DE WORMEN.

Na de Gewervelde en de Gelede Dieren liggen de Wormen aan de beurt.

De grenzen van deze hoofdafdeeling hebben belangrijke veranderingen

ondergaan sedert den tijd toen Linnaeus het geheele dierenrijk in 6

klassen verdeelde, n.l. in Zoogdieren, Vogels, Amphibiën, Visschen,

Insecten en--Wormen. Een aantal diergroepen zijn van de Linnaeaansche

klasse der Wormen afgescheiden en tot den rang van hoofdafdeelingen

verheven; dit is geschied met de Protozoën of Oerdieren, de

Coelenteraten of Holtedieren, de Stekelhuidigen, de Weekdieren en

de Salpen met de Ascidiën. Daarentegen heeft men het Lancetvischje,

dat vroeger als een Worm werd beschouwd, als het laagst ontwikkelde

Gewervelde Dier leeren kennen en zijn de Slijmprikken (Myxinidae)

als een merkwaardige groep van Visschen ontmaskerd. Voorts hebben de

Raderdieren en de Armpootigen (Brachiopoda), die eeuwen lang onder

de Weekdieren werden gerekend, in de hoofdafdeeling der Wormen een

plaats gekregen; zelfs heeft men het wenschelijk geacht de Mosdieren

(Bryozoa) hierin op te nemen. Ook de Dicyemiden, die Van Beneden

als een afzonderlijke hoofdafdeeling op de Protozoën laat volgen,

als een overgang van deze tot de hoogere dieren (Metazoa), worden

thans Wormen genoemd.

Het ligt in den aard der zaak, dat het uiterst moeilijk, zoo niet

onmogelijk is, van deze veelomvattende groep een beknopt algemeen

overzicht te geven. De nu volgende inleiding geldt daarom meer

bepaaldelijk voor de drie klassen Ring-, Rond- en Platwormen, die

de kern van de hoofdafdeeling vormen.--Met het woord Worm verbindt

iedereen de voorstelling van een tweezijdig symmetrisch, min of meer

langwerpig lichaam, dat soms rolvormig is, als bij den Regenworm,

soms duidelijk aan de buikzijde afgeplat, zooals bij den Bloedzuiger,

soms ook op den rug plat, zooals de Lintworm-leden. Over 't algemeen

zijn de huidbekleedselen week; zeer dikwijls dragen deze, althans in

een bepaald levenstijdperk, op sommige plaatsen van hun oppervlakte

trilhaartjes. Het ontbreken van deze microscopisch kleine organen

bij alle Insecten, Spinachtigen, Duizendpooten en Schaaldieren,

in tegenstelling met de Wormen, die er zoo overvloedig mede bedeeld

zijn, is een zeer opmerkelijk feit. Gewoonlijk is een samenhangende

laag van spiervezels, die elkander in dwarse en overlangsche richting

kruisen, onmiddellijk met de huid verbonden. De samentrekkingen van het

lichaam, de slangswijze kronkelingen bij het zwemmen, de verplaatsing

van enkele organen, b.v. van de met borstels bezette huidstompjes,

worden veroorzaakt door dezen huidspierzak of door zijne deelen. De

mogelijkheid van deze bewegingen berust op het week blijven van de

huid, welker bekleedselen niet, gelijk bij de Arthropoden tot een

skelet verharden. Een belangrijk en algemeen bekend kenmerk van de

Wormen is het ontbreken van de pooten; daarom juist kronkelen zij

zich. Vele doen dit in horizontale richting, zooals de Slangen; andere,

b.v. de Bloedzuigers, bewegen zich voort door vertikale golvingen

van het lichaam. Bovendien maken vele Wormen bij het kruipen gebruik

van knobbelvormige uitstulpingen van de huid en den huidspierzak,

waarin afzonderlijk geplaatste of tot bundels gegroepeerde borstels

vastgehecht zijn. Voorts bezitten vele parasiteerende en ook een aantal

vrij levende Wormen zuignappen als hulpmiddelen bij de voortbeweging.

Voor zoover aan het lichaam van een Worm geleding valt waar te nemen,

onderscheidt deze zich door de gelijkvormigheid der leden belangrijk

van die der Arthropoden. Het zenuwstelsel van de hoogst ontwikkelde

Wormen (Anneliden) bestaat, evenals dat van vele Arthropoden, uit

een hersenknoop, die door den slokdarmring verbonden is met een

enkelvoudige buikzenuwstreng, waarvan het aantal gangliën in den

regel met dat der segmenten overeenstemt en nooit door samensmelting

vermindert, gelijk bij de Krabben, Spinnen, enz., in verband met de

samenvoeging der segmenten tot grootere afdeelingen, geschiedt. Bij

vele lager ontwikkelde vormen, o.a. bij de Lintwormen, ontbreekt ook

dit ganglion en bestaat het geheele zenuwstelsel uit twee bij den rand

van het afgeplatte lichaam gelegen zenuwen, die aan het voorste "lid"

door een dwarsstreng verbonden zijn. Alleen bij de Dicyemiden ontbreekt

het zenuwstelsel geheel. De meerdere of mindere ontwikkeling van de

zintuigen staat in verband met de levenswijze; bij de vrij levende

Wormen is hun trap van volkomenheid geëvenredigd aan de geschiktheid

tot beweging. Om gelijke redenen als die, welke gelden voor de in

holen levende Kevers en Schaaldieren, die het gezichtsvermogen verloren

hebben, zijn ook bij de Wormen, die door hun verblijf in het lichaam

van andere dieren, geen behoefte hebben aan zintuigelijke waarnemingen,

de organen hiervoor achterwege gebleven. Slechts bij enkele Ringwormen,

Nemertinen en Turbellariën vindt men gehoorblaasjes. Tastorganen

komen veelvuldig voor en zijn verschillend van vorm.

