenmerken
door het harde, schildvormige pantser, dat hun van boven naar
onderen samengedrukt lichaam omgeeft. Bij onze soort is het van
voren op sierlijke wijze uitgesneden en van 4 op hoornen gelijkende
uitsteeksels voorzien. Het voorste deel van 't lichaam is met een weeke
huid bedekt en kan geheel onder dit pantser teruggetrokken worden. Bij
't zwemmen en eten ontplooit het dier zijn raderorgaan; dit bestaat
uit twee halfschotelvormige, vleezige lobben, die door spieren
teruggetrokken en door het inpersen van bloed uit de lichaamsholte
naar buiten gestulpt kunnen worden; haar vrije rand is bezet met een
reeks van teere wimpers, die het dier willekeurig in trilling brengt;
het geheele toestel maakt dan bij vele Raderdieren den indruk van twee
raderen, die snel om hun as draaien. Bij Noteus heeft het raderorgaan
tusschen de twee groote lobben een eveneens met trilharen bedekten
kegel. Bij andere geslachten is de trilhaarschijf onverdeeld, bij
nog andere in meer dan 2 lobben gesplitst, enz. Door de beweging der
wimpers zwemt het dier op zeer elegante wijze, terwijl het langzaam om
zijn as draait en dus spiraallijnen beschrijft. Tevens wordt hierdoor
een maalstroom in 't water veroorzaakt, die--geholpen door de beweging
van de wimpers langs den rand van den trechter, welks diepste deel
den mond vormt--de voedseldeeltjes in het spijskanaal voert. Dit
geschiedt vooral, nadat het dier als 't ware voor anker is gaan
liggen, hetwelk geschiedt met de tang, waarin de "voet", het dunnere
achterste gedeelte van 't lichaam, eindigt. In de spitsen van deze
tang monden n.l. 2 langwerpige "cement-klieren" uit, die een kleverige
stof afscheiden. Wanneer aan den druppel water, waarin het onder den
microscoop liggende dier zich bevindt, een fijn verdeelde kleurstof,
indigo of karmijn, wordt toegevoegd, kan men den hevigen maalstroom,
die de vaste deeltjes naar den mond voert, duidelijk waarnemen.
De Raderdieren zijn met een paar kaken uitgerust. Bij Noteus zijn
zij ongeveer handvormig; bij vele andere gelijken zij op een tang
met spitsen bek; voor ieder geslacht hebben zij een vasten vorm, die
niet minder karakteristiek is dan die van de tanden der Zoogdieren;
evenals bij deze, kan men uit den vorm der kaken de levenswijze van
het dier afleiden. In de as van het lichaam bevindt zich het bochtige,
zeer ruime darmkanaal (a). Men ziet het voedsel in de maag door de
werking van de trilharen, die haar wand bekleeden, een ronddraaiende
beweging behouden, die tot op zekere hoogte de peristaltische beweging
van andere dieren vervangt. De beide vleugelvormige aanhangselen (b)
van het bovenste deel van 't darmkanaal kan men met speekselklieren
vergelijken. Een vaatstelsel komt bij de Raderdieren niet voor, evenmin
een hart. Het bloed is bevat in de ruimte tusschen het spijskanaal
en den lichaamswand en wordt verdund door het willekeurig opnemen van
water. Dikwijls ziet men de Raderdieren zich samentrekken en hierdoor
den omvang van hun lichaam aanmerkelijk verminderen. Dit kan op geen
andere wijze gebeuren dan door het naar buiten persen van een groot
deel van het in de lichaamsholte aanwezige vocht; waarvoor, zoodra
het lichaam zijn oorspronkelijk volume herkrijgt, door een opening in
den nek water uit de omgeving in de plaats komt. Bovendien heeft een
geregelde afvoer van stoffen uit het bloed plaats door slangsgewijs
gekronkelde kanalen (d), die een aantal knotsvormige "wimperorganen"
dragen, ieder met één opening. Deze zoogenaamde watervaten--welke men
ook aantreft bij de Draadwormen en Platwormen--monden uit in de blaas
(e), die in gemeenschap staat met de kloakopening aan den wortel van
den voet, waarin ook het darmkanaal en de eileider eindigen. Onze
Noteus heeft een zeer ontwikkelden eierstok (c). De mannetjes zijn
zeldzaam, nog zeldzamer dan bij vele van de laagst georganiseerde
Schaaldieren; op zeer zonderlinge wijze wijkt hun lichaamsbouw van
dien der wijfjes af. Zij zijn veel kleiner; gastronomische genietingen
zijn hun ontzegd, wegens het geheel of bijna geheel ontbreken van het
spijskanaal; over 't geheel genomen spelen zij een zeer ondergeschikte
rol, worden, naar het schijnt, slechts gedurende korten tijd door de
andere sekse geduld en verdwijnen dan van het wereldtooneel.