Het inwendig maaksel der Wormen biedt zooveel verscheidenheid aan, dat

er weinig in 't algemeen van te zeggen valt. Dit zal het duidelijkst

blijken bij het beschouwen van de Platwormen, daar in deze klasse

allerlei trappen van ontwikkeling der voedingsorganen voorkomen. De

meeste van hare leden (n.l. de Lintwormen of Cestoden, de Zuigwormen

of Trematoden en de Eigenlijke Platwormen of Turbellariën) hebben

geen opene, doorloopende lichaamsholte: de ruimte in den huidspierzak

is, voor zoover zij niet door de ingewanden wordt ingenomen, gevuld

met een week weefsel (het zoogenaamde parenchym), op onregelmatige

wijze in zeer talrijke, kleine vakjes verdeeld door spierbundels

en bindweefselstrengen, die zich van de rugzijde naar de buikzijde

uitstrekken. Dikwijls (bij alle Lintwormen) gaat deze inrichting

gepaard met het gemis van een darmkanaal, terwijl ook mondopening

en aarsopening ontbreken. Het voedsel kan in dit geval alleen

in vloeibaren vorm en langs osmotischen weg, door de huid, in het

lichaam dringen. Bij enkele Turbellariën ontbreekt wel is waar het

darmkanaal, maar is een mondopening aanwezig, waardoor de spijs in het

haar verterende parenchym geraakt. Bij de overige Turbellariën volgt

op den mond een blind eindigend spijskanaal: bij sommige zakvormig,

bij andere boom- of netvormig vertakt. De Trematoden hebben een

gaffelvormig spijskanaal en, evenals de meeste Turbellariën, een mond,

die tevens als aars dienst doet. Den hoogsten rang in de klasse der

Platwormen nemen de Snoerwormen of Nemertinen in, daar zij zoowel een

echte lichaamsholte als een spijskanaal met mond en aars bezitten,

evenals de Borstelwormen, Brugwormen (Gephyreën), Raderdieren,

Mosdieren en Echte Draadwormen (Nematoden). Het spijskanaal is kort

en slank bij die, welke hun voedsel snel verwerken: het is voorzien

van als voorraadschuren dienende verwijdingen bij de Wormen, die,

gelijk de Bloedzuigers, een groote hoeveelheid voedsel te gelijk in

hun lichaam opnemen en dit langzaam verteren.

Met de ontwikkeling van het spijskanaal houdt de inrichting van

het bloedvatenstelsel gelijken tred. Bij vele Hoogere Wormen

kan men het aan het levende dier, tot in kleine bijzonderheden,

nauwkeurig nagaan. Met ziet dan het (meestal roodachtige) bloed

circuleeren in eenige dikke en vele fijnere bloedvaten, die niet met de

lichaamsholte in gemeenschap staan. Het volkomen gesloten zijn van dit

bloedvatenstelsel, waarin groote kloppende vaten de rol van "harten"

vervullen, is een karakteristieke eigenaardigheid van de Ringwormen.

De ademhaling komt bij sommige Wormen door de geheele oppervlakte

van de huid tot stand; bij andere heeft de huid aanhangselen, die

als kieuwen dienen; nog andere bezitten vaatrijke, inwendige organen,

die tot op zekere hoogte vergeleken kunnen worden met de luchtbuizen

der Insecten, daar zij het ademhalingswater diep in het lichaam

doen doordringen.

Ook de voortplantingsorganen zijn zeer verschillend van maaksel;

bij sommige Wormen, vooral bij laag ontwikkelde, zijn zij zeer

samengesteld, bij andere zeer eenvoudig. Alle mogelijke wijzen

van voortplanting en ontwikkeling, knopvorming, metamorphose,

generatiewisseling, parasitisme van den eitoestand tot aan den dood,

parasitisme op lateren leeftijd bij wezens die gedurende hun jeugd

vrij leven, parasitisme van jeugdige vormen en vrije beweging bij

oudere, het vrij leven in alle tijdperken--al deze gevallen gaan

in bonte mengeling ons voorbij bij 't beschouwen van verschillende

groepen der hoofdafdeeling.

Na het zooeven gezegde zal het niemand verwonderen, dat men de Wormen

in evenveel klassen heeft verdeeld, als in de beide voorafgaande

hoofdafdeelingen van het dierenrijk te zamen voorkomen. Ook zal het

blijken, dat deze splitsing niet te ver is gevoerd, daar de uiterste

groepen van elk dezer klassen veel meer uiteenloopen dan bij de

Gewervelde en de Gelede Dieren gewoonlijk het geval is. De hier

aangenomen klassen zijn: 1) Raderdieren (Rotatoria), 2) Brugwormen

(Gephyrea), 3) Kieuwspleetwormen (Enteropneusta), 4) Ringwormen

(Annelides), 5) Rondwormen (Nemathelmintes), 6) Mosdieren (Bryozoa),

7) Armpootigen (Brachiopoda), 8) Platwormen (Plathelminthes), 9)

Tweebladigen (Dicyemidae).

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 6: De Wormen · 第 5 / 25 题