De familie der Diklijven (Hydatinaea) verschilt van die der
Schilddragers door het gemis van een pantser en door de kortheid van
den voet. Vooral door het onderzoeken van het algemeen verbreide, 0.5 à
0.6 mM. lange Bultige Diklijf (Hydatina senta)--dat in het stilstaande
water van kleine plassen en van buitenshuis geplaatste bakken dikwijls
bij millioenen voorkomt--leerde Ehrenberg den samengestelden bouw
van de Raderdieren kennen. Evenals bij alle groote Raderdieren,
werd bij deze soort in den slokdarmstreek een groote zenuwknoop
gevonden, die door zenuwen in gemeenschap staat met de spieren en
de zintuigen, n.l. met 1 of 2 oogen en met een tastorgaan. De oogen
zijn roode vlekken aan de rugzijde van het vooreinde van 't lichaam
en van een lens voorzien. Het buis- of stijlvormige tastzintuig is
aan de rugzijde van het raderorgaan gelegen en draagt aan den top
een bundel fijne borstels.--Evenals de Daphniën, brengen ook de
meeste soorten van Raderdieren tweeërlei soort van eieren voort:
parthenogenetisch gevormde "zomereieren", waaruit in het gunstigste
seizoen alleen wijfjes, in den herfst wijfjes en mannetjes ontstaan,
en bevruchte "wintereieren", die na overwintering uitsluitend wijfjes
opleveren. Hoe snel de vermenigvuldiging dezer dieren geschiedt,
blijkt uit de mededeelingen van Ehrenberg. Deze zag in een exemplaar 2
à 3 uren na de geboorte de eerste eikiemen te voorschijn komen. In de
eerste 24 uur van zijn leven had het vier jongen voortgebracht. Als
ieder wijfje 4 eieren per dag legt en hare jongen den volgenden
dag hetzelfde doen, zal één individu na 10 dagen ruim 10 millioen
nakomelingen hebben en zal dit aantal op den 11en dag tot ruim 50
millioen zijn toegenomen. Hoewel dergelijke berekeningen niet volkomen
betrouwbaar zijn, daar een zoo groote vruchtbaarheid bij een en
't zelfde wezen nooit lang aanhoudt, kunnen zij toch een verklaring
leveren van het plotseling verschijnen van een buitengewoon groote
menigte dieren van een soort.
Tot de familie der Langlijven (Philodinaea) behooren de Raderdieren,
die het meest besproken worden en het algemeenst verbreid zijn; bij
hen is de beweging van het raderorgaan het eerst waargenomen en kan
dit het gemakkelijkst geschieden. Het Gewone Raderdiertje (Rotifer
vulgaris) en zijne naaste verwanten hebben aan het vooreinde, in den
nek, een slurfachtig aanhangsel, dat 2 roode oogen draagt. Hun in een
gaffel eindigende voet kan, evenals bij alle overige leden der familie,
bij wijze van een verrekijker tot een aanmerkelijke lengte uitgerekt
en ingekort worden. De eigenlijke verblijfplaats van de dieren dezer
soort en van de meeste hunner verwanten is stilstaand water, waarin
zij zich tusschen flap en andere algen zoo sterk kunnen ophoopen,
dat de plantjes er als beschimmeld uitzien. Vele soorten leven echter
in de zee en wel in den regel vrij, aan de oppervlakte van 't water,
soms echter parasitisch, op kleine Schaaldieren, Ringwormen, in
huidgroefjes van Synapten, enz. Andere leven wel is waar op vochtige
plaatsen, maar toch niet eigenlijk in het water en zijn ook in den
regel parasieten. Een soort leeft vastgehecht aan de huid van een
kleinen zoetwater-Regenworm, maar kan ook zijn gastheer verlaten,
bij wijze van Spanrups wegkruipen of zijn raderorgaan uitsteken en
op elegante wijze wegzwemmen. Andere wonen in de lichaamsholte van
Regenwormen of Naakte Slakken.
Sommige op vochtige plaatsen groeiende levermossen uit de familie
der Jungermanniaceën worden bewoond door talrijke exemplaren van
een soort van Raderdieren (Callidina parasitica). De bedoelde mossen
komen voor op de schors van eiken of beuken en zijn aan de naar den
stam gekeerde zijde voorzien van klokvormige of kapvormige organen,
die ieder 1 à 3 Raderdieren bevatten. Bij vochtige weersgesteldheid
(ook in heldere nachten ten gevolge van den dauw) zijn de moszoden
meestal vochtig genoeg om de Rotatoriën in staat te stellen haar
raderorgaan te ontplooien; meestal steken zij dit dan buiten haar
woonplaats en raderen ijverig. Wanneer de plant een enkele maal te
droog wordt, is dit voor hare bewoners geen onoverkomelijke ramp. Onze
Callidina trekt zich dan terug op den bodem van haar huisje, vervalt
in een toestand van schijndood en droomt van betere, vochtigere tijden.
De plant verschaft aan het Raderdier niet slechts een woning, maar
bovendien nog een ander voordeel; zij geniet hiervoor trouwens een
belooning. De levermossen hebben n.l. veel te lijden van parasitische
algen; daar deze tot voedsel dienen aan de Raderdieren, bewijzen
deze gasten aan hun hospita een belangrijke dienst. Hier hebben wij
dus een niet minder sterk sprekend voorbeeld van symbiose dan dat,
waarmede wij bij het bespreken van de betrekking tusschen de Snijders
en de Zee-anemonen kennis maakten.
Men heeft nagegaan in hoe verre de Raderdieren weerstand kunnen
bieden aan uitdroging. Deze onderzoekingen hebben geleerd, dat
geen enkele van de Rotatoriën, die voortdurend het water bewonen,
hare levensverrichtingen hervat, wanneer zij, na uitdroging,
opnieuw bevochtigd wordt. Daarentegen zijn de Raderdieren, die in
mossen wonen, niet geschikt om in het water te blijven, hoewel zij
van nature waterdieren zijn. In den loop der tijden hebben deze
soorten zich zoodanig gewijzigd, dat hare leden slechts gedijen,
wanneer haar leven uit snel opeenvolgende perioden van vochtigheid
en droogte bestaat. Vroeger onderstelde men tot verklaring van
de geographische verspreiding der Raderdieren, dat zij, tot een
uiterst gering gewicht verdroogd, door den wind overal heen gevoerd
zouden worden. Naar het schijnt, geschiedt dit echter alleen met de
wintereieren der Raderdieren. Zoo komt het, dat deze bijna overal
gevonden worden, waar het hun mogelijk is te leven, zelfs tusschen
korstmossen en mossen op daken en in het stof van dakgoten. Ehrenberg
vond dezelfde soorten in het mos van Potsdam en Berlijn als in dat
van de ceders van den Libanon. Naar het schijnt, treft men in geheel
Europa, in Noord-Amerika en op Nieuw-Zeeland dezelfde Callidina-soort
aan. Schmarda vond Raderdieren in de geconcentreerde zoutoplossing van
het meertje El Kab in Opper-Egypte en op groote hoogten in de Andes van
Amerika. Ehrenberg nam ze waar in de sneeuw van de toppen der Alpen,
waar zij van eigenaardige algen-soorten leven, en in monsters aarde,
die de Gebroeders Schlagintweit in den Himalaja op een hoogte van
18000 voet verzameld hadden. Dr. Joseph ontdekte 9 soorten in de
holen van Krain.
De afgebeelde Sierlijke Bloempolijp (Floscularia ornata) is een
vertegenwoordiger van een laatste groote familie, die men Buisbewoners
(Tubicolariae) kan noemen, daar zij, althans voor 't meerendeel,
door een hulsel omgeven zijn. Het opmerkelijkste verschijnsel, dat
zij aanbieden, is de zeer sterke wijziging van hun raderorgaan. Op 5
kegelvormige uitsteeksels van den koprand ziet men bundels van lange
haren, die den naam van trilharen niet verdienen, daar zij stijf en
bijna onbeweeglijk zijn. Nagenoeg in den mondtrechter bevindt zich
de krans van trilharen, die voedsel aan het dier toevoert. Dit is
omgeven door een fijne, geleiachtige koker, waarin het zich, evenals
de leden van verwante geslachten, door het ineenschuiven van den voet
kan terugtrekken.
Zeer merkwaardig zijn de Kogeldiertjes (Conochilus), doordat de
vrouwelijke in vrij grooten getale een bolvormigen geleiklomp tot
gemeenschappelijke woning hebben. Slechts den kop verheffen zij boven
de oppervlakte van den bol, die door de gezamenlijke werking van de
trilharen dezer dieren een draaiende beweging verkrijgt. De mannetjes
daarentegen leven vrij, zonder hulsel.